zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Geert Huys

Geert Huys

De invloed van BBC Radio 6 DJ Gilles Peterson in het spotten en promoten van opkomend talent begint zo stilletjes aan John Peel-achtige proporties aan te nemen. Neem nu de Leftfield MC Obaro Ejimiwe - aka Ghostpoet - wiens eigen beheer debuut EP in 2010 een zodanige indruk maakte op Peterson dat die prompt aan de catalogus van diens eigen Brownswood label werd toegevoegd. De tussentijdse balans na vier full albums oogt zo mogelijk nog indrukwekkender voor een a-commerciële outsider als Ghostpoet: twee van zijn schijven sleepten intussen een prestigieuze Mercury Prize nominatie in de wacht, en uit alle muzikale windstreken duiken collega’s op aan de deur van de opname studio om een gastbijdrage met Ejimiwe te kunnen inblikken.

Met de afgelopen herfst verschenen ‘Dark Days + Canapés’ worp onder de arm leek het dan ook een koud kunstje voor Ghostpoet om de AB Club volledig te doen vollopen. Opener “Many Moods At Midnight” maakte meteen duidelijk aan de fans van het eerste uur dat de tijden van Ghostpoet als eenzame MC on stage definitief voorbij zijn. Tegenwoordig staat Ghostpoet voor een hechte groep die de ongemakkelijke rhymes en stuiterende beats van weleer aanvullen met een organische ritmesectie en ijle gitaren.
Zoals de titel van zijn jongste opus al enigszins suggereert heeft
Ejimiwe inmiddels ook de zwartgallige postpunk van Bauhaus, The Cure en Siouxie ontdekt. Het heeft zijn muziek er een pak donkerder, maar daarom niet minder toegankelijk op gemaakt. De klankkleur van Massive Attack’s claustrofobische meesterwerk ‘Mezzanine’ dat dit jaar 20 kaarsjes mag uitblazen is wat dat betreft een belangrijk referentiepunt. Het mag dan ook geen toeval heten dat de opwarmende DJ Madame Moustache net voor de aftrap nog eens “Angel” uit die plaat door de boxen joeg! Van Massive Attack is het maar een kleine stap naar ene Tricky, die net als Gil Scott-Heron en Roots Manuva in het rijtje invloedrijke muzikale rolmodellen van Ghostpoet past. OK, we hebben Tricky zelden of nooit in een strak maatpak weten steken, maar de zwartgallige voordracht, de schaduwgevechtjes on stage en de serene iewat afstandelijke houding tegenover het publiek refereren onmiskenbaar naar het enfant terrible van de triphop.
Tijdens de anderhalf uur durende set stonden vooral het laatste album en diens al even briljante voorganger ‘Shedding Skin’ (’15) centraal. Beide platen worden bevolkt door tal van gastbijdragen die intussen zodanig stevig met de nummers vergroeid zijn dat elke andere versie inferieur is aan het origineel. Zo klonk het post-triphop juweeltje “Woe Is Meee” in de AB een pak minder urgent door de afwezigheid van de dreigende bariton van Massive Attack’s Daddy G, en kerfde “Shedding Skin” net iets minder diep in de ziel zonder de onderkoelde fluisterstem van Melanie De Biasio. Ter compensatie fungeerde de bijna onzichtbare toetseniste regelmatig als tweede stem, en één keer haalde ze zelfs een viool boven en voorzag hierbij “Blind As A Bat...” van een psychedelisch folkrandje.
Het wereldbeeld van Ghostpoet lijkt wel geïnspireerd door zijn huidskleur: zijn songs zijn doorgaans gitzwarte observaties die in de ik-vorm vertellen over menselijke miserie in al haar vormen. Als tegen het einde van de set het relaas van een bootvluchteling in het ijzingwekkende “Immigrant Boogie” passeert moeten we toch even slikken: “I was dreaming of a better life/With my two kids and my lovely wife/But I can’t swim and water’s in my lungs/So, here it ends, well, life has just begun”. Dat uitgerekend dit nummer vorig jaar werd uitgebracht als vooruitgeschoven single typeert Ghostpoet volledig.

Afsluiten deden
Ejimiwe & co met “Freakshow”, een van postpunk doordrongen triphop epos dat in andere tijden en een betere wereld wekenlang de toppositie van De Afrekening zou moeten innemen. Echter, zo lang nietszeggende ondingen als Imagine Dragons de plak zwaaien moet Ghostpoet zich tevreden stellen met een reputatie als cult hero. Onze platenkast staat er vol van, dus ondergetekende hoor je niet klagen.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

zaterdag 16 december 2017 01:00

Tjens Matic - WOW! (Waardig Ouder Worden)

Tjens Matic - WOW! (Waardig Ouder Worden)
Tjens Matic
Kreun
Kortrijk
2017-12-14
Geert Huys

Arno, le plus beau van de vaderlandse rock, hoort en voelt zijn biologische klok steeds harder tikken. Langzaam afbouwen, decadent rentenieren of gewoon stilletjes wegdeemsteren lijken echter nog niet besteed aan de 67-jarige veteraan. De jeugd wordt preutser en de rock die ze maken alsmaar braver: het zint Arno duidelijk niet, dus nu het vege lijf nog mee wil vindt ie het hoog tijd om de puntjes ‘go-go-godverdomme’ nog eens op de ‘i’ te zetten. Hij kon hierbij geen meer welgekomen kuur bedenken dan een bloemlezing uit zijn strafste muzikale stoten bij respectievelijk Tjens Couter (’72-‘80) en TC Matic (‘80-‘85), twee prominente bands uit de Belgische muziekgeschiedenis die anno 2017 grammaticaal versmelten tot Tjens Matic.

Uit de oorspronkelijke bezetting van beide oerbands is enkel Arno nog van de partij; tijdens deze tour wordt ie vergezeld van drie jonge(re) honden die in een klassieke bas-drum-gitaar opstelling rauw en energiek van jetje kwamen geven. Voor compagnon de route en meester-toetsenist Serge Feys is tegenwoordig geen plaats meer. Met Tjens Matic wil Arno duidelijk terug grijpen naar de pure eenvoud van de rock’n’roll, gespeend van alle franjes. Kortom, wie dacht frivole 80ies pop (“Ugh Ugh”) of melancholische ballads (“Elle Adore Le Noir”) op het menu terug te vinden kwam van een kale reis uit Kortrijk terug.
Speciaal voor deze tour heeft de nachtburgemeester zijn ‘cockney English’ accent terug wat ingeoefend, wat deze trip met de teletijdsmachine naar het Belpop landschap medio midden jaren ’70 nog echter maakt. Uit die periode dateert de uitgebeende garageblues uppercut “Gimme What I Need”, het beste nummer dat de generatiegenoten van Dr. Feelgood nooit maakten. Arno vertelt er een sappige anekdote bij over hoe het nummer zelfs zijn weg vond naar de jukebox van het legendarische New Yorkse punkhol CBGB’s. De veertigers en vijftigers in de tot de nok gevulde Kreun nemen zijn gewauwel maar wat graag voor waarheid aan, en gooien er prompt hun eigen sterke verhalen bovenop.
Niemand is afgezakt naar Kortrijk om voor de elfendertigste keer “Oh La La La” en “Putain Putain” voorgeschoteld te krijgen, maar helaas, beide pronkstukken uit het nationaal cultureel erfgoed passeren toch de revue. Een pak interessanter wordt het als nummers die zelden of nooit de solo setlists van Arno halen worden opgediept. Een zwierige rocker als “Forget The Rest, Take The Best” (een heropgevist Tjens Couter B-kantje uit ‘78) en de hoekige punkwave van TC Matic’s “Arrivederci Solo” (‘83) staan vanavond netjes zij aan zij, urgent en zonder direct aanwijsbare ouderdomskwaaltjes. Dat Tjens Matic overigens niet enkel het verleden doet herleven bewezen ze met het aan The Jesus Lizard-schatplichtige “Middle Finger”, een nieuw nummer dat onlangs als 45-toeren singletje werd uitgebracht en alles in zich heeft om een collectors item te worden. Wie snel even de lyrics doorneemt herkent trouwens prompt een oud zeer: Arno en Bart De Wever, écht goeie vrienden zullen het nooit worden.

