zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Nos partenaires

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Geert Huys

Geert Huys

woensdag 19 juni 2019 10:47

Foxwarren - Ode aan de vriendschap

Als de naam Foxwarren ergens in uw bovenkamer een belletje doet rinkelen dan bent u (i) indrukwekkend sterk in aardrijkskunde om dit onooglijk klein stadje meteen correct te situeren in Manitoba, Canada en/of (ii) een liefhebber van melancholische treurwilgen zoals Elliott Smith en Sufjan Stevens en bijgevolg ook fan van de gelijknamige band die de Canadese singer-songwriter Andy Shauf ruim tien jaar terug heeft opgericht met drie jeugdvrienden. Het aantal platen in de discografie van Foxwarren is totnogtoe niet bepaald indrukwekkend; door de solo exploten van Shauf bleven demo’s en onafgewerkte nummers bedoeld voor het tweede Foxwarren album jaren lang op de plank liggen tot ze op de valreep van 2018 alsnog het levenslicht zagen. De 10 vakkundig in elkaar gekunstelde softrock miniatuurtjes op die titeloze schijf laten zich beluisteren als één lange dream sequence waarin Shauf zich opnieuw etaleert als één van de meest miskende talenten van zijn generatie.

Andy Shauf lijkt aan zijn vorige triomftocht in DOK Gent, nu drie jaar geleden tijdens de voorstelling van diens magistrale solo plaat ‘The Party’, niets dan goede herinneringen te hebben overgehouden. Afgelopen maandagavond stond de timide Canadees daar immers opnieuw, deze keer geflankeerd door zijn oude makkers van Foxwarren aangevuld met een huurling op keyboards. Tijdens de schuchtere starter “To Be” leek het nog wat zoeken naar de juiste melancholische toets en sputterde de elektrische gitaar van Dallas Bryson nog wat tegen, maar laat dat meteen de enige smet zijn op wat we voor de rest gerust een grand cru optreden mogen noemen. Niet dat we er bijzonder veel gespot hebben, maar liefhebbers van vakkundig gepolijste 70ies intellectuelen als Steely Dan en Randy Newman konden vanavond nergens beter af zijn dan in DOK Gent.
Foxwarren afschilderen als een typische retroband die zich louter beperkt tot het recycleren van het verleden is, zo bleek, een grondige misvatting. In elk nummer van de Canadezen zit er immers wel één of ander subtiel muzikaal experimentje verborgen, gaande van start-stop ritmes, ambient tussenstukjes tot tegendraadse baslijntjes. Bijna als vanzelf ontstaan er dus raakvlakken met bands uit de recentere muziekgeschiedenis. Neem nu de combinatie van in reverb gedompelde close harmony, een kurkdroge piano en een minimale drumbeat tijdens het eerste hoogtepunt “Lost In A Dream”, een succesformule waarmee de New Yorkse collega’s van Grizzly Bear een heuse carrière hebben uitgebouwd. Nog straffer was “Fall Into A Dream”, dat uit te startblokken schoot als een wulps alt.country deuntje zoals Wilco er ooit een paar dozijn uit hun mouw hebben geschud om vervolgens in de lange outro radicaal van koers te veranderen richting Air’s psychedelische loungepop. Dat de doorwinterde Canadezen hun hand niet omdraaien voor een tempowisseling meer of minder bewezen ze door de subtiele spacepop van “Lost On You” naadloos te laten overlopen in het door een motorik krautrock beat opgejaagde “Everything Apart”.
Met songs over vertwijfeling, verlies en onbereikbaar verlangen kan je de ondertoon in het Foxwarren universum bezwaarlijk uplifting noemen. Helemaal haaks daarop stond het ontwapenend enthousiasme van de breedlachende Canadezen die écht leken te genieten van hun avond. Shauf is te mensenschuw om zich te profileren als volbloed frontman, maar vanonder zijn guitige rode pet zocht hij toch met mondjesmaat contact met het publiek: “Do you have any questions for the band”? vroeg hij zich een paar keer af. Wie de kurkdroge humor van Filip Geubels kan smaken , werd vanavond op zijn wenken bediend.
Ook de uitdaging om een concertuur te vullen met een album dat reeds afklokt na 35 minuten ging Foxwarren met verve aan. De Canadezen hadden een stuk of drie nieuwe nummers in de aanbieding, waarvan eentje met de vermoedelijke titel "I Wanna Hear Your Voice Call” amper zou misstaan op de volgende plaat van Midlake. Als enige encore deed ook Shauf in zijn dooie eentje een duit in het zakje met de Belgische première van het ontwapenende liefdesliedje “Judy”.

Foxwarren etaleerde zich vanavond als een vriendenclubje dat erg spaarzaam omsprong met muziek en woord: elke noot raakte een zenuw, elke quote was meteen raak. “This place is nice, just a couple of old pals playing some tunes” liet Shauf zich ergens ontvallen. Geen loze woorden, maar een treffende ode aan vriendschap in moeilijke tijden.

Organisatie: Democrazy, Gent

Muzikale kindsterretjes, het is een mensensoort waar we per definitie in een wijde boog omheen wandelen. Het uit Baltimore, Maryland afkomstige indietalent Lyndsey Jordan vormt de spreekwoordelijke uitzondering op die regel: op vijfjarige leeftijd ruilde ze haar Barbie collectie in voor een elektrische gitaar, ze was amper 16 toen ze vermomd als Snail Mail haar eerste EP ‘Habit’ uitbracht op het label van neopunk helden Priests, en vorig jaar scoorde Snail Mail’s full album debuut ‘Lush’ nagenoeg in elk zichzelf respecterend eindejaarsoverzicht. Genoeg adelbrieven dus om amper een jaar na haar eerste optreden alweer present te tekenen in de Brusselse Botanique.

