• Wilde Westen, Kortrijk: events
    Wilde Westen, Kortrijk: events Wilde Westen, Kortrijk: events afgelasting concerten tgv coronacrisis Door de aanhoudende coronacrisis werd Wilde Westen genoodzaakt de deuren te sluiten…

zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Het Brusselse duo Hydrogen Sea had zeker iets geweest kunnen zijn. De breekbare vocals van Birsen Uçar waren niet onaardig en deden me zelfs heel even aan Nico denken maar uiteindelijk viel het muzikaal veel te licht uit. Ondanks een molenwiekende PJ Seaux, het leek wel Pete Townsend. Veel luchtverplaatsing om dan één enkele onnozele toets aan te slaan. Even leek het tij na drie nummers te keren toen hij een gitaar beetnam. Maar voor ik het goed en wel besefte had hij het ding al teruggezet en wist ik niet eens wat hij ermee gedaan had.

Intergalatic Lovers brachten doodbrave pop maar voor die vier saaie mussen stond wel ene Lara Chedraoui. Een fantastische zangeres waar velen een moord voor over zouden hebben om haar in hun groep te krijgen. Deze spontane, charismatische verschijning liet de intussen volgelopen tent uit haar hand eten.

Daarna volgden Trentemoller en Magnus die het ongetwijfeld goed deden (hoewel over die laatste de meningen verdeeld waren) maar waar ik met de beste wil van de wereld geen voeling mee kan krijgen.

Dan maar even Robbing Millions (uit Brussel) geprobeerd om na één nummer onthutst de zaal uit te spurten. Pop voor de kleuterklas waarbij ik nog het gevaar loop de intelligentie van onze kleuters te onderschatten.

Intussen was het middernacht geworden en had ik bitter weinig gezien waaraan ik me kon opwarmen. Maar dan verscheen een zootje ongewassen tuig uit Austin, Texas op het kleine podium van het café en viel er eindelijk iets te beleven. In die mate zelfs dat al snel alle ellende vergeten was. Holy Wave heette het bandje en ze bracht beklijvende psychrock die de ene keer dromerig klonk om even later lekker door te drammen. Er werd nogal wat van instrumenten gewisseld en blijkbaar werd iedereen behalve de drummer eens verbannen naar de keyboard, die nochtans erg bepalend was voor hun geluid. Te vergelijken met Jacco Gardner, Morgan Delt, The Warlocks en The Velvet Underground. Een cover van die laatsten kon dan ook niet uitblijven en we kregen een hypnotiserende uitvoering van “Foggy notion”, waarna de gelukzalige grijns op mijn smoel niet meer verdween.

Na een teleurstellende vrijdag kon het op zaterdag alleen maar beter gaan, dacht ik. Maar ook deze tweede dag begon in mineur toen bleek dat BRNS, waarvoor ik mijn middagdutje had opgegeven, verstek liet gaan. Maar dat leverde dan weer een ideale gelegenheid op om eens kennis te maken met Busker Street, het nieuwe en piepkleine podium waarop jong, aanstormend talent het beste van zichzelf mocht geven. Een mooi initiatief dat ik best kon appreciëren en waardoor ik gespaard bleef van één van dé sensaties van het festival, Dotan!

De zanger van het Londense Childhood had, zo te zien, de zoon van Phil Lynott kunnen zijn maar dan was de appel wel heel ver van de boom gevallen. Nee, deze vier hielden het bij lome gitaarpop die erg Brits klonk en waaraan niemand zich een buil kon vallen. Alleen wanneer de leiband van de gitaren wat losser gelaten werd leek er wat meer in te zitten maar vraag me niet wat.

Voor een eerste hoogtepunt moesten we in de tent bij Bombino (een touareg uit Agadez, Niger) zijn. Een aparte verschijning : gehuld in een wit gewaad, met voortdurend een kamerbrede glimlach om de lippen terwijl de communicatie met het publiek zich beperkte tot één enkel prevelend “merci”. Maar de muziek die stond er : aanstekelijke woestijnblues, die de heupen niet onbewogen liet, met in de hoofdrol die eeuwig swingende gitaar van Bombino. Wat een verfijnde schoonheid wist die man uit zijn snaren te knijpen, haast achteloos terwijl hij voortdurend bleef dansen. Misschien had het wel wat ruwer gemogen maar daar wil ik nu niet over kniezen. Eén keer werden we nog opgeschrikt toen de bassist ons plots in bijna vlekkeloos Nederlands toesprak maar voor de rest deden ze er het zwijgen toe en lieten ze de muziek primeren.

