zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Geert Huys

Geert Huys

dinsdag 05 februari 2008 01:00

Steve Earle: ruwe bolster met blanke pit

Hoog bezoek afgelopen zaterdagavond in de Gentse Ha’, sinds jaar en dag dé ontmoetingstempel bij uitstek voor singer-songwriters aller windstreken. Lang voor Ryan Adams en Jeff ‘Wilco’ Tweedy tot ongekroonde koningen van de alt.country werden gebombardeerd, effende Steve Earle medio midden jaren ‘80 het americana pad met zijn solo-debuut en new country klassieker ‘Guitar Town’. Sindsdien lopen woelige huwelijksperikelen, pills’n’booze en een persoonlijke kruistocht tegen de politieke hypocrisie van het Witte Huis als een rode draad doorheen Earle’s albums, verhalenbundels en toneelstukken. Ter promotie van het overigens voortreffelijke nieuwe album ‘Washington Square Serenade’ doet de net 53 geworden countryrock troubadour een bescheiden akoestische solo tournee, maar in een Amerikaans verkiezingsjaar kan het publiek zich ongetwijfeld ook verwachten aan een stevige portie politiek gepreek.

Earle’s set in de Ha’ begon echter integer en innemend, en greep met “The Devil’s Right Hand” uit ‘Copperhead Road’ (‘88) en “My Old Friend the Blues” en “Someday” uit ‘Guitar Town’ (‘86) al meteen terug naar diens fabelachtige beginperiode. Door zijn indrukwekkende persoonlijkheid en doorleefde vocals dwong Earle aanvankelijk vooral aandacht en respect af bij het publiek, getuige de ijzige stilte tijdens de death row parabel van “Billy Austin”. Door het inschakelen van typische americana instrumenten zoals dobro, banjo en mandoline bleek nogmaals dat een singer-songwriter enkel gewapend met gitaar en mondharmonica best wel een muzikaal gevarieerde set kan neerzetten. Tot éénieders verrassing, en tot enige ergernis van een aantal stugge countrypuristen, haalde Earle plots zelfs een heuse ritmesectie tevoorschijn toen een DJ onzichtbare Oosterse percussie of hiphop beats uit de boxen deed klinken. Vooral de nummers uit het laatste album zoals “Jericho Road”, “Satellite Radio” en “Way Down in the Hole” klonken hierdoor uiterst eigentijds en catchy, waarmee Earle leek duidelijk te maken dat hij niet als een knorrige oubollige countryrocker wil aanzien worden.
De sfeer werd opnieuw wat gemoedelijker toen Earle een duet bracht met zijn eigen voorprogramma en vrouwlief Allison Moorer, zelf een niet onaardig(e) (ogende) singer-songwriter die een uurtje voordien haar nieuwste album ‘Mockingbird’ had voorgesteld. De combinatie van Earle’s doorleefde stem met de soulvolle uithalen van Moorer deed ons even terugdenken aan wat Gram Parsons en Emmylou Harris ooit aan de wieg van de countryrock toe vertrouwden. Moorer mocht daarna nog even op het podium blijven om, bij wijze van inleiding tot “City of Immigrants”, getuige te zijn van een kleine donderpreek over de rol van Amerika in de wereldwijde globalisering. Earle is niet bepaald wat men noemt een subtiel redenaar, zegt zonder veel omwegen waar het op staat en getuigt van een radicale visie op wereld van nu. Zo gelooft hij rotsvast in de ‘Music Against War’ filosofie, en dat ondervond ook het publiek dat onder zachte dwang werd aangemaand om in koor “One of These Days, I Gonna Lay This Hammer Down” te scanderen.
Zo militant als Earle na ruim anderhalf uur de coulissen was ingedoken, zo melancholisch kwam hij terug op het podium voor een enkele bisronde. Oorlog in het Midden-Oosten stond alweer centraal in “Rich Man’s War” uit ‘The Revolution Starts ... Now’ (‘04), maar het strijdvaardige enfant terrible moest hier plaats ruimen voor de bezorgde vader die zijn zoon naar het front ziet vertrekken. Dit moment van bezinning werd verder gezet door een beklijvende versie van “Little Rock’n’Roller” bij wijze van zelftherapie op te dragen aan zijn pas overleden vader. Het profetische “Copperhead Road” uit het gelijknamige album sloot een bijna twee uur durende set af.