Jordan herinnerde zich haar vorige doortocht in de bescheiden Witloof Bar nog alsof het gisteren was, en leek oprecht tevreden met de upgrade naar de Rotonde die afgelopen vrijdagavond afgeladen vol zat. Het frêle blondje van toen heeft intussen plaats geruimd voor een meer zelfzekere zwartharige adolescent. Ook haar begeleidingsband is intussen uitgebreid en huist naast een onopvallende ritmesectie nu ook een keyboardspeelster wiens taak er vooral in leek te bestaan om de tuning tijd tussen de nummers door op te vullen met spooky soundscapes. We zien er vooral een manoeuvre in van Jordan om op tijd en stond de aandacht van haar persoon af te leiden; wie ‘Lush’ een aantal draaibeurten gunt , komt er immers vlug achter dat de Amerikaanse tot het introverte type behoort en het podium dus niet haar favoriete habitat is.
Na een korte instrumentale intro begon Snail Mail’s set erg moedig door meteen één van haar prijsbeesten “Heat Wave” te serveren. Alle ingrediënten die ‘Lush’ zo genietbaar maken , klonken akelig perfect door in dit ene nummer, inclusief de tussen wanhoop en verwardheid oververslaande misthoorn van Jordan en haar kristalheldere -aan The Sundays schatplichtige- gitaarspel. Ook vroege nummers uit Snail Mail’s debuut EP zoals “Dirt” en “Slug” getuigden van een hoog gehalte aan perfectionisme.
Wat Jordan op een uur tijd vocaal presteerde was erg sterk, zeker tijdens de meer zwaarmoedige stukken zoals “Let’s Find An Out” en “Deep Sea”, maar wie op enige interactie met het publiek zat te wachten kwam van een kale reis thuis. Het publiek bleef Jordan & co onverminderd met applaus belonen, maar het oppergeconcentreerde Amerikaanse wonderkind bleef er al bij al eerder onbewogen bij. Het grootste herkenningsapplaus dat uit de Rotonde opsteeg viel te beurt aan “Pristine”, een indiepopparel met een onmiskenbare 90ies feel die even goed op een best-of van Juliana Hatfield of Liz Phair had kunnen staan.
Encores zijn voorlopig niet aan Jordan besteed, dus om de set toch met een waardig artistiek statement te besluiten stuurde ze haar band vroegtijdig naar de kleedkamer en liet ons kennismaken met twee nieuwe songs. Wat begon als een moedig avontuur verzandde echter al snel in een daad van overmoed. Eens buiten de comfortzone van haar vaste begeleidingsband bleek het toch niet evident voor de 20-jarige Amerikaanse om de belofte ook in haar dooie eentje waar te maken: Jordan greep al eens naast een gitaarakkoord en schudde regelmatig het hoofd als een gestresseerde student tijdens een examen notenleer.

Op zich overtuigden de twee onuitgebrachte nummers ons wel; ineens klonk Jordan hier een stuk zelfverzekerder, en ja, zelfs radiovriendelijker. Als ze nu ook nog eens verlost kan geraken van die groeipijnen, dan wordt Snail Mail beslist een blijvertje. Ik maak het thuis alle dagen mee: geef de jeugd het nodige krediet en alles komt (hopelijk) wel goed.

Organisatie: Botanique, Brussel

Stel dat Elliott Smith nooit op de soundtrack van de box office hit ‘Good Will Hunting’ was beland, dan zat de man wellicht voor eeuwig en altijd vastgeroest aan het imago van een eigenzinnige singer-songwriter die de cult status nooit leek te zullen ontgroeien. In die laatste categorie zou hij trouwens in het goede gezelschap vertoeven van o.a. Cass McCombs, de Amerikaanse troubadour die na negen puike albums de reputatie van een goed bewaard geheim wellicht niet meer van zich af kan schudden. Al zal het dit voorjaar verschenen nieuwe opus ‘Tip Of The Sphere’ daar weinig verandering in brengen, toch vonden heel wat liefhebbers van het getormenteerde levenslied afgelopen zaterdagavond vlotjes de weg naar de DOK site voor de enige Belgische passage van Cass McCombs Europese clubtour.

