zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Instant Karma 2014 - Revelatie La Luz blaast de surf nieuw leven in
Instant Karma 2014
CC De Grote Post
Oostende
2014-04-19
Ollie Nollet


Er was behoorlijk wat volk op deze tweede dag van Instant Karma, de ‘rock-‘n-rolldag’, maar om daaruit te besluiten dat rock-‘n-roll weer in de lift zit lijkt me wel wat voorbarig. Het overgrote deel van de aanwezigen was er enkel en alleen voor The Sore Losers (wat zijn die jongens plots populair geworden!). Nochtans viel er heel wat meer te ontdekken in De Grote Post. Unieke locatie trouwens.

Mijn parcours (er moesten weer onverbiddelijke keuzes gemaakt worden) begon bij White Mystery uit Chicago die er hun vijfde plaat, de dubbelaar ‘Double dragon’ kwamen voorstellen. De nog steeds zeer jonge zangeres Miss Alex White is duidelijk niet iemand die op haar luie krent blijft zitten want voor die vijf platen had ze er al twee gemaakt met The Red Orchestra en eentje met de later verongelukte Chris Playboy. Maar nu doet ze het al geruime tijd met haar jongere broer (en drummer) Francis Scott Key White. Ofte White Francis en dat is een echte metalfan wat we geweten zullen hebben want tijdens de tweede song kwam hij met zijn scheurende stembanden akelig dicht in de buurt van de echte grunters. Gelukkig bleef het bij dat ene nummer.
De start van White Mystery was trouwens verre van optimaal. De eerste tien minuten klonken erg rommelig maar gaandeweg wisten de contouren van hun puntige garagerocksongs, die gelardeerd waren met een vleugje glamrock, zich los te wrikken uit de brij. Alex White bruist nog steeds van energie en ze verkende al springend alle hoeken en kanten van het podium. Maar naast die tomeloze vitaliteit leek dit keer het nieuwe materiaal een stuk beter uitgewerkt en heeft White Mystery heel wat aan maturiteit gewonnen. Tijdens het afsluitende nummer mengde Alex zich tussen de fans terwijl broerlief onder het podium kroop om er zijn tekst te declameren. Enige gekte is hen nog steeds niet vreemd.
Daarna zag ik een flard van het optreden van Sleepy Sun en ik vond hen nog steeds in hetzelfde bedje ziek. De gitaren klonken als vanouds groots en majestueus maar die konden niet verbergen dat de songs wat ondermaats waren. Maar dit is natuurlijk slechts een indruk na een momentopname.

La Luz uit Seattle maakte met ‘It’s alive’ één van de betere platen van 2013 en ik was toch wel benieuwd of ze die prestatie ook op een podium konden waarmaken. Het was de laatste dag van hun eerste Europese tour, die hen blijkbaar erg goed had bevallen, en de vier meiden hadden er duidelijk zin in. Ze waagden zich al eens aan een dansje en af en toe werd er een plaagstootje uitgedeeld. De stemming was in ieder geval opperbest maar wat veel belangrijker was : ook op de planken bleek hun wat timide gebrachte surf heel goed te gedijen. Alles werd bijzonder subtiel uitgevoerd door vier verrassend sterke muzikanten : Shana Cleveland op gitaar, Marian Li Puno op drums, Alice Sandahl op keys en Lena Simon op bas. Die laatste verdient alleszins een pluim want ze kwam de groep pas net voor het vertrek naar Europa vervoegen. Daarnaast bleken ze alle vier ook nog eens meer dan convenabel te kunnen zingen. Het bleef een beetje vreemd om die jonge meisjes muziek te zien spelen die uit hun grootvaders’ platencollectie had kunnen komen maar het werkte verdomd aanstekelijk. We hoorden echo’s van The Ventures, Link Wray en Dick Dale terwijl hun aanpak ook gelijkenissen vertoonde met de Allah-Las, ook zo’n nieuwe retroband. Hoogtepunten vraagt u? Alles eigenlijk hoewel ik toch “Morning high” met een verrukkelijke gitaar van Cleveland en het slepende “You can never know” met hemelse samenzang er net iets vond uitspringen. Tegen het einde van de set was het Dactylo-zaaltje helemaal volgestroomd en werden de reacties steeds heftiger. Er werd dan ook volkomen terecht een bis afgedwongen. La Luz wist de surf nieuw leven in te blazen en dat nu eens zonder er extra paardenkracht aan toe te voegen of twee versnellingen hoger te schakelen. Een verademing en zonder meer de revelatie van Instant Karma.

Ik zag het Gentse Little Trouble Kids naar aanleiding van hun nieuwe plaat onlangs een magisch concert spelen in de 4AD. Die glansprestatie konden ze niet herhalen in Oostende maar dat had alles te maken met de omstandigheden. Het begon al in mineur : de set (voorziene aanvangsuur 00u00) begon met meer dan een halfuur vertraging. Tot overmaat van ramp bleek iedereen voor The Sore Losers gekozen te hebben. Platgetreden paden zijn duidelijk nog steeds veel aantrekkelijker dan hobbelige sluikwegen. En zelfs toen de concurrentie er een punt achter zette kwam er niet veel volk bij wat ongetwijfeld veel met het nachtelijke uur te maken had. Kortom : Little Trouble Kids hadden het meest ondankbare plaatsje in het uurrooster gekregen. Zonde maar gelukkig lieten ze dit niet aan hun hart komen en werd er furieus geopend met “Myrninerest” gevolgd door een al even beklijvend “Haunted hearts”. Donkere, uitgebeende noiserock met een erg rock-‘n-roll klinkende gitaar van Thomas Werbrouck die ook steeds meer vocals voor zijn rekening neemt. Dat terwijl Eline Adam, nu ze wat meer bewegingsvrijheid heeft sinds ze verlost is van haar stompbox, zich meer en meer ontpopt als een waar podiumdier en beter zong dan ooit. Slagwerker Jonas Calu is daarbij de perfecte aanvulling. Uiteraard lag de focus op de verse plaat “Haunted hearts” maar toch zat er ook een ouder nummer, ‘'”Feed on Love”, in de set verstopt. Licht verteerbare muziek was het niet, wel erg intense en met krassen op de ziel.
Little Trouble Kids laten zich duidelijk nergens op vastpinnen en hebben resoluut gekozen voor een eigenzinnige en onvoorspelbare koers, wat belooft voor de toekomst.

Organisatie: Jong Oostende + VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

De avond werd geopend door Thierry Steady Go!, naar verluidt de ongekroonde koning van de Brusselse soul. De man draaide zeldzame en naar alle waarschijnlijkheid erg kostbare 45-toerenplaatjes uit de jaren ‘50 en ‘60. Ideale stuff om het publiek op temperatuur te laten komen (voor zover dat nodig was) alhoewel ik een dj als voorprogramma een beetje vreemd blijf vinden.

De 27-jarige Nick Waterhouse (uit Los Angeles) kwam zijn nieuwste plaat ‘Holly’ voorstellen. Die klinkt wat gesofisticeerder dan zijn eerste ‘Time’s all gone’ en ik ben er nog niet uit of ik dit beter of slechter moet vinden. Wat ik wel weet is dat zijn concert in een helemaal volgelopen Orangerie een regelrechte voltreffer was.