Tijdens de encores deelt de groep de laatste twee kopstoten uit die ons er nogmaals doen aan herinneren wat voor een progressieve band TC Matic eigenlijk wel was. Van avant-garde blues (“Ha Ha”) tot averechtse funkwave (“Bye Bye ‘Till The Next Time”): Arno en Jean-Marie Aerts gooiden het toen allemaal in de mix en het werkt 35 jaar later nog steeds.
De trip mocht gerust nog wel wat langer duren, maar na een uur en een kwart ging de stekker er toch onverbiddellijk uit. Niet getreurd, de AB biedt volgende maand alweer een nieuwe afspraak met dit weerbarstig stukje Belpop geschiedenis.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/pjds-14-12-2017/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/tjens-matic-14-12-2017/

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Pukkelpop 2017 thru the eyes & ears of Geert Huys
Pukkelpop 2017
Festivalterrein
Hasselt-Kiewit
2017-08-30
Geert Huys

PUKKELPOP 2017 - Drie dolle dagen, 28 keuzes, 1 relaas

DAG 1 - 17 augustus 2017

TAMINO
(Club, **½)
Na meerdere Pukkelpop edities te hebben rondgedoold als anonieme toeschouwer werd hét godenkind uit de jongste Nieuwe Lichting nu ineens zelf op het podium in Kiewit gedropt. Het werd helaas een weinig comfortable landing op Limburgse bodem. De té verkrampte Tamino kon zijn overconcentratie en onwennigheid tegenover de grote massa amper verhullen, waardoor wereldsongs als “Habibi” doodjammer maar keihard op een koude steen vielen. Toegegeven, de wanhoopkreetjes van het massaal uit Camping Chill aangevoerde oestrogeen zaten daar wel voor iets tussen, want in de meer intieme setting van een radiostudio bewees de 20-jarige Antwerpenaar reeds eerder dat de Buckley-vergelijking wel degelijk kan opgaan.

INTERGALACTIC LOVERS
(Marquee, ***)
Een schoolvoorbeeld van een geluk bij een ongeluk: sinds Lara Chedraoui na een vingerblessure de gitaar noodgedwongen aan de wilgen heeft gehangen is het enkel maar crescendo gegaan met de live reputatie van Intergalactic Lovers. In Kiewit schoof de frontdame sierlijk over het podium met de zelfzekerheid en souplesse van een jonge Patti Smith, met vlak achter haar de boys-in-the-band die allen in een strak muzikaal pak staken. De rafelige gitaarpop songs van de onlangs opnieuw aan de oppervlakte verschenen Aalstenaars lijken door de jaren heen wel steeds meer inwisselbaar, dus na drie kwartier was de koek toch wel meer dan op.

RYAN ADAMS (Main stage, ****)
De Amerikaanse ex-punker en alt.country held is (nog maar eens) zijn lief kwijt, maar bracht ter compensatie zijn verzameling pluchen tijgers, een gehavende Amerikaanse vlag en vooral een erg potige classic rock band mee naar Pukkelpop. De blitse Adams (rode zonnebril, T-shirt én gympies) werkte zich in het zweet om te bewijzen dat zijn jongste breakup album ‘Prisoner’ zich uitstekend leent om festivalweides te komen wakker schudden met een portie onversneden rootsrock à la Tom Petty & The Heartbreakers. Helemaal aan het eind van de set kreeg het ongeleid projectiel in Adams toch even de bovenhand en moest het drumstel er aan geloven. “Do You Still Love Me?” vroeg Ryan zich af in het ontstuimige openingsnummer: wie deze rock’n’roll held zelfs geen heel klein beetje graag ziet mag nu oprotten.

PJ HARVEY
(Marquee, ****½)
Wie oudgediende Harvey afgelopen jaren wat uit het oog was verloren kreeg meteen lik op stuk. De pose waarmee de frêle Engelse vergezeld van een tienkoppige marching band het podium opstapte had veel weg van een aangekondigde veldslag. Als doelwit op haar kruistocht houdt Harvey alle geopolitieke shit in het vizier die tot de wereldwijde vluchtelingencrisis heeft geleid; het is dé rode draad doorheen Harvey’s redelijk onderschatte recentste worp ‘The Hope Six Demolition Project’ (‘16) én vormde de hoofdmoot van haar ‘return to form’ performance in Kiewit. Het publiek kreeg weinig hapklare brokken geserveerd in het eerste driekwart, wel een gebalde en meeslepende set waarbij Harvey de gitaar had ingeruild voor een sax met in haar kielzog een onwaarschijnlijke straffe selectie aan muzikale virtuositeit: John Parish, Mick Harvey en Alain Johannes anyone? Op het eind verkocht La Harvey ons nog een lekkere psychobilly uppercut met oudje “50Ft Queenie” en veegde ze de vloer aan met het legertje hersenloze popprinsessen die dit jaar massaal de weg naar de Kiewit podia bleken gevonden te hebben. Er achteraan kwam nog “To Bring You My Love”, ja zó moet een nummer over de liefde dus echt klinken!

STRAND OF OAKS
(Club, ****½)
We lieten zonder dralen de overbelichte Solange links liggen ten voordele van Timothy Showalter en zijn rechttoe-rechtaan rockende kornuiten -aka Strand Of Oaks- die reeds voor een tweede keer een retourtje Kiewit in de bus kregen. Showalter is een artiest naar ons hart met een erg zeldzaam profiel: authentiek, kwetsbaar, onbezonnen, én dankbaar. Predikant of charismatische frontman, toogfilosoof of stoere rocker: Showalter kan of wil niet kiezen en is het dus allemaal. Muzikaal leunt de band steeds nauwer aan bij early My Morning Jacket en Neil Young & Crazy Horse, maar mijn God, met welke epische grandeur werden persoonlijke favorieten als “Radio Kids” en “JM” (een ode aan wijlen Songs:Ohia brein Jason Molina) de tent ingeslingerd! Showalter en het Pukkelpop publiek, het waren vanavond twee handen op één buik en dat moest uiteraard eindigen in een rondje crowdsurfing door de 35-jarige Amerikaan.

INTERPOL
(Marquee, ****)
Financiële kater? Artistieke bloedarmoede? Een nostalgische bui? Eerlijk, het kan ons eigenlijk geen ene moer schelen waarom Interpol deze zomer de boer op gaat met een integrale reprise van hun gitzwarte debuutschijf ‘Turn On The Bright Lights’ uit 2002. Onder de bloedrode spots van het Marquee podium onderstreepten een stoïcijns voor zich uit turende Paul Banks en zijn vier in strakke zwarte maatpakken getooide metgezellen nog maar eens waarom precies dié plaat anderhalf decennium geleden het vuur aan de lont van de postpunk revival stak. Zwartgallige teksten gedeclameerd door een donkere bariton, messcherpe gitaren, lome baslijntjes en holle drums: de typische genre ingrediënten hadden hun houdbaarheidsdatum nog bijlange niet overschreden, maar kregen toch nauwelijks de helft van de tent gevuld. Gaten in de cultuur, je vond ze donderdagavond bij de vleet.

TY SEGALL
(Club, ****)
Met een beetje fantasie kon je ze zien staan, daar op het podium van de Club: The White Stripes met drie extra muzikanten én een veel betere drummer. Neh, in werkelijkheid betrof het Ty Segall en zijn Freedom Band die blijkbaar enkel rode en witte kleren in de reistas hadden geduwd, maar zich net zoals de ‘familie’ White in hun gloriejaren rijkelijk bedienen van rauwe psychblues en fuzzy garagerock. Als zanger solliciteerde de nasaal klinkende Segall naar de rol van Marc Bolan on speed, maar hell yeah, als gitarist stond hier een 30-jarig bastaardkindje van Johnny Winter.

MODERAT
(Marquee, ***½)
De wegen van dit Berlijnse electronica trio gaan binnenkort terug uiteen als Modeselektor en Apparat, en kijk, Pukkelpop kreeg de eer en het genoegen om die artistieke teraardebestelling niet onopgemerkt te laten voorbij gaan. Toegegeven, na een paar uur onophoudelijk gitaargeweld was het even acclimatiseren, maar uiteindelijk moesten lijf en leden toch zwichten voor de wonderbaarlijke chemie tussen stuiterende Warp beats en melancholische Notwist indietronica. We hebben ze niet onmiddellijk kunnen spotten, maar meerwaardezoekers die anders drie dagen kamperen in en rond de Dance Hall en de Boiler Room hadden hier ongetwijfeld een vette kluif aan. Dankeschön und auf wiedersehen!

THE XX
(Main stage, ****)
De enige headliner op PP17 die naam waardig kwam bewijzen dat een band ook zonder oorverdovende beats of gierende gitaren een festivaldag met een ace kan uitserveren op het hoofdpodium. Tis te zeggen: beats en gitaren waren er wel, maar dan van het subtiele en onderkoelde soort in een strakke regie van het electronische meesterbrein Jamie XX die anno 2017 prominenter dan ooit op de voorgrond treedt bij het Londense trio. Zo smokkelde hij zijn solo hitje “Loud Places” bijna onopgemerkt in de set, dat even later naadloos zou overgaan in “On Hold”. De anders zo timide Romy Madley Croft waagde zich zelfs aan een paar voorzichtige danspasjes en ging een paar keer voluit in een slow-motion paringsdans met bassist Oliver Sim. Dit was mainstream die recht naar de keel greep, een houvast voor zielen die hun gading niet vinden in de geluksindustrie, een bakje troost op het eind van een woelige werkdag, of gewoon een gedenkwaardige afsluiter van een eerste festivaldag.