Kort voor aanvang van het optreden stuurde de Democrazy organisatie het bericht uit dat McCombs er vanavond bijzonder veel zin in had en met sprekend gemak twee uur zou volmaken. Het aangekondigde aanvangsuur werd hierop prompt vervroegd, waardoor de opwarmers van de set jammerlijk door onze neus werden geboord. Bij aankomst bleek dat de Amerikaan en zijn drie metgezellen de temperatuur van het anders zo kille industriële DOK decor al behoorlijk de hoogte hadden ingejaagd. McCombs is naast een begenadigd singer-songwriter immers ook een niet onaardig gitarist die weliswaar de virtuositeit van collega’s Steve Gunn en Ryley Walker mist, maar wel de ongebreidelde drive van Neil Young & Crazy Horse en Grateful Dead heeft overgeërfd. Ook als is McCombs geen veelprater, aan muzikale spontaniteit was er geen gebrek en dat speelde volledige in de kaart van het broeierige zaterdagavondsfeertje dat rond hing in de Gentse buitenwijk.
Cass McCombs gunde het publiek vanavond een inkijk in verschillende van zijn artistieke persoonlijkheden. Eerst zagen we de Amerikaan in de rol van frontman van een straffe band die anders zo rustig voorbijkabbelende psychedelische Americana songs als “Estrella” en “Big Wheel” een ferme acid rock injectie toediende. Dit was opwindende classic rock mét groove doch zonder de cliché lyrics. Even later nam de singer-songwriter pur sang dan weer de overhand. Tijdens de verstilde ballads “Absentee” en “Real Life” werd de groep wandelen gestuurd, op de toetsenist na die McCombs akoestische gitaar spaarzaam bijkleurde met piano of harmonium. We liepen denkbeeldig onze platenkast af en kwamen al snel uit bij Harry Nilsson en Bruce Cockburn; benieuwd wat McCombs zelf van die referenties zou vinden.
Voor iemand die ruim 15 jaar in het vak zit lijkt McCombs meer dan ooit toe aan wat voorzichtig muzikaal experiment. Zo haalt de Amerikaan het in zijn hoofd om het vreemdste nummer op zijn laatste album, “American Canyon Sutra”, elke avond steevast in de setlist te droppen. Denk aan een maatschappijkritische spoken word performance van Lou Reed uit diens ‘New York’ periode spaarzaam begeleid door James Blake’s onderkoelde post-dubstep beat, en je komt aardig in de buurt. McCombs dreef zichzelf nog verder uit zijn comfort zone door het soulvolle oudje “County Line” aanvankelijk over te laten aan de wat houterig overkomende support act Eleanor Friedberger om uiteindelijk te eindigen in een fraai duet.
Afsluiten deed Cass McCombs met een selectie publiekslievelingen uit diens vorige twee albums ‘Big Wheel and Others’ (’13) en ‘Mangy Love’ (’16), en alweer kwam de man verrassend uit de hoek. Op “Brighter!” etaleerde de Amerikaan zijn indrukwekkend stembereik, Tim en Jeff Buckley achterna.
Tijdens de vuige aan Tom Petty schatplichtige rocker “Rancid Girl” bevond McCombs zich ineens oog-in-oog met twee vrouwelijke ‘fans’ die met een dosis je-m’en-foutisme voor het podium hadden post gevat. McCombs reageerde gevat met een licht gemene knipoog: “You’re bad, I mean you smell bad, You talk a lot ... You got fucked-up hair, and fucked-up teeth”. Cass McCombs en zijn visie op het andere geslacht, het is en blijft een verhaal apart.

Organisatie: Democrazy, Gent

Een beetje muziekliefhebber moet Kurt Vile om veel dankbaar zijn, niet in het minst het onbewuste duwtje in de rug aan het adres van jeugdvriend Steve Gunn die sinds zijn tijdelijk verblijf in Vile’s begeleidingsband The Violators gestaag uit de obscuriteit komt gekropen. Uit voorgaande albums ‘Way Out Weather’ (’14) en ‘Eyes On The Lines’ (’16) konden we reeds opmaken dat de in Brooklyn, NY residerende Gunn een onwaarschijnlijk getalenteerde gitarist is, maar nog dat tikkeltje branie mistte om ook als storyteller te imponeren. Maar kijk, op Gunn’s jongste worp worden we zodanig verpletterend op onze wenken bediend dat het een boute voorspelling waard is: een straffere liedjesplaat dan ‘The Unseen In Between’ komt in 2019 wellicht niet meer boven drijven.

Thurston Moore’s eerdere uitnodiging om de affiche van Sonic City 2017 te vervolledigen is Steve Gunn zodanig goed bevallen dat hij afgelopen woensdag alweer present tekende in Kortrijk tijdens de eerste van twee Belgische passages op zijn huidige clubtour. Vaste opener “Wildwood” is vanavond één van de weinige keren dat de Amerikaan teruggrijpt naar zijn back-catalogue waar de lang uitgesponnen psychedelische gitaartrips zo maar voor het oprapen liggen. Halfweg “Wildwood” krijgt Gunn’s driekoppige begeleidingsband al meteen een vrijgeleide om de lichtjes benevelde acidrock van The Grateful Dead even te doen herleven. Heel even maar.
De bedwelmende mist klaarde inderdaad al snel op wanneer vervolgens ‘The Unseen In Between’ integraal de revue passeert. In interviews laat Gunn uitschijnen dat hij op die nieuwe plaat niet louter en alleen als een left-of-center gitaarvirtuoos door het leven wil gaan die verhaaltjes verzint over fictieve personen of gebeurtenissen. De recente dood van zijn vader duwde hem langzaam maar zeker richting het type confessionele songwriter die persoonijke emoties in toegankelijke nummers weet te gieten. Zo refereert het innemende “Stonehurst Cowboy”, waarop Gunn duizelingwekkend straf soleerde op folkgitaar, naar het onuitwisbare verleden van vader Gunn als Vietnam veteraan en uiteindelijk diens definitieve afscheid: “Meet me at the square of joy, fixed star in the night. No more questions, I have your mind, safe and dignified”.
Een ander kenmerk van Gunn v2.0 is zijn groeiende fascinatie voor Angelsaksische folk. De melancholische ondertoon van ingetogen juweeltjes als “New Moon” en “Luciano” verraden dat er thuis bij de introverte Amerikaan een handvol platen van genrepioniers Bert Jansch, Nick Drake en John Martyn in de kast staan. De puike strijkersarrangementen die de transitie van studio naar podium niet overleefden moest je er zelf wel bij fantaseren.
Aan muzikale moodswings overigens geen gebrek daar in Kortrijk. De okselfrisse indiepop van de vooruitgeschoven single “Vagabond” klonk als het beste nummer dat The Go-Betweens tandem Grant McLennan en Robert Forster vergaten te maken. Het langzaam crescendo gaande “New Familiar” was zowaar nog een pak straffer, waarin Gunn & co hun melting pot van Indiase raga, southern rock en prog net niet lieten overkoken. Tijdens “Chance” moesten we zowaar spontaan denken aan de psychfolk van generatiegenoot Ryley Walker; achteraf aan de merch stand vertelde Gunn ons trouwens dat Walker een goeie maat is met wie hij regelmatig het podium deelt tijdens live improvisaties. Over vrije vorm gesproken, het op plaat zo sfeervolle kerstnummertje “Paranoid” werd in De Kreun bijna onherkenbaar hertimmerd tot een uit de hand gelopen repetitie van de embryonale Sonic Youth.
Ook in de encores niets dan hoogtepunten. Eerst vonden Gunn’s songwriter klasse en gitaarvernuft elkaar blindelings in een uitgebeende solo versie van “Morning Is Mended”. Dit was adembenemende cosmic folk van een buitenaards niveau dat we enkel kennen van ene Richard Thompson. Vervolgens mochten de drie muzikanten die gans de avond in de schaduw van Gunn hadden geopereerd hun veelzijdigheid etaleren tijdens het titelnummer van de ‘bescheiden doorbraakplaat’ “Way Out Weather” uit 2014; van americana naar freejazz en terug, een epische afsluiter volgens het boekje heet zoiets.