Waterhouse had een uitgebreide groep (allen keurig in het pak) meegebracht : twee blazers (tenor sax en bariton sax), een congaspeler, een drummer, een bassist, een toetsenist en de schitterende backingzangeres Roberta Freeman. Ondanks dat vele volk bleef de muziek vrij transparant en waren het enkel de tenor saxofonist en de pianospeler die af en toe ruimte kregen voor een solospotje.
Al heel vroeg in de set kregen we twee hoogtepunten met “Time’s all gone” waarbij het kookpunt in de zaal een eerste keer bereikt werd en “Dead room”, dat vooruit gestuwd werd door een soulvolle piano, die me onwillekeurig deed denken aan James Leg. De muziek van Nick Waterhouse zou je kunnen omschrijven als een mix van authentieke rhythm ‘n blues en soul, gekruid met een mespuntje jazz. Retro, dat zeker maar hij is bijvoorbeeld ook niet te beroerd om een recent nummer als “It # 3” van Ty Segall te coveren. Alles werd bijzonder smaakvol gespeeld met veel zin voor details en nuance. Het enige wat men hem zou kunnen verwijten is dat hij het net iets te braaf bracht. Bij de wat steviger gespeelde songs of toen hij plots een oerkreet uit zijn strot ramde waren de reacties van het publiek meteen een stuk uitzinniger. Nu, het volk wat op zijn honger laten zitten kan eigenlijk ook geen kwaad. Tijdens het laatste nummer, een lekker stomend “(If) you want trouble”, gooide de groep dan toch alle remmen los en ging het er een stuk wilder aan toe.
Daarna was het een beetje bang afwachten want wat bisnummers betreft heeft Nick Waterhouse stilaan een wat kwalijke reputatie gekregen. Vorig jaar in Trix kwam hij ondanks lang en luidruchtig aandringen niet terug en onlangs op Motel Mozaïque in Rotterdam presteerde hij het om een bis van welgeteld anderhalve minuut te spelen. En zo zijn er nog verhalen. Ook hier werd er lang en hard geschreeuwd. Dat laatste vooral door het vrouwelijk gedeelte van het publiek dat een regelrechte aanslag op mijn zo al geteisterde trommelvliezen pleegde.

Uiteindelijk verscheen de band opnieuw op het podium, voor één of twee nummers wist Nick ons te vertellen. Het werden er uiteindelijk drie (!) met als laatste een weliswaar hertimmerde maar briljante versie van “Pushin’ too hard” (The Seeds) waarin zijn garagerockroots nog eens opborrelden.

Organisatie: Botanique, Brussel

dinsdag 04 maart 2014 00:00

Thalia Zedek Band - In bloedvorm

Het werd een hele mooie zondagavond, daar in de 4AD … Het begon al niet onaardig met de Gentse Reena Riot ofte Naomi Sijmons, dochter van wijlen Fons, bassist bij The Scabs na het vertrek van Berre Bergen naar De Kreuners. Voor het eerst opgemerkt tijdens een Radio 1-sessie van, jawel, The Scabs, haalde daarna in 2012 de finale van Humo's Rock Rally en kwam nu een nieuwe EP, die ze heeft ingeblikt met Mauro als producer, voorstellen.
Reena Riot bleek een zelfverzekerde en charmante verschijning op het podium, die over een paar geweldige en bijzonder wendbare stembanden beschikte. Een enkele keer klonk ze wat schril maar toch was het die stem die terecht voortdurend alle aandacht opeiste. Het was dan ook jammer dat die superbe stem omkaderd werd door muziek die veel te dicht bij de mainstream aanschurkte.
Naomi is opgegroeid tussen de platen van haar ouders (Muddy Waters, John Lee Hooker, Bob Marley,...) en die invloeden zouden te horen zijn in haar songs las ik ergens maar in Diksmuide was daar alvast niets van te merken. Toen ze haar gitaar inruilde voor de piano klonk het toch wat meer geïnspireerd maar meestal vond ik de groep (gitaar,bas,drums) veel te braaf, wat met een naam als Reena Riot toch wel anders had gemogen.

Nadat haar volledige tour vorig jaar nog gecancelled werd wegens gebrek aan voldoende belangstelling stond ze nu dus toch in de 4AD. Verre van uitverkocht maar toch had een behoorlijk aantal fijnproevers de weg naar deze club gevonden. Thalia Zedek lijkt al een eeuwigheid bezig : eerst in groepjes met namen als Dangerous Birds, Live Skull of Uzi, later in het gerenommeerde Come, waarmee ze een zekere cultstatus verwierf, en sinds 2001 solo. Of toch weer niet want sinds de plaat ‘Liars and prayers’ uit 2008 opereert ze onder de naam Thalia Zedek Band. Een logische beslissing want het was wel degelijk een groep die we aan het werk zagen.
Had ik bij een paar vorige concerten van haar nog het gevoel van "ok, sterk, maar zat er net niet iets meer in?" dan was het dit keer vanaf de eerste noten er pal op en werden we bij ons nekvel gegrepen om niet meer gelost te worden. De groep, die duidelijk op het toppunt van haar kunnen speelde, creëerde een spanningsboog vol onmetelijke schoonheid die niet meer doorbroken werd. Zelfs niet door een bassist die letterlijk naast zijn schoenen stond en duidelijk wat te veel lokale streekbieren had geproefd. Gelukkig had zijn basspel daar niet onder te lijden want dat ware zonde geweest.
Thalia Zedek kent blijkbaar een creatieve opstoot want na de schitterende plaat ‘Via’ van vorig jaar is er reeds een nieuwe EP, ‘Six’, terwijl ze vorig jaar ook nog een reünietour had met Come. Het waren gunstige voortekens die bewaarheid werden op het podium waar la Zedek in bloedvorm verkeerde. Haar unieke, getormenteerde stem joeg voortdurend koude rillingen over mijn rug terwijl ze ook op gitaar meer dan haar mannetje stond. Hetgeen ze tegenwoordig brengt staat eigenlijk niet zo heel ver verwijderd van haar Come-werk alleen klinkt het nu iets minder hard en vooral veel rijker. Dat laatste komt uiteraard door die twee andere protagonisten in de band die mede verantwoordelijk zijn voor die intense, melancholieke sound. Op viola : David Michael Curry (o.a. Willard Grant Conspiracy) en pianist Mel Lederman (Victory At Sea), beiden zeer bescheiden maar uitermate groots bezig. Rest me nog Winston Braman (bas) en nieuwkomer Jonathan Ulman (drums) te vermelden. Ik hoorde enkel hoogtepunten, de set kende echt geen enkele dip en toch vond ik één song er net iets uit springen : "Want you to know" dat een waarlijk bloedstollende uitvoering mee kreeg.

Na zowat anderhalf uur volgde na aandringen van een niet aflatende fan een derde bisnummer: Leonard Cohen's "Dance me to the end of love". Misschien wel het minste moment van de avond waarmee ik hier geen afbreuk wil doen aan die song. Nee, aan haar eigen nummers viel deze avond gewoon niet te tippen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/thalia-zedek-02-03-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/reena-riot-02-03-2014/

Organisatie: 4AD, Diksmuide

maandag 18 november 2013 02:00

Fai Baba - Worstelend met een kater

Fai Baba is niet meteen een grote naam maar wel een groep die het verdient om ontdekt te worden en de 4AD wou hen hierbij een handje helpen door er een gratis (althans voor de leden) concert van te maken. Mooi gebaar maar daar had duidelijk niet iedereen een boodschap aan want de opkomst was bedroevend laag. Bijzonder jammer want het aloude cliché werd hier nog maar eens bevestigd : de afwezigen hadden ongelijk.