Steve Earle profileerde zich als de working class hero van de countryrock, de ene keer schoppend tegen de schenen van het politiek establishment, de andere keer mijmerend over gemiste kansen en persoonlijk verlies, kortom een ruwe bolster met blanke pit.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

maandag 14 januari 2008 01:00

De mokerslagen van Tommy Victor’s Prong

Net als generatiegenoten en trendsetters Life of Agony en Type O Negative kende het New Yorkse Prong zijn gloriejaren in de nineties. Wie toen grunge te commercieel vond en niet behoorde tot de klassieke metalheads kon in de strakke hardcoremetal van Prong een waardig alternatief vinden. Na jaren van radiostilte knalde vorig jaar terug heuglijk nieuws uit de Prong speakers; voorman en bezieler Tommy Victor bleek na een kortstondig live avontuur met nonkel Al Jourgensen bij Ministry een nieuwe ritmesectie rond zich te hebben verzameld voor de opnames van ‘Power Of The Damager’, met voorsprong het hardste, kwaadste en meest intense Prong album ooit.

Afgelopen vrijdag kwamen oude en nieuwe fans checken of er na ruim 20 (!) jaar al enige sleet zat op de live reputatie van Victor & co. Deze vraag bleek al vlug overbodig na de knallende openers “Bad Fall” en “No Justice”: Prong zou gaan voor een gespierde set vol adrenaline uppercuts met een minimum aan ademruimte. Massaal herkenningsapplaus was er een eerste keer voor “Rude Awakening”, het titelnummer van hun onterecht neergesabelde album uit 1996. Victor kon de publieksrespons zichtbaar appreciëren, en gooide met de overigens overbodige vraag “Do you wanna hear the old ones?” prompt nog wat meer olie op het vuur. Afgewisseld met nieuwe nummers werden klassieke Prong salvo’s zoals “Another Worldly Device” en “Broken Peace” uit het ‘Cleansing’ album (1994) en “For Dear Life” en “Beg To Differ” uit het gelijknamige doorbraakalbum (1990) meedogenloos de zaal ingevuurd.
In tegenstelling tot vele van hun soortgenoten in het metalhokje verstaat Prong de kunst om dreigende boodschappen over politieke hypocrisie en sociale vervreemding met het nodige spelplezier over te brengen. Victor’s kijk op de wereld blijft na al die jaren nog steeds doorspekt van onmacht en woede, getuige het meedogenloze “Looking For Them” en het gretige “The Banishment”. Prong snoerde met deze nieuwe nummers de mond van alle twijfelaars die de groep al hadden opgegeven, en trakteerde de al iets oudere fans op het einde van het eerste deel met onze persoonlijke favoriet “Who’s Fist Is This Anyway” en het ophitsende “Snap Your Fingers, Snap Your Neck”.

Het publiek was ondertussen nabij het kookpunt en schreeuwde de groep tot tweemaal terug. Euforisch en zichtbaar genietend van dit welgemeend respect slingerden Victor en zijn bijzonder goed geoliede ritmesectie (Monte Pittman op bas en Aaron Rossi op drums) als ultiem slotakkoord “Unconditional” en “Prove You Wrong” de zaal in. Dit laatste nummer leek wel symbolisch gekozen voor de afwezigen die alweer ongelijk hadden: zolang Tommy Victor zich blijft ergeren aan deze klotewereld zal Prong immers garant blijven staan voor de meest opwindende riffs in het metal landschap!

Het Prong publiek werd langzaam maar zeker opgewarmd door een drietal uiteenlopende heavy acts van eigen bodem. Wij herinneren ons uit dit rijtje vooral Mans Ruin (toeval of niet tevens een songtitel van Prong!?), die een niet onaardige mix van strakke Thin Lizzy-achtige hardrock en melodieuze stoner brachten. De zanger blijkt te beschikken over een vrij indrukwekkend strot en nam bovendien alle gitaarsolo’s voor zijn rekening. Met weinig beklijvende teksten over herenverdriet en vrouwelijk schoon scoorde de groep dan weer stukken minder op de schaal van de originaliteit.