Kurt Vile zou zijn buddy wel eens vroeger dan verwacht opnieuw tegen het lijf kunnen lopen; op basis van wat we in Kortrijk voorgeschoteld kregen, niet langer als huurling, wel te verstaan.

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

woensdag 26 december 2018 20:54

Shame - Pletwalsende postpunk

A hard, soft or no Brexit: de nabije toekomst zal het uitwijzen, maar wat de Zuid-Londense kerels van het fel gehypte Shame betreft verkeert hun land nu al in een verregaande staat van sociale ontbinding. Onder het motto ‘never waste a good crisis’ vonden ze er een gedroomde voedingsbodem om hun existentiële levensvragen in een trits melodieuze postpunk songs te persen. De samenbundeling daarvan, ‘Songs of Praise’, legde bij de release afgelopen januari de lat al meteen erg hoog in de categorie ‘Debuutalbum van het jaar’.

Afgelopen donderdagavond incluis heeft Shame dit jaar niet minder dan 162 live gigs op de teller staan. Geen wonder dus dat we in een uitverkochte ABBox een goed gerodeerde bende jonge honden aantroffen, perfect gegangmaakt door hun charismatische brulboei Charlie Steen. We zijn amper halfweg het met prikkeldraad gitaren doorweven openingsnummer “Dust on Trial”, en Steen rolt al als de nieuwe Messias van een verloren generatie over de moshende massa. Er volgen nog verschillende andere van dit soort intense kennismakingen met het publiek, dus de hippe bretellen die de frontman draagt blijken eerder pure noodzaak dan een weloverdachte modegril.
In minder dan een uur tijd raast Shame als een pletwals doorheen alle nummers uit ‘Songs of Praise’. In de huiskamer klinken die nog behoorlijk melodieus, maar onder de spotlights van een bezweet podium worden het manisch in het rond vliegende splinterbommetjes die genadeloos op hun doel afgaan. Muzikaal zet het Engelse vijftal daarbij geen nieuwe bakens uit: de rauwe punk uit de begindagen van The Clash en de überstrakke maatpakken rock van The Godfathers zijn daarvoor te prominent aanwezige referentiepunten.
En toch is Shame ontegensprekelijk een groep van nu die met tonnen branie op het podium staat en hun dagdagelijkse observaties in post-Brexit land in weinig cryptische teksten weet te vertalen. Het (overwegend) jonge publiek lustte er in Brussel wel pap van. Wanneer Steen in “Tasteless” een stevige uppercut uitdeelt aan de onverschillige politieke elite scandeert iedereen alert mee: “I like you better when you’re not around”.
Tijdens interviews zit Shame een beetje verveeld met hun imago van political band, want hun inspiratie reikt nu eenmaal veel verder dan dat. In hun meest radiovriendelijke single “One Rizla” worden sociale media en het bijhorende fake image building door de bril van een adolescent op de korrel genomen. Tijdens het zeldzame rustpuntje “Angie” suggereert Steen een relatie met een meisje dat later zelfmoord pleegt; dichter bij een Oasis anthem kwamen ze nooit eerder.
Ook de drie nieuwe nummers die in de AB het daglicht zagen verraden een zekere verbreding van het toekomstige Shame geluid. “Human, For A Minute” klonk vooralsnog wat te braafjes, maar “Cowboy Supreme” en vooral het lang uitgesponnen “Exhaler” lieten uitschijnen dat het tweede Shame album het muzikale avontuur niet zal schuwen.
Met de ultrakorte Stooges rip-off “Donk”, door Steen ingeleid als ‘the last song we’ll play this year’, haalde Shame afgepeigerd maar voldaan de finish van hun dolle rit op Belgische bodem. De pletwals mag even naar de garage voor een welverdiend groot onderhoud, maar de tabloids in hun thuisland weten het nu al: the unstoppable force named Shame will be back!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Ook zonder écht relevante platen uit te brengen verdient Sheffield’s finest The Human League reeds decennia lang een aardige stuiver in het 80ies revival circuit. Het grootste deel van dat lucratieve pensioenplan heeft het Engelse gezelschap opgebouwd van pakweg ’81 tot ’86 toen hun tussen kunst en kitsch laverende synthpop zowel door new wave adepten als door de commerciële mainstream wereldwijd werd gesmaakt. De drie voornaamste veteranen uit die glorieperiode, frontman Philip Oakey en zangeressen Susan Ann Sulley (‘de blonde’) en Joanne Catherall (‘de zwarte’), horen we niet klagen als zou hun populariteit inmiddels tanende zijn: schijnbaar moeiteloos liepen zowel de AB, het Kursaal en de Roma afgelopen weken vlotjes vol om de hitmachine uit het foutste decennium van de muziekgeschiedenis aan het werk te zien.  