Opener van de avond was het Antwerpse gezelschap Lightning Vishwa Experience. Veel volk op het podium (met zijn zessen) dat desondanks zorgde voor eenvoudige, dromerige pop met een hoog lo fi gehalte. Bij momenten best wel intrigerend waarbij de harmonieuze samenzang tussen zanger Vishwa (Gerrit Van Dyck) en de hemels klinkende zangeres Sarita opviel. Zelden een tweede stem gehoord die zo bepalend was voor het groepsgeluid. Niet alles klonk even sprankelend, een paar keer gleden ze af richting wat te gladde en iets te veel naar de radio lonkende pop (o.a. de single "Milky sea", die dan wel door enkelen in de zaal herkend werd).

Fai Baba uit Zurich was reeds een tiental dagen aan het touren en ze hadden er blijkbaar elke avond een uitbundig feestje met de nodige drank van gemaakt. In die mate zelfs dat de bassist gewoon op zijn bed bleef liggen en de groep er dan maar met zijn drieën aan begon. Echt problematisch was dat niet : twee gitaren en drums volstonden om hun eerste songs, die zich ergens situeerden in de psychedelische garagerockhoek, appetijtelijk te laten klinken.
Na het tweede nummer verscheen plots de bassist dan toch, "back from the grave" zoals zanger Fabian Sigmund zei, om in kleermakerszit mee te spelen. Met hem klonk de sound wat voller maar na een vijftal songs hield hij het zonder een woord uitleg voor bekeken. Een hardnekkige kater blijkbaar. Gelukkig konden de overige drie, die er ook niet allen even fris uitzagen, het wel uitzingen.
Fai Baba bleek vooral de groep van Fabian Sigmund, een buitenissige kerel met een stem die soms deed denken aan een jonge Thom Yorke (Radiohead) maar vooral aan Ryan Sambol (zanger van The Strange Boys). Fai Baba werkte in het verleden ooit samen met Viva L'American Death Ray Music en het zoeken naar minder voor de hand liggende songstructuren hebben ze wel met die Amerikaanse band gemeen. Halverwege dreigden ze toch even weg te zakken in het moeras der middelmatigheid en net toen ik een enorme behoefte voelde opkomen om luidkeels "rock-'n-roll" te schreeuwen zetten ze een sublieme cover van The Gories in. Hiermee bewezen Sigmund en de zijnen nog maar eens dat ze niet voor één gat te vangen zijn. Het werd het startsein voor een spetterende rush naar de eindmeet.
Fai Baba is een groep die zoekt, probeert en durft, niet altijd met evenveel succes maar toch steeds blijft fascineren. Eigenlijk een beetje zoals de club die hen uitnodigde.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Eerlijk gezegd vond ik de affiche van het anders immer sympathieke Leffingeleuren dit jaar wat aan de magere kant. Niet zozeer omdat het allemaal slechte groepen zouden zijn, nee, veeleer omdat er te veel namen op stonden die ik reeds eerder zag en een mens wil al eens verandering van spijs. Achteraf bekeken viel het muzikaal uiteindelijk beslist wel mee (enkel de zaterdag kende een dip) en was het de regen die de grote spelbreker was hoewel we daar op het terrein weinig hinder van ondervonden.

De laatste weken zorgde de terugkeer van Girls In Hawaii, na een lange afwezigheid wegens een verongelukte drummer, voor nogal wat laaiend enthousiaste commentaren. Maar hetgeen ik in Leffinge zag kwam niet veel verder dan wat braaf muzikaal behang. Ook het publiek bleef er opvallend mak bij tenzij bij die te schaarse momenten toen de gitaren wat forser mochten klinken.

Nee, geef mij dan maar And So I Watch You From Afar. Dit viertal uit Belfast grossiert in bijna volledig instrumentale postrock. Een genre dat me de laatste jaren steevast zure oprispingen bezorgt omdat de meeste groepen niet verder komen dan wat steriele vingeroefeningen. Maar het kan dus anders. And So I Watch You From Afar klonk krachtig en energiek terwijl het bijwijlen razendsnelle gitaarspel van Rory Friers ons de adem benam. Postrock-'n-roll !!

Op naar het café dan, want traditiegetrouw vielen de fijnste verrassingen ook dit jaar daar te beleven. Nadat ze op 5 maart nog in Trix hadden gespeeld waren Dead Ghosts uit het Canadese Vancouver reeds opnieuw in het land. Lekker weghappende sixties garagerock met een groot fungehalte. Duizenden groepjes deden het hen voor en reeds tijdens de eerste song hoorde ik een baslijntje dat gepikt was van The Animals. Maar wat geeft dat? Zanger-gitarist en tevens auteur van alle nummers, Bryan Nicol, en kompanen brachten het met zoveel vuur en passie dat het toch weer onweerstaanbaar werd. Toegegeven : er zaten enkele veel te softe songs tussen maar vanaf de 13th Floor Elevators-cover "You're gonna miss me", het garage anthem bij uitstek, ging het enkel nog steil bergopwaarts waarop vooraan de vlam definitief in de pan sloeg.

Na het pretentieloze amusement van Dead Ghosts kon het contrast met de dodelijke ernst van Amen Ra (doommetal uit Kortrijk) niet groter zijn. Allen in stemmig zwart produceerden ze een indrukwekkend geluid. Alleen miste die intense sound wat variatie om te blijven boeien en de prestatie van zanger Colin van Eeckhout, voortdurend met de rug naar het publiek gekeerd, was niet van die aard om me langer dan een halfuur in de zaal te houden. Zo miste ik het slot waarin naar verluidt een versnelling hoger werd geschakeld.

Op zaterdag zorgen Bed Rugs uit Antwerpen al voor een vroeg hoogtepunt. Dit vijftal vuurde met een aanstekelijk enthousiasme heerlijke, psychedelische pop/rock de zaal in. Goeie songs, een wat vrouwelijk klinkende zanger en wijds meanderende gitaren waren de voornaamste ingredienten. Nog tijdens het laatste nummer werd alles van het podium weggehaald, inclusief het drumstel, zodat roepen om een bis zinloos werd. Net nu ik daar eens goesting in had.

Na deze zeer gesmaakte set bleef ik heel lang (4 1/2 uur) op mijn honger zitten. Eerst bezorgden The Horrors (uit Londen) me nog een ware indigestie. Gothic rock, bedolven onder de synths, of het galmende niets. Meer kan ik er niet bij bedenken. Gitarist en bassist pleegden geregeld een dansje maar wat de reden daartoe was bleef me een raadsel. Ik ben uiteraard wat bevooroordeeld want van dit soort muziek heb in nooit moeten weten maar ook de reacties van een fel uitgedund publiek leken me wat lauw.

Jacco Gardner dan, het nieuwe wonderkind uit het Nederlandse Hoorn die een plaat, ‘Cabinet of curiosities’, uit heeft op het toonaangevende undergroundlabel, Trouble in Mind, waar ook het fantastische Night Beats onderdak vond. De piepjonge Jacco zorgde op keys, bijgestaan door gitaar, bas en drums, voor een mooie, subtiele en warme sound. Neo-psychedelische barok-pop heet dat dan en die voortdurende vergelijkingen met Syd Barrett bleken inderdaad terecht. Jammer dat het teveel bleef kabbelen en de power-injectie, die ik toch ergens verwachtte, uitbleef. Mooi maar tevens slaapverwekkend en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Mijn verwachtingen voor het optreden van Max Romeo, als ik er al had, waren niet bepaald hoog. Onterecht bleek want deze krasse knar van bijna 69 lentes gaf één van de beste reggae-optredens die ik in jaren zag. Zijn achtkoppige begeleidingsband (4 mannen/ 4 vrouwen) met als uitblinkers de twee blazers en een hemelse mama op bas, die zich doorlopend verborg achter haar versterker, had hierin een groot aandeel. Maar ook Max Romeo zelf was goed op dreef en hield het naar reggaenormen ongelooflijk strak. Hier geen oeverloos gelul tussen de nummers. Hij hield de communicatie met de menigte erg beperkt. Opmerkelijk : "Chase the devil", dat dankzij The Prodigy blijkbaar door iedereen gekend is en een a capella gezongen versie van Marley's "Redemption song".

