zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Geert Huys

Geert Huys

Woosha! Strandfestival 2014
Woosha! 2014
Klein Strand Oostende
Oostende
2014-07-18 & 19
Geert Huys

Als strandfestival had Woosha zijn entree in de zomerfestivalkalender vorig jaar allerminst gemist. Met een sfeervolle en vlot bereikbare locatie (het Klein Strand in Oostende) én een erg professionele organisatie bulkt dit evenement van het potentieel, dus lijkt het in elkaar boksen van een aantrekkelijke affiche de enige nog resterende uitdaging voor de komende jaren. En als het even kan, een schietgebedje om de weergoden gunstig te stemmen.

De tweede editie van Woosha werd meteen een tweedaagse met start op vrijdagavond. De loden zon en de Vlaamse oerpunkers The Kids vochten als eersten een robbertje uit wie het snelst het publiek kon opwarmen. We pikten in bij Flip Kowlier (***) die zich op grondgebied West-Vlaanderen én met zicht op ‘het zeitje’ meteen erg in zijn sas voelde. Samen met zijn vier vaste muzikale moaten stak hij erg toepasselijk van wal met het luchtige reggaedeuntje “Zwembad”, en weg waren we voor een uurtje relaxte kleinkunst met Kowlier in zijn typische rol van zelfrelativerende lolbroek. Met rasmuzikanten als toetsenist Peter Lesage en multifunctionele snarenmens Lazy Horse achter zich weet de Izegemnaar zijn levensliedjes bovendien ook voor de muziekpuristen voldoende interessant te houden.
Alle anekdotes en leutigheden daargelaten, toch is Kowlier er de mens niet naar om een uur lang gratuite humor te verkopen. Met het emotionele hoogtepunt “Moeder Lieve Moeder” diende de feestvreugde opgebouwd tijdens “Mo Ba Nin”, “Bjistje In Min Uoft” en “Detox Danny” toch even plaats te maken voor bittere ernst. Kowlier & co schudden uiteindelijk het laatste zand van tussen de tenen met de onverslijtbare debuutsingle “Welgemeende” en het onvermijdelijke dronkemanslied “Min Moaten”.

“Als Werchter Classic met The Rolling Stones een groep geboren in ’62 naar België kan lokken, dan kunnen wij zoiets ook”, moeten de samenstellers van de Woosha affiche gedacht hebben. En zo geschiedde met de komst van Status Quo (****) als enige internationale naam en absolute top of the bill van de tweedaagse. Net als Jagger & co hebben deze Engelse veteranen inmiddels een carriére van 52 jaar op de teller staan én razen de heren met een rotvaart en veel goesting door hun imposante back catalogue.
De massaal aanwezige grijze/kale knikkers en bolle buiken knikten goedkeurend toen bleek dat The Quo vooral nummers uit hun glorieperiode tijdens de eerste helft van de 70ies op het menu hadden gezet. Met “Caroline”, “Paper Plane” en “Rain” serveerde de groep van meet af aan een paar onweerstaanbare staaltjes van hun uit duizenden herkenbare vierkwarts boogierock. Ook aan hun karikaturale imago blijven boegbeelden van het eerste uur Francis Rossi en Richard Parfitt na al die jaren zonder meer trouw: strakke jeans, witte gympies, de oude knoken in spreidstand en gas geven maar. Ook al denken de heren er ernstig over na om de gitaren binnenkort aan de wilgen te hangen, met een graatmagere Rossi in de rol van entertainer en Parfitt als één van de strakste ritmegitaristen van zijn generatie blijft de live reputatie van Status Quo nog steeds redelijk onaangetast.
Op een tweetal niemendalletjes uit recente platen na bleef de Quo Jukebox onophoudelijk de ene luchtgitaar riff na de andere afvuren, met als hoogtepunt een soort marathon medley waarin boogierock pareltjes als “What You’re Proposing”, “Down The Dustpipe”, “Wild Side Of Life”, “Railroad” en “Again And Again” aaneen werden gerijgd. Na de obligate publieksfavorieten als “Down Down”, “Roll Over Lay Down” en “Whatever You Want” nam de groep uiteindelijk afscheid met covers van “Junior’s Wailing” (orig.
Steamhammer) en “Rock’N’Roll Music/Bye Bye Johnny” (orig. Chuck Berry) waarmee ze de roots van hun primitieve bluesrock gingen opzoeken. Na de Quo party volgde nog een afterparty waar meer van dit lekkers werd geserveerd en de jeugd van een paar decennia geleden benen en heupen konden losschudden.

Tijdens de tweede festivaldag werd vooral het jonge volkje bediend dat al eens naar StuBru luistert en regelmatig vaderlandse bandjes De Afrekening in stemt.
Na lokaal talent Audience In The Street en het bluesy gitaargeweld van Horses On Fire was het de beurt aan Kenji Minogue (***). Het prettig gestoorde meisjesduo Fanny Willen en Conny Komen aangevuld met drummer Mista Pig beweegt zich ergens tussen kunst en kitsch, en bedient zich hierbij uitsluitend van sappige West- Vlaamse dialecttaal en woordspelingen. Hun overstuurde electropop à la Vive La Fête in overdrive is weinig origineel, hun absurde teksten en kleurrijke stageact in felle fluo pakjes zijn dat wel. De radiohitjes “Nomnom" en "Alwadamehetten" gingen er in als zoete (zand)koekjes bij het publiek dat uitdrukkelijk om encores schreeuwde maar er geen kreeg.

Het Leuvens vijftal Willow (**) zag er redelijk ongevaarlijk uit op dat grote hoofdpodium, en zo klonken ze ook. We hadden in 2010 al vragen rond hun bronzen plak op Humo’s Rock Rally, misschien ging de jury toen wat te nadrukkelijk op zoek naar een Belgisch afkooksel van Bloc Party en meenden ze in zanger Pieter-Jan Van Den Troost een nieuwe Kele te hebben ontdekt. Op Woosha stelde de band een pak nieuw werk voor uit hun te verschijnen tweede plaat waarop een onsmakelijke mix van foute electronica en pathos de bovenhand lijkt te zullen halen. Het contrast met eerder werk, waaronder de knappe naar 80ies gitaarpop lonkende singles “Gold” en “Sweater”, en de gebalde afsluiter “Weeping Giants”, was dramatisch groot. Willow v2.0 lijkt al voor de release toe te zijn aan een update.

We willen er wel iets op verwedden dat ook zonder de publieke steun van Sioen tijdens de preselectie van StuBru’s De Nieuwe Lichting een jonge belofte als Soldier's Heart (***½) de weg naar radio airplay en een breder publiek zou hebben gevonden. Het vijftal bestaat amper twee jaar maar heeft met het exotische “African Fire” al een Belpop classic op haar naam, en ook opvolger “New House” is even indrukwekkend. Hun minimale dreampop verraadt invloeden van Beach House, The Knife en Alt-J, maar hét (voorlopig nog) geheime wapen van de band is frontvrouw Sylvie Kreusch. Dress code, stem, en body language: alles aan deze meid is psychedelica ten top en heeft internationale allure! En passant werden “Broad Daylight” van Gabriel Rios en “Wicked Game” van Chris Isaak omgetoverd tot bubbelende electronica pop. Klasse!

