Keyword

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait

Onze partners

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 306 niet laden
Concertreviews

Een beetje muziekliefhebber moet Kurt Vile om veel dankbaar zijn, niet in het minst het onbewuste duwtje in de rug aan het adres van jeugdvriend Steve Gunn die sinds zijn tijdelijk verblijf in Vile’s begeleidingsband The Violators gestaag uit de obscuriteit komt gekropen. Uit voorgaande albums ‘Way Out Weather’ (’14) en ‘Eyes On The Lines’ (’16) konden we reeds opmaken dat de in Brooklyn, NY residerende Gunn een onwaarschijnlijk getalenteerde gitarist is, maar nog dat tikkeltje branie mistte om ook als storyteller te imponeren. Maar kijk, op Gunn’s jongste worp worden we zodanig verpletterend op onze wenken bediend dat het een boute voorspelling waard is: een straffere liedjesplaat dan ‘The Unseen In Between’ komt in 2019 wellicht niet meer boven drijven.

Thurston Moore’s eerdere uitnodiging om de affiche van Sonic City 2017 te vervolledigen is Steve Gunn zodanig goed bevallen dat hij afgelopen woensdag alweer present tekende in Kortrijk tijdens de eerste van twee Belgische passages op zijn huidige clubtour. Vaste opener “Wildwood” is vanavond één van de weinige keren dat de Amerikaan teruggrijpt naar zijn back-catalogue waar de lang uitgesponnen psychedelische gitaartrips zo maar voor het oprapen liggen. Halfweg “Wildwood” krijgt Gunn’s driekoppige begeleidingsband al meteen een vrijgeleide om de lichtjes benevelde acidrock van The Grateful Dead even te doen herleven. Heel even maar.
De bedwelmende mist klaarde inderdaad al snel op wanneer vervolgens ‘The Unseen In Between’ integraal de revue passeert. In interviews laat Gunn uitschijnen dat hij op die nieuwe plaat niet louter en alleen als een left-of-center gitaarvirtuoos door het leven wil gaan die verhaaltjes verzint over fictieve personen of gebeurtenissen. De recente dood van zijn vader duwde hem langzaam maar zeker richting het type confessionele songwriter die persoonijke emoties in toegankelijke nummers weet te gieten. Zo refereert het innemende “Stonehurst Cowboy”, waarop Gunn duizelingwekkend straf soleerde op folkgitaar, naar het onuitwisbare verleden van vader Gunn als Vietnam veteraan en uiteindelijk diens definitieve afscheid: “Meet me at the square of joy, fixed star in the night. No more questions, I have your mind, safe and dignified”.
Een ander kenmerk van Gunn v2.0 is zijn groeiende fascinatie voor Angelsaksische folk. De melancholische ondertoon van ingetogen juweeltjes als “New Moon” en “Luciano” verraden dat er thuis bij de introverte Amerikaan een handvol platen van genrepioniers Bert Jansch, Nick Drake en John Martyn in de kast staan. De puike strijkersarrangementen die de transitie van studio naar podium niet overleefden moest je er zelf wel bij fantaseren.
Aan muzikale moodswings overigens geen gebrek daar in Kortrijk. De okselfrisse indiepop van de vooruitgeschoven single “Vagabond” klonk als het beste nummer dat The Go-Betweens tandem Grant McLennan en Robert Forster vergaten te maken. Het langzaam crescendo gaande “New Familiar” was zowaar nog een pak straffer, waarin Gunn & co hun melting pot van Indiase raga, southern rock en prog net niet lieten overkoken. Tijdens “Chance” moesten we zowaar spontaan denken aan de psychfolk van generatiegenoot Ryley Walker; achteraf aan de merch stand vertelde Gunn ons trouwens dat Walker een goeie maat is met wie hij regelmatig het podium deelt tijdens live improvisaties. Over vrije vorm gesproken, het op plaat zo sfeervolle kerstnummertje “Paranoid” werd in De Kreun bijna onherkenbaar hertimmerd tot een uit de hand gelopen repetitie van de embryonale Sonic Youth.
Ook in de encores niets dan hoogtepunten. Eerst vonden Gunn’s songwriter klasse en gitaarvernuft elkaar blindelings in een uitgebeende solo versie van “Morning Is Mended”. Dit was adembenemende cosmic folk van een buitenaards niveau dat we enkel kennen van ene Richard Thompson. Vervolgens mochten de drie muzikanten die gans de avond in de schaduw van Gunn hadden geopereerd hun veelzijdigheid etaleren tijdens het titelnummer van de ‘bescheiden doorbraakplaat’ “Way Out Weather” uit 2014; van americana naar freejazz en terug, een epische afsluiter volgens het boekje heet zoiets.

Kurt Vile zou zijn buddy wel eens vroeger dan verwacht opnieuw tegen het lijf kunnen lopen; op basis van wat we in Kortrijk voorgeschoteld kregen, niet langer als huurling, wel te verstaan.

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

woensdag 26 december 2018 20:54

Shame - Pletwalsende postpunk

A hard, soft or no Brexit: de nabije toekomst zal het uitwijzen, maar wat de Zuid-Londense kerels van het fel gehypte Shame betreft verkeert hun land nu al in een verregaande staat van sociale ontbinding. Onder het motto ‘never waste a good crisis’ vonden ze er een gedroomde voedingsbodem om hun existentiële levensvragen in een trits melodieuze postpunk songs te persen. De samenbundeling daarvan, ‘Songs of Praise’, legde bij de release afgelopen januari de lat al meteen erg hoog in de categorie ‘Debuutalbum van het jaar’.

Afgelopen donderdagavond incluis heeft Shame dit jaar niet minder dan 162 live gigs op de teller staan. Geen wonder dus dat we in een uitverkochte ABBox een goed gerodeerde bende jonge honden aantroffen, perfect gegangmaakt door hun charismatische brulboei Charlie Steen. We zijn amper halfweg het met prikkeldraad gitaren doorweven openingsnummer “Dust on Trial”, en Steen rolt al als de nieuwe Messias van een verloren generatie over de moshende massa. Er volgen nog verschillende andere van dit soort intense kennismakingen met het publiek, dus de hippe bretellen die de frontman draagt blijken eerder pure noodzaak dan een weloverdachte modegril.
In minder dan een uur tijd raast Shame als een pletwals doorheen alle nummers uit ‘Songs of Praise’. In de huiskamer klinken die nog behoorlijk melodieus, maar onder de spotlights van een bezweet podium worden het manisch in het rond vliegende splinterbommetjes die genadeloos op hun doel afgaan. Muzikaal zet het Engelse vijftal daarbij geen nieuwe bakens uit: de rauwe punk uit de begindagen van The Clash en de überstrakke maatpakken rock van The Godfathers zijn daarvoor te prominent aanwezige referentiepunten.
En toch is Shame ontegensprekelijk een groep van nu die met tonnen branie op het podium staat en hun dagdagelijkse observaties in post-Brexit land in weinig cryptische teksten weet te vertalen. Het (overwegend) jonge publiek lustte er in Brussel wel pap van. Wanneer Steen in “Tasteless” een stevige uppercut uitdeelt aan de onverschillige politieke elite scandeert iedereen alert mee: “I like you better when you’re not around”.
Tijdens interviews zit Shame een beetje verveeld met hun imago van political band, want hun inspiratie reikt nu eenmaal veel verder dan dat. In hun meest radiovriendelijke single “One Rizla” worden sociale media en het bijhorende fake image building door de bril van een adolescent op de korrel genomen. Tijdens het zeldzame rustpuntje “Angie” suggereert Steen een relatie met een meisje dat later zelfmoord pleegt; dichter bij een Oasis anthem kwamen ze nooit eerder.
Ook de drie nieuwe nummers die in de AB het daglicht zagen verraden een zekere verbreding van het toekomstige Shame geluid. “Human, For A Minute” klonk vooralsnog wat te braafjes, maar “Cowboy Supreme” en vooral het lang uitgesponnen “Exhaler” lieten uitschijnen dat het tweede Shame album het muzikale avontuur niet zal schuwen.
Met de ultrakorte Stooges rip-off “Donk”, door Steen ingeleid als ‘the last song we’ll play this year’, haalde Shame afgepeigerd maar voldaan de finish van hun dolle rit op Belgische bodem. De pletwals mag even naar de garage voor een welverdiend groot onderhoud, maar de tabloids in hun thuisland weten het nu al: the unstoppable force named Shame will be back!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Ook zonder écht relevante platen uit te brengen verdient Sheffield’s finest The Human League reeds decennia lang een aardige stuiver in het 80ies revival circuit. Het grootste deel van dat lucratieve pensioenplan heeft het Engelse gezelschap opgebouwd van pakweg ’81 tot ’86 toen hun tussen kunst en kitsch laverende synthpop zowel door new wave adepten als door de commerciële mainstream wereldwijd werd gesmaakt. De drie voornaamste veteranen uit die glorieperiode, frontman Philip Oakey en zangeressen Susan Ann Sulley (‘de blonde’) en Joanne Catherall (‘de zwarte’), horen we niet klagen als zou hun populariteit inmiddels tanende zijn: schijnbaar moeiteloos liepen zowel de AB, het Kursaal en de Roma afgelopen weken vlotjes vol om de hitmachine uit het foutste decennium van de muziekgeschiedenis aan het werk te zien.  