Na dit orgelpunt kon ik maar net de lokroep van de warme lakens weerstaan en strompelde ik de zaal binnen waar om één uur A Place to Bury Strangers afspraak hadden. ‘The loudest band of New York’, zoals ze gemeenzaam worden genoemd, greep me meteen bij mijn nekvel om niet meer te lossen. Gitzwarte noiserock die het daglicht niet verdraagt met gitaren die klonken als... Tja, als wat? De effectpedalen zullen wel hun voornaamste instrument zijn. Al na drie nummers gooide zanger Oliver Ackermann zijn gitaar twee keer keihard tegen de vlakte en wou dan gewoon verder spelen maar het ding was kompleet naar de vaantjes. Als milieubewuste mens heb ik daar wel moeite mee maar zo'n gitaar in het halfduister door de lucht zien klieven heeft visueel wel wat. Wereldschokkend was het allemaal niet maar qua intensiteit zijn er weinig groepen die hieraan kunnen tippen. Een bevreemdende totaalervaring met als bonus een weliswaar onherkenbare Dead Moon-cover.

Op zondag kon Trixie Whitley, ondanks een prachtige en bijzonder wendbare stem, me maar matig bekoren. Te gesofisticeerde pop of speelde haar begeleidingsband teveel met de handrem op?

Nee, dan liever Strand Of Oaks, uit Philadelphia, die het met veel minder middelen moesten doen in het café. Strand Of Oaks staat in feite voor Timothy Showalter, een man die eruit zag alsof hij in een metalband speelde maar hij klonk allerminst als een gekeeld varken. Integendeel, zijn stem smaakte hemelszoet. Soms heb je niet veel nodig om boeiende muziek te maken : een stem, een gitaar en wat drums. Maar hier klonk die stem nooit minder dan indrukwekkend, fonkelde zijn gitaar weids en majestueus en bleek de drummer een waar geheim wapen. Jason Slots leek wel te toveren met zijn drumstokken. Toen hij halverwege de set het podium verliet om Timothy Showalter zijn ding alleen te laten doen (waarin hij met verve slaagde) hoopte ik al vlug dat hij snel terug zou keren en ik was zeker niet alleen met die gedachte. Dit optreden in De Zwerver was het eindpunt van een 16 maanden durende tour en het werd er eentje om in te lijsten. Achteraf nam vriend Timothy nog eens ruim de tijd om de mensen die vooraan stonden te knuffelen.

Na deze hartverwarmende en in al zijn eenvoud schitterende set terug naar de tent voor afsluiter Seasick Steve die op zijn beurt alle harten voor zich won. Het recept is bekend en onveranderd. Primitieve blues op zelfgebouwde gitaren, een meisje uit het publiek pikken voor wie hij dan een liedje zong, ostentatief een fles wijn aan de lippen zetten waarop het volk hem telkens weer luidkeels aanmoedigde,.... Voorspelbaar als de pest en toch kon ik er opnieuw breed grijnzend van genieten. Seasick Steve blijft gewoon een onweerstaanbaar sympathieke kerel die ondanks het succes, dat hij nu toch al een ettelijk aantal jaren kent, nog geen spat veranderd is. Uiteraard kent hij intussen alle trucs om de toeschouwers voor zich te winnen door en door maar dat hypothekeerde zijn set allerminst en sloot hij samen met drummer Dan Magnusson Leffingeleuren in schoonheid af.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4061

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  

Binic Folks Blues Festival 2013 van 02 t/m 04 augustus 2013 - Drie dagen rock-'n-roll in een idyllisch badplaatsje
Binic Folks Blues Festival 2013
Festivalkaai
Binic (Bretagne)

Binic Folks Blues Festival 02/03/04 augustus

Binic ligt net voorbij St.-Brieuc in het departement Côtes d'Armor in Bretagne. Het pittoreske havenstadje, verscholen tussen de hoge rotswanden, zal het wellicht vooral van de toeristen moeten hebben maar sinds een jaar of vijf duiken er in het eerste weekend van augustus ook horden, al dan niet ruige, rock-'n-roll liefhebbers op wier meestal zwarte kledij nogal contrasteert met de gebruikelijke vakantieoutfit. Verantwoordelijk hiervoor is het Binic Folks Blues Festival, een organisatie van La Nef-D-Fous. Drijvende kracht hierachter is de uitbater van het plaatselijke etablissement "Le Chaland qui passe" die hierbij hulp krijgt van het managementbureau "U-Turn Touring" uit Bordeaux en het platenlabel "Beast Records" uit Rennes. Twee jaar geleden had ik al eens het geluk dit gratis festival te mogen meemaken maar sinds die keer is er daar toch wel wat veranderd. Vooral de komst van een derde en wat groter podium op de Esplanade de la Banche, net naast het strand, heeft het festival een ander gezicht gegeven. Bovendien leek het aantal bezoekers me meer dan verdubbeld. Een groot festival is het nog steeds bijlange niet maar veel meer mensen kan het plaatsje toch niet meer aan. Desondanks werd het nooit te druk, bleef de sfeer steeds gemoedelijk en viel er muzikaal heel wat te genieten. Enerzijds van een hele lading garagerockbands (meestal via U-Turn Touring) en anderzijds van een contingent singer-songwriters en folkrockbands uit Australië (dankzij Beast Records).