The Human League trekt dit jaar de wereld rond met hun ‘Red tour’, een nostalgische knipoog naar een vroegere gewoonte van de band om hun vinyl singles rood te merken als ze expliciet voor de dansvloer bestemd waren. De designers van de flashy video wall op de achtergrond hadden dat duidelijk goed begrepen: rood was een regelmatig terugkerend kleur in een verknipt decor van muziekclips, video animaties en fluoprojecties dat het publiek in een handomdraai terug naar de 80ies katapulteerde op de strakke synthpop beats van “The Sound Of The Crowd”. Meteen viel op hoe de onderkoelde bariton van de inmiddels 63-jarige Oakey nog steeds akelig perfect klinkt. Was dit het betere lip sync werk ... of toch het resultaat van een popster pur sang die zich gewoon goed soigneert in de herfst van zijn carrière en als een afgetrainde atleet van de ene naar de andere trap holde? We hebben geen bewijzen voor het eerste dus veronderstellen dan maar het tweede.
Dé voornaamste bestaansreden van The Human League anno 2018 zit verpakt in ‘Dare’, dat ene classic album uit ’81 waarop de synthese tussen de elektronische spielerei van Kraftwerk en de space disco van Giorgio Moroder het nieuwe handelsmerk van de groep werd. De klassieke synthpop singles uit dat album zoals “The Things That Dreams Are Made Of”, “Open Your heart” en “Love Action (I Believe in Love)” ontbraken natuurlijk niet in Oostende en lokten prompt een horde dolle vijftigers uit hun comfortable zetel richting frontstage om een danspasje op een halve tegel te wagen. Voeg daarbij andere popparels als “The Lebanon” (yep, ineens werd hier zowaar een gitaar gespot op het podium), de lichtvoetige Motown pastische “Mirror Man” en de enige noemenswaardige 90ies hit “Heart Like A Wheel”, en je hebt het recept voor een onvervalst feestje der herkenning dat gewoonweg niet kón mislukken.
Oakey & co hadden gelukkig ook wat minder evidente songs op het menu staan. Het atmosferische “Seconds”, met voorsprong het beste nummer uit ‘Dare’, werd toendertijd weggemoffeld als B-kantje van “Don’t You Want Me” maar heeft intussen zijn eeuwigheidswaarde bewezen als inspiratiebron voor uiteenlopende acts van Ladytron tot LCD Soundsystem. Ook met de okselfrisse elektropop van “Night People”, een vergeten single uit League’s laatste album ‘Credo’ (’10), overbrugde de Engelse veteranen moeiteloos een aantal generatiekloven. Op haar beurt keek de groep ook eens achterom richting eigen inspiratiebronnen, en kwam wonderwel uit bij Ryuichi Sakamoto’s Yellow Magic Orchestra wiens “Behind The Mask” een glossy en zeer geslaagde makeover kreeg.
De meeste ogen mochten dan al gericht zijn op de drie oorspronkelijke leden, toch verdienen de twee synthspelers en de drummer evenveel krediet om de tot in de puntjes uitgekiende greatest hits show van begin tot eind strak te regiseren. Het gaf Oakey en zijn twee stoïcijns voor zich uitkijkende Griekse godinnen meteen ook de tijd en ruimte om vestimentair uit te pakken en hun voormalige reputatie als stijliconen van de new romantic movement hoog te houden. Oogverblindende glitters, potsierlijke pluimen, halve kilts en doorzichtige regenjassen: you name it en het zat in de verkleedkoffer van Sheffield’s finest.

Tijdens de twee toegiften schetste The Human League mits magistraal gekozen contrasten haar eigen muzikale evolutie van een avant-gardistisch elektro gezelschap (“Being Boiled”) naar een catchy synthpop band met Abba-esque neigingen (“Together in Electric Dreams”, een toenmallige joint venture tussen Oakey en de onvermijdelijke Moroder).
Slotsom: net als bij de recente concertreeksen van Kraftwerk voelde de tot op de milliseconde strakke timing toch wel wat steriel aan, maar evenzeer als hun geestelijke vaders kwam The Human League hier toch vooral bewijzen dat hun muzikale erfenis weinig aan relevantie heeft ingeboet. Kunst - kitsch: 1 - 1.

Organisatie: Live Nation

vrijdag 19 oktober 2018 11:36

The Posies - Power(pop) to all our friends

Alle artistieke vernieuwingsoperaties ten spijt, The Posies deden de jongste jaren vooral hun best om net niét als The Posies te klinken. Sterkhouders van het eerste uur Jon Auer en Ken Stringfellow, hét kwajongensduo bij uitstek als het over meerstemmige powerpop gaat, zagen de bui al hangen en lieten dit najaar de kans niet liggen om tijdens hun ‘30th anniversary tour’ enig eerherstel af te dwingen. Wat deze tour redelijk uniek maakt is dat de plooien met de originele ritmesectie Dave Fox (bas) en Mike Musburger (drums) na akkefietjes over fame and fortune eindelijk zijn glad gestreken; in De Kreun stonden dus dezelfde vier heren die 24 jaar geleden hun allereerste optreden op Kortrijkse bodem gaven in café Den Chips ... those were the days!