The Human League trekt dit jaar de wereld rond met hun ‘Red tour’, een nostalgische knipoog naar een vroegere gewoonte van de band om hun vinyl singles rood te merken als ze expliciet voor de dansvloer bestemd waren. De designers van de flashy video wall op de achtergrond hadden dat duidelijk goed begrepen: rood was een regelmatig terugkerend kleur in een verknipt decor van muziekclips, video animaties en fluoprojecties dat het publiek in een handomdraai terug naar de 80ies katapulteerde op de strakke synthpop beats van “The Sound Of The Crowd”. Meteen viel op hoe de onderkoelde bariton van de inmiddels 63-jarige Oakey nog steeds akelig perfect klinkt. Was dit het betere lip sync werk ... of toch het resultaat van een popster pur sang die zich gewoon goed soigneert in de herfst van zijn carrière en als een afgetrainde atleet van de ene naar de andere trap holde? We hebben geen bewijzen voor het eerste dus veronderstellen dan maar het tweede.
Dé voornaamste bestaansreden van The Human League anno 2018 zit verpakt in ‘Dare’, dat ene classic album uit ’81 waarop de synthese tussen de elektronische spielerei van Kraftwerk en de space disco van Giorgio Moroder het nieuwe handelsmerk van de groep werd. De klassieke synthpop singles uit dat album zoals “The Things That Dreams Are Made Of”, “Open Your heart” en “Love Action (I Believe in Love)” ontbraken natuurlijk niet in Oostende en lokten prompt een horde dolle vijftigers uit hun comfortable zetel richting frontstage om een danspasje op een halve tegel te wagen. Voeg daarbij andere popparels als “The Lebanon” (yep, ineens werd hier zowaar een gitaar gespot op het podium), de lichtvoetige Motown pastische “Mirror Man” en de enige noemenswaardige 90ies hit “Heart Like A Wheel”, en je hebt het recept voor een onvervalst feestje der herkenning dat gewoonweg niet kón mislukken.
Oakey & co hadden gelukkig ook wat minder evidente songs op het menu staan. Het atmosferische “Seconds”, met voorsprong het beste nummer uit ‘Dare’, werd toendertijd weggemoffeld als B-kantje van “Don’t You Want Me” maar heeft intussen zijn eeuwigheidswaarde bewezen als inspiratiebron voor uiteenlopende acts van Ladytron tot LCD Soundsystem. Ook met de okselfrisse elektropop van “Night People”, een vergeten single uit League’s laatste album ‘Credo’ (’10), overbrugde de Engelse veteranen moeiteloos een aantal generatiekloven. Op haar beurt keek de groep ook eens achterom richting eigen inspiratiebronnen, en kwam wonderwel uit bij Ryuichi Sakamoto’s Yellow Magic Orchestra wiens “Behind The Mask” een glossy en zeer geslaagde makeover kreeg.
De meeste ogen mochten dan al gericht zijn op de drie oorspronkelijke leden, toch verdienen de twee synthspelers en de drummer evenveel krediet om de tot in de puntjes uitgekiende greatest hits show van begin tot eind strak te regiseren. Het gaf Oakey en zijn twee stoïcijns voor zich uitkijkende Griekse godinnen meteen ook de tijd en ruimte om vestimentair uit te pakken en hun voormalige reputatie als stijliconen van de new romantic movement hoog te houden. Oogverblindende glitters, potsierlijke pluimen, halve kilts en doorzichtige regenjassen: you name it en het zat in de verkleedkoffer van Sheffield’s finest.

Tijdens de twee toegiften schetste The Human League mits magistraal gekozen contrasten haar eigen muzikale evolutie van een avant-gardistisch elektro gezelschap (“Being Boiled”) naar een catchy synthpop band met Abba-esque neigingen (“Together in Electric Dreams”, een toenmallige joint venture tussen Oakey en de onvermijdelijke Moroder).
Slotsom: net als bij de recente concertreeksen van Kraftwerk voelde de tot op de milliseconde strakke timing toch wel wat steriel aan, maar evenzeer als hun geestelijke vaders kwam The Human League hier toch vooral bewijzen dat hun muzikale erfenis weinig aan relevantie heeft ingeboet. Kunst - kitsch: 1 - 1.

Organisatie: Live Nation

vrijdag 19 oktober 2018 11:36

The Posies - Power(pop) to all our friends

Alle artistieke vernieuwingsoperaties ten spijt, The Posies deden de jongste jaren vooral hun best om net niét als The Posies te klinken. Sterkhouders van het eerste uur Jon Auer en Ken Stringfellow, hét kwajongensduo bij uitstek als het over meerstemmige powerpop gaat, zagen de bui al hangen en lieten dit najaar de kans niet liggen om tijdens hun ‘30th anniversary tour’ enig eerherstel af te dwingen. Wat deze tour redelijk uniek maakt is dat de plooien met de originele ritmesectie Dave Fox (bas) en Mike Musburger (drums) na akkefietjes over fame and fortune eindelijk zijn glad gestreken; in De Kreun stonden dus dezelfde vier heren die 24 jaar geleden hun allereerste optreden op Kortrijkse bodem gaven in café Den Chips ... those were the days!

Dertig jaar on the road, het is uiteraard niet niks, maar zoals de setlist al snel duidelijk maakte hebben The Posies veruit de meeste potten gebroken in de 90ies. Niet meer dan logisch dus dat Auer en Stringfellow hun verjaardagsfeestje vooral hadden gebouwd rond ‘Frosting On The Beater’ (’93) en ‘Amazing Disgrace’ (’96), twee ‘classic’ albums die recent een tweede leven kregen in lijvige reissue versies. De uit die periode daterende symbiose tussen Big Star en Cheap Trick slaat live nog steeds de meeste gensters, zeker nu de The Posies na jarenlange verkenning van het less is more principe eindelijk terug een full electric band geworden zijn. Opvallend ook hoe popgrunge parels als “Dream All Day”, “Daily Mutilation”, “Please Return It” en “Definite Door” in geen tijden zo potig klonken dankzij de hernieuwde samenwerking met de geoliede ritmetandem Fox - Musburger.
Zelfs tijdens een nostalgisch best-of feestje als dit willen Auer en Stringfellow zichzelf blijven uitdagen. Zo doken ze midden in de set plots het publiek in om onversterkt het oudje “You Avoid Parties” op te rakelen. Even knetterde er een weemoedig kampvuurtje in De Kreun, en bleken The Hollies de coolste band ter wereld. Een ander (on)berekend risico die de twee boys from Seattle zowat elke avond nemen is het promoten van lokaal talent. Artist in residence Galine mocht een paar nummertjes komen meekreunen uit de laatste echt goeie Posies schijf, ‘Blood/Candy’ (‘10), maar verkwanselde door haar stuitende desinteresse een uitgelezen kans om haar aantal likes significant de hoogte in te jagen. Het contrast kon niet groter zijn met Auer’s veelbetekend vingertje richting hiernamaals tijdens de slotakkoorden van “So, Caroline”, opgedragen aan ‘s mans beste vriend en voormalig Posies drummer Darius Minwalla die na amper 39 lentes in 2015 onverwacht een ticket richting indie heaven in de bus kreeg.