Liefhebbers van Duystere muziekjes hadden al een tijdje strategisch postgevat in de tent voor de set van Marble Sounds (***). Spijtig genoeg had het resterende deel van het publiek minder boodschap aan de melancholische slowcore van deze band waardoor de breekbare liedjes niet zelden verzopen in geroezemoes. Gelukkig had het gezelschap singer-songwriter en zielsgenote Renée meegetroond naar Oostende, een vrouw dwingt nu eenmaal meer respect af dan zes heren. Met de frêle zangeres op het podium kreeg de fluisterpop van “Sky High” en “Leave A Light On” een extra dimensie en leek iedereen toch plots bij de les. Frontman Pieter Van Dessel is echter niet enkel een man van stille liedjes. We verdenken hem er immers van om zich regelmatig te goed te doen aan de back catalogue van Neil Young & Crazy Horse en My Morning Jacket, wat zich op Woosha vertaalde in occasionele gitaarduels met Isbells gitarist Gianni Marzo. Niettemin lijkt Marble Sounds voorlopig veroordeeld tot de intimiteit van het clubcircuit om muzikaal voldoende uit de verf te komen.

Daan
(***) kreeg samen met zijn vijfkoppige band één concertuur toegewezen om op het hoofdpodium een passende soundtrack te verzinnen bij de ondergaande zon. Dat die soundtrack qua songkeuze redelijk eclectisch zou worden hadden we eerlijk gezegd wel verwacht, alleen spijtig dat de lichtman hierbij niets beter kon verzinnen dan een kakafonie van lichtflitsen die elke interactie tussen publiek en podium met pijn in de ogen onmogelijk maakte. Met de felle electropop van “Mirror” en het überfunky “Addicted” ging Daan eerst grasduinen in wat minder bekend werk uit zijn vroegere platen, om vervolgens uit te komen op een soort ‘best of’. Tot een feestje leidde dat aanvankelijk niet, want een eerste malse regenbui dreef een groot deel van het publiek de tent in. Daan antwoordde gevat met een flard van Eurythmics’ “Here Comes The Rain Again”, en lokte het publiek even later letterlijk terug uit de tent op het ritme van de pompende beats van “Swedish Designer Drugs” en “Housewife”. Mission accomplished dus voor Daan, al hadden we de indruk dat de man vanavond wat te vaak de automatische piloot had aanstaan.

Het jonge volkje waande zich vervolgens even op Tomorrowland met het drum’n’bass geweld van Laston & Geo, maar dat zinde de weergoden allerminst. De hemelsluizen gingen deze keer helemaal open, en het onweer dat hierop volgde betekende meteen het officiële einde van Woosha 2014. Net als het zeiknatte publiek mochten top of the bill acts School Is Cool en The Subs op bevel van politie en brandweer inpakken en wegwezen.

We onthouden dat Woosha goed op weg is om een muzikaal interessant blijvertje te worden op de festivalkalender, met strandsletsen en regenjas als meest aangewezen vestimentaire combinatie.


Org: Woosha – Dienst Toerisme Oostende

In hun zoektocht naar de roots van de vaderlandse muziekgeschiedenis kwam het Amerikaanse trio Violent Femmes begin jaren ’80 op de proppen met een recept dat in zowat alles verschilde van de toenmalige tijdsgeest. De speelse potpourri van akoustische folk en punk was initieel immers enkel bedoeld voor een straatpubliek in en rond thuisbasis Milwaukee, mijlenver verwijderd van radio airplay, platencontracten, dure producers en videoclips.
Het titelloze Violent Femmes debuut sloeg in ’83 in als een bom bij al wie toen 18 en op zoek naar zichzelf was. De tien liedjes op die plaat zijn allen van de hand van notoir Lou Reed imitator Gordon Gano. Helemaal anders dan zijn leermeester wist Gano universele thema’s als lust, religie en eenzaamheid in luchtige teksten met grote meezingfactor te gieten. En hoe hard ze ook hebben geprobeerd, in de stuk of zeven daaropvolgende platen hebben Violent Femmes nooit de impact en het succes van hun debuut kunnen evenaren.

Op het ene classic album komt echter al wat vroeger sleet dan op het andere zo blijkt, want een slordige acht jaar na hun vorige doortocht in de AB wist de groep afgelopen donderdag nog amper een halve zaal te vullen voor de integrale uitvoering van hun debuut. De opkomst bleek gelukkig een povere graadmeter, want groep en publiek omarmden elkaar meteen met het nodige enthousiasme vanaf de eerste noot van het luidkeels meegebrulde “Blister In The Sun”. Al wie de plaat in huis heeft leefde in de blije verwachting dat er nog negen van dat soort evergreens zouden volgen die moeiteloos laveren tussen folky reggae (“Please Do Not Go”), felle punk (“Add It Up”, “Promise”), blues (“Confessions”), perfecte pop (“Gone Daddy Gone”) en Velvet Underground pastiche (“Good Feeling”).
Anno 2014 herkennen we nog twee oorspronkelijke Femmes in de als overjaarse college kid met ziekenfondsbrilletje vermomde Gano en de op een sjofele zwerver lijkende Brian Ritchie op (akoustische) bas. De twee veteranen zijn nog steeds niet de beste muzikanten van de klas, en juist door hun ogenschijnlijk hekel aan perfect getunede (bas)gitaren weten ze de authenticiteit van hun jingle jangle songs perfect te bewaren. Het duo werd vervolledigd door de nieuwe drummer Brian Viglione die ooit op de loonlijst stond van The Dresden Dolls en net als zijn voorganger Victor DeLorenzo met niet meer dan één snaredrum, één cimbaal, één metalen ton en het nodige gevoel voor theatraliteit de ruggegraat van de groep vormt.
De groep nam best wel een risico door hun gevierde debuutplaat aan een verschroeiend tempo de zaal in te sturen en zo amper de helft van de concertduur vol te maken. Gano & co hielden gelukkig nog een soort ‘best of the rest’ achter de hand die allesbehalve nefast bleek voor de feestvreugde. Het trio ging eerst uitdrukkelijk de country tour op met het jolige “Jesus Walking On The Water” uit het ‘moeilijke’ tweede album ‘Hallowed Ground’ (‘84). Uit diezelfde plaat werd ook het met banjo, viool en mandoline opgesmukte “Country Death Song” geplukt. Even later schakelden de Femmes vlotjes over op strakke punkpop met “Freak Magnet” en de ultrakorte politiek incorrecte kopstoot “Old Mother Reagan”.
Meest in het oog springend bleek uiteindelijk de free jazz injectie die werd toegediend aan “Black Girls”. Voor het publiek het goed en wel besefte stond er toen plots een uitgebreide blazerssectie op het podium, met in de rangen o.a. de legendarische Stooges saxofonist Steve McKay. Tussendoor mocht ook de briljante non-album single “Gimme The Car” niet ontbreken, een nummer waarin Gano zijn primaire lustgevoelens voor een zomerlief op zijn vader projecteert.