Dertig jaar on the road, het is uiteraard niet niks, maar zoals de setlist al snel duidelijk maakte hebben The Posies veruit de meeste potten gebroken in de 90ies. Niet meer dan logisch dus dat Auer en Stringfellow hun verjaardagsfeestje vooral hadden gebouwd rond ‘Frosting On The Beater’ (’93) en ‘Amazing Disgrace’ (’96), twee ‘classic’ albums die recent een tweede leven kregen in lijvige reissue versies. De uit die periode daterende symbiose tussen Big Star en Cheap Trick slaat live nog steeds de meeste gensters, zeker nu de The Posies na jarenlange verkenning van het less is more principe eindelijk terug een full electric band geworden zijn. Opvallend ook hoe popgrunge parels als “Dream All Day”, “Daily Mutilation”, “Please Return It” en “Definite Door” in geen tijden zo potig klonken dankzij de hernieuwde samenwerking met de geoliede ritmetandem Fox - Musburger.
Zelfs tijdens een nostalgisch best-of feestje als dit willen Auer en Stringfellow zichzelf blijven uitdagen. Zo doken ze midden in de set plots het publiek in om onversterkt het oudje “You Avoid Parties” op te rakelen. Even knetterde er een weemoedig kampvuurtje in De Kreun, en bleken The Hollies de coolste band ter wereld. Een ander (on)berekend risico die de twee boys from Seattle zowat elke avond nemen is het promoten van lokaal talent. Artist in residence Galine mocht een paar nummertjes komen meekreunen uit de laatste echt goeie Posies schijf, ‘Blood/Candy’ (‘10), maar verkwanselde door haar stuitende desinteresse een uitgelezen kans om haar aantal likes significant de hoogte in te jagen. Het contrast kon niet groter zijn met Auer’s veelbetekend vingertje richting hiernamaals tijdens de slotakkoorden van “So, Caroline”, opgedragen aan ‘s mans beste vriend en voormalig Posies drummer Darius Minwalla die na amper 39 lentes in 2015 onverwacht een ticket richting indie heaven in de bus kreeg.

Eindigen deden The Posies met twee dubbele uppercuts uit hun vetste jaren. Met de okselfrisse gitaarpop singles “Flavor Of The Month” en “Solar Sister” hebben Auer en Stringfellow menig zomerfestival ingepakt, en dat was in De Kreun niet anders.
Harder en donkerder klonken de finale adrenaline shots “Throwaway” en “Ontario”, waarna het verjaardagsfeestje zich verplaatste naar de merchandise stand waar de twee frontmannen als vanouds een potje gaan zwanzen met fans en selfie jagers. Nostalgie was vanavond even geen vies woord of een hol marketing product, maar een zelfrelativerende ode aan oude vriendschappen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
The Posies
http://www.musiczine.net/nl/foto-s/view-album/99

Grand blue herion
http://www.musiczine.net/nl/foto-s/view-album/100
Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Al 43 jaar lang hebben musicologen de grootste moeite om Pere Ubu in een welafgelijnd hokje te proppen. Omdat regelmatig terugkerende termen als ‘postpunk’ en ‘artrock’ de lading amper dekken heeft het Amerikaanse gezelschap rond de -in alle opzichten- imposante frontman David Thomas dan maar zelf een muzikale stempel bedacht: avant garage. In die garage staan afgedankte grasmaaiers, ingedeukte jerrycans en roestige mestvorken broederlijk zijn aan zij als metaforen voor de  avantgardistische spielerei die elke goeie Pere Ubu song boven de conventionele middelmaat doet uitstijgen.

Om haar voorjaarsoffensief met een orgelpunt af te sluiten liet de 4AD club Pere Ubu tijdens hun ‘MonkeyNet’ tour halt houden in Diksmuide. Thomas hoort zijn weg redelijk goed te kennen naar de Ijzertoren: ook in 2011 strompelde hij al een keer het podium van de 4AD op met Pere Ubu’s ‘The Annotated Modern Dance’, en in 2015 deed hij zelfs een geslaagde poging om de nihilistische protopunk van de pre-Ubu band Rocket From The Tombs uit het graf te doen herrijzen.  Na die reunie bleef de punkspirit nog flink nazinderen bij Thomas, wat vorig jaar resulteerde in het meest gitaargeoriënteerde album uit de Pere Ubu geschiedenis, ‘20 Years in a Montana Missile Silo’.

Die laatste worp, waarvoor de band de overstap maakte naar het legendarische Engelse indielabel Cherry Red Records, maakte vanavond het hoofdmenu uit.  Nooit gedacht dat we Pere Ubu nog zo pissig uit de hoek zouden horen komen als tijdens de lichtontvlambare garagepunk van “Monkey Bizness” en “Toe To Toe”, een koppel  rechttoe rechtaan uppercuts die wel weggelopen leken uit de comeback plaat van Rocket From The Tombs. Ook tijdens de funky cross-over van “Funk 49”, de naar PJ Harvey knipogende murder ballad “Howl” en de vintage Ubu weirdness van “Prison Of The Senses” voerde de gitaar de boventoon.

Het lijf van Thomas is in volle aftakeling, maar de radde tong, de cynische bindteksten en de nasale kopstem doen het wel nog steeds. De 64-jarige bompapunk moet al jaren het publiek noodgedwongen entertainen vanop een stoel, steevast vergezeld van een bundel tekstbladen en een fles rood, toch is en blijft hij de onbetwiste leider van het rariteitenkabinet genaamd Pere Ubu.