DE FRANSEN
Uiteraard nogal wat Franse bands op het menu maar daarnaast ook een drietal groepen met het mysterieuze (BZH) achter hun naam. Enig speurwerk was nodig om uit te vissen waar deze vreemde lettercombinatie voor stond. Dat onbekende land bleek Breizh te zijn en dat is gewoon Bretagne in het Bretoens. Eén van die drie was Head On uit Rennes met een werknemer van "Beast Records" als niet onverdienstelijk zanger. Ze zagen er erg rock-'n-roll uit en zo klonken ze ook. Wijdbeens grijnzend joegen ze een luide en smerige sound door de boxen die deed denken aan Australische garagepunkbands als The Beasts Of Bourbon. Niets nieuws onder de zon wel bijzonder amusant, vooral tijdens de laatste drie nummers toen ze de hulp kregen van een niet zo jonge saxofonist in een erg strak zittend rolkraagtruitje met luipaardmotief. Rock-'n-roll !!
Ook het drietal Ultra Bullitt, eveneens uit Bretagne, wist me te charmeren. Zelf omschrijven ze hun muziek als high energy rock-'n-roll garage. Dat zal wel kloppen. Het klonk alleszins luid, deed heel even aan MC5 herinneren en de gitarist was uitermate vinnig bezig.
Chicken Diamond is een one-man-band uit Thionville. In een voor de hand liggend t-shirt van Bob Log III bracht hij trashblues met een van distortion kromtrekkende gitaar. Twee jaar geleden vond ik hem net iets beter maar toen zag ik hem op het wat kleinere podium aan de Place de la Cloche. Een wat intiemere omgeving komt hem (en de meeste anderen ook trouwens) wat beter uit.
Een andere one-man-band was Thomas Schoeffler Jr. uit Straatsburg. Countryblues gezongen met een folkstem lijkt me de meest adequate omschrijving. Een akoestische gitaar, soms wat slide, een mondharmonica en een tamboerijn-stompbox waren zijn attributen terwijl hij zijn hoge stem soms wat liet vibreren. Naast een cover van "Alone and forsake" van Hank Williams bracht hij uitsluitend eigen werk dat er best mocht zijn.
Het jong trio Libido Fuzz uit Bordeaux klonk krek als The Jimi Hendrix Experience. De gitaar van Pierre Alexis Mungual zag er uit alsof hij net uit de verpakking was gehaald maar de jongeman beheerste het instrument als geen ander, Jimi achterna. Toch was het vooral het geluid van de bassist en de drummer die de Experience voor de geest riep. Goed naar Radio Moscow gekeken dacht ik maar dan moet ik er meteen bij vertellen dat deze Libido Fuzz hun nummers nooit lieten verzanden in oeverloos gesoleer, iets wat bij Radio Moscow jammer genoeg wel het geval is. Ik zat hier zeker niet op te wachten maar kon er toch best mee leven.
Beste Franse band was voor mij zonder twijfel The Feeling Of Love uit Metz. Ik zag ze al eens schitteren in de 4AD en hier was dat niet anders. Op plaat komt het er voorlopig nog niet helemaal uit maar live zijn ze onweerstaanbaar. De groep rond zanger-gitarist Guillaume Marietta klonk als een geüpdate versie van The Velvet Underground en dat vooral door de toetsen (waaronder een Farfisa) van Hess. Maar ook meer bijdetijdse bands als The Ponys, Mmoss en Allah-Las (maar dan met meer ballen) bleken vergelijkingspunten. Eenmaal gegrepen door deze muziek werd je niet meer losgelaten. Mensen die wat meewarig doen als het over Franse rock gaat moeten hier dringend eens naar luisteren.
Jammerlijk gemist : Strong Come Ons.

HET AUSTRALISCHE LEGIOEN heb ik grotendeels aan me voorbij laten gaan.
De drie songs die ik van Suzie Stapleton (Melbourne) zag waren veelbelovend. Solo met een elektrische gitaar waarop ze soms fors uithaalde viel ze ergens te situeren in de alternatieve rockhoek.
Twenty Seven Winters (ook al uit Melbourne) serveerde smaakvolle americana (australiana?) waarin de lapsteel van Paul Mileham voor het verschil zorgde. Zeker niet onverdienstelijk maar na enige tijd begon wat eenvormigheid hen parten te spelen.
Het koppel Louise O'Reilly en Paul Hannan verliet destijds Melbourne om diep in de beboste heuvels van Natural Bridge in een hut aan de rand van een uitgedoofde vulkaan te gaan leven om zo wat inspiratie op te doen. Tegenwoordig hebben ze hun stek in Berlijn gevonden maar de folkrock die ze met Laneway brengen ademt nog steeds de sfeer van die bossen uit en blijft tot de verbeelding spreken. Het weliswaar veel kleinere aantal geïnteresseerden op de Place de la Cloche luisterde ademloos naar songs met titels als "Love is the devil". Mooi!

TWEE AMERIKAANSE EINZELGÄNGERS
Het allereerste optreden dat ik in Binic zag was er meteen één van uitzonderlijke klasse. Op de Place Pommelec bracht de 69-jarige David Evans uit Memphis, Tennessee (en dat is dus niet The Edge, die dezelfde naam draagt) de blues zoals die in het begin van de vorige eeuw moet geklonken hebben. Zichzelf begeleidend op fingerpickin' gitaar (af en toe wat slide) zong hij nummers van Robert Johnson, Blind Lemon Jefferson, Charley Patton en ook van minder bekende namen als Tommy Johnson en Peetey Wheatstraw met een stem die perfect zou passen tussen die stokoude opnames van de hierboven geciteerde bluesmannen. De kerel was de bescheidenheid zelve maar wat hij bracht was in al zijn eenvoud superieur. David Evans speelde maar liefst vier sets op het festival en ik zag hem nog een aantal keer terug. Zo hoorde ik hem ook nog op verzoek "Special rider blues" van Skip James haast achteloos uit zijn mouw schudden. Meesterlijk! Achteraf kwam ik te weten dat die David Evans toch niet de eerste de beste is. Hij blijkt een etnomusicoloog te zijn die reeds verschillende boeken schreef (o.a. één over Tommy Johnson) en is tevens directeur van een etnomusicologisch, regionaal studieprogramma aan de universiteit van Memphis. Een ontdekking!
Ook bluesman Mississippi Gabe Carter uit Chicago, Illinois deed het op zijn eentje. Zijn stem klonk net als zijn gitaar erg metalliek en al bij het derde nummer dreigde hij weg te zinken in een kleurloze gladde brei. Maar na een tiental minuten joeg hij met zijn stompbox het ritme opnieuw de hoogte in en kon hij het tij alsnog keren. In de buurt van David Evans kwam hij evenwel nooit terwijl hij net iets te veel reclame maakte voor zijn cd om sympathiek over te komen.