DAG 2 - 18 augustus 2017

NORDMANN
(Lift, ***½)
Met okselfrisse concertjes van ondermeer GoGo Penguin en TaxiWars verwelkomde PP vorig jaar voor het eerst een nieuwe generatie hippe jazzcats, en die lijn werd op de recentste editie wijselijk doorgetrokken met de komst van o.a. de Gentse Rock Rally finalisten Nordmann. We doen het viertal echter geen eer aan door hen enkel in het jazz vakje te proppen, want in de Lift kwamen ze bewijzen ook niet vies te zijn van soundtrackachtige avant blues, psychedelische fusion en hypnotiserende krautrock. Liefhebbers van Zappa en X-Legged Sally houden dus beter de aanstaande release van de tweede Nordmann schijf ‘The Boiling Ground’ nauwlettend in de gaten.

PARQUET COURTS
(Club, ***½)
We vinden ze best wel charmant, die Amerikaanse indiebandjes die ongeacht hun gestaag groeiende populariteit het DIY principe hoog in het vaandel blijven houden, en dus maar zelf alle instrumenten het podium opsleuren en in de juiste (?) tune proberen te krijgen. Eén en ander maakte dat onze New Yorkse vrienden redelijk opgewarmd aan de start verschenen en dus meteen stevig op het gaspedaal konden duwen met uppercuts als “Borrowed Time” en “Master Of My Craft” uit hun weergaloze debuutschijf ‘Light Up Gold’ (‘12). Echter, net zoals op hun jongste plaat gingen Parquet Courts doorheen de set meer dan nodig op de rem staan en volgden er een paar dipjes die klonken als de flauwste B-kantjes van Pavement. Maar ach, volgende keer gewoon wat meer Feelies in de mix gooien, en alles is terug vergeven!

THE SHINS
(Marquee, ***)
‘Heartworms’, de nieuwe schijf van The Shins, verdween dit voorjaar wel erg snel in de luwte. Hetzelfde kan gezegd worden van hun doortocht op Pukkelpop: de tussen licht psychedelische gitaarpop en experimentele americana laverende set ging bijna onopgemerkt voorbij aan de amper halfgevulde tent. De hoge aaibaarheidsfactor van frontman James Mercer en zijn wat té bombastisch klinkende band zullen daar wellicht voor iets tussen hebben gezeten, of misschien werden de radiohitjes “Phantom Limb” en “Simple Song” wat te lang opgespaard tot de finale. Beetje tragisch eigenlijk, dat onze aandacht pas na drie kwartier werd aangescherpt toen een flard van de Tom Petty evergreen “American Girl” kwam voorbij gewaaid in slotnummer “Sleeping Lessons”.

PERFUME GENIUS (Club, **)
In de categorie ‘meest opmerkelijke artistieke gedaanteverandering van het jaar’ nomineren we graag Mike Hadreas aka Perfume Genius. Helaas, driewerf helaas, want de schichtige zielepoot die ooit verscholen achter zijn piano in “Mr. Peterson” het relaas deed over de ongewenste intimiteiten door zijn weedrokende leraar is niet meer. In de plaats daarvan heeft Hadreas zich getransformeerd tot een performance artiest die met de sierlijkheid van een gecastreerde oerang-oetan korte minimalistische avant-popsongs uitbraakt. Volgende keer dan toch maar terug die zielepoot.

THE FLAMING LIPS
(Marquee, ****)
De speciaal voor de gelegenheid gefabriceerde goudkleurige letterballon ‘Fuck Yeah Pukkelpop’ loog er niet om: de weirde bende uit Oklahoma city was maar wat blij om hun carnavaleske kunstjes nog eens te vertonen op een Belgisch festival. Het gevoel was wederzijds, want de ongekroonde koningen van de psychpop gimmick werden meteen als oude bekenden onthaald tijdens de met confetti ondergespoten über classic “Race For The Prize”. Een reusachtige opblaasversie van Yoshimi de roze robot? Een levensgrote witte eenhoorn die frontman Wayne Coyne door de meute liet paraderen? Yep, in de verkleedkoffer van de Lips stak weer heel wat fraais. En de muziek dan, hoor ik U denken? Wel ja, een schitterend zanger is de ontwapenende Coyne nog steeds niet, maar toch zorgde de sympathieke grijsaard weer voor een ferme krop in onze keel door vanuit zijn vertrouwde transparante ritsballon Bowie te saluteren met “Space Oddity”.

ELBOW
(Marquee, ****½)
Wie na de opeenvolging van kille plensbuien wat onderkoeld was geraakt kon zich in de Marquee onmiddellijk verwarmen aan de pretoogjes van Guy Garvey, de getroubleerde teddybeer die na een solo uitstapje terug stevig aan het roer van Elbow staat. Uitgezonderd de moedige opener “The Birds” groeide elk nummer op de setlist uit tot een pastorale hymne, sinds kort mét assistentie van twee backing vocalistes die ook overweg konden met een viool. Tijdens downtempo evergreens als “Lippy Kids” en “The Bones Of You” had de volksmenner in Garvey de talrijke pogingen tot vocal harmonies zomaar uit het publiek te plukken, maar evengoed stond de kersverse vader even stil bij de tragiek in Barcelona. Elbow en België, het blijft een onklopbare combinatie.

NEWMOON
(Lift, ****)
Na 10 jaar ploeteren in de marge kan dit Kempens vijftal haar ultieme droom om ooit een PP podium te halen voorgoed schrappen van de bucket list. Newmoon gooide zich dankbaar en onvoorwaardelijk in de strijd gewapend met breed uitwaaierende gitaren, een solide ritmetandem en een empatische frontman die graag dagdroomt bij de idee dat De Ideale Wereld een maakbaar iets is. We kunnen het alleen maar beamen: dit snedig setje was pijnlijk aan de nekspieren voor al wie Ride, Slowdive en A Place To Bury Strangers thuis in de platenkast heeft staan.

NICOLAS JAAR
(Marquee, ***½)
Een vreemde eend is ook een eend. Het voormalige brein achter Darkside mocht zijn soundlab neerpoten in de Marquee, niet meteen een habitat waar experimentele ambient spielerei en afgekloven elektro goed gedijen. Soit, we gaven de meerwaarde zoeker in ons volledig vrij spel en waanden ons daardoor al vrij snel back in time op Pinkpop ’94 waar The Orb een eye-opening show gaf. Mooi compliment toch voor de 27-jarige Jaar, alleen de spacecake van toen ontbrak.

STUFF.
(Club, ***½)
Wie door hippe recensenten tot meest opwindende Belgische live-act wordt gebombardeerd kan op onze aandacht rekenen, ook al moesten we ons daarvoor in een vlotjes volgelopen Club tent wringen. En ja, het virtuoze gezelschap heeft zijn reputatie niet gestolen. Neem nu de finesse en timing van Lander Gyselinck: het moet een afknapper zijn voor iedere amateur drummer om die gast aan het werk te zien en te beseffen hoe lang de af te leggen weg nog is. De vele tempowisselingen en scherpe bochten in de hoekige spacefunk en hyperkinetische fusion van STUFF. zijn niet onmiddellijk gesneden koek voor de radio, maar dat zijn Zappa, Material en X-Legged Sally ook niet dus vertoeft het frivole vijftal in uitstekend gezelschap.

DAG 3 - 19 augustus 2017

STEAK NUMBER EIGHT (Marquee, ***½)
De sludge trots van Wevelgem (en ver daarbuiten) moest tiellijk (lees: om 6u ‘s morgens) uit de veren om uiteindelijk zo rond de middag onze laatste festivaldag op gang te trekken, en love it or hate it, maar deze Westvlaamse kopstoot kon tellen als wake up call. Vanachter zijn pornosnor schreeuwde frontman Brent Vanneste zijn frustraties de tent en de wijde wereld in, terwijl zijn moaten een wall of sound optrokken uit massief graniet zonder te vervallen in de vormloze geluidsbrij die genregenoten wel eens durven uitbraken. Steak Number Eight deed beire veel pijn aan onze dierbare trommelvliezen, en het was heerlijk!

CULTURE ABUSE
(Lift, ***½)
De jongste aanwinst van Epitaph’s vermaarde punk stal voegt uiteraard niets wereldschokkends toe aan het genre, but who cares? Met hun compromisloos setje vintage punkrock flitsten de vijf Californische kerels ons zo terug naar het tijdperk waar Dead Boys en Richard Hell & The Voidoids alles en iedereen schuimbekkend op de korrel namen. Tegenwoordig heet het doelwit D.J. Trump, steevast voorzien van het voorzetsel ‘Fuck’ door mankende frontman David Kelling die met zijn bol buikje en fotocamera uit de kringwinkel rond de nek er nét dat tikkeltje minder gevaarlijk uitzag dan zijn soortgenoten uit het genre. De man liet zich op het eind zelfs van zijn meest openhartige kant zien: “If you got weed, we got money!”. Chokri’s narcotica brigade keek gewillig de verkeerde kant uit.