The Wytches zijn een trio, afkomstig uit het Engelse Peterborough, dat flink met de haren schudde. Hier zat duidelijk pit in : een diepe bas, een gewelddadige gitaar en een krijsende zanger die soms aan Jack White deed denken. Anderen hoorden dan weer duidelijke sporen van Nirvana. Enkel wanneer ze het tempo lieten zakken liep het grondig fout. Er is duidelijk nog wat werk aan de winkel maar de kiemen waren alvast veelbelovend.

Woods (uit Brooklyn) was de groep waar ik het meest naar uitkeek. Net voor het optreden vernam ik nog het slechte nieuws dat hun vierde man hals over kop naar huis was moeten vertrekken. Toch was het de basiskern die op het podium verscheen : zijnde Jeremy Earl (gitaar, zang), Jarvis Taveniere (bas, gitaar) en Aaron Neveu (drums). Jeremy Earl begon de set op akoestische gitaar voor een drietal folksongs, schitterend gezongen met die unieke hoge stem van hem. Na die schijnbaar simpele songs nam hij zijn elektrische gitaar en waren we vertrokken voor een ellenlang maar steeds boeiend epos op de snaren. De nummers die daarop volgden waren opnieuw gebald en telkens van een superieure klasse. Misschien wat jammer dat Jeremy Earl, die wat weg had van een ernstige professor, geen contact zocht met zijn publiek maar op de muziek viel alleszins niets af te dingen, ondanks die amputatie waar trouwens met geen woord over gerept werd. Dit was misschien wel het mooiste op deze editie van Leffingeleuren.

Op basis van hun laatste plaat had ik van The John Steel Singers (genoemd naar het gelijknamige speelgoedpaard van zanger Tim Morrissey) niet zo gek veel verwacht. Maar op het kleine podium van het café kwamen de vijf uit het Australische Brisbane verrassend sterk uit de hoek. En dat zeker niet met de meest voor de hand liggende muziek. De harmonieuze samenzang van de vier frontmannen, die herinnerde aan The Mama’s and The Papa’s moest het opnemen tegen dwarsliggende gitaren. Een enkele keer klonk het wat melig maar voor het overige klonk dit verbazend fris en zelfs feestelijk wanneer Scott Bromiley zijn trompet bovenhaalde. Een herbeluistering van die laatste plaat dringt zich op!

Op zondag mocht Het Zesde Metaal van Wannes Cappelle de spits afbijten en ze deden dat met verve. Net als Flip Kowlier in het sappige West-Vlaams maar dan wat meer ingetogen. Maar Het Zesde Metaal is veel meer dan allen maar goeie teksten. De songs zitten ook muzikaal bijzonder sterk in elkaar. Filip Wauters (op gitaar en lapsteel) en Tom Pintens op piano en één keer op gitaar (meteen het mooiste nummer van de set) wisten het geheel prachtig in te kleuren.

En ook op deze derde dag werden we aangenaam verrast in het café. Verantwoordelijk hiervoor was de verstilde pracht van Quilt, een kwartet uit Boston, Massachusetts. Een miniatuurmeisje, met ogen waarin je moeiteloos kon verdwalen, zong, was actief op gitaar en orgel en leek de drijvende kracht achter dit gezelschap. Hierbij kreeg ze de hulp van een gitarist (tevens tweede zanger), een bassist en een drummer. Psychedelische folk die weeral eens uit de sixties leek te komen en waarbij ik spontaan aan één van de grootste iconen uit die tijd, Love, moest denken. Het lijkt er intussen op alsof er op iedere hoek van de straat een psych band staat te spelen maar dit Quilt was zeker het ontdekken waard.

De tijd van het geweldige Sixteen Horsepower ligt al een eeuwigheid achter ons en hetgeen David Eugene Edwards tegenwoordig met Wovenhand uitspookt heeft daar nog bijzonder weinig mee gemeen. Americana kun je dit bezwaarlijk noemen, eerder Gothic rock, bijna drone rock. Alle nummers waren gehuld in een donkere, zware sound. Edwards haalde wel zijn mandoline nog eens boven maar het geluid ervan was nauwelijks te herkennen. Impressionant, dat zeker maar ook zwaar op de hand. Ideaal voor in een duistere zaal waarin je je volledig kan laten meezuigen in hun pikzwarte universum. Maar toch iets minder geschikt voor een festival want dit was niet meteen het soort muziek waar je vrolijker van wordt. En toch was ik blij dat ik ze zag. Kan dat?