Met het tongue-in-cheek “American Music” en een folky reprise van “Blister In The Sun”, waarin Gano intussen gitaar voor viool had ingeruild en harmonica virtuoos Steven de Bruyn van opwarmers The Rhythm Junks mee de boel mocht komen opvrolijken, werd een anderhalf uur durend feestje vrolijk ten grave gedragen. Dat het laatste album van Violent Femmes reeds dateert van bijna 15 jaar geleden en de band dus definitief veroordeeld lijkt tot de rewind formule was vanavond niet meer dan een detail.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-rhythm-junks-19-06-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/violent-femmes-19-06-2014/
Organisatie: Greenhouse Talent

 

zaterdag 05 april 2014 01:00

Rodriguez - de man achter de mythe

Wie sinds jaar en dag al een plaat van Sixto Rodriguez in de collectie heeft zitten mag zich met recht en rede Een Muziekkenner noemen. De twee albums die deze illustere Amerikaanse troubadour met Mexicaanse roots in de prille jaren ’70 op het erg bescheiden Sussex label uitbracht werden weliswaar meteen de hemel ingeprezen door een handvol critici, toch gingen toen amper een honderdtal exemplaren van beide platen over de toonbank. De maatschappij kritische teksten verpakt in psychedelische en jazzy folk deuntjes leverden hem al gauw het etiket van ‘The Next Dylan’ op, maar nadat hij zijn C4 kreeg van Sussex verdween Rodriguez even snel als ie gekomen was terug in de achterbuurten van Detroit.

Sinds de release in 2012 van de intussen met awards overladen muziekdocu ‘Searching for Sugar Man’, verwijzend naar zijn signature song “Sugar Man”, weet intussen ook de rest van de muziekminnende planeet wie Rodriguez is en verkopen reissues van zijn twee studioalbums als zoete broodjes. Net als generatiegenoot Leonard Cohen voor hem heeft ook deze kranige zeventiger inmiddels zijn weg gevonden naar het lucratieve live circuit, en laat hij in no time de grootste concertzalen vollopen.

Bij aankomst aan een hopeloos uitverkochte AB stond dit keer geen tourbus aan de voordeur geparkeerd, maar wel een opzichtige promostand van Volkswagen die aan de tweedaagse (donderdag en zaterdag) doortocht van Rodriguez de nodige commerciële ruchtbaarheid moest geven. Sommigen zullen er al dan niet terecht een deuk in het imago van de zelfverklaarde working class hero in zien, wij waren vooral benieuwd hoe de man vocaal uit de hoek zou komen. Op basis van recente concertreviews werd het strot van Rodriguez immers unaniem afgekraakt als afgeleefd en versleten, dus het leek ons beter om met luttele verwachtingen de zaal in te trekken.
Lag het aan de sloten thee met honing die hij vlotjes naar binnen werkte of had de man gewoon een begenadigde dag? In ieder geval, iedereen was meteen gerustgesteld toen bleek dat de bijna 72-jarige Rodriguez als liedjesvertolker een zeer degelijke beurt maakte in de Brusselse concerttempel. Geflankeerd door zijn twee dochters werd de langzaam blind wordende Amerikaan schoorvoetend naar de micro geëscorteerd, op zich al goed voor een eerste emo moment, om vervolgens solo “Love Me Or Leave Me” in te zetten. Deze Broadway evergreen werd onsterfelijk gemaakt door ondermeer Nina Simone, in de AB bood de versie van Rodriguez een aardig voorsmaakje van het folkjazz recept waarop veel van zijn liedjes gebaseerd zijn. Er zouden nog meer covers volgen tijdens het verloop van de set, en jammer genoeg vertoonden ze niet allemaal evenveel affiniteit met Rodriguez’ eigen back-catalogue. Met speelse rockabilly versies van “Lucille” en “Blue Suede Shoes” wou de bejaarde Amerikaan waarschijnlijk hulde brengen aan nog een paar andere van zijn muzikale helden, maar zowel qua tempo als qua impact bleken het zowat de enige spelbrekers van de avond.
Veel beter kwamen Rodriguez en zijn driekoppige begeleidingsgroep dus uit de verf toen zowat elk nummer uit debuutplaat ‘Cold Fact’ (‘70) de revue passeerde. Gitarist Matthew Smith vulde hierbij de gaatjes die hier en daar tussen het rudimentaire gitaargetokkel van zijn baas gaapten vakkundig op, zoals tijdens de funky protestfolk van “This Is Not A Song, It’s An Outburst: Or, The Establishment Blues”, de melancholische crooners “Forget It” en “I Wonder”, of de huppelende psychedelica van “Inner City Blues”. Heel wat spaarzamer werd omgesprongen met de wat miskende tweede plaat ‘Coming From Reality’ (‘71), waaruit we enkel het naar de broeierige West Coast sound ruikende “Climb Up On My Music” en het aan Harry Nilsson schatplichtige “I Think Of You” optekenden.
In tegenstelling tot genre- en leeftijdsgenoot Dylan waagt Rodriguez zich nooit aan grote lappen tekst en ellenlange songs. De strakke opeenvolging van de vrij compacte nummers zorgde zo voor een dynamiek die je niet meteen van een illustere 70+ artiest zou verwachten. Enkel aan zijn pièce de résistance “Sugar Man” bleek wat gesleuteld om de grens van de 5 minuten te bereiken; straf trouwens hoe het nummer ook zonder de wenende blazers en psychedelische effecten van de studio versie moeiteloos overeind bleef.
Naarmate de avond vorderde werd Rodriguez steeds spraakzamer en spontaner, liet hij paar ontwapenende levenswijsheden los op het publiek (“Hate Is A Too Powerful Emotion For Someone You Don’t Like” kan zo in het citaten handboek van King en Mandela), en riep hij als eeuwige humanist op tot vrede in Oekraïne. Zijn hoge zwarte hoed ging meerdere malen af als publieksgroet, en dit terwijl het omgekeerde gebaar evenzeer op zijn plaats was. Tijdens de encores haalde de man zelfs de Belgische driekleur boven, een guitige geste voor het AB publiek dat duidelijk verschillende generaties overspande en waarvan de overgrote meerderheid ongetwijfeld pas onlangs met het intussen ruim 40 jaar oude oeuvre van Rodriguez in aanraking kwam.