D.D DUMBO
(Club, ***½)
Gastvrouw Ayco Duyster was al fan, en ook wij houden op z’n minst een gevoel van sympathie en bewondering over aan het ontwapenende setje van deze Australische singer-songwriter en milieuactivist die offstage als ene Oliver Hugh Perry door het leven gaat. Zijn avontuurlijke melting pot van 12-string psychedelische pop, wereldmuziek en Mali blues laat zich niet meteen in één vakje duwen: de ene keer kwam er een juweel van een popsong bovendrijven (“Satan”), maar even goed sprongen Perry en zijn drie metgezellen wat te kwistig om met die ingrediënten zonder dat de mayonaise echt pakte. Dat de stembanden van D.D Dumbo als bijna twee druppels water op die van Sting leken moet voldoende zijn om jullie nieuwsgierigheid te prikkelen en ’s mans vorig jaar verschenen debuut ‘Utopia Defeated’ alsnog een luisterbeurt te gunnen.

CAR SEAT HEADREST (Club, ****)
We love the 90ies ... Spoiler alert: we hebben het voor alle duidelijkheid niet over de jaarlijkse hoogdag der marginale wegwerppop. ‘Onze’ 90ies blijken als twee druppels water te lijken op wat de schijnbaar ongeïnteresseerde anti-ster Will Toledo op zijn zolderkamertje tegenwoordig bijeen schraapt als Car Seat Headrest. Toegegeven, zijn recept (een scheutje Sebadoh, een slokje Pavement, en een wolkje Weezer) is weinig vernieuwend, maar wel onweerstaanbaar voor een nieuwe verloren gelopen generatie slackers, nerds en indie kids. In de übercatchy single “Fill In The Blank” legt Toledo meteen de vinger op de wonde van vele youngsters “I’m so sick of fill in the blank. Accomplish more, accomplish nothing”. De Club raakte in vervoering, highlights als “Destroyed by Hippie Powers” en “Drunk Drivers/Killer Whales” werden bijna woord voor woord meegelipt als betrof het onvervalste Oasis anthems. Het stond in schril contrast met de introverte cool die Toledo en zijn drie makkers tijdens hun triomftocht wisten te bewaren: blik op oneindig, scherp geslepen gitaren in de aanslag en een wel heel erg abrupt einde zonder enig afscheidswoord. Eigenzinnige jongeren, geef ze toch een kans.

THE PRETTY RECKLESS
(Marquee, *)
Sympathiek en opvallend was het wel, die “Give us back the Shelter” T-shirt actie opgezet door zware jongens en liefhebbers van het stevige werk die hun favoriete podium/toog combinatie in de uithoek van het festivaldorp voortaan moeten missen. De harde noten werden dit jaar dan maar gekraakt op andere podia, maar het New Yorkse post-grunge gezelschap The Pretty Reckless bewees in de Marquee dat zoiets niet zonder risico is. Indie kids kregen er plots een potsierlijke larger than life show in de maag gesplitst van een voormalige Gossip Girl actrice met foute Courtney Love fixatie gekoppeld aan drie stoere beren die zielloos gingen plunderen bij Soundgarden en Joan Jett: ja, het leven van een PP recensent kan hard zijn.

PREOCCUPATIONS
(Lift, ****)
Het Canadese postpunk combo Viet Cong laat zich tegenwoordig afficheren als Preoccupations, een transformatie waarbij de experimenteerdrang van welleer een stukje terrein heeft verloren ten voordele van de conventionele popsong. De relatief lichtvoetige 80ies pastiche “Anxiety” werd nog breedlachend en zichtbaar ontspannen afgehaspeld, maar snel erna werd de fun factor ingeruild voor het hoogste dreigingsniveau.  Zwartgallige synths en grimmige gitaren leidden het erg dun gezaaide publiek regelrecht richting “Death”, de apocalyptische afsluiter die maar nipt onder het kwartier afklokte. Viet Cong - Preoccupations: 1-1.

BADBADNOTGOOD
(Club, ***)
Kendrick Lamar, Ghostface Killah, Earl Sweatshirt en Tyler The Creator zagen een weekendje Kiewit niet zitten. Jammer, want het dak van de Club tent zou er ongetwijfeld zijn afgegaan indien het Canadese nu-jazz quartet het podium had gedeeld met één van deze hiphop helden waarmee ze afgelopen jaren de studio zijn ingedoken. Drummer Alexander Sowinski nam dan maar de honeurs op zich om het publiek op te zwepen, iets wat zeker nodig was tijdens die paar momenten waar hij en zijn maats dreigden af te glijden richting pure improvisatie. Gelukkig trokken de virtuoze jazzcats nu en dan ook eens de kaart van spacefunk en triphop, waardoor ons eindverdict toch eerder neigt naar ‘GOODGOODNOTGREAT’.

AT THE DRIVE-IN (Marquee, ****)
Hier hadden we dus drie dagen lang naar uitgekeken. Hét moment waarop de makers van het inmiddels 17 lentes tellende ‘Relationship Of Command’ - de holy grail van de emopunk - nog eens een paar are Belgische bodem zouden komen verschroeien. De eerste seconden na de ontstuimige aftrap van “Arcarsenal” vallen amper te beschrijven: adrenaline levels én decibels gingen tegelijk in het rood zodat een mens er een beetje ongemakkelijk zou van worden. Elk optreden is een beetje oorlog voor ATDI, en in het heetst van de strijd moet subtiliteit het dan wel eens afleggen van intensiteit. De hoofdmoot was tegelijk geniaal en brutaal, maar even goed waren er momenten waarop alles dreigde te verzanden in een vormloze geluidsbrij. Geheel in lijn met de eigen traditie moest en zou de set een tikkeltje chaotisch eindigen. De makheid van het achteruit geslagen publiek zinde brulboei en kattesprong kampioen Cedric Bixler niet, en na jaren van mishandeling weigerde de gitaar van Omar Rodríguez herhaaldelijk alle dienst en werd uiteindelijk onzacht bij het restafval gekeild. Genoeg frustratie dus bij de Texanen om er na een meedogenloos “One Armed Scissor” voortijdig de stekker uit te trekken. Genieten tegen de pijngrens aan, het kon in de Marquee ook zonder SM pakje.

MOON DUO
(Lift, ****)
“Pukkelpop, graag jullie aandacht voor de Nicole & Hugo van de psychedelische krautrock: hier is Moon Duo!” ... Heerlijk toch hoe AB baas Kurt Overbergh met één welgemikte oneliner vriend en vijand kan warm maken voor een obscure cultgroep uit San Francisco. Het duo in kwestie, Wooden Shjips gitarist Erik Johnson en zijn grote liefde Sanae Yamada, liet zich de verscherpte aandacht duidelijk welgevallen en bedankte met niets minder dan ‘a mindblowing experience’. Origineel was hun mix van elektronische drones en overstuurde fuzznoise zeker niet, daarvoor klonken de echo’s van Suicide, Spacemen 3 en Can immers te sterk door, maar al wie zich gewillig in trance modus liet wiegen maalde daar niet om. Moon Duo is een groep om te koesteren, want slechts weinigen komen zonder kleerscheuren weg met covers van “Jukebox Babe” en “No Fun”.

BAND OF HORSES
(Club, ****½)
Zonder verwachtingen de tent in, en een uurtje later behoorlijk euforisch de tent terug uit: het zijn zondermeer de mooiste PP herinneringen. Band Of Horses maakte zijn beste platen in het vorige decennium en lijkt sindsdien aan een chronische vorm van artistieke bloedarmoede te lijden, dus dat deze bende uit Seattle het licht mocht komen uitdoen in de Club kan je bezwaarlijk een evidente keuze noemen. Al snel bleek het tegendeel waar: hier stond een groep die haar identiteitscrisis had bezweerd en met opgestroopte mouwen kwam bewijzen dat er nog geen grammetje sleet zit op de ijzersterke live reputatie. Toegegeven, de opwarmertjes lonkten nog wat té nadrukkelijk naar Grandaddy, maar daarna kozen Ben Bridwell & co resoluut voor de vlucht vooruit. Ongeschoren americana, punchy SubPop indie en emotioneel zwaar beladen countryrock: het werkte gewoon allemaal even aanstekelijk waardoor de alles-of-niets set van Band Of Horses gaandeweg de allures kreeg van een ware triomftocht. De tocht eindigde in een adrenalin rush én een regelrechte aanslag op de plankenvloer van de Club, want het helpt als je anthems als “The Great Salt Lake”, “Is There A Ghost” en “The Funeral” opspaart tot diep in de finale.

Last but not least, onze highlights top 10:

 

1.        BAND OF HORSES

2.        PJ HARVEY

3.        STRAND OF OAKS

4.        ELBOW

5.        THE XX

6.        CAR SEAT HEADREST

7.        NEWMOON

8.        INTERPOL

9.        AT THE DRIVE-IN

10.    MOON DUO

Neem gerust een kijkje naar de pics (ism Damusic)
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/pukkelpop-2017/
Neem gerust een kijkje naar de pics van Lowlands
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/lowlands-2017/
Organisatie: Pukkelpop

zondag 05 november 2017 02:00

The Dream Syndicate - Wynn for Life!