Eindigen deden The Posies met twee dubbele uppercuts uit hun vetste jaren. Met de okselfrisse gitaarpop singles “Flavor Of The Month” en “Solar Sister” hebben Auer en Stringfellow menig zomerfestival ingepakt, en dat was in De Kreun niet anders.
Harder en donkerder klonken de finale adrenaline shots “Throwaway” en “Ontario”, waarna het verjaardagsfeestje zich verplaatste naar de merchandise stand waar de twee frontmannen als vanouds een potje gaan zwanzen met fans en selfie jagers. Nostalgie was vanavond even geen vies woord of een hol marketing product, maar een zelfrelativerende ode aan oude vriendschappen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
The Posies
http://www.musiczine.net/nl/foto-s/view-album/99

Grand blue herion
http://www.musiczine.net/nl/foto-s/view-album/100
Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Al 43 jaar lang hebben musicologen de grootste moeite om Pere Ubu in een welafgelijnd hokje te proppen. Omdat regelmatig terugkerende termen als ‘postpunk’ en ‘artrock’ de lading amper dekken heeft het Amerikaanse gezelschap rond de -in alle opzichten- imposante frontman David Thomas dan maar zelf een muzikale stempel bedacht: avant garage. In die garage staan afgedankte grasmaaiers, ingedeukte jerrycans en roestige mestvorken broederlijk zijn aan zij als metaforen voor de  avantgardistische spielerei die elke goeie Pere Ubu song boven de conventionele middelmaat doet uitstijgen.

Om haar voorjaarsoffensief met een orgelpunt af te sluiten liet de 4AD club Pere Ubu tijdens hun ‘MonkeyNet’ tour halt houden in Diksmuide. Thomas hoort zijn weg redelijk goed te kennen naar de Ijzertoren: ook in 2011 strompelde hij al een keer het podium van de 4AD op met Pere Ubu’s ‘The Annotated Modern Dance’, en in 2015 deed hij zelfs een geslaagde poging om de nihilistische protopunk van de pre-Ubu band Rocket From The Tombs uit het graf te doen herrijzen.  Na die reunie bleef de punkspirit nog flink nazinderen bij Thomas, wat vorig jaar resulteerde in het meest gitaargeoriënteerde album uit de Pere Ubu geschiedenis, ‘20 Years in a Montana Missile Silo’.

Die laatste worp, waarvoor de band de overstap maakte naar het legendarische Engelse indielabel Cherry Red Records, maakte vanavond het hoofdmenu uit.  Nooit gedacht dat we Pere Ubu nog zo pissig uit de hoek zouden horen komen als tijdens de lichtontvlambare garagepunk van “Monkey Bizness” en “Toe To Toe”, een koppel  rechttoe rechtaan uppercuts die wel weggelopen leken uit de comeback plaat van Rocket From The Tombs. Ook tijdens de funky cross-over van “Funk 49”, de naar PJ Harvey knipogende murder ballad “Howl” en de vintage Ubu weirdness van “Prison Of The Senses” voerde de gitaar de boventoon.

Het lijf van Thomas is in volle aftakeling, maar de radde tong, de cynische bindteksten en de nasale kopstem doen het wel nog steeds. De 64-jarige bompapunk moet al jaren het publiek noodgedwongen entertainen vanop een stoel, steevast vergezeld van een bundel tekstbladen en een fles rood, toch is en blijft hij de onbetwiste leider van het rariteitenkabinet genaamd Pere Ubu.

Want toegegeven, bij geen enkele andere band bestaat de loonlijst uit een gitarist in maatpak die overgeconcentreerd naar zijn partituren staart (Gary Siperko), een bassiste die een paar koppen kleiner leek dan haar instrument (Michele Temple), een sjofele veeboer met baseball pet die de theremin keer op keer laat ontsporen (Robert Wheeler), een langharige drummer die zo leek weggelopen uit de Foo Fighters (Steve Mehlman) en een klarinetspeler (Darryl Boone) die Thomas een paar geleden oppikte in een Engelse jazz club. Check!

Met een back catalogue die intussen reeds vijf decennia overspant hebben Thomas & co een echt luxeprobleem bij de oldies selectie, maar verrassend genoeg speelt de groep tijdens deze tour op veilig door vooral te gaan grasduinen in hun Fontana Years trilogie ‘The Tenement Year’ (’88), ‘Cloudland’ (’89) en ‘Worlds In Collision’ (’91). Dit mogen dan wel met voorsprong de meeste melodieuze jaren in de Pere Ubu geschiedenis zijn, in Diksmuide bleek nog maar eens dat ze met o.a. “Breath”, “Worlds In Collision” en “We Have The Technology” een paar tijdloze popsongs hebben opgeleverd.

In het eerste anderhalf uur onderstreepte Pere Ubu met verve haar bestaansreden anno 2018, zij het tegen een gezapig tempo en met voldoende ruimte voor gevatte oneliners en persoonlijke anekdotes van David Thomas.

Het contrast kon amper groter zijn met de band die na een rookpauze terug uit de kleedkamers tevoorschijn kwam. In een dolle rit met de teletijdsmachine krijste Thomas ineens alles uit zijn vege lijf tijdens withete versies van de punkevergreens “Kick Out The Jams”, “Sonic Reducer” en “Final Solution” (met een cynische knipoog naar Nirvana’s “Smells Like...”).

 

De boodschap is alleszins loud and clear aangekomen: Pere Ubu verloochent haar eigen roemruchte verleden niet maar staat toch vooral met twee benen (en een wandelstok) in het heden.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

 

Protomartyr - Detroit postpunk city’s finest
Protomartyr
Kreun
Kortrijk
2018-05-03
Geert Huys

Obama of Trump, het maakt weinig of geen verschil voor wie gevangen zit in de onderlaag van ‘the American heartland’. Ook voor het Amerikaanse kwartet Protomartyr maakt het geen ene reet uit wie nu juist de plak zwaait in Washington: overal in de States vinden ze inspiratie om de meedogenloze gevolgen van de fake American Dream stevig te laten doorpruttelen in hun gitzwarte postpunk. Liefhebbers van het genre moesten afgelopen donderdagavond in Kortrijk zijn, waar de band haar voorlopig magnum opus ‘Relatives in Descent’ net na zonsondergang kwam voorstellen.

De sociaal geëngageerde Amerikanen hadden in de Kreun overigens wel wat goed te maken. Hun vorige doortocht in Kortrijk kwam er op uitnodiging van zielsverwanten Viet Cong/Preoccupations die in 2015 de affiche van Sonic City mochten ineen boksen. De toen zwaar benevelde groepsleden van Protomartyr herinneren zich maar weinig meer van dat optreden ... behalve dat het behoorlijk ondermaats was. Frontman Joe Casey verontschuldigde zich vanavond dan ook uitvoerig, voegde er fijntjes aan toe dat artiesten ook maar mensen zijn, en nam een slok van het flesje gerstenat dat gedurende de ganse avond zijn vaste compagnon zou blijven.
Sinds hun overstap naar de vermaarde Engelse indiestal Domino is de sound van Protomartyr een tikkeltje cleaner geworden, maar dat betekent geenszins dat Casey & co aan impact hebben verloren. Zoals opener “My Children” perfect illustreerde schemeren dezelfde inspiratiebronnen nog steeds door in het repetitiehok van de vier Amerikanen: de tribal drums en ijle gitaar uit de intro refereren ontegensprekelijk naar The Cure ten tijde van ‘Pornography’, even later gevolgd door een gortdroog baslijntje en de claustrofobische zegzang  waar Joy Division hun volledige erfenis heeft op gebouwd. Verder op in de set zouden met The Fall’s Mark E. Smith (“Up The Tower”) en Nick Cave (“Windsor Hum”) trouwens nog twee andere muzikale rolmodellen van Joe Casey passeren. Het geheel wordt telkens afgekruid met een portie noise die, eigen aan zowat elke gitaarband uit Detroit, geïnspireerd is door de rauwe garageblues van stadsgenoten The Stooges en MC5.
Protomartyr heeft naast Casey trouwens nog een tweede geheim wapen aan boord in de persoon van drummer Alex Leonard. Het is namelijk zijn gegoochel met ritmiek en breaks dat ervoor zorgt dat er in elk nummer een ongemakkelijke spanningsboog groeit.
In tegenstelling tot vele van hun genregenoten lijkt Protomartyr echter geen bende navelstaarders die doen alsof er geen publiek in de zaal staat. De muziek is gevaarlijk, stoer en doomy, maar de stage act is dat niet. Wanneer ineens het nagelnieuwe “You Always Win” wordt aangekondigd , excuseert Casey zich al op voorhand voor eventuele schoonheidsfoutjes. Het nummer is trouwens een buitenbeentje in de set, want elke vorm van traditionele songstructuur moet hier wijken voor log noise experiment en dito feedback. De die-hard fans dienen dus al uit te kijken naar de bijhorende EP ‘Consolation’ die werd ingeblikt met gastbijdragen van Kelley Deal (The Breeders) en ergens volgende maand verschijnt.
Een dik uur lang weet de band moeiteloos het publiek aan zich te binden met afwisselend broeierige en gruizige postpunk zonder ook maar één dieptepunt. Ook de encores bleken allesbehalve afleggertjes. Hier werden vooral fans van het eerste uur verwend met verloren gewaande singles “Why Does It Shake?” en “Scum, Rise!” uit de vorige albums ‘The Agent Intellect’ (’15) en ‘Under Color of Official Right’ (‘14).