Net als Frank Sinatra hem ooit voordeed verdween de kranige Amerikaan met een doorleefde interpretatie van Al Hoffman’s “I’m Gonna Live Until I Die” van de bühne. Het spreekwoordelijke doek lijkt dus nog niet gevallen voor Sixto ‘Sugar Man’ Rodriguez, een uitzonderlijke singer-songwriter die het reeds bij leven en welzijn klaarspeelt om uit te groeien tot een mythische figuur én er zelf nog kan van genieten ook.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/rodriguez-03-04-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/bird-03-04-2014/
Organisatie: Jazztronaut + Ancienne Belgique, Brussel

Lavvi Ebbel , Flesh & Fell
4AD
Diksmuide


Al wie zin had in een rondje Belpop nostalgie moest afgelopen vrijdagavond afzakken naar de ruimdenkende 4AD club voor een unieke dubbelaffiche. Met Lavvi Ebbel en Flesh & Fell deelden twee ronkende namen uit de vaderlandse muziekgeschiedenis medio de jaren ‘80 het podium in Diksmuide, met als ultieme opdracht te bewijzen dat nostalgie geen moeilijk woord is voor oubollig.

Van het oorspronkelijke duo Pierre Goudesone en Cathérine Vanhoucke dat Flesh & Fell eerst in heimat Oostende en vervolgens vanuit Brussel op de muzikale kaart zette blijft anno 2014 enkel de mannelijke helft over. In de nieuwe zangeres Laurence Castelain en gitarist Laurent Stelleman heeft Goudesone intussen twee nieuwe muzikale trawanten gevonden om new wave festivals en muziekclubs mee af te schuimen.
Het muzikale handelsmerk van Flesh & Fell is en blijft geschoeid op een combinatie van donkere electro en ijle gothrock, een formule die aanvankelijk met de openers “Tipsy” en “Something In Between” amper boven de middelmaat uit stak en wat ons betreft wat verkeerdelijk knipoogde naar Vive La Fête. Toen Goudesone tijdens “LSD” een hippe trancebeat uit zijn beatbox opdiepte en Castelain hard haar best deed om een ‘femme fataleke’ neer te zetten waren we plots wel bij de les. Dit klonk als The Knife zonder stemvervorming maar met ballen, meteen een bewijs dat de intussen rotervaren producer Goudesone zich wel bewust lijkt van wat de hedendaagse acts in zijn actieradius allemaal uitvreten. Het kon ook echt traag met het naar chanson neigende “Suicide Hero”, waar Castelain de beste personificaties van Siouxsie Sioux en Jo Lemaire naar boven haalde.
Naast nummers uit hun pas vorig jaar (!) verschenen titelloze debuut zijn er drie songs uit de 80ies waar Flesh & Fell live niet omheen kan. Met de pittige electronic body music van “Hunger” en “The Wind” heeft de groep destijds zonder het goed en wel te beseffen een embryonale versie van new beat ingeblikt, met dat verschil dat die singles toen voor geen meter verkochten. Het bijna-radiohitje “Emma”, een fraaie industrial remake van de Hot Chocolate tearjerker, heeft intussen toch eerherstel gekregen op de ‘Belpop 1986’ compilatie en werd ietwat voorspelbaar tot op het eind van de set opgespaard.
Ondanks het feit dat vele van hun songs erg verankerd zitten in de 80ies bleef Flesh & Fell v2.0 stevig overeind, en kan de band wellicht nog wel een paar jaartjes verder aan de bak in het revival en rewind circuit.

Een feest was de set van Flesh & Fell niet, maar dat hoefde ook niet wanneer je als opwarmer dient voor een prettig gestoorde partyband als Lavvi Ebbel. Tussen 1977 en 1983 groeide deze tienkoppige bende uit Aalst met steeds groter succes uit tot één van de meest originele en spraakmakende new wave bands te lande, met als kers op de taart een plaats op de affiche van het Seaside festival editie ’82 aan de zijde van o.a. The Sound en Simple Minds.
Na 30 jaar freewheelen op een hectisch parcours als acteur, journalist, politicus, reportagemaker en docent riep de welbespraakte frontman Luckas Vander Taelen vorig jaar zijn voormalige troepen terug bijeen voor een nieuw offensief langs Vlaamse culturele centra en clubs. Nog voor er één noot uit de speakers knalde was het overduidelijk dat de flamboyante zanger/entertainer en zijn zeven metgezellen er verschrikkelijk veel goesting in hadden. ‘Eigenzinnig’ en ‘tegendraads’ waren drie decennia terug al adjectieven die Lavvi Ebbel als gegoten zaten, en dat blijft zo anno 2014. Tegen alle ongeschreven regels van elke setlist in gooide de groep reeds vanaf het eerste nummer al haar troeven op tafel met hun all-time classic “Victoria”. De temperatuur in de aardig gevulde maar verre van uitverkochte 4AD ging prompt een pak sneller dan voorzien de hoogte in. Stilstaan was dan ook geen optie toen bleek dat de kenmerkende cocktail van een strakke funkbeat, averechtse gitaren, een goedkoop orgeltje en een roodgloeiende eenmansblazerssectie na al die jaren nog geen nood heeft aan welke smaakversterkers dan ook.
Doorheen de set zou het trouwens steeds duidelijker worden dat de lichtontvlambare potpourri van punkfunk, ska en new wave moeiteloos aansluiting vindt bij een pak bands die nog niet zo gek lang geleden als ‘the next big thing’ werden bestempeld: LCD Soundsystem of The Rapture anyone? Meer gedateerd zijn wellicht een paar van de ideologieën die Lavvi Ebbel ooit in songs hebben gegoten. Grappig genoeg lijkt de immer gevatte Vander Taelen de eerste om dat toe te geven door welgemikte oneliners kwistig in het rond te strooien. Als inleiding voor het slepende “No Place To Go”, het eerste serieuze visitekaartje dat de groep in ’80 afleverde voor de intussen legendarische Belpop verzamelaar ‘Get Sprouts’, herinnert hij het publiek ludiek aan de tijd dat banken als BNP Paribas (in die tijd vermomd als de ASLK) nog platen uitbrachten. Als inspiratiebron voor dat nummer ging de groep toen overigens muzikaal te rade bij de al even politiek incorrecte Gang Of Four. Het kon veteraan en multi-instrumentalist Kloot Per W als vervanger van wijlen Francis Gheys wellicht allemaal worst wezen; de ‘keizer van Tervuren’ toverde met sprekend gemak een gortdroge baslijn tevoorschijn alsof hij die ter plaatse zelf had uitgevonden.
Lavvi Ebbel mag dan wel zijn opgegroeid in jaren van sociale onrust, toch werd het leven doorgaans door een roze bril bekeken. Tijdens uptempo songs als “Out Of The Blue”, “On The Telephone”, “Desire” en “Stand Up And Fight” leunde de groep dicht aan bij de party vibe van The B-52’s, inclusief de bijhorende spastische danspasjes en Mr. Bean-achtige mimiek van Vander Taelen. Weinig democratisch verkozen parlementsleden zouden er mee wegkomen, maar slotnummer “Give Me A Gun” klonk in Diksmuide warempel even naïef en oprecht als de versie die 32 jaar geleden op de nietsvermoedende jeugd werd losgelaten.
Het feestje was toen eigenlijk al compleet, en tijdens de encores leek niemand uit het publiek dan ook bezwaar te hebben tegen een reprise van “Victoria” en de punky reggae van “U And Me”. Een overtuigender bewijs van het feit dat Lavvi Ebbel een paar tijdloze nummers op haar geweten heeft die je nooit beu wordt kunnen we momenteel echt niet verzinnen.