The Dream Syndicate - Wynn for Life!
The Dream Syndicate
Depot
Leuven
2017-11-03
Geert Huys

De achteruitkijkspiegel van de popgeschiedenis is onverbiddellijk. De meeste bands die na een paar decennia radiostilte nog eens een album ophoesten storten zich doorgaans in een risicovolle onderneming die gedoemd is om op een artistieke sisser uit te draaien. Met ‘How Did I Find Myself Here?’ heeft het Amerikaanse indie instituut The Dream Syndicate zonet voor dé uitzondering op die ongeschreven regel gezorgd.

Wat in 2013 nog leek op een éénmalige reünie bleek achteraf de eerste steenlegging van een vijfde volwaardig studio album, 29 jaar na de redelijk onderschatte zwanenzang ‘Ghost Stories’. Met de onvolprezen frontman Steve Wynn als quality manager van dienst werd het ‘oude wijn in nieuwe zakken’ syndroom feilloos omzeild. Wie afgelopen vrijdag de weg vond naar Het Depot in Leuven kan het beamen: ‘How Did I Find Myself Here?’ klinkt vertrouwd maar toch vernieuwend, beheerst maar toch gretig, hors categorie en dus toch maar weer voer voor de eindejaarslijstjes.
De zware wallen onder de ogen van een opvallend tengere Steve Wynn verraden dat de herenigde veteranen op het eind van een intense Europese tour zitten. Tijdens zijn solo optredens (met of zonder The Miracle 3) ontpopt Wynn zich doorgaans al snel tot een goedlachse entertainer, maar The Dream Syndicate is andere koek. Het eerste halfuur in Leuven staat stijf van spanning en dreiging, en contact met het publiek is er amper. De groep begint wat onzeker, maar wint met elk volgend nummer zienderogen aan scherpte en impact. Tussen de onheilspellende opener “Halloween” en de ontstuimige nieuwelingen “The Circle” en “80 West” gaapt een kloof van 35 jaar, maar toch vormen ze een perfect match. Het lijkt meteen ook de conclusie voor de rest van de avond: krakers uit de legendarische Paisley Underground periode en nieuwe nummers wisselen elkaar in ijl tempo af en gaan nagenoeg naadloos in elkaar over.
Na een halfuurtje herinnert Wynn zich plots dat hij en zijn makkers in 2013 op ditzelfde podium één van hun eerste Europese reünieshows hebben gespeeld, en vanaf dan lijkt de ban wonderwel gebroken. De hitsige gitaarduels tussen Wynn en het veel jongere snarenwonder Jason Victor (tevens diens trouwe sidekick in The Miracle 3) geruggesteund door de ervaren ritmetandem Mark Walton (bas) en Dennis Duck (drums) waren toen de sterkhouders van The Dream Syndicate v2.0, en die mayonaise pakt nu nog steeds. Oudjes “Burn” en “Armed With An Empty Gun” lieten er geen twijfel over bestaan: de muzikale progenitors heten nog steeds The Velvet Underground en Neil Young & Crazy Horse. Was dit dan dezelfde strakke show als vier jaar geleden? Neen, want Wynn haat nu eenmaal herhalingsoefeningen en haalde daarom zijn Paisley maatje en keyboards maestro Chris Cacavas (ex-Green On Red en co-producer van de nieuwe plaat) als vijfde man aan boord om wat extra shades of grey toe te voegen. Het met fraaie pianoriedeltjes versierde rustpuntje “Just Like Mary” won hierdoor aan subtiliteit, een bijna onherkenbaar “Medicine Show” schakelde twee versnellingen hoger en kreeg een dosis Suicide madness toegediend, en tijdens het ruim tien minuten durende titelnummer van het nieuwe album waagde de groep zich aan een freaky psychrock workout met Cacavas in de rol van Doors icoon Ray Manzarek.
De namedropping werkte even goed in de omgekeerde richting. Neem nu het kale baslijntje dat “That’s What You Always Say” op gang trok, daar hebben Pixies ooit een halve carrière op gebouwd. Of de opgefokte countrypunk van “The Days Of Wine And Roses” met Wynn in de wat atypische rol van manische predikant: dichter bij generatiegenoten The Gun Club is The Dream Syndicate nooit meer geraakt. Deze signature song is sinds jaar en dag de traditionele afsluiter van het hoofdmenu, maar elke doorgewinterde fan weet dat Wynn altijd een bisronde of twee in petto heeft.
Tijdens dat fameuze laatste halfuur volgden hoogtepunten én verrassingen elkaar in ijl tempo op. Het beste nummer vanop de nieuwe schijf, “Glide”, kreeg een shoegaze anorak aangemeten door feedback wizard Jason Victor en haalt de donkerste observaties van Wynn naar boven: “At this place where I’m hanging now.
Corruptible, destructible. Capable of breaking, being broken. I may not be ready for what you’ve got to give”. En wat dan te denken van het door Wynn solo aangesneden “When The Curtain Falls”, het afsluitende nummer van ‘Ghost Stories’ (’88) waarna The Dream Syndicate zichzelf ruim een kwarteeuw lang het zwijgen zou opleggen. In cult classic “Boston” zat een flard van Tom Petty’s “Refugee” verwerkt, een woordenloze knipoog én een kippenvel tribute aan één van Wynn’s muzikale helden.

De indie veteranen besloten de avond daar waar het allemaal begon. Het onheilszwangere “When You Smile” en de garagepunk uppercut “Definitely Clean”, beiden uit de onvolprezen debuutschijf ‘The Days Of Wine And Roses’ (’82), maakten de twee uur grasduinen from past to present netjes vol. In Leuven werd alles wat we vooraf hoopten zonder dralen bevestigd: de levensvatbaarheid van The Dream Syndicate v2.0 is geen fake news maar een onvervalste Wynn for life.

Organisatie: Depot, Leuven

Lokerse Feesten 2017 – DAG 1 – Millionaire – Black Box Revelation - Pixies
Lokerse Feesten 2017
Grote Kaai
Lokeren
2017-08-04
Geert Huys

Hoezo, ‘gitaarrock = dead’? Niet enkel wij, maar ook de programmatoren van de 43ste Lokerse Feesten geeuwen eens lekker wanneer dit soort fake news op de radar passeert. En waarom niet meteen de daad bij het woord voegen: op de openingsdag van de muziektiendaagse langs de Grote Kaai stonden maar liefst vier bands die stekelige sixstrings cultiveren als het hoogste culturele erfgoed.

Door de overrompeling op een zonnige vrijdagavond zagen we de eerste set op conto van het jonge vaderlandse grut genaamd EQUAL IDIOTS door de neus geboord. Snel op dus naar ander schoon volk van eigen bodem MILLIONAIRE (***1/2), of zoals als snel zou blijken, De Grote Tim Vanhamel Show. Er staan inmiddels 12 jaar op de teller sinds de vorige Millionaire plaat ‘Paradisiac’, doch wil de 39-jarige krullebol het woord ‘come-back’ niet in de mond nemen. De setlist loog er alvast niet om: op een uur tijd passeerden ‘amper’ twee oude songs de revue, de rest werd met verve geput uit de jongste (en wederom fraaie) worp ‘Sciencing’.
De weirdo funk van het wervelende debuut en de boosheid van het ondoordringbare ‘Paradisiac’ zijn verdwenen, gebleven zijn de eigenzinnigheid en guts van Vanhamel. Openen met de aan Masters Of Reality schatplichtige instrumental “Visa Running” en er meteen de twee recente singles “I’m Not Who You Think You Are” en “Busy Man” achteraan gooien in het openingskwartier: bye bye aan alle conventies! Vanhamel laat zich tegenwoordig flankeren door twee gitaristen (waaronder good old Aldo Struyf) die in plaats van de scheurende decibels van weleer nu de kaart van subtiele alt.psychedelica trokken. Dat de frontman herhaaldelijk ‘peace & love’ predikte al was het 1967 was dus geen toeval. Echt vonken deed Millionaire v2.0 pas vanaf het uit graniet opgetrokken oudje “I’m On High”, het onvermijdelijke “Champagne” en de onheilspellende krautrock van “Little Boy Blue”. Welkom terug van euh ... nooit weggeweest, Tim & co!