De herkansing die Casey & co in De Kreun kregen draaide uit op een glorieuze return to form. Wie sinds Sonic City ‘15 onterecht was afgehaakt , prikt dus best al volgende afspraak: 18 augustus, festival terrein Kiewit, Lift stage, ergens links van de PA.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/protomartyr-03-05-2018/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/tyvek-03-05-2018/

Organisatie: Wilde Westen

De invloed van BBC Radio 6 DJ Gilles Peterson in het spotten en promoten van opkomend talent begint zo stilletjes aan John Peel-achtige proporties aan te nemen. Neem nu de Leftfield MC Obaro Ejimiwe - aka Ghostpoet - wiens eigen beheer debuut EP in 2010 een zodanige indruk maakte op Peterson dat die prompt aan de catalogus van diens eigen Brownswood label werd toegevoegd. De tussentijdse balans na vier full albums oogt zo mogelijk nog indrukwekkender voor een a-commerciële outsider als Ghostpoet: twee van zijn schijven sleepten intussen een prestigieuze Mercury Prize nominatie in de wacht, en uit alle muzikale windstreken duiken collega’s op aan de deur van de opname studio om een gastbijdrage met Ejimiwe te kunnen inblikken.

Met de afgelopen herfst verschenen ‘Dark Days + Canapés’ worp onder de arm leek het dan ook een koud kunstje voor Ghostpoet om de AB Club volledig te doen vollopen. Opener “Many Moods At Midnight” maakte meteen duidelijk aan de fans van het eerste uur dat de tijden van Ghostpoet als eenzame MC on stage definitief voorbij zijn. Tegenwoordig staat Ghostpoet voor een hechte groep die de ongemakkelijke rhymes en stuiterende beats van weleer aanvullen met een organische ritmesectie en ijle gitaren.
Zoals de titel van zijn jongste opus al enigszins suggereert heeft
Ejimiwe inmiddels ook de zwartgallige postpunk van Bauhaus, The Cure en Siouxie ontdekt. Het heeft zijn muziek er een pak donkerder, maar daarom niet minder toegankelijk op gemaakt. De klankkleur van Massive Attack’s claustrofobische meesterwerk ‘Mezzanine’ dat dit jaar 20 kaarsjes mag uitblazen is wat dat betreft een belangrijk referentiepunt. Het mag dan ook geen toeval heten dat de opwarmende DJ Madame Moustache net voor de aftrap nog eens “Angel” uit die plaat door de boxen joeg! Van Massive Attack is het maar een kleine stap naar ene Tricky, die net als Gil Scott-Heron en Roots Manuva in het rijtje invloedrijke muzikale rolmodellen van Ghostpoet past. OK, we hebben Tricky zelden of nooit in een strak maatpak weten steken, maar de zwartgallige voordracht, de schaduwgevechtjes on stage en de serene iewat afstandelijke houding tegenover het publiek refereren onmiskenbaar naar het enfant terrible van de triphop.
Tijdens de anderhalf uur durende set stonden vooral het laatste album en diens al even briljante voorganger ‘Shedding Skin’ (’15) centraal. Beide platen worden bevolkt door tal van gastbijdragen die intussen zodanig stevig met de nummers vergroeid zijn dat elke andere versie inferieur is aan het origineel. Zo klonk het post-triphop juweeltje “Woe Is Meee” in de AB een pak minder urgent door de afwezigheid van de dreigende bariton van Massive Attack’s Daddy G, en kerfde “Shedding Skin” net iets minder diep in de ziel zonder de onderkoelde fluisterstem van Melanie De Biasio. Ter compensatie fungeerde de bijna onzichtbare toetseniste regelmatig als tweede stem, en één keer haalde ze zelfs een viool boven en voorzag hierbij “Blind As A Bat...” van een psychedelisch folkrandje.
Het wereldbeeld van Ghostpoet lijkt wel geïnspireerd door zijn huidskleur: zijn songs zijn doorgaans gitzwarte observaties die in de ik-vorm vertellen over menselijke miserie in al haar vormen. Als tegen het einde van de set het relaas van een bootvluchteling in het ijzingwekkende “Immigrant Boogie” passeert moeten we toch even slikken: “I was dreaming of a better life/With my two kids and my lovely wife/But I can’t swim and water’s in my lungs/So, here it ends, well, life has just begun”. Dat uitgerekend dit nummer vorig jaar werd uitgebracht als vooruitgeschoven single typeert Ghostpoet volledig.

Afsluiten deden
Ejimiwe & co met “Freakshow”, een van postpunk doordrongen triphop epos dat in andere tijden en een betere wereld wekenlang de toppositie van De Afrekening zou moeten innemen. Echter, zo lang nietszeggende ondingen als Imagine Dragons de plak zwaaien moet Ghostpoet zich tevreden stellen met een reputatie als cult hero. Onze platenkast staat er vol van, dus ondergetekende hoor je niet klagen.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

zaterdag 16 december 2017 01:00

Tjens Matic - WOW! (Waardig Ouder Worden)

Tjens Matic - WOW! (Waardig Ouder Worden)
Tjens Matic
Kreun
Kortrijk
2017-12-14
Geert Huys

Arno, le plus beau van de vaderlandse rock, hoort en voelt zijn biologische klok steeds harder tikken. Langzaam afbouwen, decadent rentenieren of gewoon stilletjes wegdeemsteren lijken echter nog niet besteed aan de 67-jarige veteraan. De jeugd wordt preutser en de rock die ze maken alsmaar braver: het zint Arno duidelijk niet, dus nu het vege lijf nog mee wil vindt ie het hoog tijd om de puntjes ‘go-go-godverdomme’ nog eens op de ‘i’ te zetten. Hij kon hierbij geen meer welgekomen kuur bedenken dan een bloemlezing uit zijn strafste muzikale stoten bij respectievelijk Tjens Couter (’72-‘80) en TC Matic (‘80-‘85), twee prominente bands uit de Belgische muziekgeschiedenis die anno 2017 grammaticaal versmelten tot Tjens Matic.

Uit de oorspronkelijke bezetting van beide oerbands is enkel Arno nog van de partij; tijdens deze tour wordt ie vergezeld van drie jonge(re) honden die in een klassieke bas-drum-gitaar opstelling rauw en energiek van jetje kwamen geven. Voor compagnon de route en meester-toetsenist Serge Feys is tegenwoordig geen plaats meer. Met Tjens Matic wil Arno duidelijk terug grijpen naar de pure eenvoud van de rock’n’roll, gespeend van alle franjes. Kortom, wie dacht frivole 80ies pop (“Ugh Ugh”) of melancholische ballads (“Elle Adore Le Noir”) op het menu terug te vinden kwam van een kale reis uit Kortrijk terug.
Speciaal voor deze tour heeft de nachtburgemeester zijn ‘cockney English’ accent terug wat ingeoefend, wat deze trip met de teletijdsmachine naar het Belpop landschap medio midden jaren ’70 nog echter maakt. Uit die periode dateert de uitgebeende garageblues uppercut “Gimme What I Need”, het beste nummer dat de generatiegenoten van Dr. Feelgood nooit maakten. Arno vertelt er een sappige anekdote bij over hoe het nummer zelfs zijn weg vond naar de jukebox van het legendarische New Yorkse punkhol CBGB’s. De veertigers en vijftigers in de tot de nok gevulde Kreun nemen zijn gewauwel maar wat graag voor waarheid aan, en gooien er prompt hun eigen sterke verhalen bovenop.
Niemand is afgezakt naar Kortrijk om voor de elfendertigste keer “Oh La La La” en “Putain Putain” voorgeschoteld te krijgen, maar helaas, beide pronkstukken uit het nationaal cultureel erfgoed passeren toch de revue. Een pak interessanter wordt het als nummers die zelden of nooit de solo setlists van Arno halen worden opgediept. Een zwierige rocker als “Forget The Rest, Take The Best” (een heropgevist Tjens Couter B-kantje uit ‘78) en de hoekige punkwave van TC Matic’s “Arrivederci Solo” (‘83) staan vanavond netjes zij aan zij, urgent en zonder direct aanwijsbare ouderdomskwaaltjes. Dat Tjens Matic overigens niet enkel het verleden doet herleven bewezen ze met het aan The Jesus Lizard-schatplichtige “Middle Finger”, een nieuw nummer dat onlangs als 45-toeren singletje werd uitgebracht en alles in zich heeft om een collectors item te worden. Wie snel even de lyrics doorneemt herkent trouwens prompt een oud zeer: Arno en Bart De Wever, écht goeie vrienden zullen het nooit worden.