En wat de toekomst van deze dolle bende vijftigplussers betreft zien we echt geen reden waarom Luckas Vander Taelen zijn groen pluche parlementszetel niet stante pede zou inruilen voor een tweede jeugd op de planken. Het mensdom zou er even wel bij varen.


Organisatie: 4AD, Diksmuide

Met een vader als Barry Andrews, mede-oprichter van hippe Engelse artrock bands als XTC en Shriekback, leek het enkel een kwestie van tijd vooraleer ook zoonlief Finn zijn eigen groepje uit de grond zou stampen. Als bezieler van The Veils werd de naar Nieuw-Zeeland geëmigreerde jongeling een grote toekomst voorspeld ten tijde van de fraaie debuutplaat ‘The Runaway Found’ (‘04), maar de grote meute hapte uiteindelijk niet toe. Na vier albums en een handvol EPs vol broeierige gitaarpop blijft Finn Andrews wat hangen in de schemerzone tussen alternatief en mainstream, een biotoop dat hem als intelligente romanticus overigens prima lijkt te bevallen.
Vorig jaar liet de groep Pukkelpop nog jammerlijk links liggen ten voordele van Lowlands. Met een aantal maanden vertraging én vier jaar na hun vorige doortocht kregen The Veils afgelopen woensdagavond met de Orangerie van de Botanique toch ei zo na opnieuw een Belgische zaal volledig gevuld.

The Veils werden bij hun eerste stappen richting podium opvallend enthousiast onthaald, waarop de groep gevat antwoordde met het epische “Train With No Name” en het nog steeds okselfrisse oudje “Calliope”. ‘It’s good to be back’ liet de goedlachse frontman met de eeuwige zwarte deukhoed optekenen, en dat was niet eens gelogen. De avond ervoor had de groep immers nog een show moeten cancelen wegens stemproblemen, maar wonderbaarlijk genoeg bleek de vibrerende strot van Andrews amper een dag later terug redelijk intact. Vocaal refereert de frontman beurtelings aan wijlen G.W. McLennan van The Go-Betweens en Starsailor opperhoofd James Walsh, twee collega’s die net als Andrews niet vies zijn van een streepje weltschmerz. Voor de zes metgezellen van Andrews, waaronder een bevallig duo strijkers, leek er geen plaats weggelegd in de spotlight. Andrews = The Veils, zo leek het wel, aangevuld met wat sessiemuzikanten die zich gedwee in de schaduw van de frontman nestelden.
Aanvankelijk stonden redelijk wat nummers uit hun laatste en meest gestroomlijnde worp ‘Time Stays, We Go’ op de setlist. “Birds”, “The Pearl”, “Sign Of Your Love” en “Out From The Valley & Into The Stars” behoren dan wel tot het traagste materiaal op die plaat, live kregen ze een serieuze trap onder de kont en werkten de erg goed op elkaar ingespeelde muzikanten steevast naar een broeierige climax toe. Niet alle nieuwe nummers dreven trouwens op subtiele arrangementen. Met de opzwepende single “Through The Deep, Dark Wood” bewezen The Veils dat ze evengoed met sprekend gemak een potige rocker uit hun mouw kunnen schudden die om onbegrijpelijke redenen de radio niet heeft gehaald.
Nog spannender werd het toen de groep ging grasduinen in wat ouder materiaal uit het voorlopige magnum opus ‘Nux Vomica’ (‘06), en met verve bewees dat deze passage uit hun back catalogue moeiteloos overeind blijft. Drijvend op een zompig bluesrock rifje bloeide “Not Yet” open tot een explosief nummer waar Nick Cave zowaar een spreekwoordelijke ‘red right hand’ kwam toesteken. Diezelfde Cave inclusief zijn Bad Seeds waren ook nooit veraf tijdens het dreigende titelnummer “Nux Vomica”. De anders redelijk goedlachse Andrews liet hier plots het manische rockbeest in zich los; reken daarbij nog de broeierige combinatie van een onheilspellend orgel en messcherpe gitaaruithalen en je hebt nog steeds een van de meest intrigerend buitenbeentjes in het oeuvre van The Veils.
Het was vervolgens intimiteit troef tijdens de eerste encores, waarbij Andrews solo en enkel gewapend met een akoestische gitaar de oude publiekslievelingen “Lavinia” en “The Tide That Left And Never Came Back” in alle eenvoud tot hun naakte essentie terug bracht. Het zorgde voor twee kippenvelmomentjes die we nog een tijdje gaan koesteren, net als de furieuze afsluiter “Jesus For The Jugular” waarvan Cave en Beefheart eeuwig spijt zullen hebben dat ze deze averechtse brok bluesrock nooit zelf hebben opgenomen.

Het commerciële momentum van The Veils mag dan al geruime tijd verstreken zijn, vanavond stond hier een allesbehalve uitgerangeerde groep die de aandacht van haar kleine fanschare naar waarde weet te schatten. Pa Andrews mag trots zijn.

Organisatie: Botanique, Brussel

dinsdag 04 maart 2014 00:00

Midlake, met de ‘M’ van Meesterlijk

Ze zijn op één hand te tellen, succesvolle bands die na de exit van hun frontman weinig of geen van hun artistieke pluimen verliezen. Het overkwam het uit Denton, Texas afkomstige psychedelische softrock gezelschap Midlake toen zanger Tim Smith midden in de opnames van een nieuwe plaat de groep verliet wegens ‘muzikale meningsverschillen’. Aan opvolgers voor Smith was er allerminst gebrek, om op de loonlijst van een groep als Midlake te staan moet nagenoeg elk bandlid immers een aardig stukje close harmony kunnen zingen. Uiteindelijk zette gitarist van het eerste uur Eric Pulido de stap richting spotlight, en verscheen eind vorig jaar met ‘Antiphon’ na drie jaar nog eens een vers Midlake album.