Neem gerust een kijkje naar de pics (dag 2)
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/leffingeleuren-2014/
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

woensdag 17 september 2014 01:00

Jack Oblivian & The Sheiks - Als vanouds

Jack Oblivian & The Sheiks
Pit’s
Kortrijk
2014-09-15
Ollie Nollet

Het concept van Jack Oblivian kennen we intussen al. Vóór hij op tour vertrekt plukt hij een bandje uit de straten van Memphis, laat ze het voorprogramma verzorgen terwijl ze tevens als zijn begeleidingsband aan de bak kunnen. Een eigen band om mee te touren zit er op zijn leeftijd niet meer in want dan zit je steevast opgezadeld met een drummer die in acht verschillende groepen speelt en geraak je de deur niet meer uit, aldus Jack Oblivian.
Nu weet hij wel zijn groepen te kiezen en ook dit keer was het raak met The Sheiks. Mooie naam trouwens, al was het maar omdat hij me steeds doet denken aan de legendarische countrybluesband uit de jaren ‘30, de Mississippi Sheiks, bekend van o.m. “Sitting on top of the world”.
The Sheiks grossieren naar eigen zeggen in low down rock-‘n-roll. Vettige garagerock waar ze in Memphis een patent op hebben. Met zijn drieën : Keith Cooper en Frank McLallen op gitaren en Graham Winchester op drums terwijl die laatste twee de lead vocals voor hun rekening namen. Niet alle nummers waren even sterk maar de sound maakte veel, zo niet alles, goed en van de elkaar soms jennende gitaren kon ik maar niet genoeg krijgen. Mooi.

In tegenstelling tot drie jaar geleden was de Pit’s dit keer wel mooi volgelopen en ondanks een lichte irritatie wegens een niet naar behoren werkende micro kwam ook Jack zelf een stuk beter voor de dag. Nochtans was er niet zo heel veel verschil met de setlist van toen. Er werd slechts één song uit de nieuwe plaat, die trouwens niet op tijd geperst raakte, gespeeld. De vertrouwde Jack Oblivian-songs dus maar met genoeg vuur gebracht, niet in het minst door de erg gretige Sheiks waarin McLallen zijn gitaar voor een bas had geruild. Niets nieuws onder de zon dus : de obligate Oblivians-stomper “Strong come on” dat stilaan zijn lijflied wordt en zelfs de Clyde McPhatter-cover “Lover please”, dat sindsdien niet meer uit mijn hoofd is weg te branden, hadden we al eerder gehoord. En toch was het een verademing om die tijdloze in country en soul gedrenkte garagerock nog eens terug te horen. De paar nummers waarin de bas aan de kant werd geschoven en ze met zijn drieën op gitaar ramden liet de zo al tropische temperatuur nog een paar graden stijgen.

Wie deze Jack Oblivian reeds had afgeschreven zal zijn mening toch dringend moeten herzien. Benieuwd wat de nieuwe plaat zal opleveren want daar hebben we het na dit fijne optreden nog steeds het gissen naar. Ohja, nog te zien op 27 september in Het Bos in Antwerpen

Organisatie: Pit’s , Kortrijk

Binic Folk Blues Festival 2014 van 01 t/m 03 augustus 2014 - Rock-‘n-roll springlevend in Bretagne
Binic Folk Blues Festival 2014
Festivalkaai
Binic (Bretagne)
01 t/m 03/08/2014
Ollie Nollet

Binic Folk Blues Festival 2014 van 01 t/m 03 augustus 2014

De zesde editie van Binic Folks Blues (Côtes D’Armor, Bretagne) was opnieuw een voltreffer. Zowel artistiek als wat de opkomst betreft. Duizenden bezoekers (vooral op zaterdag kon men op de koppen lopen) voor een festival waarvan de headliners op andere dagen enkel kroegen als de Pit’s frequenteren. Ok, het Parijse Cheveu zal wel in grotere zalen spelen en de populariteit van Left Lane Cruiser is bij onze zuiderburen een stuk groter maar toch... Ligt de verklaring voor dit enorme succes bij het feit dat dit een gratis festival is? Niet altijd een garantie op veel volk maar hier zal het wel meespelen en dat terwijl je ongehinderd hele voorraden drank op het terrein kan sleuren en de sfeer tijdens de optredens niet zelden uitzinnig is.

vrijdag 1 augustus 2014
Mijn parcours langs de drie podia begon aan de Place de la Cloche met Stop II (Bordeaux). Twee niet meer zo jonge en al evenmin erg fris ogende mannen brachten zittend rammelende countrybluestrash. Twee gitaren, een stompbox en occasioneel een washboard volstonden ruimschoots. Mooie cover van Blind Willie Johnson’s “In my time of dying”.