Tijdens de encores deelt de groep de laatste twee kopstoten uit die ons er nogmaals doen aan herinneren wat voor een progressieve band TC Matic eigenlijk wel was. Van avant-garde blues (“Ha Ha”) tot averechtse funkwave (“Bye Bye ‘Till The Next Time”): Arno en Jean-Marie Aerts gooiden het toen allemaal in de mix en het werkt 35 jaar later nog steeds.
De trip mocht gerust nog wel wat langer duren, maar na een uur en een kwart ging de stekker er toch onverbiddellijk uit. Niet getreurd, de AB biedt volgende maand alweer een nieuwe afspraak met dit weerbarstig stukje Belpop geschiedenis.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/pjds-14-12-2017/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/tjens-matic-14-12-2017/

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Pukkelpop 2017 thru the eyes & ears of Geert Huys
Pukkelpop 2017
Festivalterrein
Hasselt-Kiewit
2017-08-30
Geert Huys

PUKKELPOP 2017 - Drie dolle dagen, 28 keuzes, 1 relaas

DAG 1 - 17 augustus 2017

TAMINO
(Club, **½)
Na meerdere Pukkelpop edities te hebben rondgedoold als anonieme toeschouwer werd hét godenkind uit de jongste Nieuwe Lichting nu ineens zelf op het podium in Kiewit gedropt. Het werd helaas een weinig comfortable landing op Limburgse bodem. De té verkrampte Tamino kon zijn overconcentratie en onwennigheid tegenover de grote massa amper verhullen, waardoor wereldsongs als “Habibi” doodjammer maar keihard op een koude steen vielen. Toegegeven, de wanhoopkreetjes van het massaal uit Camping Chill aangevoerde oestrogeen zaten daar wel voor iets tussen, want in de meer intieme setting van een radiostudio bewees de 20-jarige Antwerpenaar reeds eerder dat de Buckley-vergelijking wel degelijk kan opgaan.

INTERGALACTIC LOVERS
(Marquee, ***)
Een schoolvoorbeeld van een geluk bij een ongeluk: sinds Lara Chedraoui na een vingerblessure de gitaar noodgedwongen aan de wilgen heeft gehangen is het enkel maar crescendo gegaan met de live reputatie van Intergalactic Lovers. In Kiewit schoof de frontdame sierlijk over het podium met de zelfzekerheid en souplesse van een jonge Patti Smith, met vlak achter haar de boys-in-the-band die allen in een strak muzikaal pak staken. De rafelige gitaarpop songs van de onlangs opnieuw aan de oppervlakte verschenen Aalstenaars lijken door de jaren heen wel steeds meer inwisselbaar, dus na drie kwartier was de koek toch wel meer dan op.

RYAN ADAMS (Main stage, ****)
De Amerikaanse ex-punker en alt.country held is (nog maar eens) zijn lief kwijt, maar bracht ter compensatie zijn verzameling pluchen tijgers, een gehavende Amerikaanse vlag en vooral een erg potige classic rock band mee naar Pukkelpop. De blitse Adams (rode zonnebril, T-shirt én gympies) werkte zich in het zweet om te bewijzen dat zijn jongste breakup album ‘Prisoner’ zich uitstekend leent om festivalweides te komen wakker schudden met een portie onversneden rootsrock à la Tom Petty & The Heartbreakers. Helemaal aan het eind van de set kreeg het ongeleid projectiel in Adams toch even de bovenhand en moest het drumstel er aan geloven. “Do You Still Love Me?” vroeg Ryan zich af in het ontstuimige openingsnummer: wie deze rock’n’roll held zelfs geen heel klein beetje graag ziet mag nu oprotten.

PJ HARVEY
(Marquee, ****½)
Wie oudgediende Harvey afgelopen jaren wat uit het oog was verloren kreeg meteen lik op stuk. De pose waarmee de frêle Engelse vergezeld van een tienkoppige marching band het podium opstapte had veel weg van een aangekondigde veldslag. Als doelwit op haar kruistocht houdt Harvey alle geopolitieke shit in het vizier die tot de wereldwijde vluchtelingencrisis heeft geleid; het is dé rode draad doorheen Harvey’s redelijk onderschatte recentste worp ‘The Hope Six Demolition Project’ (‘16) én vormde de hoofdmoot van haar ‘return to form’ performance in Kiewit. Het publiek kreeg weinig hapklare brokken geserveerd in het eerste driekwart, wel een gebalde en meeslepende set waarbij Harvey de gitaar had ingeruild voor een sax met in haar kielzog een onwaarschijnlijke straffe selectie aan muzikale virtuositeit: John Parish, Mick Harvey en Alain Johannes anyone? Op het eind verkocht La Harvey ons nog een lekkere psychobilly uppercut met oudje “50Ft Queenie” en veegde ze de vloer aan met het legertje hersenloze popprinsessen die dit jaar massaal de weg naar de Kiewit podia bleken gevonden te hebben. Er achteraan kwam nog “To Bring You My Love”, ja zó moet een nummer over de liefde dus echt klinken!

STRAND OF OAKS
(Club, ****½)
We lieten zonder dralen de overbelichte Solange links liggen ten voordele van Timothy Showalter en zijn rechttoe-rechtaan rockende kornuiten -aka Strand Of Oaks- die reeds voor een tweede keer een retourtje Kiewit in de bus kregen. Showalter is een artiest naar ons hart met een erg zeldzaam profiel: authentiek, kwetsbaar, onbezonnen, én dankbaar. Predikant of charismatische frontman, toogfilosoof of stoere rocker: Showalter kan of wil niet kiezen en is het dus allemaal. Muzikaal leunt de band steeds nauwer aan bij early My Morning Jacket en Neil Young & Crazy Horse, maar mijn God, met welke epische grandeur werden persoonlijke favorieten als “Radio Kids” en “JM” (een ode aan wijlen Songs:Ohia brein Jason Molina) de tent ingeslingerd! Showalter en het Pukkelpop publiek, het waren vanavond twee handen op één buik en dat moest uiteraard eindigen in een rondje crowdsurfing door de 35-jarige Amerikaan.

INTERPOL
(Marquee, ****)
Financiële kater? Artistieke bloedarmoede? Een nostalgische bui? Eerlijk, het kan ons eigenlijk geen ene moer schelen waarom Interpol deze zomer de boer op gaat met een integrale reprise van hun gitzwarte debuutschijf ‘Turn On The Bright Lights’ uit 2002. Onder de bloedrode spots van het Marquee podium onderstreepten een stoïcijns voor zich uit turende Paul Banks en zijn vier in strakke zwarte maatpakken getooide metgezellen nog maar eens waarom precies dié plaat anderhalf decennium geleden het vuur aan de lont van de postpunk revival stak. Zwartgallige teksten gedeclameerd door een donkere bariton, messcherpe gitaren, lome baslijntjes en holle drums: de typische genre ingrediënten hadden hun houdbaarheidsdatum nog bijlange niet overschreden, maar kregen toch nauwelijks de helft van de tent gevuld. Gaten in de cultuur, je vond ze donderdagavond bij de vleet.

TY SEGALL
(Club, ****)
Met een beetje fantasie kon je ze zien staan, daar op het podium van de Club: The White Stripes met drie extra muzikanten én een veel betere drummer. Neh, in werkelijkheid betrof het Ty Segall en zijn Freedom Band die blijkbaar enkel rode en witte kleren in de reistas hadden geduwd, maar zich net zoals de ‘familie’ White in hun gloriejaren rijkelijk bedienen van rauwe psychblues en fuzzy garagerock. Als zanger solliciteerde de nasaal klinkende Segall naar de rol van Marc Bolan on speed, maar hell yeah, als gitarist stond hier een 30-jarig bastaardkindje van Johnny Winter.