Het publiek had zich tot dan toe vrij passief opgesteld, maar daar bleek snel verandering in te komen toen Spoil Engine eerst het podium en nadien ook de zaal bestormde. De groep versierde vorig jaar een plaats op de affiche van Graspop, en kwam hun reputatie van vaderlandse trashmetalurgen hier nog eens dik in de verf zetten. Geen spek voor de bek van ondergetekende echter, we hebben dit Slipknot namelijk ooit beter en gevarieerder zien doen. Volgende keer misschien eens denken aan een verkleedpartij met enge maskers en een batterij olievaten het podium opzeulen?

Organisatie: CC Luchtbal/Hof ter Lo, Borgerhout

Na drie door pers en publiek erg gesmaakte albums en een stilte van twee jaar bracht Black Rebel Music Club (aka B.R.M.C.) dit voorjaar ‘Baby 81’ uit. Deze nieuwe worp werd door musicsites als Allmusic en Pitchfork echter prompt de grond ingeboord vanwege te afgelijnd, de nieuwe nummers kregen nauwelijks radio airplay en de groep leek deze zomer wel verbannen naar kleinere festivals zoals Dour. Het Amerikaanse trio blijkt door de jaren heen echter genoeg trouwe fans te hebben verzameld om moeiteloos zalen zoals de Botanique of, zoals afgelopen donderdagavond, Le Grand Mix te vullen.

De steevast in zwart gehulde heren lieten de mindere respons op ‘Baby 81’ alvast niet aan hun hart komen en stopten stomende versies van nieuwe nummers zoals “Took Out a Loan”, “Berlin” en “666 Conducer” helemaal voorin de set. Op dat laatste album grijpt de groep terug naar haar voorliefde voor de noisy Britpop van Jesus & Mary Chain, Oasis en Ride, maar live werd even goed ruimte gelaten voor het americana geluid ten tijde van ‘Howl’; het titelnummer van dit vorig album uit 2005 werd ingeleid door een krakkemikkig monotoon orgeltje; op “Ain’t no Easy Way” en “Faultline” speelden akoestische gitaar en mondharmonica een hoofdrol terwijl “Promise” werd begeleid door de onwaarschijnlijke combinatie van piano en schuiftrompet.
Live werd een mooi evenwicht behouden tussen intimistische folk en bluesy noiserock door nummers uit ‘Howl’ in de set te integreren tussen klassieke nummers uit de eerste twee albums zoals “Stop”, “Love Burns”, “Spread Your Love” en “Red Eyes and Tears”. Hierdoor profileerde B.R.M.C. zich het ene moment als een gitaargroep met respect voor folktradities en het andere moment als een americana band met een gezonde voorliefde voor breed uitwaaierende gitaarnoise. Uniek aan elk B.R.M.C. optreden is de synergie tussen gitarist Peter Hayes en bassist Robert Turner die afwisselend de bezwerende lead vocals voor hun rekening nemen.
Een onbetwist hoogtepunt van deze wisselwerking was het ruim 10 minuten durende “American X”, een neopsychedelische song uit ‘Baby 81’ die de band oprecht opdroeg aan hun roadies en het eerste deel van het bijna twee uur (!) durende optreden afsloot.
Zowel publiek als groep hadden duidelijk zin in een zinderende bisronde die werd ingezet met twee vergeten klassiekers uit ‘Take Them On, On Your Own’ uit 2003, nl. “In Like the Rose” en “Six Barrel Shotgun”. Na een diepgravend “Salvation” kon slechts één nummer nog de kers op de taart van Sinterklaas zetten. “I fell in love with a sweet sensation, I gave my heart to a simple cause, I gave my soul to a new religion, whatever happened to you?”, een chorus dat tot driemaal toe luidkeels werd meegeschreeuwd door ondergetekende op “Whatever Happened to My Rock’n’Roll”, tot nader order nog steeds hét B.R.M.C. anthem bij uitstek!

Alhoewel minder radiovriendelijk en minder hype-gevoelig dan pakweg The Strokes, Interpol en The White Stripes verdient dit sympathieke drietal nu meer dan ooit een plaats in het rijtje van toonaangevende Amerikaanse revival gitaaracts anno de jaren 2000.

Normaal gezien zijn vooroordelen niet besteed aan ondergetekende, maar voor een voorprogramma dat luistert naar de naam Skweeze Me Pleeze Me wil ik wel graag een uitzondering maken. Getooid in oversized sunglasses en zanikend in een soort Frans Engels (ook wel Franglais genoemd) kon je dit lokaal talent moeilijk verdenken van enige podiumpresence. Een goed half uur en anderhalf beklijvend nummer verder bleek de slotconclusie dan ook: ander en beter, goed geprobeerd, close but no cigar ... kortom een zonde van onze kostbare tijd en een hemelsbreed verschil met wat nog komen zou...