Want toegegeven, bij geen enkele andere band bestaat de loonlijst uit een gitarist in maatpak die overgeconcentreerd naar zijn partituren staart (Gary Siperko), een bassiste die een paar koppen kleiner leek dan haar instrument (Michele Temple), een sjofele veeboer met baseball pet die de theremin keer op keer laat ontsporen (Robert Wheeler), een langharige drummer die zo leek weggelopen uit de Foo Fighters (Steve Mehlman) en een klarinetspeler (Darryl Boone) die Thomas een paar geleden oppikte in een Engelse jazz club. Check!

Met een back catalogue die intussen reeds vijf decennia overspant hebben Thomas & co een echt luxeprobleem bij de oldies selectie, maar verrassend genoeg speelt de groep tijdens deze tour op veilig door vooral te gaan grasduinen in hun Fontana Years trilogie ‘The Tenement Year’ (’88), ‘Cloudland’ (’89) en ‘Worlds In Collision’ (’91). Dit mogen dan wel met voorsprong de meeste melodieuze jaren in de Pere Ubu geschiedenis zijn, in Diksmuide bleek nog maar eens dat ze met o.a. “Breath”, “Worlds In Collision” en “We Have The Technology” een paar tijdloze popsongs hebben opgeleverd.

In het eerste anderhalf uur onderstreepte Pere Ubu met verve haar bestaansreden anno 2018, zij het tegen een gezapig tempo en met voldoende ruimte voor gevatte oneliners en persoonlijke anekdotes van David Thomas.

Het contrast kon amper groter zijn met de band die na een rookpauze terug uit de kleedkamers tevoorschijn kwam. In een dolle rit met de teletijdsmachine krijste Thomas ineens alles uit zijn vege lijf tijdens withete versies van de punkevergreens “Kick Out The Jams”, “Sonic Reducer” en “Final Solution” (met een cynische knipoog naar Nirvana’s “Smells Like...”).

 

De boodschap is alleszins loud and clear aangekomen: Pere Ubu verloochent haar eigen roemruchte verleden niet maar staat toch vooral met twee benen (en een wandelstok) in het heden.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

 

Protomartyr - Detroit postpunk city’s finest
Protomartyr
Kreun
Kortrijk
2018-05-03
Geert Huys

Obama of Trump, het maakt weinig of geen verschil voor wie gevangen zit in de onderlaag van ‘the American heartland’. Ook voor het Amerikaanse kwartet Protomartyr maakt het geen ene reet uit wie nu juist de plak zwaait in Washington: overal in de States vinden ze inspiratie om de meedogenloze gevolgen van de fake American Dream stevig te laten doorpruttelen in hun gitzwarte postpunk. Liefhebbers van het genre moesten afgelopen donderdagavond in Kortrijk zijn, waar de band haar voorlopig magnum opus ‘Relatives in Descent’ net na zonsondergang kwam voorstellen.

De sociaal geëngageerde Amerikanen hadden in de Kreun overigens wel wat goed te maken. Hun vorige doortocht in Kortrijk kwam er op uitnodiging van zielsverwanten Viet Cong/Preoccupations die in 2015 de affiche van Sonic City mochten ineen boksen. De toen zwaar benevelde groepsleden van Protomartyr herinneren zich maar weinig meer van dat optreden ... behalve dat het behoorlijk ondermaats was. Frontman Joe Casey verontschuldigde zich vanavond dan ook uitvoerig, voegde er fijntjes aan toe dat artiesten ook maar mensen zijn, en nam een slok van het flesje gerstenat dat gedurende de ganse avond zijn vaste compagnon zou blijven.
Sinds hun overstap naar de vermaarde Engelse indiestal Domino is de sound van Protomartyr een tikkeltje cleaner geworden, maar dat betekent geenszins dat Casey & co aan impact hebben verloren. Zoals opener “My Children” perfect illustreerde schemeren dezelfde inspiratiebronnen nog steeds door in het repetitiehok van de vier Amerikanen: de tribal drums en ijle gitaar uit de intro refereren ontegensprekelijk naar The Cure ten tijde van ‘Pornography’, even later gevolgd door een gortdroog baslijntje en de claustrofobische zegzang  waar Joy Division hun volledige erfenis heeft op gebouwd. Verder op in de set zouden met The Fall’s Mark E. Smith (“Up The Tower”) en Nick Cave (“Windsor Hum”) trouwens nog twee andere muzikale rolmodellen van Joe Casey passeren. Het geheel wordt telkens afgekruid met een portie noise die, eigen aan zowat elke gitaarband uit Detroit, geïnspireerd is door de rauwe garageblues van stadsgenoten The Stooges en MC5.
Protomartyr heeft naast Casey trouwens nog een tweede geheim wapen aan boord in de persoon van drummer Alex Leonard. Het is namelijk zijn gegoochel met ritmiek en breaks dat ervoor zorgt dat er in elk nummer een ongemakkelijke spanningsboog groeit.
In tegenstelling tot vele van hun genregenoten lijkt Protomartyr echter geen bende navelstaarders die doen alsof er geen publiek in de zaal staat. De muziek is gevaarlijk, stoer en doomy, maar de stage act is dat niet. Wanneer ineens het nagelnieuwe “You Always Win” wordt aangekondigd , excuseert Casey zich al op voorhand voor eventuele schoonheidsfoutjes. Het nummer is trouwens een buitenbeentje in de set, want elke vorm van traditionele songstructuur moet hier wijken voor log noise experiment en dito feedback. De die-hard fans dienen dus al uit te kijken naar de bijhorende EP ‘Consolation’ die werd ingeblikt met gastbijdragen van Kelley Deal (The Breeders) en ergens volgende maand verschijnt.
Een dik uur lang weet de band moeiteloos het publiek aan zich te binden met afwisselend broeierige en gruizige postpunk zonder ook maar één dieptepunt. Ook de encores bleken allesbehalve afleggertjes. Hier werden vooral fans van het eerste uur verwend met verloren gewaande singles “Why Does It Shake?” en “Scum, Rise!” uit de vorige albums ‘The Agent Intellect’ (’15) en ‘Under Color of Official Right’ (‘14).