DE TOPPERS
Movie Star Junkies uit Turijn hadden een nieuwe gitarist bij die in nauwelijks twee dagen tijd alle nummers had ingestudeerd maar daar was op het podium niets van te merken. De groep begon indrukwekkend met een nummer dat kon tippen aan het beste van The Birthday Party. De erg charismatische zanger Stefano Isaia zou trouwens het ganse optreden Nick Cave naar de kroon steken. Het bleef een vreemde combinatie : de bijwijlen bombastische noise gekoppeld aan ritmes die uit de soundtracks van Ennio Morricone leken geslopen. Maar het werkte wonderwel en wanneer naar het einde toe de noise-erupties achterwege bleven bewees de groep ook het subtielere werk aan te kunnen.
Na hen verscheen op vrijdag een vol getatoeëerde John Dwyer in een tot op de draad versleten t-shirt (hij heeft er blijkbaar maar één) op het podium. Het duurde even voor de overige drie van Thee Oh Sees (San Francisco) volgden maar eenmaal kompleet barste de hel los. Zowel op het podium als ervoor. Dwyer leek beter dan ooit op zijn gitaar die hij meermaals als een soort oorlogswapen gebruikte. Er waren nog steeds die malle hoge stemmetjes van hem en Brigid Dawson terwijl eens te meer die fenomenale ruggengraat van de band opviel : tweede gitarist Petey Dammit!, die steeds beangstigend hard met zijn hoofd stond te knikken plus de nooit aflatende drummer Mike Shoun die zelfs tijdens de onderbrekingen (gebroken snaren) onverdroten verder mepte. Vuurwerk op de stage dus maar ook ervoor. Daar ging het er ongemeen heftig aan toe met talloze stagedivers en crowdsurfers. Thee Oh Sees maakten er een stormachtig feestje van waarin slechts tijdens het laatste nummer het gaspedaal werd losgelaten. Meteen een draak van een song vond ik maar toen een Française me onverwacht ten dans vroeg zag ik er plots toch nog enkele onvermoede kwaliteiten in. Na een eerste bisronde bleef het publiek koppig aandringen en na een schier eindeloze discussie verschenen Thee Oh Sees opnieuw op de planken. Helaas had de geluidsman toen de P.A. al afgesloten wat hem niet in dank werd afgenomen. Ik was reeds ver weg toen ik nog steeds verwensingen aan zijn adres door de lucht hoorde klieven.
Toen op zaterdag Shannon and The Clams hun opwachting maakten vielen er opnieuw diezelfde woeste, waanzinnige taferelen als bij Thee Oh Sees te zien op de Esplanade de la Banche. De volslanke Shannon (ook deeltijds lid van Hunx and his Punx) bleek wat overdonderd door die enorme respons en voelde zich duidelijk wat onwennig. Het verschil met zaaltjes als de DNA in Brussel, die ze tijdens deze tour aandeden, was dan ook zeer groot. Gelukkig had dat geen gevolgen voor hun muziek want die klonk hemels. Deze groep uit Oakland, Californië bracht springerige fifties rock-'n-roll doorkneed met doowopvocals en op smaak gebracht met een fikse scheut punk. Shannon zorgde naast de bas meestal voor de leadvocals terwijl gitarist Cody Blanchard met zijn knetterend hoog stemmetje voor de heerlijke doowopeffecten zorgde. Achter hen hadden ze nog een niet te onderschatten schakel : een kampioen bekkentrekken op drums die af en toe beslist niet onaardig meezong. Hier absoluut geen gitaargeweld zoals bij Thee Oh Sees maar de afgeknepen gitaarnoten van Blanchard lieten het volk evengoed 't zwin deur de bjêten joagn. Toen ze Del Shannon's "Runaway" (een song die hen op het lijf geschreven is) inzetten was er vooraan helemaal geen houden meer aan. Het hoogtepunt van het festival. Hoewel! Op zondag zag ik ze nog eens terug op een afgeladen "de la Cloche" pleintje en die set die ze begonnen met "You will always bring me flowers" (mijn favoriete Shannon and the Clams-song) bleek zo mogelijk nog beter.
Nadat ze net die uitzinnige meute bij Shannon and The Clams gezien hadden dachten Waves Of Fury uit Londen blijkbaar gewonnen spel te hebben. Niet dus en het duurde even voor er wat beweging kwam in het fel uitgedunde publiek. Wat meteen opviel bij Waves Of Fury was dat die onwaarschijnlijk gekke stem van op hun plaat "Thirst" (op Alive Records) in het echt heel wat normaler klonk. De muziek van Waves Of Fury omschrijven is geen kattenpis (vrij naar Jan Becaus). Powersoul met grote dosissen rhythm 'n blues, punk en zelfs jazz. Het lijkt een vreemde combinatie en dat was het ook. Soms verrassend sterk maar bij andere nummers wrong het dan weer een beetje. Uitblinkers bij dit vijftal waren de superbe saxofonist en Jamie Bird aan een stomend Rhodes-orgel. Ook Waves Of Fury zag ik een dag later terug op de Place de la Cloche en ook daar klonk de band van zanger-gitarist Carter Sharp een stuk beter dan op het grotere podium.
Op zondag verscheen Mikal Cronin meer dan een half uur te laat op de afspraak maar dat had waarschijnlijk veel te maken met het feit dat Shannon and The Clams toen nog op la Cloche bezig waren en al wie hen de dag voordien gezien had wou daar natuurlijk bij zijn. Mooie zet dus van een overigens prima organisatie, zo zag ook ik Mikal Cronin zeer sterk beginnen. Maar toen de nieuwe nummers eraan kwamen zakte de pudding zienderogen in elkaar. De laatste plaat "MCII" is dan ook, ondanks alle lovende recensies, een wat halfbakken werkstuk. En door de volumeknop wat verder open te draaien kon Cronin dat niet verbergen. Gelukkig voor hem liet de harde kern vooraan dat niet aan hun hart komen en zagen we weeral veel voeten en armen door de lucht zwieren. Hoe meer de set vorderde hoe meer Cronin zich liet verleiden tot oeverloze gitaarorgieën. Zelfs bisnummer "Whole wide world" (Wreckless Eric) eindigde met minutenlang gierende gitaren. Mikal Cronin kwam nog een tweede keer terug, helemaal alleen. Maar die slotsong ging grotendeels de mist in omdat hij zijn lach, om de uitzinnige toestanden voor hem, niet kon onderdrukken. Een heetgebakerde fan slaagde er zelfs in om zijn micro mee te grissen maar ook dat incident werd diplomatiek opgelost terwijl Cronin bijna de slappe lach kreeg.
Het was een mooi festival geweest met als uitschieters David Evans, Thee Oh Sees, The Feeling Of Love en Shannon and The Clams. Het laatste wat ik zag in Binic was Clams-gitarist Cody Blanchard die geduldig stond te wachten aan het wafelkraam. Hier zijn nog steeds geen grenzen tussen artiesten en toeschouwers.

Organisatie: Binic Folks Blues Festival

Er was een behoorlijk grote aanhang met ze meegereisd, die zich waarschijnlijk te pletter amuseerde, maar op mij liet opener Bunny Bartender uit Moorsele geen te overweldigende indruk na. Het begon nochtans niet onaardig met een pittige instrumental waarin wat surfinvloeden doorschemerden. Wat volgde was erg Brits klinkende rock, die tijdens de betere momenten wat aan Gallon Drunk deed denken, met een zanger die zijn teksten meer declameerde dan zong. Een beetje zoals Mark E. Smith maar dan zonder diens typische nijdigheid. Na een tijdje bleek die zang voor veel te weinig variatie te kunnen zorgen en bleef de band wat ter plaatse trappelen. Jammer want de gitaar van Wim Wallays mocht best gehoord worden.

The A-Bones is de groep rond het echtpaar Billy Miller en Miriam Linna, tevens bezielers van het label Norton Records dat zich vooral bezighoudt met rauwe fifties en sixties rock-'n-roll reissues. Billy zag Miriam voor het eerst toen ze drumde bij The Cramps in 1976 maar een eerste daadwerkelijke ontmoeting vond een jaar later plaats tijdens een platenbeurs waar Billy zijn toekomstige een exemplaar van ‘You must be a witch’ van The Lollipop Shoppe (met Fred Cole van Dead Moon) uit 1968 aansmeerde. Het klikte meteen en na het eerst met de rockabillyband The Zantees geprobeerd te hebben richtten ze uiteindelijk in 1983 The A-Bones op, genoemd naar een nummer van The Trashmen. Na zo'n tien jaar lijkt de groep te zijn uitgespeeld tot in 2009 een nieuwe plaat (‘Not Now!’) verschijnt. Sindsdien treden ze weer regelmatig op en een gunstige wind bracht ze op 18 juni voor een eenmalig Belgisch concert naar de 4AD.