MODERAT
(Marquee, ***½)
De wegen van dit Berlijnse electronica trio gaan binnenkort terug uiteen als Modeselektor en Apparat, en kijk, Pukkelpop kreeg de eer en het genoegen om die artistieke teraardebestelling niet onopgemerkt te laten voorbij gaan. Toegegeven, na een paar uur onophoudelijk gitaargeweld was het even acclimatiseren, maar uiteindelijk moesten lijf en leden toch zwichten voor de wonderbaarlijke chemie tussen stuiterende Warp beats en melancholische Notwist indietronica. We hebben ze niet onmiddellijk kunnen spotten, maar meerwaardezoekers die anders drie dagen kamperen in en rond de Dance Hall en de Boiler Room hadden hier ongetwijfeld een vette kluif aan. Dankeschön und auf wiedersehen!

THE XX
(Main stage, ****)
De enige headliner op PP17 die naam waardig kwam bewijzen dat een band ook zonder oorverdovende beats of gierende gitaren een festivaldag met een ace kan uitserveren op het hoofdpodium. Tis te zeggen: beats en gitaren waren er wel, maar dan van het subtiele en onderkoelde soort in een strakke regie van het electronische meesterbrein Jamie XX die anno 2017 prominenter dan ooit op de voorgrond treedt bij het Londense trio. Zo smokkelde hij zijn solo hitje “Loud Places” bijna onopgemerkt in de set, dat even later naadloos zou overgaan in “On Hold”. De anders zo timide Romy Madley Croft waagde zich zelfs aan een paar voorzichtige danspasjes en ging een paar keer voluit in een slow-motion paringsdans met bassist Oliver Sim. Dit was mainstream die recht naar de keel greep, een houvast voor zielen die hun gading niet vinden in de geluksindustrie, een bakje troost op het eind van een woelige werkdag, of gewoon een gedenkwaardige afsluiter van een eerste festivaldag.

DAG 2 - 18 augustus 2017

NORDMANN
(Lift, ***½)
Met okselfrisse concertjes van ondermeer GoGo Penguin en TaxiWars verwelkomde PP vorig jaar voor het eerst een nieuwe generatie hippe jazzcats, en die lijn werd op de recentste editie wijselijk doorgetrokken met de komst van o.a. de Gentse Rock Rally finalisten Nordmann. We doen het viertal echter geen eer aan door hen enkel in het jazz vakje te proppen, want in de Lift kwamen ze bewijzen ook niet vies te zijn van soundtrackachtige avant blues, psychedelische fusion en hypnotiserende krautrock. Liefhebbers van Zappa en X-Legged Sally houden dus beter de aanstaande release van de tweede Nordmann schijf ‘The Boiling Ground’ nauwlettend in de gaten.

PARQUET COURTS
(Club, ***½)
We vinden ze best wel charmant, die Amerikaanse indiebandjes die ongeacht hun gestaag groeiende populariteit het DIY principe hoog in het vaandel blijven houden, en dus maar zelf alle instrumenten het podium opsleuren en in de juiste (?) tune proberen te krijgen. Eén en ander maakte dat onze New Yorkse vrienden redelijk opgewarmd aan de start verschenen en dus meteen stevig op het gaspedaal konden duwen met uppercuts als “Borrowed Time” en “Master Of My Craft” uit hun weergaloze debuutschijf ‘Light Up Gold’ (‘12). Echter, net zoals op hun jongste plaat gingen Parquet Courts doorheen de set meer dan nodig op de rem staan en volgden er een paar dipjes die klonken als de flauwste B-kantjes van Pavement. Maar ach, volgende keer gewoon wat meer Feelies in de mix gooien, en alles is terug vergeven!

THE SHINS
(Marquee, ***)
‘Heartworms’, de nieuwe schijf van The Shins, verdween dit voorjaar wel erg snel in de luwte. Hetzelfde kan gezegd worden van hun doortocht op Pukkelpop: de tussen licht psychedelische gitaarpop en experimentele americana laverende set ging bijna onopgemerkt voorbij aan de amper halfgevulde tent. De hoge aaibaarheidsfactor van frontman James Mercer en zijn wat té bombastisch klinkende band zullen daar wellicht voor iets tussen hebben gezeten, of misschien werden de radiohitjes “Phantom Limb” en “Simple Song” wat te lang opgespaard tot de finale. Beetje tragisch eigenlijk, dat onze aandacht pas na drie kwartier werd aangescherpt toen een flard van de Tom Petty evergreen “American Girl” kwam voorbij gewaaid in slotnummer “Sleeping Lessons”.

PERFUME GENIUS (Club, **)
In de categorie ‘meest opmerkelijke artistieke gedaanteverandering van het jaar’ nomineren we graag Mike Hadreas aka Perfume Genius. Helaas, driewerf helaas, want de schichtige zielepoot die ooit verscholen achter zijn piano in “Mr. Peterson” het relaas deed over de ongewenste intimiteiten door zijn weedrokende leraar is niet meer. In de plaats daarvan heeft Hadreas zich getransformeerd tot een performance artiest die met de sierlijkheid van een gecastreerde oerang-oetan korte minimalistische avant-popsongs uitbraakt. Volgende keer dan toch maar terug die zielepoot.

THE FLAMING LIPS
(Marquee, ****)
De speciaal voor de gelegenheid gefabriceerde goudkleurige letterballon ‘Fuck Yeah Pukkelpop’ loog er niet om: de weirde bende uit Oklahoma city was maar wat blij om hun carnavaleske kunstjes nog eens te vertonen op een Belgisch festival. Het gevoel was wederzijds, want de ongekroonde koningen van de psychpop gimmick werden meteen als oude bekenden onthaald tijdens de met confetti ondergespoten über classic “Race For The Prize”. Een reusachtige opblaasversie van Yoshimi de roze robot? Een levensgrote witte eenhoorn die frontman Wayne Coyne door de meute liet paraderen? Yep, in de verkleedkoffer van de Lips stak weer heel wat fraais. En de muziek dan, hoor ik U denken? Wel ja, een schitterend zanger is de ontwapenende Coyne nog steeds niet, maar toch zorgde de sympathieke grijsaard weer voor een ferme krop in onze keel door vanuit zijn vertrouwde transparante ritsballon Bowie te saluteren met “Space Oddity”.

ELBOW
(Marquee, ****½)
Wie na de opeenvolging van kille plensbuien wat onderkoeld was geraakt kon zich in de Marquee onmiddellijk verwarmen aan de pretoogjes van Guy Garvey, de getroubleerde teddybeer die na een solo uitstapje terug stevig aan het roer van Elbow staat. Uitgezonderd de moedige opener “The Birds” groeide elk nummer op de setlist uit tot een pastorale hymne, sinds kort mét assistentie van twee backing vocalistes die ook overweg konden met een viool. Tijdens downtempo evergreens als “Lippy Kids” en “The Bones Of You” had de volksmenner in Garvey de talrijke pogingen tot vocal harmonies zomaar uit het publiek te plukken, maar evengoed stond de kersverse vader even stil bij de tragiek in Barcelona. Elbow en België, het blijft een onklopbare combinatie.

NEWMOON
(Lift, ****)
Na 10 jaar ploeteren in de marge kan dit Kempens vijftal haar ultieme droom om ooit een PP podium te halen voorgoed schrappen van de bucket list. Newmoon gooide zich dankbaar en onvoorwaardelijk in de strijd gewapend met breed uitwaaierende gitaren, een solide ritmetandem en een empatische frontman die graag dagdroomt bij de idee dat De Ideale Wereld een maakbaar iets is. We kunnen het alleen maar beamen: dit snedig setje was pijnlijk aan de nekspieren voor al wie Ride, Slowdive en A Place To Bury Strangers thuis in de platenkast heeft staan.

NICOLAS JAAR
(Marquee, ***½)
Een vreemde eend is ook een eend. Het voormalige brein achter Darkside mocht zijn soundlab neerpoten in de Marquee, niet meteen een habitat waar experimentele ambient spielerei en afgekloven elektro goed gedijen. Soit, we gaven de meerwaarde zoeker in ons volledig vrij spel en waanden ons daardoor al vrij snel back in time op Pinkpop ’94 waar The Orb een eye-opening show gaf. Mooi compliment toch voor de 27-jarige Jaar, alleen de spacecake van toen ontbrak.

STUFF.
(Club, ***½)
Wie door hippe recensenten tot meest opwindende Belgische live-act wordt gebombardeerd kan op onze aandacht rekenen, ook al moesten we ons daarvoor in een vlotjes volgelopen Club tent wringen. En ja, het virtuoze gezelschap heeft zijn reputatie niet gestolen. Neem nu de finesse en timing van Lander Gyselinck: het moet een afknapper zijn voor iedere amateur drummer om die gast aan het werk te zien en te beseffen hoe lang de af te leggen weg nog is. De vele tempowisselingen en scherpe bochten in de hoekige spacefunk en hyperkinetische fusion van STUFF. zijn niet onmiddellijk gesneden koek voor de radio, maar dat zijn Zappa, Material en X-Legged Sally ook niet dus vertoeft het frivole vijftal in uitstekend gezelschap.