De herkansing die Casey & co in De Kreun kregen draaide uit op een glorieuze return to form. Wie sinds Sonic City ‘15 onterecht was afgehaakt , prikt dus best al volgende afspraak: 18 augustus, festival terrein Kiewit, Lift stage, ergens links van de PA.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/protomartyr-03-05-2018/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/tyvek-03-05-2018/

Organisatie: Wilde Westen

De invloed van BBC Radio 6 DJ Gilles Peterson in het spotten en promoten van opkomend talent begint zo stilletjes aan John Peel-achtige proporties aan te nemen. Neem nu de Leftfield MC Obaro Ejimiwe - aka Ghostpoet - wiens eigen beheer debuut EP in 2010 een zodanige indruk maakte op Peterson dat die prompt aan de catalogus van diens eigen Brownswood label werd toegevoegd. De tussentijdse balans na vier full albums oogt zo mogelijk nog indrukwekkender voor een a-commerciële outsider als Ghostpoet: twee van zijn schijven sleepten intussen een prestigieuze Mercury Prize nominatie in de wacht, en uit alle muzikale windstreken duiken collega’s op aan de deur van de opname studio om een gastbijdrage met Ejimiwe te kunnen inblikken.

Met de afgelopen herfst verschenen ‘Dark Days + Canapés’ worp onder de arm leek het dan ook een koud kunstje voor Ghostpoet om de AB Club volledig te doen vollopen. Opener “Many Moods At Midnight” maakte meteen duidelijk aan de fans van het eerste uur dat de tijden van Ghostpoet als eenzame MC on stage definitief voorbij zijn. Tegenwoordig staat Ghostpoet voor een hechte groep die de ongemakkelijke rhymes en stuiterende beats van weleer aanvullen met een organische ritmesectie en ijle gitaren.
Zoals de titel van zijn jongste opus al enigszins suggereert heeft
Ejimiwe inmiddels ook de zwartgallige postpunk van Bauhaus, The Cure en Siouxie ontdekt. Het heeft zijn muziek er een pak donkerder, maar daarom niet minder toegankelijk op gemaakt. De klankkleur van Massive Attack’s claustrofobische meesterwerk ‘Mezzanine’ dat dit jaar 20 kaarsjes mag uitblazen is wat dat betreft een belangrijk referentiepunt. Het mag dan ook geen toeval heten dat de opwarmende DJ Madame Moustache net voor de aftrap nog eens “Angel” uit die plaat door de boxen joeg! Van Massive Attack is het maar een kleine stap naar ene Tricky, die net als Gil Scott-Heron en Roots Manuva in het rijtje invloedrijke muzikale rolmodellen van Ghostpoet past. OK, we hebben Tricky zelden of nooit in een strak maatpak weten steken, maar de zwartgallige voordracht, de schaduwgevechtjes on stage en de serene iewat afstandelijke houding tegenover het publiek refereren onmiskenbaar naar het enfant terrible van de triphop.
Tijdens de anderhalf uur durende set stonden vooral het laatste album en diens al even briljante voorganger ‘Shedding Skin’ (’15) centraal. Beide platen worden bevolkt door tal van gastbijdragen die intussen zodanig stevig met de nummers vergroeid zijn dat elke andere versie inferieur is aan het origineel. Zo klonk het post-triphop juweeltje “Woe Is Meee” in de AB een pak minder urgent door de afwezigheid van de dreigende bariton van Massive Attack’s Daddy G, en kerfde “Shedding Skin” net iets minder diep in de ziel zonder de onderkoelde fluisterstem van Melanie De Biasio. Ter compensatie fungeerde de bijna onzichtbare toetseniste regelmatig als tweede stem, en één keer haalde ze zelfs een viool boven en voorzag hierbij “Blind As A Bat...” van een psychedelisch folkrandje.
Het wereldbeeld van Ghostpoet lijkt wel geïnspireerd door zijn huidskleur: zijn songs zijn doorgaans gitzwarte observaties die in de ik-vorm vertellen over menselijke miserie in al haar vormen. Als tegen het einde van de set het relaas van een bootvluchteling in het ijzingwekkende “Immigrant Boogie” passeert moeten we toch even slikken: “I was dreaming of a better life/With my two kids and my lovely wife/But I can’t swim and water’s in my lungs/So, here it ends, well, life has just begun”. Dat uitgerekend dit nummer vorig jaar werd uitgebracht als vooruitgeschoven single typeert Ghostpoet volledig.

Afsluiten deden
Ejimiwe & co met “Freakshow”, een van postpunk doordrongen triphop epos dat in andere tijden en een betere wereld wekenlang de toppositie van De Afrekening zou moeten innemen. Echter, zo lang nietszeggende ondingen als Imagine Dragons de plak zwaaien moet Ghostpoet zich tevreden stellen met een reputatie als cult hero. Onze platenkast staat er vol van, dus ondergetekende hoor je niet klagen.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Pagina 1 van 16