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

zondag 04 november 2007 00:00

Arcade Fire lost schulden af

Na het onovertroffen ‘Funeral’ uit 2004 en de fraaie opvolger ‘Neon Bible’ werd dit voorjaar door pers en publiek opnieuw halsreikend uitgekeken naar de live doortocht van het zevenkoppige pastorale popgezelschap Arcade Fire. Tot ontgoocheling van menigeen moest een groot deel van de Europese tournee, inclusief het geplande concert in de Hallen van Schaarbeek, echter worden afgelast vanwege problemen met de weerspannige sinussen van frontman Win Butler. De groep zou vervolgens op het afgelopen Pukkelpop festival haar gemiste rentree voor het Belgische publiek goedmaken, maar daar stak de krakkemikkige geluidsweergave op het hoofdpodium vakkundig een stokje voor. Na twee gemiste kansen was het dus erop of eronder voor de Canadezen in een goed gevuld doch niet uitverkocht Vorst Nationaal.

Het publiek werd alvast opgewarmd door een zwarte TV predikante die vanop het projectiescherm alle geboden uit de ‘Neon Bible’ de zaal in schreeuwde en pas de mond werd gesnoerd toen het 10 man sterke Arcade Fire orkest het rode tapijt betrad. Zichtbaar gebrand op een revanche, liet de groep niets aan het toeval over door meteen twee up-tempo radiohits de zaal in te vuren: “Keep The Car Running” en een lang  uitgesponnen versie van de recente single “No Cars Go”. Beiden zijn perfecte orkestrale popnummers waarbij Butler’s stem dit keer wel tot vol ornaat kwam en live extra werden ingekleurd door toevoeging van twee strijkers en twee blazers. Na het furieuze “Neighborhood #2 (Laïka)” uit het memorabele debuut ‘Funeral’ dreigde de delicate geluidsbalans de groep toch eventjes in de steek te laten; het gitzwarte “Black Mirror” werd ontsierd door heen-en-weer gevloek van Win Butler met de geluidsman, terwijl tijdens het tweeledige opus “Black Wave/Bad Vibrations” de vocals van Régine Chassagne nagenoeg verloren gingen in de geluidsbrij. De groep herpakte zich daarna wonderwel tijdens een aantal intimistische nummers waarvan wij vooral “Ocean of Noise” onthouden. De leden van Arcade Fire staan tijdens hun optredens niet bepaald bekend als vlotte praters, maar Butler moest tussendoor toch even zijn sociaal engagement kwijt. De frontman bedankte het publiek voor hun ‘vrijwillige’ donatie van €1 per ticket aan Partners in Health, een ideale inleider trouwens voor het anti-Amerikaans getinte ‘Antichrist Television Blues’.
Het eerste deel van de set werd afgesloten met een stomende versie van het inmiddels klassieke en luidkeels meegezongen “Rebellion (Lies)”, waarna de groep voor één bisronde uit de coulissen terug keerde. Uiteraard mocht “Intervention” hier niet ontbreken, en alsof het klaarwakkere publiek daar nog een boodschap aan had, werd het oudere “Wake up” als laatste encore de zaal ingevuurd.

Slotsom: derde keer, goede keer voor Arcade Fire, een band die is uitgegroeid van een speelse spontane bende ten tijde van hun optreden in het Koninklijk Circus ruim twee jaar terug tot een meer introverte wereldgroep met bijhorende wereldsongs anno 2007.

Organisatie: Live Nation

zondag 16 september 2007 02:00

Eigenzinnige Weller niet overweldigend

Precies 30 jaar na zijn eerste muzikale wapenfeit met de legendarische punkrock band The Jam onderneemt Paul Weller dit najaar een kleinschalige akoestische tournee onder de titel ‘Variations of a Dream’. Enkel begeleid op gitaar en synth door ex-Ocean Colour Scene gitarist Steve Cradock citeert de Modfather of Britpop langsheen Europese concertzalen uit drie decennia Britse rockgeschiedenis, van The Jam over The Style Council tot zijn eigen succesvolle solo carrière.