DAG 3 - 19 augustus 2017

STEAK NUMBER EIGHT (Marquee, ***½)
De sludge trots van Wevelgem (en ver daarbuiten) moest tiellijk (lees: om 6u ‘s morgens) uit de veren om uiteindelijk zo rond de middag onze laatste festivaldag op gang te trekken, en love it or hate it, maar deze Westvlaamse kopstoot kon tellen als wake up call. Vanachter zijn pornosnor schreeuwde frontman Brent Vanneste zijn frustraties de tent en de wijde wereld in, terwijl zijn moaten een wall of sound optrokken uit massief graniet zonder te vervallen in de vormloze geluidsbrij die genregenoten wel eens durven uitbraken. Steak Number Eight deed beire veel pijn aan onze dierbare trommelvliezen, en het was heerlijk!

CULTURE ABUSE
(Lift, ***½)
De jongste aanwinst van Epitaph’s vermaarde punk stal voegt uiteraard niets wereldschokkends toe aan het genre, but who cares? Met hun compromisloos setje vintage punkrock flitsten de vijf Californische kerels ons zo terug naar het tijdperk waar Dead Boys en Richard Hell & The Voidoids alles en iedereen schuimbekkend op de korrel namen. Tegenwoordig heet het doelwit D.J. Trump, steevast voorzien van het voorzetsel ‘Fuck’ door mankende frontman David Kelling die met zijn bol buikje en fotocamera uit de kringwinkel rond de nek er nét dat tikkeltje minder gevaarlijk uitzag dan zijn soortgenoten uit het genre. De man liet zich op het eind zelfs van zijn meest openhartige kant zien: “If you got weed, we got money!”. Chokri’s narcotica brigade keek gewillig de verkeerde kant uit.

D.D DUMBO
(Club, ***½)
Gastvrouw Ayco Duyster was al fan, en ook wij houden op z’n minst een gevoel van sympathie en bewondering over aan het ontwapenende setje van deze Australische singer-songwriter en milieuactivist die offstage als ene Oliver Hugh Perry door het leven gaat. Zijn avontuurlijke melting pot van 12-string psychedelische pop, wereldmuziek en Mali blues laat zich niet meteen in één vakje duwen: de ene keer kwam er een juweel van een popsong bovendrijven (“Satan”), maar even goed sprongen Perry en zijn drie metgezellen wat te kwistig om met die ingrediënten zonder dat de mayonaise echt pakte. Dat de stembanden van D.D Dumbo als bijna twee druppels water op die van Sting leken moet voldoende zijn om jullie nieuwsgierigheid te prikkelen en ’s mans vorig jaar verschenen debuut ‘Utopia Defeated’ alsnog een luisterbeurt te gunnen.

CAR SEAT HEADREST (Club, ****)
We love the 90ies ... Spoiler alert: we hebben het voor alle duidelijkheid niet over de jaarlijkse hoogdag der marginale wegwerppop. ‘Onze’ 90ies blijken als twee druppels water te lijken op wat de schijnbaar ongeïnteresseerde anti-ster Will Toledo op zijn zolderkamertje tegenwoordig bijeen schraapt als Car Seat Headrest. Toegegeven, zijn recept (een scheutje Sebadoh, een slokje Pavement, en een wolkje Weezer) is weinig vernieuwend, maar wel onweerstaanbaar voor een nieuwe verloren gelopen generatie slackers, nerds en indie kids. In de übercatchy single “Fill In The Blank” legt Toledo meteen de vinger op de wonde van vele youngsters “I’m so sick of fill in the blank. Accomplish more, accomplish nothing”. De Club raakte in vervoering, highlights als “Destroyed by Hippie Powers” en “Drunk Drivers/Killer Whales” werden bijna woord voor woord meegelipt als betrof het onvervalste Oasis anthems. Het stond in schril contrast met de introverte cool die Toledo en zijn drie makkers tijdens hun triomftocht wisten te bewaren: blik op oneindig, scherp geslepen gitaren in de aanslag en een wel heel erg abrupt einde zonder enig afscheidswoord. Eigenzinnige jongeren, geef ze toch een kans.

THE PRETTY RECKLESS
(Marquee, *)
Sympathiek en opvallend was het wel, die “Give us back the Shelter” T-shirt actie opgezet door zware jongens en liefhebbers van het stevige werk die hun favoriete podium/toog combinatie in de uithoek van het festivaldorp voortaan moeten missen. De harde noten werden dit jaar dan maar gekraakt op andere podia, maar het New Yorkse post-grunge gezelschap The Pretty Reckless bewees in de Marquee dat zoiets niet zonder risico is. Indie kids kregen er plots een potsierlijke larger than life show in de maag gesplitst van een voormalige Gossip Girl actrice met foute Courtney Love fixatie gekoppeld aan drie stoere beren die zielloos gingen plunderen bij Soundgarden en Joan Jett: ja, het leven van een PP recensent kan hard zijn.

PREOCCUPATIONS
(Lift, ****)
Het Canadese postpunk combo Viet Cong laat zich tegenwoordig afficheren als Preoccupations, een transformatie waarbij de experimenteerdrang van welleer een stukje terrein heeft verloren ten voordele van de conventionele popsong. De relatief lichtvoetige 80ies pastiche “Anxiety” werd nog breedlachend en zichtbaar ontspannen afgehaspeld, maar snel erna werd de fun factor ingeruild voor het hoogste dreigingsniveau.  Zwartgallige synths en grimmige gitaren leidden het erg dun gezaaide publiek regelrecht richting “Death”, de apocalyptische afsluiter die maar nipt onder het kwartier afklokte. Viet Cong - Preoccupations: 1-1.

BADBADNOTGOOD
(Club, ***)
Kendrick Lamar, Ghostface Killah, Earl Sweatshirt en Tyler The Creator zagen een weekendje Kiewit niet zitten. Jammer, want het dak van de Club tent zou er ongetwijfeld zijn afgegaan indien het Canadese nu-jazz quartet het podium had gedeeld met één van deze hiphop helden waarmee ze afgelopen jaren de studio zijn ingedoken. Drummer Alexander Sowinski nam dan maar de honeurs op zich om het publiek op te zwepen, iets wat zeker nodig was tijdens die paar momenten waar hij en zijn maats dreigden af te glijden richting pure improvisatie. Gelukkig trokken de virtuoze jazzcats nu en dan ook eens de kaart van spacefunk en triphop, waardoor ons eindverdict toch eerder neigt naar ‘GOODGOODNOTGREAT’.

AT THE DRIVE-IN (Marquee, ****)
Hier hadden we dus drie dagen lang naar uitgekeken. Hét moment waarop de makers van het inmiddels 17 lentes tellende ‘Relationship Of Command’ - de holy grail van de emopunk - nog eens een paar are Belgische bodem zouden komen verschroeien. De eerste seconden na de ontstuimige aftrap van “Arcarsenal” vallen amper te beschrijven: adrenaline levels én decibels gingen tegelijk in het rood zodat een mens er een beetje ongemakkelijk zou van worden. Elk optreden is een beetje oorlog voor ATDI, en in het heetst van de strijd moet subtiliteit het dan wel eens afleggen van intensiteit. De hoofdmoot was tegelijk geniaal en brutaal, maar even goed waren er momenten waarop alles dreigde te verzanden in een vormloze geluidsbrij. Geheel in lijn met de eigen traditie moest en zou de set een tikkeltje chaotisch eindigen. De makheid van het achteruit geslagen publiek zinde brulboei en kattesprong kampioen Cedric Bixler niet, en na jaren van mishandeling weigerde de gitaar van Omar Rodríguez herhaaldelijk alle dienst en werd uiteindelijk onzacht bij het restafval gekeild. Genoeg frustratie dus bij de Texanen om er na een meedogenloos “One Armed Scissor” voortijdig de stekker uit te trekken. Genieten tegen de pijngrens aan, het kon in de Marquee ook zonder SM pakje.