België en Midlake, het blijken de afgelopen maanden twee handen op één buik. Nadat vorige zomer de Club tent op Pukkelpop en eind oktober ook de Botanique zonder slag of stoot werden ingenomen was vanavond de AB aan de beurt, én staan de Texanen straks ook nog eens te blinken op de derde dag van Rock Werchter. Een groep zou er voor minder stadionallures beginnen van krijgen, wat zich bij aanvang van de set vertaalde in een overdosis decibels die ons onverwacht naar de oordopjes deed grijpen. Ergens wel doodzonde, want zo verdwenen de subtiliteiten die vakkundig zijn verstopt in nieuwe nummers als “Ages”, “Antiphon” en “Provider” als sneeuw voor de zon.
De zeskoppige band leek zich van geen kwaad bewust en musiceerde onder de hoede van nieuwbakken frontman Pulido erg geconcentreerd. Vanaf het grotendeels akoustische “Rulers, Ruling All Things” werd het volume wat teruggeschroefd en kreeg de groep meer grip op zijn muzikale mystiek. Zo kreeg het nieuwe bandlid Jesse Chandler zowel letterlijk als figuurlijk nu en dan de spot op zich gericht tijdens zijn middeleeuws aandoende dwarsfluitintermezzo’s, en gingen de stemmen van alle bandleden minus de drummer steeds beter ‘blenden’ tot een meesterlijke harmonie. Een eerste hoogtepunt zat er dus weldra aan te komen, en wat ons betreft ging een meeslepend “We Gathered In Spring” uit het doorbraakalbum ‘The Trials Of Van Occupanther’ (’06 ) met die eer lopen.
Grossierde Midlake op het vorige album ‘The Courage Of Others’ uit 2010 nog duidelijk in 70ies folkrock, dan lijken Pulido & co op hun nieuwste worp wat voorzichtige uitstapjes richting progpop te maken. In het erg knappe instrumentale “Vale” herkenden we om beurten flarden vroege Pink Floyd en Pavlov’s Dog, terwijl in het atmosferische “Corruption” The Alan Parsons Project nooit veraf bleek. De Texanen schakelden daarna moeiteloos over naar hun meer radiovriendelijke nummers waaronder de evergreen “Roscoe” en de op een repetitieve krautrock drijvende nieuwe single “The Old And The Young”.

Dat het recept van Midlake ook zonder enige vorm van muzikaal ballast moeiteloos overeind blijft bewezen de Texanen met verve tijdens de eerste encore. Je kon werkelijk iemand aan zijn bier horen slurpen tijdens een meesterlijke unplugged versie van “Antiphon”, een kampvuurmoment waarbij Pulido en drie van zijn maats dicht tegen elkaar gingen aanleunen en hun close harmony bangelijk perfect tot in de nok van de goedgevulde AB weerklonk.
Met het intimistische “Provider Reprise” en de symbolische afsluiter “Head Home” stuurde de groep alweer een tevreden Belgisch publiek huiswaarts. Als generale repetitie voor Rock Werchter kon dit dus wel tellen. Wedden dat de zusjes Haim die dag vol afgunst vanuit de backstage zullen meegluren?

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

‘3 is the magic number’ voor vele bands: ofwel ben je als groep creatief uitgeblust tegen dat de derde schijf er ligt, ofwel verdwijnen alle voorgaande platen in het niets in vergelijking met album nummer drie. Het uit Long Beach, CA afkomstige gezelschap Crystal Antlers koos, al dan niet vrijwillig, overduidelijk voor het laatste scenario. Op de vorig jaar verschenen derdeling ‘Nothing Is Real’ dwingt de band immers voor het eerst hun onstuimige mix van garagerock, psychedelica en punk in het strakke keurslijf van echte songs met kop en staart. Op grond van wat gerust één van de beste gitaarplaten van 2013 kan worden genoemd lijkt een bescheiden doorbraak op het Europese continent niet meer dan normaal, maar aan de erg magere opkomst in een gerenommeerde club als De Kreun te oordelen liggen Kortrijk en omstreken nog niet echt wakker van deze Amerikanen.

Na een trits personeelswisselingen is het oorspronkelijke vijftal dat Crystal Antlers in 2007 boven de doopvont hield inmiddels afgeslankt tot een trio, maar op tour hebben de Californiërs wel altijd een extra organist in de rangen die erg bepalend is voor de vintage sound van de groep. Niet toevallig klonken in de opener “Pray” echo’s door van The Animals, The Doors en The Stranglers, stuk voor stuk potige bands die van een krakkemikkige orgelsound hun handelsmerk hebben gemaakt.
Crystal Antlers blijven echter niet steken in de muffe 60ies en 70ies en blijft tot nader order een bende jonge honden die niet vies is van een portie onversneden neo-psychedelische garagerock. Wanneer de groep na een relatief rustige aftrap al gauw het gaspedaal indrukt met een paar punky uppercuts uit de vorige twee platen ‘Tentacles’ (‘09) en ‘Two-Way Mirror’ (‘11) verdwijnen de subtiele orgelpartijen prompt naar de achtergrond en wordt er stevig ingehakt op de trommelvliezen. Dat het gruizige strot van frontman/bassist Jonny Bell hierbij laveert tussen de vocale power van indieveteranen Mark Arm (Mudhoney) en Paul Westerberg (The Replacements) is overigens niks minder dan een compliment.
Hoe groot hun inzet ook was, echt imponeren deden Crystal Antlers pas wanneer het tempo wat zakte en de onstuimige uppercuts het moesten afleggen tegen de meer gelaagde en melodieuze songs vanop ‘Nothing Is Real’. In ons notitieboekje stonden de meeste uitroeptekens naast het van melancholie doorwrongen “We All Gotta Die”, een wereldnummer dat in een meer rechtvaardige wereld gerust een paar maanden in De Afrekening zou kunnen kamperen. Bijna even indrukwekkend was het met machtige tempowisselingen aaneenhangende “Rattlesnake”, de vooruitgeschoven single die vorige herfst al aankondigde dat er iets bijzonders op til was in het repetitiehok van de Californiërs.
Na een opgejaagd “Better Things”, een muzikale battle van het betere soort tussen Pixies en Hüsker Dü, en het nieuwe aan hun heimat opgedragen “California” hadden Crystal Antlers nog één salvo op overschot. Enkele die-hard fans gingen prompt uit de bol toen de eerste noten van die ruim zeven minuten durende afsluiter door de speakers knalden. Na enig opzoekwerk zijn we uitgekomen op “
Parting Song For The Torn Sky”, de debuutsingle uit 2006 waarvan slechts 500 exemplaren ooit het levenslicht hebben gezien. Deze epische brok neo-psychedelica, die overigens niet zou hebben misstaan op de eerste platen van Monster Magnet, was in zowat alle betekenissen van het woord een brutale afsluiter van de avond.

Nothing is real? Toch wel, nadat we onszelf even in de arm hebben geknepen blijkt de herinnering aan deze maandagavond levensecht. On stage lijken de uiterst gretige Crystal Antlers een muzikaal evenwicht te hebben gevonden tussen de sturm und drang uit de begindagen en hun huidige meer geraffineerde aanpak. Niet dat we de verzamelde muziekrecensenten elkaar zagen verdringen in De Kreun, maar wat ons betreft staat de poort naar de bredere erkenning wagenwijd open.