Pete Ross & The Sapphire (uitvalsbasis Milaan) bestaat uit zanger-gitarist Pete Ross (uit Sydney), de Nieuw-Zeelandse bassiste Susy Sapphire en de Italiaanse drummer Alessandro Deidda. Oubollige rock met enkele progrocktics en een gezwollen stem van Pete Ross kregen mijn handen niet meteen op elkaar. Een onberispelijke start was het dus niet maar gaandeweg werden de songs een stuk meer bijdegronds en met “The devil inside” dwong de groep meteen haar bestaansrecht af. Verder hoorden we nog een opmerkelijke cover van “Somebody to love” (Jefferson Airplane), gezongen door het bloemenmeisje Sapphire.

Lilith Lane (Melbourne) viel me toch wat tegen ondanks haar uitstekende begeleidingsband Many Wives (staande bas, gitaar en drums). Enige schuldige was Lilith zelf die veel te theatraal klonk (in een poging om de vrouwelijke Nick Cave te worden?) en daar kon de nochtans bijwijlen smerig klinkende gitaar niets aan verhelpen.

Het Franse duo Harold Martinez (Nîmes) deed hard hun best om te klinken als Sixteen Horsepower wat niet zo’n goed idee was.

Van The Pussywarmers uit Zurich aangevuld met de Hongaarse zangeres-toetseniste Réka had ik niet al te veel verwacht. Daarvoor klonk hun plaat die ik kende te krampachtig en bevatte ze te veel gepingel. Maar het zestal (twee gitaren, bas, drums, keys en trompet) zorgde zowaar voor het eerste hoogtepunt van het festival. Waar ze het vroeger meestal in de jaren ‘30 en ‘40 zochten lag de focus dit keer meer op de jaren ‘60 en dat zorgde voor een milde nostalgische sfeer die me zelfs enkele keren aan Shannon & The Clams deed denken.

Jerry Teel (Chrome Cranks) en zijn vrouw Pauline vormen de vaste spil bij Chicken Snake (New Orleans). Terwijl in vorige bezettingen gekende cultfiguren als Bob Bert (o.a. Chrome Cranks, Sonic Youth) en Nicholas Ray (Viva L’American Death Ray Music) de dienst uitmaakten waren het nu de minder gekende Josh Lee Hooker (gitaar) en Jessica Melain (staande drums) die de groep vervolledigden. Minder gekend maar daarom zeker niet minder goed. Josh Lee Hooker ontpopte zich als de absolute revelatie (schitterde later ook nog met zijn eigen groep) van het festival terwijl Melain voor het nodige showelement zorgde. Chicken Snake staat voor heerlijk midtempo voortdenderende trashy swampblues. We hoorden al eens een riffje dat gepikt was van de Stones maar wie zou daarom balen? En als ze al eens iets coverden werd het nummer met veel smaak gekozen : “Cowgirl blues” van de ten onrechte vergeten blueszangeres uit Memphis, Jessie Mae Hemphill. Naar het einde toe durfde de samenzang tussen Jerry en Pauline ietwat zeurderig te gaan klinken maar dat is echt wel detailkritiek op een grandioos optreden waarin vooral Josh Lee Hooker, die soms aan en paar noten genoeg had om een song een wat groter rock-‘n-rollgehalte te geven, ontegensprekelijk de uitblinker was. Ik zag Chicken Snake de volgende dag terug op het grote podium waar ze een stuk steviger uithaalden (of was dat slechts een indruk). In ieder geval werd hun prestatie van de dag voordien bevestigd, mocht ik mijn puntje van kritiek inslikken en droop het spelplezier er in beken vanaf. Deze ene keer vond ik het jammer dat de organisatie zich strikt aan het strakke tijdsschema hield en het optreden abrupt stillegde. Gelukkig volgde na enig overleg toch nog extra nummer.