Jan Paternoster en Dries Van Dijck, oftewel BLACK BOX REVELATION (**1/2), verschenen redelijk out of the blue op de affiche in Lokeren. Twee jaar na de laatste plaat ‘Highway Cruiser’ leek het duo even van de publieke radar verdwenen, maar de Belgische festivalzomer volledig links laten liggen was uiteindelijk toch geen optie. Zonder echt nieuw materiaal onder de arm kregen we dus een dik uur ‘best of’ voorgeschoteld, wat resulteerde in een carrière overzicht met evenveel pieken als dalen.
Met het gruizige startschot “Do I Know You” maakte het duo meteen duidelijk waarom hun beginperiode zo speciaal was. Zonder veel pardon kregen we een lekkere portie ongeschoren garageblues in de maag gesplitst, maar echt lang konden ze de cool van die pretentieloze start niet vasthouden. Het duo leek wel wat té zegezeker in Lokeren: het nietszeggende gewauwel van Paternoster haalden onnodig de flow uit de set, met als dieptepunt het flauwe brugje tussen de Lokerse paardenworsten en het nodeloos lang uitgerokken mainstream hitje “War Horse”. En ja, een festivalset opsmukken met een cover is op papier een goed idee, maar van een evergreen als “Heart Of Gold” blijf je veiligheidshalve toch beter af. Een andere veelgebruikte formule, i.e. het uitnodigen van een andere festival act, werkte dan weer wel. Toen publiekslieveling Tim Vanhamel mocht komen meejammen sloeg de vlam terug even in de pan, maar het middelmatige eindverdict lag toen al vast.

Sinds de release van hun twee (erg) matige reunieplaten en het vertrek van oerbassiste Kim Deal is de persmeute niet altijd even lief geweest over de huidige bestaansredenen van PIXIES (****), maar dat zal de modale indie fan een zorg wezen. Toegegeven, tegenwoordig zijn Black Francis & co live dan wel behoorlijk onvoorspelbaar en wisselvallig, zeker is wel dat er steeds duchtig zal worden geput uit hun grensverleggende back catalogue die in een periode van amper vijf jaar tijd (’87-’92) ineen werd gebokst. Maar dat Boston’s finest zó snedig en vitaal uit de hoek zouden komen, neen, die uppercut hadden we langs de Grote Kaai echt niet zien aankomen.
De Amerikanen kozen voor een erg trefzekere start met een triootje geplukt uit hun classic album ‘Doolittle’. En warempel, “Gouge Away”, “Dead” en “Wave Of Mutilation” klonken bijna even onheilspellend als die eerste keer in ’88. De rolverdeling zat van meet af aan dan ook perfect: obesitas-patiënt-in-wording Francis zocht zoals gewoonlijk geen enkel contact met het publiek maar snauwde en schreeuwde even vervaarlijk als in de gloriejaren, de als dandy vermomde Joey Santiago liet met opperste precisie zijn gitaar twang heerlijk ontsporen, de basrukken van ‘la nouvelle Deal’ Paz Lenchantin (ex-A Perfect Circle en Zwan) vibreerden even goed tot diep in de onderbuik, en de traag-snel dynamiek van drum veteraan David ‘the magician’ Lovering zorgde voor de punky surfrock edge zo kenmerkend voor menige vintage Pixies evergreen.
Met de gretigheid van een stelletje PS mandatarissen werkte het gezelschap zich Ramones-gewijs doorheen een rijtje van 33 songs, en dat daar een pak nummers uit het vorig jaar verschenen ‘Head Carrier’ tussen zaten viel niet eens erg op. Ook fijn om te zien dat Pixies ten allen tijde hun cool behielden: anthem “Where Is My Mind” werd niet nodeloos lang uitgemolken met ‘oohoos’, en tijdens het afsluitende B-kantje “Into The White” deed de mistmachine de groep even letterlijk van het podium verdwijnen. Geen ‘Thank you’, ‘Goodbye’, of encores, maar wel al meteen een muzikaal hoogtepunt op de eerste LF dag. Death to the Pixies? Think again!


Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/lokerse-feesten-2017/
Organisatie: Lokerse Feesten, Lokeren

Boomtown 2017 – van 17 t/m 22 juli 2017 – Melanie De Biasio - Grande dame van de ‘jazz trance’
Boomtown 2017 – Melanie De Biasio
Opera
Gent
2017-07-18
Geert Huys

Wie de mannen van Canvas tijdens de eerste reeks van ‘Off The Record’ in de platenkast van Melanie De Biasio heeft zien snuffelen kan getuigen dat de Belgisch-Italiaanse zowel qua muzieksmaak als qua attitude een bijzonder straffe madam is. In eigen land is de avant-jazz chanteuse intussen uitgegroeid tot een household name die theaters, intieme stadspleinen en knusse concertzalen vlotjes doet vollopen, en sinds afgelopen dinsdag weten we nu ook dat ze tevens het statige decor van een opera kan vullen met Boomtown festivalgangers.

Vanop het hoogste balkon in een bloedhete Gentse Opera observeren we De Biasio en haar drie metgezellen de hele avond lang ‘noodgedwongen’ in vogelvluchtperspectief, maar lang duurt het niet of die afstand wordt onwezenlijk klein als ze de toeschouwer met haar fluwelen stem in her own private Idaho binnentrekt. De belichting is even schaars als sfeervol. De vier middelhoog opgestelde spots lijken belangrijke referentiepunten voor de stage act van de zangeres: het ene moment trekt ze de volle aandacht in de schijnwerpers, om vervolgens eventjes te verdwijnen naar de donkere achtergrond en de virtuositeit van haar trio begeleiders primeert.
Met een integrale uitvoering van het 24 minuten durende “Blackened Cities” koos De Biasio overigens niet bepaald voor de meest hapklare brok als opener. Tijdens dat titelnummer - en tegelijk ook enige nummer - van haar vorig jaar verschenen album komen alle muzikale helden één voor één aan bod. De desolate gospelblues van Billie Holiday en Nina Simone kreeg eerst het gezelschap van de minimale avant-rock van late-career Talk Talk om uiteindelijk te stranden in bezwerende triphop en jazzy breakbeats van respectievelijk UNKLE en Reprazent. Op het podium zijn enkel een pianist, een keyboardspeler en een drummer aan zet, maar als interactief trio zijn ze tot magistrale dingen in staat die het publiek in a state of trance achterlaten.
Het eerste halfuur was dermate indrukwekkend dat de rest van de set als één lange bisronde aanvoelde. Niet getreurd, want De Biasio & co hielden nog een pak fraaie songs achter de hand uit ‘No Deal’, de feitelijke doorbraakplaat uit ’13 die in no time is uitgegroeid tot een klassieker in de vaderlandse muziekgeschiedenis. Single “The Flow” liet de Belgisch-Italiaanse op haar meest catchy horen, inclusief de eeuwige dwarsfluit waarmee ze sinds haar tienerjaren vergroeid is. Op “I Feel You” grijpen de stiltes tussen de flarden dwarsfluit, piano en percussie ongemeen snel naar het strot, weliswaar met een dankbare knipoog naar Talk Talk’s Mark Hollis die van functionele stiltes ooit zijn handelsmerk heeft gemaakt. En nu we toch met referenties dwepen, in de persoon van Mongo Santamaria werd uiteraard ook even de spotlight gericht op de eerste generatie jazzhelden tijdens een US3-achtige herwerking van diens genre standaard "Afro Blue”.
Na de slepende jazz blues van ‘No Deal’ gooide de groep finaal alle remmen los en kregen breakbeats en soundscapes als atypische ingrediënten vrij spel tijdens een ongemeen opzwepend “I’m Gonna Leave You”.

Indien ‘jazz trance’ geen officieel erkende stroming is, dan hebben we vanavond de geboorte van een nieuw subgenre meegemaakt. Zonder oogkleppen en stronteigenwijs hedendaagse invloeden in de jazztraditie binnenloodsen én er tot ver buiten de landsgrenzen mee wegkomen: Melanie De Biasio mag met recht en rede een grande dame worden genoemd!

Organisatie: Boomtown, Gent  


 
‘Terug van lang weg geweest?’ ... ‘Waarom nu deze come-back plaat?’ Het zijn openingsvragen die Stef Kamil Carlens ter gelegenheid van zijn net verschenen solo debuut ‘Stuck In The Status Quo’ dezer dagen met tegen zin op zijn bord krijgt. Feit is dat de introverte Antwerpenaar (?!) in al die jaren sinds A Beatband, dEUS, Kiss My Jazz, Moondog Jr., Zita Swoon en Zita Swoon Group wel gewoon muziek is blijven maken, alleen leende de format van zijn soundtracks bij recente dans/theatervoorstellingen er zich niet echt toe om veel airplay te halen.