Toen ze het podium betraden bleken ze geen saxofonist (geen onbelangrijk element op hun platen) bij te hebben maar drie jaar geleden, toen ik ze in Utrecht zag, was dat ook al zo en toen deed dat absoluut geen afbreuk aan hun muziek. Iets meer verontrustend was de afwezigheid van gitarist Bruce Bennett. Die kon de tour niet volledig meereizen en voor het resterende deel had Billy Miller wat rondgebeld op zoek naar een vervanger. Eerste keuze was Mick Collins (dat zou wat geweest zijn!) maar die had een optreden met The Gories. Tweede keuze was King Khan die ook verhinderd was maar die stuurde Miller wel door naar ene Dale MacDonald en dat bleek achteraf een perfecte keuze (dank u King!). Dale MacDonald, die tegenwoordig blijkbaar in Berlijn woont, zou je kunnen kennen van obscure bands uit Montreal als The Cockroaches, Chocolat of Hell Shovel maar zal toch vooral dankzij The Demon's Claws bij sommigen een belletje doen rinkelen.
The A-Bones zaten meteen op kruissnelheid met het schitterende "Bird doggin' ", mijn favoriete Gene Vincent-song. Toen al kon mijn avond niet meer stuk! Het was de start van en set vol enorm aanstekelijke rock-'n-rollsongs, meestal covers van obscure nummers uit de jaren '50 en '60 terwijl ook hun eigen songs klinken alsof ze in die periode het levenslicht zagen. Vol vuur en overgave gezongen door Billy Miller die in de loop der jaren een flink tonnetje heeft gekweekt maar daarom niet minder enthousiast over het podium struinde. Ruggengraat van de band was de onverstoorbare bassist Marcus ‘The Carcass’ Natele en de wild meppende Miriam Linna die tevens voor de hitsige en/of kirrende achtergrondgeluidjes zorgde. Een groot zangtalent kun je haar bezwaarlijk noemen maar de paar nummers die zij mocht zingen (of mekkeren) vielen niet eens uit de toon. Maar de verrassing van de avond was een briljante Dale MacDonald. De dag voordien The A-Bones voor het eerst ontmoet, de dag zelf wat gerepeteerd met ze in de bunkers van de 4AD en 's avonds dan het eerste optreden met The A-Bones! Maar die wat onmogelijk lijkende proef doorstond hij glansrijk. Bescheiden en verlegen, maar dat was hij ook bij The Demon's Claws, en slechts af en toe spaarzaam glimlachend naar Miriam Linna. Absoluut geen Bruce Bennett die veel smeriger uithaalt, het grote gebaar niet schuwt en zo eigenlijk eerder zijn tegenpool lijkt. En toch miste ik Bennett geen seconde want de vintage rock-'n-roll klinkende gitaar van Dale paste evenzeer in het plaatje van The A-Bones. Ik vermoed zelfs dat de spanning om met een nieuwe gitarist te spelen ook de rest van de groep extra impulsen gaf. Het zorgde alleszins voor dampende rock-'n-roll, niets spectaculairs maar songs als "World's greatest sinner" (Frank Zappa), "Betty Lou got a new tattoo" of het onvermijdelijke "Wooly bully" bleken onweerstaanbaar.
"Niets meer dan een party" zou je heel oneerbiedig kunnen roepen. Een party, zeker dat, maar dan één van het soort die je nergens nog vindt terwijl The A-Bones ervoor zorgen dat die oude vergeten rock-'n-rollsongs (of de rock-'n-roll tout court) een nieuw leven krijgen. Niet onbelangrijk in deze tijden waarin recyclage steeds meer een noodzaak wordt.

Het is nog wat vroeg om, zoals ik iemand hoorde opperen, van het optreden van het jaar te spreken maar dat ze dicht zullen eindigen staat nu al vast.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/the-a-bones-18-06-2013/

Organisatie: 4AD, Diksmuide

 

maandag 10 juni 2013 02:00

Joe Buck Yourself - Hel en verdoemenis

Joe Buck Yourself - Hel en verdoemenis
Joe Buck Yourself, Rachel Brooke, Viva Le Vox
Pit’s
Kortrijk

Drie namen op de affiche en dat is meestal wat teveel van het goede voor de Pit's waar de stekker er om 22u onverbiddelijk uitgaat. Maar blijkbaar hebben ze daar hun discipline teruggevonden en werd er stipt om 19u30 begonnen zodat we drie volwaardige sets voor de kiezen kregen.

Het begon er met Viva Le Vox, een groep uit Lake Worth, Florida met een wisselend personeelsbestand. Hier moest zanger-gitarist Tony Bones het zien te redden met enkel Joe Buck op staande bas. Bones had op een tatoeage meer of minder niet gekeken en en had er wel een heel opvallende op de hals : de letters L.A.M.F. wat moeilijk iets anders kan zijn dan een verwijzing naar de plaat van Johnny Thunders' Heartbreakers. Viva Le Vox bracht een niet meteen voor de hand liggende mix van dixieland en punk. Het ging er bijzonder driftig aan toe en de gitaar deed me zowaar soms aan Django Reinhardt denken. Niets was Bones teveel, die dan ook alle hoeken en kanten van het café opzocht en zelfs een knappe griet zocht (en vond) om rond te gaan met zijn klak. Maar na een tijdje begon zijn geforceerd schorre zang me toch wat op de heupen te werken.

Rachel Brooke
(uit Michigan) wordt wel eens de ‘Queen of the underground country music’ genoemd maar op haar laatste plaat, ‘A killer’s dream’, is ze die titel een beetje ontgroeid want dit schitterende en zeer gevarieerde album, waarin talloze instrumenten zoals de xylofoon, trompet, viool of zingende zaag de revue passeren, bevat zoveel meer dan country. Maar ook zonder die rijke muzikale aankleding hield Rachel Brooke wonderwel stand, zelfs in een ruige keet als de Pit's.
De eerste drie songs bracht ze zelfs helemaal alleen op akoestische gitaar waarna Joe Buck en Tony Bones terug op het podium klommen. Bones bewees veel meer in zijn mars te hebben dan hij had laten zien met Viva Le Vox en deed verdomd aardige dingen op zijn gitaar. Maar het was toch zonder enige twijfel de stem van Rachel Brooke die de hoofdrol opeiste : soms desolaat dan weer gloedvol klinkend, ergens te situeren tussen Billie Holiday en Eilen Jewell. De stuk voor stuk sterke songs vonden hun wortels in lang vervlogen tijden maar klonken toch alsof ze alleen vandaag gebracht konden worden. Balancerend tussen blues, jazz, country, rockabilly en bluegrass was het telkens raak.
Moeilijk om er een hoogtepunt uit te vissen maar als het dan toch moet kies ik voor de strompelende rockabilly van "The Black Bird", met Tony Bones, die trouwens op de plaat ook de gitaar voor zijn rekening neemt, in een glansrol. Alsof de muziek alleen al niet volstond beschikte Rachel Brooke, die zeker niet op haar mondje was gevallen, over een ontwapenende charme.

Na die wat verstilde schoonheid van Rachel Brooke was het contrast met het brute geweld van Joe Buck Yourself groot maar storen deed het verrassend genoeg niet. Joe Buck, die hier dus driemaal op het podium stond (!), was een tijdje gitarist bij Th' Legendary Shack Shakers en speelde bas bij Hank III. Het zijn referenties die kunnen tellen maar hier stond hij er, enkel voorzien van een gitaar en een basdrum, alleen voor. Maar meteen veegde hij alle twijfel van tafel met een verpletterend "Planet Seeth", dat me toch even naar adem deed happen.
Wat volgde was een reeks ruwe, dreigende songs over hel en verdoemenis. Joe Buck leek wel door de duivel bezeten met zijn ogen als vlammenwerpers en hij croonde zijn teksten rechtstreeks uit de riool. Zijn gitaar klonk vooral luid en primitief, soms gooide hij er een countryriedeltje tussen waarop de meute zich meteen aan het dansen zette.
Nijdige 'hellbilly', badend in een dreigende atmosfeer die vreemd genoeg telkens na het einde van de song verdween omdat Joe zijn imago dan liet varen, overrompeld als hij was door de ongemeen hevige aanmoedigingen van het opgehitste volk.
We werden voortdurend uitvoerig bedankt en 'reeds na vijf seconden had ik door dat de Pit's een heel speciale plaats is', wist hij ons nog te vertellen. Ze zullen het daar graag gehoord hebben, vermoed ik.