Eerder op de avond mochten The Glücks als opwarmer komen bewijzen waarom ze de laureaten van Westtalent 2013 zijn geworden. Het piepjonge Oostendse duo ging wel erg nadrukkelijk rondneuzen in de back catalogue van The Cramps, Dead Moon en The White Stripes, maar compenseerde dit gebrek aan een eigen muzikaal smoel ruimschoots met een gezonde portie Westvlaamse branie en een energieke stage performance.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-glucks-24-02-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/crystal-antlers-24-02-2014/

Organisatie: Kreun , Kortrijk

Nu het indienoise instituut Sonic Youth voorlopig of misschien wel voorgoed op zijn gat ligt is het voor liefhebbers van het genre al een tijdje nagelbijtend uitkijken naar mogelijke troonopvolgers. Vanuit thuisbasis Chicago solliciteert het viertal Disappears sinds een jaar of vijf al dan niet bewust naar die eretitel, voorlopig met wisselend succes.
Na twee puike maar anonieme platen stak dit gezelschap rond ex-leden van illustere gitaarbandjes als The Ponys, 90 Day Men, Boas en Anatomy of Habit vorig jaar de neus een eerste keer aan het venster met ‘Pre Language’, een amper 35 minuten durende trip langsheen melodieuze noise en gitzwarte postpunk die het tot diverse eindejaarslijstjes schopte. Dat die plaat werd ingeblikt met Sonic Youth’s Steve Shelley op drums zorgde bovendien voor nog wat extra credibiliteit, maar inmiddels heeft de veteraan wegens agendaproblemen alweer het hazenpad gekozen.

Afgelopen woensdag kwam Disappears ten huize muziekclub De Kreun hun nieuwste worp ‘Era’ voorstellen. Het viertal heeft het geweer intussen alweer van schouder veranderd, want in schril contrast tot z’n relatief melodieuze voorganger wint experimenteerdrang het meestal van de memorabele songs op ‘Era’. Dat deze nieuwe bezwerende nummers werden afgewisseld met het beste uit het meer heldere ‘Pre Language’ leek voor de noise puristen uit Windy City dan ook de enige juiste zet om het karig opgekomen gitaarminnend publiek een boeiend concertuur te bezorgen.
Uit die vorige plaat werden tijdens de eerste concerthelft “Replicate”, “Minor Patterns”, “Pre Language” en “Love Drug” geplukt, stuk voor stuk compacte staaltjes van hoekige posthardcore en avant-garde gitaarnoise die het midden houden tussen pakweg Sonic Youth, Girls Against Boys en A Place To Bury Strangers. Disappears is er echter het soort band niet naar om zich te laten vastpinnen als louter een kruisbestuiving van haar muzikale voorvaders. Zeker op de nieuwe nummers durft de groep al eens deftig buiten de lijntjes te kleuren. Zo werd “Weird House” voortgestuwd door een motorische krautrock beat, en dreef een lang uitgesponnen “Elite Typical” op een verslavend punkfunk ritme waar LCD Soundsystem in de begindagen al een patent op had. Noah Ledger is wat dat betreft een waardige opvolger van Steve Shelley; hun nieuwe drumbeest bezorgde Disappears live een  pak meer punch dan op hun jongste plaat het geval is.
Muzikaal zat alles dus wel snor, maar om de één of andere reden weigerden de smeulende vonken die Disappears kwistig in het rond strooide ook echt te ontvlammen. We wijten het aan de pose van de band zelf. De soms erg complexe songs lieten immers weinig ruimte voor de bandleden om met het publiek te interageren, en ook aan bindteksten hadden frontman Brian Case en zijn maats in Kortrijk geen boodschap. Enkel toen deze laatste een snaar naar de kloten hielp mompelde hij wat excuses in zijn door reverb geregeerde microfoon die hij evengoed kon hebben geleend bij The Fall, maar veel verder raakte de voormalige gitarist van The Ponys echter niet.
Met een opzwepend “Joa”, alweer zo’n nummer waarin een strakke krautrock groove de ruggegraat uitmaakte, had de groep één van zijn sterkste troeven opgespaard tot op het eind. De introvert ogende tweede gitarist Jonathan Van Herik kon hier opnieuw echt loos gaan op zijn arsenaal effectpedalen; diens afwisselend subtiele en overstuurde gitaarmotiefjes kleurden dit nummer in tot één van de absolute hoogtepunten van de set.
In een ultrakorte encore ronde werd nog een onbekend oudje opgerakeld, waarna de Chicago boys het na een kort maar intens uurtje definitief voor bekeken hielden.

De groep werd de dag erna al verwacht bij onze noorderburen, maar had even goed nog wat langer kunnen kamperen in De Kreun en de affiche van het komende Sonic City Festival aldaar nog wat meer kleur geven. Benieuwd of de onzichtbare muur tussen groep en publiek toen wel was gesneuveld.

Neem gersut een kijkje naar de pics
Disappears - http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4399

His Clancyness - http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4400

Organisatie: Kreun , Kortrijk

 

Pavlov’s Dog - Virtuoze progfolk voor drama queens
Pavlov’s Dog
Vooruit
Gent

Wie tijdens een dood moment al eens googled naar lijstjes met ‘The weird voices of rock’ zal al gauw botsen op ene David Surkamp, beter bekend als de enigmatische frontman van het illustere 70ies gezelschap Pavlov’s Dog. Haar cultstatus heeft deze uit St. Louis afkomstige band in grote mate te danken aan de debuutschijf ‘Pampered Menial’ (‘75), een fenomenaal werkstuk waar virtuoze progrock en dramatische popsongs hand in hand gaan. Na een geflopte tweede plaat ging de groep echter al gauw op de fles, en moesten fans zich decennia lang zoet houden met diverse bootlegs en wat solo exploten van Surkamp.
Sinds 2010 staat een soort reïncarnatie van Pavlov’s Dog regelmatig terug op de planken, met naast Surkamp enkel voormalig Chuck Berry drummer Mike Safron als originele leden. Opmerkelijk genoeg zitten zowel nieuwe als overjaarse fans wel degelijk te wachten op deze verknipte reünie, getuige een afgelopen donderdag tot de nok gevulde Vooruit.