Maar nu is er dus opnieuw een reguliere liedjesplaat, en ter opwarming voor de bijhorende tour proberen Carlens en zijn nieuwe begeleidingsgroep de resterende kinderziektes te overwinnen in een reeks try-out concerten. Dat er nog wat gesleuteld zou moet worden aan de chemie tussen de frontman en zijn vier kompanen hebben we afgelopen vrijdag in de Brugse Magdalenazaal trouwens amper gemerkt. In tegendeel, het was uitgerekend de geroutineerde Antwerpenaar zelf die aanvankelijk nog wat moest wennen aan de nieuwe realiteit feit dat de spotlights in deze tour volledig op hem zijn gericht. Maar het moet gezegd, Carlens deed zijn best om aan het publiek duidelijk te maken wie of wat hem inspireerde tijdens het maken van die eerste solo schijf. Een paar jaar sleutelen in zijn dooie eentje leverde uiteindelijk een schamele acht songs en 35 minuten luisterplezier op, maar in vluchtige tijden als deze lijkt dat alleen maar een voordeel.
Het gros van de nieuwste schijf stond in Brugge op de setlist, te beginnen met de melancholische album afsluiter “Going Home” die jammer genoeg wat spankracht mistte door de afwezigheid van de hier bijna onlosmakelijk verbonden strijkers. De groep kwam prompt een pak beter uit de verf tijdens de catchy nieuwe single “Empty World”, een erg persoonlijk eerbetoon aan wijlen boezemvriendin Yasmine waar Carlens grossierde op slide gitaar en de rest van de band werd voortgestuwd door de jazzy contrabas van ex-Dez Mona sterkhouder Nicolas Rombouts. Het juk van de ongemakkelijkheid viel definitief af toen tijdens het van Zita Swoon Group geleende “Rumble Factories” Carlens op z’n dooie gemakje een eenmansorkest installeerde. Eerst blikte hij een gitaarrifje in op tapeloop om vervolgens op een cajón (een Peruaanse drum box in de vorm van een rechtopstaande houten kist) te kruipen, een voetbas te bedienen en een mini marimba binnen handbereik te houden. Eén en ander resulteerde in een eclectische, ja zelfs psychedelische trip die bevrijdend leek te werken voor groep en publiek: Carlens voelde zich vanaf nu duidelijk een pak beter in zijn sas, waarop een aantal extraverte fans geregeld van zich lieten horen.
Over fans gesproken, een groot deel ervan leek oud genoeg om Carlens nog als jonge snaak te hebben gekend bij Moondog Jr. ten tijde van het klassieke debuut
‘Everyday I Wear A Greasy Black Feather On My Hat’ (’95). Twee nummers uit die wat vergeten schijf haalden de set in Brugge. Tijdens het ingetogen “Ice Guitars” stak Carlens zijn bewondering voor de hypnotiserende woestijnblues van Tinariwen niet onder stoelen of banken, wat zorgde voor een vreemd transcendent sfeertje. Ook “Jo’s Wine Song” is een bluessong, maar dan van het kaliber dat enkel komt bovendrijven als blijkt dat het tellen van lege wijnflessen geen probaat middel is tegen mannelijke eenzaamheid.
Ook in try-out modus hadden Carlens & co een aantal crowdpleasers achter de hand gehouden in Brugge. “Hot Hotter Hottest”, een behoorlijk lichtvoetige Zita Swoon single die we nooit echt hebben kunnen pruimen, kreeg een funky blues makeover die dringend eens op plaat moet worden gezet. Ook dat andere radiohitje “Thinking About You All The Time” klonk ineens urgenter en zou niet eens misstaan op de jongste plaat waarvan de resterende prijsbeesten netjes werden opgespaard tot aan de finale en de encores. De eerste single “The Journey Will Be Long” is nu al de titel Belpop classic waardig, ook al hangt een weemoedig fluisterende Carlens in dat nummer een weinig fraai doch pijnlijk accuraat beeld op van de mensheid. Ook live was er geen ontkomen aan de tristesse, maar de engelenstem van harpiste Alma Auer werkte als zalf op een wonde.
Na de
crescendo gaande slideblues uppercut “I’m Going Away” trok Carlens tot slot wederom de intimistische kaart. Met de keuze van het autobiografische begrafenislied “After I’m Gone” en een innemende interpretatie van Morphine’s “The Night” als afsluiters profileerde Stef Kamil Carlens zich ineens als een gevoelige troubadour met een open blik op zijn eigen sterfelijkheid.

Tijd om te rouwen is er nog niet, we gunnen de Antwerpenaar graag nog een paar decennia om zichzelf telkens opnieuw te blijven heruitvinden.

Organisatie: Cactus Club, Brugge

Soms heeft een mens een duwtje nodig om zijn bucket list op tijd en stond wat in te korten. Neem nu bijvoorbeeld de New Yorkse cultband Swans: al jaren stond het gezelschap rond de avantgardistische noise guru Michael Gira op ons lijstje ‘must see bands’, maar het duurde uiteindelijk tot de aankondiging ‘final Belgian clubshow’ om ondergetekende over de streep te trekken. Aanleiding van dit alles is de vorig jaar op Gira’s eigen Young God label verschenen ‘The Glowing Man’, een fraaie dubbelaar die volgens de man zelf wel eens -sommige flauwe woordspelingen laat je gewoon niet liggen- de zwanenzang van Swans zou kunnen betekenen.

De Gentse Democrazy kreeg de eer om die bewuste laatste clubshow op vaderlandse bodem in goede banen te leiden, te beginnen bij het zoeken naar een gepaste lokatie. Het werd voor ons een maiden trip naar de Kompass Club, een voormalig fabriekspand op een boogscheut van de Ghelamco arena dat in no-time een begrip is geworden bij techno hipsters. Geen nood, het pand bleek polyvalent genoeg om ook een echte live band te huisvesten: de betonnen akoestiek, de schaarse verlichting en de kille beschimmelde muren vormden vanavond het gedroomde decor voor Gira en zijn vijf huurlingen om 2.5 (lees: twee en een half) uur lang onze pijngrens af te tasten. Toegegeven, we zijn wel wat gewend sinds Kyuss (Pukkelpop ’95) en My Bloody Valentine (Pukkelpop ‘09), maar het vriendelijke ‘Protect your ears’ advies van de organisatie sla je bij een band als Swans maar beter niet in de wind.
We treffen Gira vanavond in een goedgemutste bui. Het hoeft niet eens te verbazen dat de 63-jarige frontman zich onmiddellijk thuis bleek te voelen in de industriële kaalheid van de Kompass Club. De ranke Amerikaan zag er door zijn lange platgestreken grijze haren en wazige blik op oneindig overigens een beetje uit als het soort zonderlinge pervert die je liever niet ziet opduiken aan de schoolpoort van zoon- of dochterlief. Het droeg allemaal bij tot de gespannen en bijwijlen ronduit beangstigende sfeer die in de lucht hing toen opener “The Knot” tergend traag en meesterlijk subtiel werd ingezet. Wat begon met een eenzame regendruppel en een zuchtje wind eindigde in een alles en iedereen verpletterende tsunami van dissonante noise en monumentale sludge. Fans van Godspeed You! Black Emperor en Pelican hadden hier ongetwijfeld een ferme kluif aan, maar dan met dit verschil dat Swans aritmisch, amelodieus én abnormaal luid uit de hoek kwam.
Gira kan je dan wel bezwaarlijk een uitzonderlijke zanger noemen -elke boeddhistische monnik kan immers even klaaglijk mediteren als de goddeloze Amerikaan-, de man heeft wél de juiste papieren als het op dirigeren aan komt. Met subtiele vingerbewegingen, een halve armslag of een vurige blik laat hij zijn stormtroepen keer op keer ver boven zich uit stijgen. Alleen de rol van lap-steel maestro Christoph Hahn in dat orkest leek ons niet geheel duidelijk. Met een instrument dat het moet hebben van subtiliteit, kwam de man nooit echt in het stuk voor, in tegenstelling tot de dodelijk efficiënte mokerslagen van Phil Puleo, de kosmische ambient drone synth van nieuwkomer Paul Wallfisch, de brutale stormram bas van Christopher Pravdica en de Stoïcijnse gitaaruithalen van Swans-van-het-eerste-uur Norman Westberg.
We zijn een klein uur ver in de set en er staat ... euh reeds één nummer op de teller. Toch slaat de verveling nooit toe: Swans live heeft immers veel weg van één langgerekte hypnose trip waar tijdsbesef tot louter een banaliteit wordt gedegradeerd. Ook opvallend is dat jong en oud schouder aan schouder de trance ondergaan. Sinds het eerste Swans wapenfeit ‘Filth’ uit ’83 lijkt Gira dus elke daaropvolgende generatie aan te spreken, zelfs al beperkt de huidige tour zich in essentie tot materiaal uit de jongste twee albums en een handvol onuitgebrachte songs. Wij zijn vooral fan van de meest recente worp ‘The Glowing Man’, waaruit “Cloud Of Forgetting” en “Cloud of Unknowing” worden geplukt. De pastorale neofolk die zo sterk primeert op die plaat is live weliswaar ver te zoeken. In de Kompass Club is immers enkel plaats voor een elektrische storm waarbij de decibels erg kwistig in het rond worden gestrooid. Het titelnummer van het jongste Swans opus vormt de apocalyptische afsluiter waarbij de groep nogmaals bewijst heer en meester te zijn in hard-zacht contrasten.

Zes nummers in 150 minuten: de eindbalans klinkt saai en langdradig maar het tegendeel is waar. Opper-sjamaan Gira en zijn gedwee in de pas lopend gevolg namen op niets minder dan indrukwekkende manier (voorlopig) afscheid van de Belgische clubscene. Voor wie nog plaats heeft op zijn of haar bucket list is er nog een laatste herkansing: boek eind mei een weekendje Zottegem en doe er maar meteen een ticket voor het Dunk! festival bij.