Wie afgelopen donderdag naar de al maanden op voorhand uitverkochte Ha’ te Gent kwam afgezakt voor een feest der herkenning kwam echter bedrogen uit. Alhoewel Weller inmiddels een paar dozijn radiohits op zijn palmares heeft prijken, had de oude rot welgeteld één single, de ballad “You do something to me”, in zijn setlist opgenomen. Al snel werd duidelijk dat Weller voor de ‘Variations of a Dream’ tour een zeer eigenzinnige selectie uit zijn back-catalogue heeft gemaakt die enkel door echte kenners op herkenningsapplaus worden onthaald. Uit de indrukwekkende catalogus van The Jam werd bijvoorbeeld gekozen voor “English Rose” uit ‘All Mod Cons’ (1978) en voor de twee illustere B-kantjes “The butterfly collector” en “Liza Radley”. Naast een tweetal minder evidente nummers van The Style Council, waarbij Weller nog eens de hoge stem aanhief die zo kenmerkend was voor de sound van deze groep, werd voorts vooral geput uit de eerste drie solo albums van Weller. Uit het titelloze debuut herkenden we o.a. “Into tomorrow” en uit zijn doorbraak album ‘Wild Wood’ koos de modfather wederom niet voor de evidente titeltrack maar wel voor “Foot of the mountain”, “Hung up” en een lang uitgesponnen door Cradock psychedelisch mooi ingeklede versie van “Shadow of the sun” die het eerste deel van het optreden op indrukwekkende wijze afsloot.
De modfather staat live niet bepaald bekend om zijn interactie met het publiek, en behalve een beleefde ‘thank you’ viel er inderdaad weinig te beleven tussen de nummers door. Ook het al wat oudere publiek was er één van het beleefde soort, en liet zich pas echt gelden om Weller terug te roepen voor een paar bissen. Het ijs leek heel even gebroken toen beide Britten de eerste en overigens enige bisronde aanvatten met een korte rookpauze waarbij Weller spontaan een die-hard fan op de eerste rij trakteerde op een smoke. De nicotine werkte alleszins niet inspirerend op het hitgevoel van Weller, die publiekslievelingen zoals “Going Undergound” en “That’s Entertainment” ook tijdens de bissen in de kast liet. In de plaats haalde Weller o.a. zijn versie van “Wishing on a star” boven uit het in 2004 verschenen coveralbum ‘Studio 150’, het onbetwiste hoogtepunt van de bissen.

Na goed anderhalf uur bleef ondergetekende met een halfverzadigde concert appetijt achter: ja, dit was een goed optreden waarbij de chef echter zodanig veel lekkere aperitiefhapjes serveerde dat hij dan maar besloot om het hoofdmenu niet op te dienen...