Anno 2013 lijkt de groep uitgegroeid tot een soort familiebedrijfje met maar liefst twee koppels op de loonlijst. Naast David en zijn overigens muzikaal redelijk overbodig vrouwlief Sara Surkamp heeft het zevenkoppige gezelschap ook wat vers bloed in de rangen met o.a. bassist Rick (bas) en Abbie (viool) Hainz Steiling. Vooral deze laatste nam meteen het voortouw tijdens het instrumentale opwarmertje “Savage” gevolgd door twee iconische stukken uit ‘Pampered Menial’, “Fast Gun” en “Late November”. Het publiek was meteen mee toen van meet af aan bleek dat er nog maar verbluffend weinig sleet zat op Surkamp’s vibrerende alt. Zijn bijna vrouwelijke stem staat zo bol van melancholie en pathos dat zelfs ruimdenkende fans van Rush en early Placebo hier ook wel pap moeten van lusten.
Na wat dan heet een veilige start ging de band ook wat grasduinen in hun andere albums die op papier niet altijd garant staan voor sterke live momenten. Zo staan
nummers als “I Don’t Do So Good Without You”, “Wrong” en “Canadian Rain” nu niet bepaald te dringen voor een plaats in onze platenkast, maar door de doorwinterde en virtuoze muzikale aanpak van de groep werd enige zweem van meligheid toch ternauwernood vermeden. Vanachter zijn zonnebril ontpopte Surkamp zich bovendien tot een begenadigd verteller en oogstte hij sympathie bij het publiek met ludieke complimentjes over de cultuurstad Gent. Maar evengoed zorgde hij voor een spreekwoordelijke krop in de keel wanneer hij herinneringen bovenhaalde over Siegfried Carver en Doug Rayburn, twee oorspronkelijke leden van de band die intussen het tijdelijke voor het eeuwige hebben ingeruild.
Tijdens een sterk laatste half uur passeerde met het instrumentale niemendalletje “Preludin”, een lang uitgesponnen “Of Once And Future Kings”, “Theme From Subway Sue” (een ludieke fonetische verbastering van de oorspronkelijke titel “Someday Soon”) en het apocalyptische “Song Dance” zowat de helft van ‘Pampered Menial’. De bombast waarmee deze nummers de zaal werden ingeblazen stond in schril contrast met de sobere akoestische aanpak van Surkamp tijdens de eerste encores. Op z’n dooie eentje stak hij de zaal in z’n broekzak met “Lost In America”, het titelnummer van de erg magere comeback plaat van Pavlov’s Dog uit ’90 dat in Gent werd uitgekleed tot het beste nummer dat Elliott Murphy vergat te schrijven.
Met het dramatische “Julia” heeft ook Pavlov’s Dog zijn eigen “Nights In White Satin” beet: een radiovriendelijk nummer waar de groep van generatie op generatie wordt mee vereenzelvigd en de pensioenkas van de Surkamps moet helpen spijzen. Ook in Gent was het weer raak en waren tijdens die drie magische minuten nergens meer dolle vijftigers te vinden dan in de Vooruit.

Bring back the good old days’ mijmerde een voldane Surkamp tijdens het afsluitende “Valkerie”. Ruim twee uur lang waren hij en zijn makkers daar inderdaad in geslaagd, en dat zonder al te vaak te vervallen in cheesy sentiment. Pavlov’s Dog lijkt dus nog lang niet rijp voor het Golden Years circus, tenzij natuurlijk daar plots een garnizoen drama queens zou opduiken.


Organisatie: Live Nation

Met de concertenreeks ‘Dub be good to me: celebrating 45 years of dub’ zet de AB één jaar lang de spotlight op één van de meest vernieuwende stromingen in de muziekgeschiedenis. Het siert de ruimdenkendheid van de Brusselse concerttempel dat niet enkel de originators, maar ook de volgelingen van het genre een podiumplaats wordt gegund. Tot die laatste categorie moeten we ook Public Image Ltd (PiL) rekenen, het notoire gezelschap rond John Lydon wiens prille avant-gardistische postpunk eind jaren ’70 werd voortgestuwd door lome dub grooves.
Na ontelbare personeelswissels en een rits platen die telkenmale wat minder relevant gingen klinken trok Lydon in ’92 de stekker uit PiL om zich op lucratieve reünies met zijn maatjes van de Sex Pistols en een solo carrière te storten. Een groot fortuin heeft de man er blijkbaar toch niet aan over gehouden, want pas na een hilarische reclamespot voor hoeveboter (http://www.youtube.com/watch?v=8hzQsvxtLTM ) kreeg het excentrieke enfant terrible de nodige centen bij elkaar om in 2009 PiL terug te reactiveren.

Anders dan bij de verschillende reïncarnaties van de Pistols wil Lydon als boegbeeld van PiL op artistiek vlak terug au sérieux worden genomen. Met het vorig jaar verschenen comeback album ‘This Is PiL’ zijn hij en zijn maats daar overigens vrij aardig in geslaagd. Met het uit die plaat getrokken “Deeper Water” trapte een vastberaden band afgelopen donderdagavond hun set in een bescheiden gevulde AB Box op gang. Samen met andere nieuwe songs zoals “Out Of The Woods” en “One Drop” kan dit nummer zich meten met het beste materiaal dat de groep pakweg drie tot vier decennia terug heeft ingeblikt, alleen klinkt alles nu een pak luchtiger.
De sfeer werd prompt een stuk grimmiger en dreigender toen het gezelschap een handvol nummers ging plukken uit haar opus magnum ‘Metal Box’ (aka ‘Second Edition’) (‘79). De inmiddels 57-jarige Lydon diende wel wat te spieken om de ellenlange lappen tekst van “Albatross”, “Poptones” en “Careering” niet te laten ontsporen op de slome repetitieve groove, maar het eindresultaat was niettemin indrukwekkend te noemen.
Het zal de fans van het eerste uur wellicht worst wezen, of misschien juist plezieren, dat meesterbassist en architect van de prille PiL sound Jah Wobble anno 2013 niet echt wordt gemist. In de persoon van Scott Firth, die als guilty pleasure o.a. een verleden heeft in de begeleidingsband van The Spice Girls, heeft de groep immers een meer dan waardige vervanger beet. Samen met drummer Bruce Smith, bekend als medeoprichter van The Pop Group en sinds midden jaren ’80 vaste drummer bij PiL, vormde hij een erg straffe ritmetandem die de lome dub grooves tot diep in de onderbuik lieten doorklinken. Lu Edmonds, nog zo een PiL oudgediende, had van zijn kant een arsenaal aan gitaren meegebracht die zowel qua vorm als qua klank een lust voor oog en oor vormden.
Samen met de immer flamboyante krielhaan Lydon in de voorste gelederen vormde dit drietal een erg solide en virtuoos musicerende groep. De tijd dat PiL als één van de belangrijkste postpunk instituten werd aanzien ligt intussen al behoorlijk ver achter ons, toch was van enige oubolligheid geen sprake. Zo werd “This Is Not A Love Song” geïnjecteerd met tribal beats alsof de heren van Leftfield deze duffe 80ies song door de remix mangel hadden gehaald. “Warrior” was een ander hoogtepunt dat dan weer bol stond van de etnische invloeden en het publiek langzaam maar zeker meezoog in een hypnotiserende trance.
De weinige radiovriendelijke songs die Lydon & co op hun kerfstok hebben waren netjes opgespaard tot de toegiften. De hitsige postpunk van “Public Image” en de rustig voortkabbelende meezinger “Rise” stammen uit de tijd dat er nog regelmatig kwaliteit in de hitparades te bespeuren viel. “Open Up”, een trancy breakbeat classic die oorspronkelijk werd ingeblikt door Leftfield & Lydon, kreeg een fraaie PiL make over maar werkte niet echt als afsluiter. Eén schoonheidsfoutje op een set van bijna twee uur, daar maalt niemand om.

Wat we vooral onthouden is dat Lydon & co zorgzaam omspringen met hun cultureel erfgoed én stevig op weg zijn naar een tweede jeugd. Wie nog een pakje hoeveboter?

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4227

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Pagina 6 van 16