MOON DUO
(Lift, ****)
“Pukkelpop, graag jullie aandacht voor de Nicole & Hugo van de psychedelische krautrock: hier is Moon Duo!” ... Heerlijk toch hoe AB baas Kurt Overbergh met één welgemikte oneliner vriend en vijand kan warm maken voor een obscure cultgroep uit San Francisco. Het duo in kwestie, Wooden Shjips gitarist Erik Johnson en zijn grote liefde Sanae Yamada, liet zich de verscherpte aandacht duidelijk welgevallen en bedankte met niets minder dan ‘a mindblowing experience’. Origineel was hun mix van elektronische drones en overstuurde fuzznoise zeker niet, daarvoor klonken de echo’s van Suicide, Spacemen 3 en Can immers te sterk door, maar al wie zich gewillig in trance modus liet wiegen maalde daar niet om. Moon Duo is een groep om te koesteren, want slechts weinigen komen zonder kleerscheuren weg met covers van “Jukebox Babe” en “No Fun”.

BAND OF HORSES
(Club, ****½)
Zonder verwachtingen de tent in, en een uurtje later behoorlijk euforisch de tent terug uit: het zijn zondermeer de mooiste PP herinneringen. Band Of Horses maakte zijn beste platen in het vorige decennium en lijkt sindsdien aan een chronische vorm van artistieke bloedarmoede te lijden, dus dat deze bende uit Seattle het licht mocht komen uitdoen in de Club kan je bezwaarlijk een evidente keuze noemen. Al snel bleek het tegendeel waar: hier stond een groep die haar identiteitscrisis had bezweerd en met opgestroopte mouwen kwam bewijzen dat er nog geen grammetje sleet zit op de ijzersterke live reputatie. Toegegeven, de opwarmertjes lonkten nog wat té nadrukkelijk naar Grandaddy, maar daarna kozen Ben Bridwell & co resoluut voor de vlucht vooruit. Ongeschoren americana, punchy SubPop indie en emotioneel zwaar beladen countryrock: het werkte gewoon allemaal even aanstekelijk waardoor de alles-of-niets set van Band Of Horses gaandeweg de allures kreeg van een ware triomftocht. De tocht eindigde in een adrenalin rush én een regelrechte aanslag op de plankenvloer van de Club, want het helpt als je anthems als “The Great Salt Lake”, “Is There A Ghost” en “The Funeral” opspaart tot diep in de finale.

Last but not least, onze highlights top 10:

 

1.        BAND OF HORSES

2.        PJ HARVEY

3.        STRAND OF OAKS

4.        ELBOW

5.        THE XX

6.        CAR SEAT HEADREST

7.        NEWMOON

8.        INTERPOL

9.        AT THE DRIVE-IN

10.    MOON DUO

Neem gerust een kijkje naar de pics (ism Damusic)
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/pukkelpop-2017/
Neem gerust een kijkje naar de pics van Lowlands
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/lowlands-2017/
Organisatie: Pukkelpop

zondag 05 november 2017 02:00

The Dream Syndicate - Wynn for Life!

The Dream Syndicate - Wynn for Life!
The Dream Syndicate
Depot
Leuven
2017-11-03
Geert Huys

De achteruitkijkspiegel van de popgeschiedenis is onverbiddellijk. De meeste bands die na een paar decennia radiostilte nog eens een album ophoesten storten zich doorgaans in een risicovolle onderneming die gedoemd is om op een artistieke sisser uit te draaien. Met ‘How Did I Find Myself Here?’ heeft het Amerikaanse indie instituut The Dream Syndicate zonet voor dé uitzondering op die ongeschreven regel gezorgd.

Wat in 2013 nog leek op een éénmalige reünie bleek achteraf de eerste steenlegging van een vijfde volwaardig studio album, 29 jaar na de redelijk onderschatte zwanenzang ‘Ghost Stories’. Met de onvolprezen frontman Steve Wynn als quality manager van dienst werd het ‘oude wijn in nieuwe zakken’ syndroom feilloos omzeild. Wie afgelopen vrijdag de weg vond naar Het Depot in Leuven kan het beamen: ‘How Did I Find Myself Here?’ klinkt vertrouwd maar toch vernieuwend, beheerst maar toch gretig, hors categorie en dus toch maar weer voer voor de eindejaarslijstjes.
De zware wallen onder de ogen van een opvallend tengere Steve Wynn verraden dat de herenigde veteranen op het eind van een intense Europese tour zitten. Tijdens zijn solo optredens (met of zonder The Miracle 3) ontpopt Wynn zich doorgaans al snel tot een goedlachse entertainer, maar The Dream Syndicate is andere koek. Het eerste halfuur in Leuven staat stijf van spanning en dreiging, en contact met het publiek is er amper. De groep begint wat onzeker, maar wint met elk volgend nummer zienderogen aan scherpte en impact. Tussen de onheilspellende opener “Halloween” en de ontstuimige nieuwelingen “The Circle” en “80 West” gaapt een kloof van 35 jaar, maar toch vormen ze een perfect match. Het lijkt meteen ook de conclusie voor de rest van de avond: krakers uit de legendarische Paisley Underground periode en nieuwe nummers wisselen elkaar in ijl tempo af en gaan nagenoeg naadloos in elkaar over.
Na een halfuurtje herinnert Wynn zich plots dat hij en zijn makkers in 2013 op ditzelfde podium één van hun eerste Europese reünieshows hebben gespeeld, en vanaf dan lijkt de ban wonderwel gebroken. De hitsige gitaarduels tussen Wynn en het veel jongere snarenwonder Jason Victor (tevens diens trouwe sidekick in The Miracle 3) geruggesteund door de ervaren ritmetandem Mark Walton (bas) en Dennis Duck (drums) waren toen de sterkhouders van The Dream Syndicate v2.0, en die mayonaise pakt nu nog steeds. Oudjes “Burn” en “Armed With An Empty Gun” lieten er geen twijfel over bestaan: de muzikale progenitors heten nog steeds The Velvet Underground en Neil Young & Crazy Horse. Was dit dan dezelfde strakke show als vier jaar geleden? Neen, want Wynn haat nu eenmaal herhalingsoefeningen en haalde daarom zijn Paisley maatje en keyboards maestro Chris Cacavas (ex-Green On Red en co-producer van de nieuwe plaat) als vijfde man aan boord om wat extra shades of grey toe te voegen. Het met fraaie pianoriedeltjes versierde rustpuntje “Just Like Mary” won hierdoor aan subtiliteit, een bijna onherkenbaar “Medicine Show” schakelde twee versnellingen hoger en kreeg een dosis Suicide madness toegediend, en tijdens het ruim tien minuten durende titelnummer van het nieuwe album waagde de groep zich aan een freaky psychrock workout met Cacavas in de rol van Doors icoon Ray Manzarek.
De namedropping werkte even goed in de omgekeerde richting. Neem nu het kale baslijntje dat “That’s What You Always Say” op gang trok, daar hebben Pixies ooit een halve carrière op gebouwd. Of de opgefokte countrypunk van “The Days Of Wine And Roses” met Wynn in de wat atypische rol van manische predikant: dichter bij generatiegenoten The Gun Club is The Dream Syndicate nooit meer geraakt. Deze signature song is sinds jaar en dag de traditionele afsluiter van het hoofdmenu, maar elke doorgewinterde fan weet dat Wynn altijd een bisronde of twee in petto heeft.
Tijdens dat fameuze laatste halfuur volgden hoogtepunten én verrassingen elkaar in ijl tempo op. Het beste nummer vanop de nieuwe schijf, “Glide”, kreeg een shoegaze anorak aangemeten door feedback wizard Jason Victor en haalt de donkerste observaties van Wynn naar boven: “At this place where I’m hanging now.
Corruptible, destructible. Capable of breaking, being broken. I may not be ready for what you’ve got to give”. En wat dan te denken van het door Wynn solo aangesneden “When The Curtain Falls”, het afsluitende nummer van ‘Ghost Stories’ (’88) waarna The Dream Syndicate zichzelf ruim een kwarteeuw lang het zwijgen zou opleggen. In cult classic “Boston” zat een flard van Tom Petty’s “Refugee” verwerkt, een woordenloze knipoog én een kippenvel tribute aan één van Wynn’s muzikale helden.

De indie veteranen besloten de avond daar waar het allemaal begon. Het onheilszwangere “When You Smile” en de garagepunk uppercut “Definitely Clean”, beiden uit de onvolprezen debuutschijf ‘The Days Of Wine And Roses’ (’82), maakten de twee uur grasduinen from past to present netjes vol. In Leuven werd alles wat we vooraf hoopten zonder dralen bevestigd: de levensvatbaarheid van The Dream Syndicate v2.0 is geen fake news maar een onvervalste Wynn for life.

Organisatie: Depot, Leuven

Pagina 1 van 16