Vrijdag werd er op het hoofdpodium afgesloten met The U.V. Race (Melbourne) die enkele platen uitheeft op het befaamde ‘In The Red’-label. De band was al bezig toen ik arriveerde en ik werd meteen geconfronteerd met de enorme, blote, zwabberende pens van de zanger. Geen zicht en tot overmaat van ramp draaide hij zich zodat we dan ook nog eens de helft van zijn reet mochten bewonderen. Enkele songs verder had hij enkel nog zijn boxershort aan. En de muziek? Korte meebrulbare bulldozerpunksongs. Soms had het wel wat maar meestal vond ik het orgel de boel verpesten of was ik nog te zeer onder de indruk van Chicken Snake?

zaterdag 2 augustus 2014
Dag twee begon alweer uitstekend met Destination Lonely (Toulouse, Bordeaux). Groepsnaam gevonden bij de eerste LP van Cheater Slicks, die net nu opnieuw is uitgebracht? De twee gitaristen en drummer stonden garant voor vuile, vette garagebluesrock.

Het Frans/Australische The Outside bestond uit ex-leden van Screaming Tribesmen, Radio Birdman en TV Men. Mooi volk dus dat zorgde voor hersenloze turborock (waarin je vaag echo’s van The Ramones of Cosmic Psychos kon horen). Kon mooi geweest zijn maar dat was duidelijk niet het geval.

Neen, geef mij dan maar Weird Omen uit Limoges. Na een chaotische start met enkele onverteerbare nummers viel na een tijdje alles in de plooi. Garagerock, surf, punk en artrock en dat alles meestal in één en dezelfde song. De zanger had energie te over en kwam in al zijn enthousiasme zelfs een paar keer ten val terwijl we saxofonist Fred Rollercoaster nog kenden van Head On en King Khan & The Shrines. Opmerkelijke cover : “20th Century boy” (T-Rex).

Bob Wayne (Seattle/Nashville) heeft zijn Outlaw Carnies blijkbaar gedumpt maar de line-up is nagenoeg dezelfde gebleven : staande bas, viool, gitaar met dit keer ook een drummer die zo geplukt leek uit een verlaten berghut in het Appalachen gebergte. Die laatste mocht er dan al uitzien als een verwaarloosde neef van Seasick Steve, drumlessen hoefde hij zeker niet meer te volgen. Bob Wayne, met een grote tattoo van Neurosis op de onderkant van zijn voorarm!, hield het verrassend strak. Hillbilly en alternatieve country voorzien van spitante teksten, we kennen het intussen maar het blijft steeds zeer amusant. Jammer van die verveeld voor zich uitstarende gitarist die blijkbaar enkel (en met lichte tegenzin) zijn job kwam doen. Wat had ik graag die man een trap voor de kont gegeven.

Go!Zilla is een trio uit Firenze dat duidelijk naar de nieuwe lichting psych rockers (Ty Segall, Mikal Cronin, Thee Oh Sees) heeft geluisterd maar een stuk potiger dan de geciteerde namen voor de dag komt. Twee gitaren en drums (stilaan de nieuwe klassieke opstelling) waren ruimschoots voldoende voor een indrukwekkende sound. Voeg daarbij een zanger-gitarist (Luca Landi) die werkelijk alles gaf en het plaatje klopt helemaal. Op het einde vroeg hij een 15-tal mensen bij zich op het podium. Dat werd uiteindelijk een veelvoud en de chaos werd compleet wat niet wegneemt dat Go!Zilla een ijzersterke set had gespeeld.

Na Chicken Snake (waar ik het al eerder over had) zag ik nog net de finale van de set van een verbluffende Harlan T Bobo (verder meer over het volledige optreden dat hij zondag gaf). De tonnen elektronica van Cheveu (Parijs) werden ontiegelijk luid de Esplanade de la Banche opgejaagd. Vreemde eend in de bijt die ik niet kon smaken hoewel ik moet toegeven dat ik ze nooit echt een kans heb gegeven.

Afsluiter op zaterdag was Mr. Quintron & Miss Pussycat uit New Orleans (Mr Quintron zou je kunnen kennen van de derde Obliviansplaat ‘Play 9 songs with Mr. Quintron’). Hoe lang zou het geleden zijn dat ik die twee in de Pit’s zag? En toch leek er niet veel veranderd sinds toen. Miss Pussycat opende met een poppenkastspel waarin de speciale effecten en de zelfgemaakte poppen best leuk waren maar wie zag dat achteraan? Na de gebruikelijke technische problemen ging Mr. Quintron oorverdovend van start alsof hij Cheveu de loef wou afsteken. Het leek erop alsof zijn Drum Buddy (zijn zelf uitgevonden analoge drummachine met duizelingwekkende mogelijkheden) zelf het heft in handen had genomen. Maar na verloop van tijd begon zijn orgel steeds meer organisch te klinken en kregen de nummers meer structuur. Naast de eerder genoemde instrumenten bediende hij ook nog een hi-hat en een lapsteel die dienst deed als slaginstrument. Miss Pussycat hield het wat bescheidener bij de maracas. Het volk was gekomen om eens flink uit de bol te gaan en dat gebeurde dan ook massaal. En vreemd genoeg leken de toch eerder ongewone klanken ideaal om de massa op te hitsen. Ondanks de valse start werd dit uiteindelijk toch nog een schitterend optreden!