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

Laten we eerlijk zijn, het mag een half wonder heten dat alt.country pioniers Wilco nog bestaan, laat staan dat ze met een langverwacht nieuw studioalbum onder de arm een korte Europese tour ondernemen en daarbij op de koop toe nog eens de Gentse Vooruit aandoen. Als we de geruchten mogen geloven sukkelde boegbeeld Jeff Tweedy de afgelopen jaren immers van de ene depressie in de andere, en bleef hij als een getormenteerd man achter na artistieke meningsverschillen met andere bandleden en het overlijden van zijn moeder. 
Enkel en alleen al uit de titel van het nieuwe Wilco album ‘Sky Blue Sky’ valt af te leiden dat Tweedy en zijn sterk vernieuwde vijfkoppige band voor een positiever en toegankelijker geluid hebben gekozen. Twee tracks uit dit album, “Side with the Seeds” en “You are my Face”, trokken de set in De Vooruit op gang, en meteen werd ook duidelijk waarom de band tegenwoordig meer airplay krijgt op Radio 1 dan pakweg op StuBru. Voor de klankkleur van ‘Sky Blue Sky’ gingen Tweedy & co immers grasduinen door de catalogus van de populaire Amerikaanse rootsrock medio begin jaren ’70, waarbij we echo’s van iconen zoals The Band, Jackson Browne en Fleetwood Mac horen weerklinken. Deze retro-invloeden staan haaks op het meer experimentele geluid dat Wilco sinds 2002 produceerde op het inmiddels tijdloze ‘Yankee Hotel Foxtrot’, en het was maar zeer de vraag welke nummers uit die periode de set zouden halen. Het publiek kreeg hierop al vrij snel antwoord, en bedankte met spontaan herkenningsapplaus wanneer het van cynisch zelfbeklag doorweekte “I am Trying to Break Your Heart” en de schijnbaar vlotte popdeun “Kamera” uit voorgenoemd album werden ingezet. Op plaat contrasteren deze oudere nummers nogal fel met het nieuwe, meer gepolijste werk zoals “Shake it off” en “Hate it Here”, maar live viel hier weinig van te merken o.a. door de spaarzame doch bijzonder gedreven uithalen van nieuwe gitarist Nels Cline. Deze laatste vervulde een hoofdrol in “Impossible Germany”, volgens ondergetekende het beste nummer uit het nieuwe album dankzij de magistrale gitaaroutro die live heerlijk lang werd uitgesponnen. 
Toen we tegen het einde van de set even links en rechts van de PA Frank ‘De Mens’ Vanderlinden en Tom ‘Freebee’ Vanlaere goedkeurend het hoofd zagen meewiegen, beseften we dat niet enkel de doordeweekse concertgangers maar ook de elite van de Vlaamse rockscene met volle teugen schijnbaar genoten van de Belgische doortocht van Wilco. Ook Tweedy zelf, die nochtans niet bepaald bekend staat als een vrolijke Frans, ontpopte zich tussen de nummers door als een would-be entertainer die elke enthousiaste reactie uit het publiek spontaan counterde met een portie droge Amerikaanse humor. Yep, hier kan het echte enfant terrible van de alt.country scene, Ryan Adams, een puntje aan zuigen!
Uit de eerste bisronde onthouden we vooral “Spiders (Kidsmoke)” uit “A Ghost is Born” (2004), een langgerekt nummer dat na een repetitieve aanloop plots explodeert in een gitaarriff die zo lijkt weggelopen uit de back-catalogue van Neil Young & Crazy Horse. Het publiek vroeg en kreeg meer. In een tweede reeks toegiften werd o.a. gekozen voor “Heavy Metal Drummer”, alweer een klassieker vanop ‘Yankee Hotel Foxtrot’ en werd afgesloten met het mijmerende “On and on and on”, tevens het slotnummer van het nieuwe album.

Na een bijna twee uur durende set mag het duidelijk zijn: Wilco hebben na een aantal moeilijke jaren de titel van ongekroonde alt.country koningen terug opgeëist. Noot voor de afwezigen: Tweedy & companen ruilen binnenkort de sfeervolle en tot de nok gevulde Vooruit in voor een rafelige doch oergezellige concerttent op het komende Dour festival!

Organisatie: Vooruit Gent


Opvallend veel jong volk met (bakke)baarden kwam afgelopen vrijdagavond afgezakt naar de Trix Club voor de eerste showcase van Built To Spill op Belgische bodem sinds hun doortocht op Rock Herk in 1999. Liefhebbers van de betere independent indierock keken dus halsreikend uit naar de komst van deze semi-legendarische groep, wiens geluid sinds jaar en dag wordt getypeerd door de melancholische en breekbare stem van frontman en opperbaard Doug Martsch en de meerlagige lang uitgesponnen gitaarpartijen.

Net als Neil Young & Crazy Horse verstaat Built To Spill de kunst om dromen en emoties over verlies en verlangen te integreren in epische gitaarnummers. Niet toevallig dus dat Martsch & co live wel eens durven uitpakken met een 20 minuten durende versie van Young’s ‘Cortez the Killer’! Martsch verklaarde bij aanvang van het optreden dat zijn band geen playlist had samengesteld, waarop het publiek dolenthousiast reageerde met een regen van verzoeknummers. Ondanks herhaaldelijk aandringen werd ‘Cortez the Killer’ dan toch niet ingezet, maar een uitgebreide bloemlezing uit hun zes studioalbums maakte dit verzoek al snel overbodig. Uit het klassieke album ‘Perfect From Now On’ (1997) onthouden we vooral “Randy Described Eternity” en “Made-up Dreams”, stuk voor stuk memorabele gitaarbrokken die live afklokken op ruim 6 minuten. Op recentere albums opteert de groep eerder voor compacte gitaarsongs zoals “Center of the Universe”, “Carry the Zero” en “You Were Right”die allen op eenvoudig verzoek in de setlist opdoken. Tot die laatste categorie behoort ongetwijfeld ook de huidige single “Conventional Wisdom”, nu al één van de gitaarparels uit 2007 en live goed voor een versie van net geen 10 minuten waarbij drie gitaristen ‘duel eerden’ alsof Sebadoh en Dinosaur Jr. tegelijk naar huis moesten gespeeld worden.  Tussen de nummers door werd ruimschoots de tijd genomen om geluid (en licht) bij te stellen en het gitaarzweet even weg te vegen, maar echt storend kon je dit bezwaarlijk noemen. Na goed anderhalf uur werden Marthsch & co uiteraard teruggeschreeuwd voor meer ... en meer kregen we. Het laatste bisnummer, waarvan ondergetekende spijtig genoeg (nog) geen titel op de kop kon tikken, mondde uit in een jamsessie van een goed kwartiur waar de groep een laatste maal haar epische gitaarkunsten kon demonstreren om vervolgens het publiek verweesd achter te laten.
Laat het aub geen acht jaar meer duren vooraleer deze zeer sympathieke indierockers nog eens voet zetten op Vlaamse concertbodem!