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://www.musiczine.net/nl/fotos/joe-buck-yourself-08-06-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/rachel-brooke-08-06-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/viva-le-vox-08-06-2013/
Organisatie: Pit’s, Kortrijk

 


In 2007 werd ik in de Pit's zowaar omver geblazen door een toen nog piepjonge Miss Alex White uit Chicago. Wat een power had die krullenbol! Zes jaar later was ze nu opnieuw in Kortrijk en bleek ze The Red Orchestra overboord gekieperd te hebben om te touren in duovorm als White Mystery met haar jongere broer Francis Scott Key White. Ook muzikaal werd het roer drastisch omgegooid. De volle vettige rocksound heeft plaats moeten ruimen voor een veel primitiever en gruiziger geluid waarin soms wat glamrockinvloeden te bespeuren waren. Gebleven zijn de tomeloze energie en die krachtige, helle stem van Alex hoewel ze een paar keer de leadvocals aan broerlief overliet.
In een razendsnel tempo joegen ze hun set erdoor, er was nauwelijks tijd voor een adempauze. Hun songs waren telkens kort en uitermate explosief, een beetje zoals bij The Hussy, die ik onlangs aan het werk zag. Pas naar het einde toe zakte het tempo even voor een oud nummer, ging het stof wat liggen en kwam ik tot het besluit dat ik Miss Alex White vroeger met The Red Orchestra net iets beter vond.

Drie van de vier Allah-Las werkten bij de platenzaak Amoeba Records in Los Angeles waar ze honderden stokoude elpees beluisterden en uiteindelijk besloten om zelf iets dergelijks op te nemen. Dat resulteerde vorig jaar in hun door Nick Waterhouse geproducete debuut. Eén van de beste platen van 2012 vond ik en ik was duidelijk niet alleen met die mening want er was behoorlijk wat volk (zowel jong als oud) komen opdagen.

De Allah-Las klinken niet alleen zoals in de sixties, ze deden verdomd hard hun best om er ook zoals toen uit te zien. Hun kledij, hun kapsels en zelfs hun houding op het podium (nogal stijf en vastgeroest op dezelfde plek) leken perfect gekopieerd uit het gouden decennium. Maar het was uiteraard eerst en vooral de sound die zwolg in nostalgie en als een zwoele zeebries ons kwam toegewaaid. De mooie, licht hese stem van Miles Michaud, de breekbare vintage gitaar van Pedrum Siadatian, de bijzonder soepele baslijnen van Spencer Dunham en de accurate drums van Matthew Correia klonken steeds erg laid back terwijl de hemelse samenzang voor de kers op de taart zorgde. Dichter bij The Ventures kan je niet geraken(vooral in de instrumentals werd dat heel duidelijk) alhoewel er ook echo's van The Beach Boys en The Zombies te horen waren.
Alles klonk uiterst verzorgd, als honing voor de oren maar ook wel wat voorspelbaar. Nooit werd afgeweken van het vaste patroon buiten dan tijdens dat laatste nummer waarin de zanger en de drummer van plaats wisselden. Nooit ging de nochtans steeds schitterende Pedrum Siadatian eens voluit op zijn gitaar, al had je dat toch zo graag gewild.
Nee, onverstoorbaar hielden ze vast aan hun perfectionistische sound. "Black Lips-light" zou je het oneerbiedig kunnen noemen. En ook in de talrijk aanwezige nieuwe nummers wees niets erop dat er voor een volgende plaat van de koers zal afgeweken worden.
Hoogtepunten eruit pikken blijkt evenzeer moeilijk daar de songs nogal inwisselbaar leken tenzij misschien "Busmans holiday" waarvan je zou zweren dat het een hit was uit pakweg 1967. Ondanks die kritische noten bleef dit een heerlijk concert en kwamen de sixties (zij het niet die van bijvoorbeeld The Sonics of The Stooges) voor even terug tot leven.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/allah-las-24-05-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/white-mystery/

Organisatie: Kreun , Kortrijk

 

Het blijft een vreemd kereltje, die Tav Falco. Een ijdeltuit ook : strak in het pak, halverwege de set toch maar eens de kam door de stijf gespoten haardos halen en met een perkamenten huid die me aan die andere kwast, Berlusconi, deed denken. Maar Tav Falco is ook de man die met zijn Panther Burns begin jaren '80 oude vergeten songs recycleerde tot een mix van rockabilly en blues en zo samen met The Cramps toch voor wat rock-'n-roll zorgde in dat akelige decennium. Met o.a. Jim Dickinson en Alex Chilton in zijn groep maakte hij in die tijd enkele schitterende platen om in 2000 nog eens verschroeiend uit te halen met ‘Panther Phobia’ waarop ene Jack Oblivian op bas en orgel speelde. Sindsdien lukt het op plaat niet zo best meer en ook zijn laatste ‘Conjurations: séance for deranged lovers’ van vorig jaar klinkt wat halfslachtig. Ik had dus op zijn minst wat reserves toen ik me naar het Franse Wattrelos begaf.

Het begon al goed: aangekondigd om 18u en de deuren pas openen om 19u20! Maar geen mens die daarom morde. Openers van dienst waren het Frans-Belgische Blindhorses dat opgericht werd in Halluin maar tegenwoordig Lille als uitvalsbasis heeft. Lome woestijnrock die me deed denken aan Calexico en Giant Sand werd ons deel met een trompet die voor een serieuze meerwaarde zorgde. Halverwege wisselde de zanger zijn gitaar voor een banjo en switchte de band naar springerige folkrock. Niet meteen hun beste zet.

Drumster Giovanna Pizzorno bracht eerst nog een halve striptease vooraleer Tav Falco and The Unapproachable Panther Burns schitterend met een gemuteerde blues van start gingen. Daarna volgden al snel de gekende covers "Funnel of love" (Wanda Jackson) en "Tobacco road" (John D Loudermilk). Het ene moment klonken ze als een nijdige rock-'n-rollband om even later als een heerlijk decadent zwalpend balorkest uit de hoek te komen. Hoewel dat laatste niet altijd slaagde met als pijnlijk dieptepunt een verschrikkelijke cover van het Bond-nummer "Goldfinger", inclusief het misselijk makende bombast dat de toetsenman uit zijn nochtans klein instrument wist te halen. Maar op zo'n dooie momenten kon ik me nog altijd concentreren op het steeds te voorschijn priemende slipje van Giovanna Pizzorno.
Die uitstapjes naar meer exotische dansmuziek (wat hij al altijd heeft gedaan) bleken meestal de mindere momenten behalve dan die zinderende tango waarin er een danspartner voor Tav op het podium verscheen. En de man kan dansen! Alsof we daaraan hadden getwijfeld. Maar het liefst hoor ik toch de vuige rock-'n-rollnummers waarin hij soms behoorlijk tekeer ging op gitaar.
Hoogtepunten waren het lange "Gentlemen in black" van de laatste plaat en ‘Tina the go-go queen’ waarin het liefje van bassist Laurent Lamouziére mocht komen meekwelen. Maar het moment van de avond was evenwel het tweede en laatste bisnummer waarin Tav Falco en zijn overigens steeds superbe gitarist, Grégoire Cat, helemaal op het randje vooraan van het podium ellenlang verzengend uithaalden op gitaar en iedereen met een kamerbrede grijns achterlieten. Alleen dat ene nummer was al mijn verplaatsing waard.

Neem gerust een kijkje naar de pics van Tav Falco (support act Jon Spencer Blues Explosion op 3 mei 2013 – Trix, Antwerpen)
http://www.musiczine.net/nl/fotos/tav-falco-03-05-2013/

Organisatie: Boîte à Musiques, Wattrelos

 

Pagina 14 van 15