Organisatie: Democrazy, Gent

zaterdag 18 februari 2017 01:00

The Notwist - Die Verdammte Spielerei

The Notwist - Die Verdammte Spielerei
The Notwist
Vooruit
Gent
2017-02-16
Geert Huys


Ten tijde van het doorbraakalbum ‘Neon Golden’ (‘02) werd The Notwist net niet doodgeknuffeld door pers en publiek, maar de jongste tien jaar opereert de Duitse band toch vooral vanuit de luwte. Zowel de creatieve spil als het klankenpalet van het gezelschap is in al die jaren zo goed als onveranderd gebleven. Het introverte broederpaar Markus en Micha Acher bedient zich in de studio zowel van popmelodieuze indie als van kale elektronica, dus was het enkel een kwestie van tijd vooraleer The Notwist tot één van de belangrijkste exponenten van de zogenaamde ‘indietronica’ scene werd gerekend.

Minder bekend is dat de Achers & co, ondanks hun low-profile imago, ook op het podium lichtjes sensationeel mogen worden genoemd. Onze Duitse vrienden blijken dat eindelijk ook zelf te beseffen, want eind vorig jaar verscheen hun eerste reguliere live plaat ‘Superheroes, Ghostvillains + Stuff’ waarmee ze momenteel de Europese podia afdweilen. 
In de behoorlijk gevulde concertzaal van de Gentse Vooruit was The Notwist voor de gelegenheid uitgebreid tot een zestal. Samen vormden ze een soort soundlab naar het model van LCD Soundsystem v2.0 dat vorig jaar een niets minder dan verbluffende rentree maakte op de Pukkelpop weide. Zowat de helft van de songs zoals iedereen ze kent vanop plaat onderging een duchtige makeover, waarmee de groep lijkt te willen aangeven dat hun oeuvre als een work in progress dient te worden gezien. Aanvankelijk leek de experimenteerdrift van het zestal nog niet bijzonder veel ruimte te krijgen. Het door een motorik beat voortgestuwde “Kong” had moeten tekenen voor een eerste hoogtepunt van de avond, maar werd jammerlijk gesaboteerd door een belabberde geluidsmix. Dit kleinood was verholpen tegen dat een knisperend “Pick Up The Phone” en het intieme kampvuurmomentje “The Devil, You + Me” aan de beurt waren, maar ook hier betrof het een eerder waarheidsgetrouwe reproducties.
Tijdens “This Room”, “Neon Golden” en “Run Run Run” leek het zestal zich eerder binnen de muren van haar sound atelier dan op een podium te bevinden. De Duitsers bedienden er zich van allerhande spielerei gaande van een DJ scratch unit tot een glockenspiel om elk van die songs volledig te reconstrueren tot een frisse remake van het origineel kwam bovendrijven. Diezelfde aanpak leidde tot hét hoogtepunt van de avond toen “Pilot” vakkundig werd vertimmerd tot een 10 minuten durende indiepoptechnodub trip. Je grootste ‘hit’ bijna onherkenbaar remixen: zoiets kan tellen als artistiek statement.

De back catalogue van The Notwist beslaat intussen drie decennia, dus is het onvermijdelijk dat de Duitsers tijdens een set van één uur en drie kwartier keuzes moesten maken. Zo ontbrak elk spoor van het bijna 20 jaar oude jazzy indie-electro meesterwerk ‘Shrink’, maar daar tegenover stond wel een brutale kennismaking met het venijnige oudje “Puzzle” (’95) uit de tijd dat de Achers Dinosaur Jr. on constant rotation hadden staan in hun repetitiehok.
Met maar liefst zeven songs op de setlist was ‘Neon Golden’ (’02) vanavond overigens het best vertegenwoordigd. “Trashing Days” en “Consequence” uit die plaat vormden samen een mistroostig coda van een avond waarop The Notwist zich in heel wat verschillende gedaantes liet bewonderen. Ideaal voer om festivalgangers met een eclectische smaak deze zomer naar één of andere intieme tent te lokken denken we dan.

Organisatie: Democrazy, Gent


Al ruim een kwarteeuw lang mag The Divine Comedy tot één van de meest markante buitenbeentjes van de Britpop scene worden gerekend. De muzikale voorbeelden van frontman Neal Hannon -notabene van Noord-Ierse afkomst en de enige constante in de levensloop van de band- heten dan ook niet The Kinks, The Who of The Jam maar wel Burt Bacharach, Scott Walker en Morrissey. Hannon fikste er zijn eigen brouwsel mee en schopte het van indie held tot een wat atypische mainstream figuur die aan de andere kant van het kanaal zijn barokke kamerpop moeiteloos de hitparades wist binnen te smokkelen.

In het statige decor van het Koninklijk Circus treffen we Hannon temidden de promo tour voor zijn eerste album in zes jaar. ‘Foreverland’ verkoopt als zoete broodjes en wordt gretig opgepikt door Radio 1, maar laten we vooral niet flauw doen: de nieuwste worp staat bol van wel erg luchtige orkestrale popdeuntjes die allerminst de geschiedenis zullen ingaan als hoogvliegers in de back catalogue van The Divine Comedy. Toeval of niet, maar de vijf nummers uit ‘Foreverland’ die de setlist halen zijn de stoorzenders vanavond. Getooid in 18de eeuwse legerkostuums trappen Hannon en zijn vijfkoppig orkest weinig indrukwekkend af met “How Can You Leave Me On My Own” en “Napoleon Complex” uit die plaat. Het eerste kwartier vatten we samen als ‘vermakelijk zonder impact’, maar altijd genietbaar blijft de typische tongue-in-cheek humor van de ironische gentlemen Hannon. Ook op het podium is de sfeer opvallend relaxed: de frontman dolt maar wat graag met zijn muzikale kompanen en trakteert ze zelfs halfweg de set op een wijntje of een frisse pint die hij uit een antieke wereldbol tevoorschijn tovert.
De eerste vonk slaat over als “Bad Ambassador” breed uitwaaierend wordt ingezet. Het nummer heeft alle kenmerken van een tijdloos Britpop anthem, alleen hebben onze radiozenders dat nooit gesnapt. Het is de eerste en meteen ook laatste song uit opus magnum ‘Regeneration’ (’01) die we in Brussel te horen krijgen. Ook de twee daaropvolgende platen die we zonder schroom tot het beste albumwerk van The Divine Comedy mogen rekenen worden wel erg stiefmoederlijk behandeld. Niet getreurd, want Hannon gaat voor kwaliteit eerder dan kwantiteit. Tijdens “Our Mutual Friend” uit ‘Absent Friends’ (’04) heeft de Ier zijn legeroutfit intussen ingewisseld voor een dandy maatpak met bolhoed en paraplu, en slentert hij theatraal door het publiek als een volleerde crooner. Even indrukwekkend is “A Lady Of A Certain Age” uit de laatste echt goeie DV plaat ‘Victory For The Comic Muse’ (’06) waar Hannon zoals alleen Hannon dat kan de leegheid van de Engelse aristrocratie schetst. De Noord-Ier blijft echter niet langer dan nodig stilstaan bij melodrama, want even later haalt hij voorprogramma Lisa O’Neill terug op het podium om met “Funny Peculiar” een lichtvoetig Bennett & Lady Gaga moment te scoren.
The Divine Comedy is het aan zijn mainstream status nu eenmaal verplicht om elke avond de nodige dosis crowdpleasers op te diepen. In de huidige tour blijven die radiohitjes allemaal netjes opgespaard  voor één langgerekte grande finale waarbij het publiek eindelijk eens die luie krent kan opheffen en zich aan een voorzichtig danspasje kan wagen. Het onweerstaanbare duo “At The Indie Disco” en “I Like” uit ‘Bang Goes The Knighthood’ (’10) ligt daarvan het meest vers in het geheugen,  maar voor de gestyleerde  pop singles “Becoming More Like Alfie”, “Something For The Weekend” en “The National Express” moeten we al terug tot diep in de 90ies.
Tijdens de drietal toegiften schakelde de band opnieuw een stuk of twee versnellingen lager, maar op afsluiter “Tonight We Fly” na leek de fut er ineens toch wat uit. Misschien zaten de drie opeenvolgende concertavonden in de Parijse Les Folies Bergère de week voordien daar voor iets tussen, feit is dat de doortocht van Hannon en co in Brussel zonder meer vermakelijk maar niet memorabel te noemen was.

Een meer gewaagde setlist met een lager campy gehalte had de koord tussen kunst en kitsch wellicht een pak strakker kunnen laten spannen. Dante wist wel beter, want volstrekt uniek en ongeëvenaard blijft La Divina Commedia natuurlijk wel.

Organisatie: Live Nation + Botanique, Brussel

Pagina 2 van 16