Enkel afgaand op het laatste deel van de set van opwarmer The Arquettes bleek dat de meeste laatkomers ongelijk hadden. De melodieuze doch niet van scherpe randjes gespeende powerrock kwam bijzonder goed uit de verf op het podium van de Trix Club. Bovendien beschikt dit talent van eigen bodem met zijn vrouwelijke bassiste en de harmonische samenzang à la Posies en Beatles over twee sterke troeven voor de toekomst.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Tot diep in de jaren `90 was Kevn Kinney muzikaal actief als frontman van Drivin' n' Cryin', een groep die met haar combinatie van powerrock en folk weliswaar een trouwe schare fans voor zich wist te winnen doch echter nooit aansluiting heeft gevonden bij de toenmalig populaire grungescene. Een aantal van die fans kwamen afgelopen zaterdagavond ongetwijfeld ook afgezakt naar de Ha' alwaar Kinney een tweede keer op korte tijd aantrad, doch deze maal vergezeld van een volledige begeleidingsband. Parallel aan zijn D'n'C periode heeft Kinney ondertussen een al bijna even indrukwekkende solo carrière uitgebouwd, waarbij hij schijnbaar moeiteloos laveert tussen folk, country, blues en southern rock..

?Welcome to the Sun Tangled Angel Revival? uit het gelijknamige album uit 2004 leek meteen de perfecte opener. Kinney's nasale stem steeg nog net uit boven de 12-string folkchords, de gitaaruithalen van zijn jonge gitarist en de strakke ritmesectie: velen hadden meteen het gevoel dat dit een memorabele avond zou worden. Voor het samenstellen van de (overigens onvindbare) playlist werd voornamelijk geput uit Kinney's laatste twee solo albums, doch hier en daar werden de trouwe fans bedankt met a trip down memory lane zoals tijdens ?MacDougal Blues? uit diens eerste solo-album (1990) en ?When You Come Back?, een zeldzaam D'n'C nummer in de set uit hun ronduit stevigste album `Smoke' (1993). En wat dan te denken van de ruim 10 minuten durende medley die plots opdook in het midden van de set? Naast Kinney bleken plots ook de rijzige dreadlock bassist en de lijkbleke tengere drummer over vocaal talent te beschikken, en werd muzikaal eerbetoon gebracht aan achtereenvolgens John Lennon (?Working Class Hero?), The Monkees (?Steppin' Stone?) en Nirvana (?All Apologies?). Het siert Kinney dat hij ook nummers eerder ver verwijderd van zijn muzikale roots in een nieuw kleedje wil steken, maar even later verschafte hij toch tekst en uitleg over een ontmoeting met zijn ware muzikale held Johnny Cash aan wie ?The Country Song? uit Kinney's recentste album `Comin' round again' werd opgedragen. Ook Dylan en Guthrie bleven niet afzijdig tijdens het handvol akoestische nummers die Kinney solo voor de bissen speelde, en waarvan we vooral ?This town? onthouden. Kinney en band werden uiteraard voor een encore teruggeschreeuwd. De lang uitgesponnen countrytune ?This Train Don't Stop at the Millworks Anymore? werd door Kinney zelf aangekondigd als zachtaardige maatschappijkritiek, maar pas met een stomende versie van ?I Shall be Released? verdiende het optreden van Kinney & band het etiket `memorabel'. Tijdens dit laatste nummer mocht ook Mick Hart even komen meejammen, en heel even hadden we zelfs de indruk middenin een jamsessie van wijlen The Allman Brothers te zijn terechtgekomen.

Net toen iedereen, de groep incluis, dacht dat het optreden afgelopen was dook Kinney beleefd doch vastberaden het publiek in om zijn allerlaatste troef uit te spelen. Spaarzaam begeleid door mondharmonica, gitaar en handgeklap van het publiek werd een traditioneel kampvuurlied vol levenswijsheid ingezet. Kinney kreeg hiervoor een `staande ovatie' van het publiek, en knikte even later goedkeurend toen zijn gesigneerde CD schijfjes gretig van eigenaar verwisselden. Tot volgend jaar, Kevn?

In het voorprogramma stond de sympathieke Australische singer-songwriter Mick Hart die zijn zopas verschenen, mooie nieuwe plaat `Finding Home' kwam voorstellen. Ondanks het feit dat hij de voorbije jaren het voorprogramma mocht verzorgen van onder meer Bob Dylan, Coldplay, Sting, Paul Weller, Zwan, The Pretenders en The John Butler Trio, verscheen hij duidelijk zenuwachtig en onder de indruk op het podium. Maar dit belette hem echter niet om vergezeld van louter een akoestische gitaar, lapsteel en mondharmonica, in zijn eentje het publiek warm en stil te maken voor zijn mix van folk, pop, roots en blues. Zijn manier van zingen en spelen roept vooral een vergelijking op met Vic Chesnutt en Ben Harper (trouwens een goede vriend van Mick), terwijl zijn coverversie van één van zijn favoriete nummers, ?Mad World? van Tears For Fears, erg dicht aanleunde bij die van Gary Jules.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

 

zaterdag 27 januari 2007 04:00

The Beauty & The Beast

De Vooruit ontvangt doorgaans de betere rockband, van trendy tot tijdloos, maar zelden gespeend van decibels. Niet zo afgelopen zaterdagavond dus, toen de Schotse engel Isobel Campbell en de Amerikaanse grunge-survivor Mark Lanegan met hun intieme luisterliedjes in de Gentse rocktempel neerstreken voor een uitverkochte affiche. Pers en publiek zijn het er over eens dat dit gelegenheidsduo met het album ?Ballad of the Broken Seas? verantwoordelijk was voor één van dé muzikale wapenfeiten van 2006. Op dit album laten ze zich spontaan een soort Beauty & The Beast imago aanmeten onder de vorm van een onwaarschijnlijke combinatie van frèle en rauwe vocals die eerder reeds Lee Hazelwood & Nancy Sinatra of Nick Cave & Kylie Minogue (muzikale) hoogtepunten lieten bereiken.

Vergezeld van een vierkoppige begeleidingsband bleek opener ?Revolver? meteen een welgemikt schot in de roos. Ingeleid door spaarzame percussie en desolaat gitaargetokkel zette de gedeclameerde samenzang van de zeer statische Campbell & Lanegan de toon voor de rest van de avond. Tot de andere hoogtepunten waar het etherische engelengezang van Campbell en de door rook en levenspijn doordrongen stem van Lanegan wonderwel samenvloeiden behoorden zeker ook ?Deus ibi est? en ?(Do You Wanna) Come Walk with Me??. Nagenoeg alle nummers op ?Ballad of the Broken Seas? zijn van de hand van Campbell, geen wonder dus dat dit ex-lid van Belle & Sebastian nu en dan zelf de show mocht stelen met ?Black Mountain?, ?Saturday's Gone? of het aan Nick Drake schatplichtige instrumentaaltje ?It's Hard to Kill a Bad Thing?. Op de tonen van ?The Circus is Leaving Town? kreunde Lanegan ?The party's over now, so draw the curtains down?, een passend einde van het eerste deel van het concert. Tijdens de twee bissen werd de gemoedelijke sfeer een ietsje venijniger. Na een klein fysiek opstootje ter hoogte van de bar zetten Campbell & Lanegan passend ?Ramblin' Man? in, een doorleefde cover van een Hank Williams original die van een vuil countryblues randje werd voorzien.

Het was meteen het sluitstuk van een geslaagd anderhalf uur in een onbezwete Vooruit, ondergetekende dook voldaan en stilletjes neuriënd op het refrein van ?Saturday's Gone? de nacht in ...

Pagina 16 van 16