zondag 3 augustus 2014
Dead Horse Problem is slechts één van de vele projecten van zanger Boogie, tevens baas van Beast Records en zo leverancier van vele groepen aan dit festival. Samen met twee gitaristen, een saxofonist en een drummer brachten ze smerige rock die soms net iets te dicht geplamuurd was. Niet echt overtuigend maar ze coverden toch maar mooi twee geweldige songs, beide van de hand van Greg Cartwright: “Sour and vicious man” (Compulsive Gamblers) en “Straight shooter” (Reigning Sound). Mijn middag kon al niet meer stuk.

Het Frans, Duits, Nieuw-Zeelandse trio met residentie in Berlijn, Canyon Spree, serveerde vederlichte garagepop. De drie piepjonge meiden hadden krek dezelfde sound (minus de harmonieuze samenzang) als La Luz en daar kon ik echt niet rouwig om zijn. Met slechts een handvol goeie nummers onder de arm was er duidelijk er nog veel werk aan de winkel maar ze hebben uiteraard nog tijd zat.

Toen The Luxurious Faux Furs (New Orleans/ Brooklyn) het podium opwandelden bleek dat gewoon de helft van Chicken Snake te zijn : Josh Lee Hooker, de man met de mooiste schoenen op het festival en drumster extra-ordinaire Jessica Melain die er alles aan deed om er vervaarlijk uit te te zien. Het zag er niet alleen goed uit, het klonk zo mogelijk nog beter. Dit was zonder meer de revelatie van Binic dit jaar. Uitgebeende rock-‘n-roll : Alan Vega op de (straffe) koffie bij The Gories, zoiets. We hoorden ondermeer een briljante cover van The Staple Singers, “Swing down, chariot” en op het einde een ellenlange, uitgemergelde boogie (met een naam als de zijne kon dat niet uitblijven). Adembenemende set!!!

Na The Luxurious Faux Furs (die zelf ook helemaal vooraan stonden) zag ik meteen al een nieuw hoogtepunt. Harlan T. Bobo bleek samen met zijn drie Franse begeleiders in de vorm van zijn leven. Dit jaar maakte hij in Memphis met zijn nieuwe band The Fuzz (niet te verwarren met Fuzz, ook al een nieuwe band met Ty Segall) een halfslachtige plaat maar hij was wel zo verstandig om daaruit slechts de beste nummers te puren : “Merry-go-round” en “When I die”. Daarnaast had hij het beste uit de rest van zijn platen geselecteerd waarbij mijn favoriet “Left your door unlocked” niet over het hoofd werd gezien. Harlan T. Bobo, voortdurend buiten adem en nogal wat whiskeys binnenkappend schitterde zowel in de zeer ingetogen nummers als de uitbundige rockers. Heerlijk artiest!

Na nog een flard Reverend Beat-Man (klonk zoals we hem kennen) werd het tijd voor headliner Left Lane Cruiser (Fort Wayne, Indiana). Talloze keren zag ik ze en het was toch even slikken toen tijdens de opstelling tot me doordrong dat drummer Brenn Beck er niet meer bij was. Freddy J. IV had hem vervangen door het duo White Trash Blues Revival: zijnde drummer Pete Dio en bassist Joe Bent. Er werd geopend met een song van Hound Dog Taylor (Hound Dog Taylor met bas, brrr!). Maar het dient gezegd: met dit duo erbij had Left Lane Cruiser nog meer power en songs als “Mr. Johnson”, “Big Momma” en “Cheyenne” zijn niet stuk te krijgen en klonken furieus. En toch begon het te knagen. Pete Dio is ongetwijfeld een superieur drummer maar ik miste de eenvoud van Brenn Beck en zijn koebel, en zijn washboard... Bassist Joe Bent leek verdacht veel op Alex Agnew en metselde de sound te veel dicht (of het een wat met het andere te maken heeft weet ik niet). Toen hij zijn bas ruilde voor een skiddely-bo (een skateplank met daarop een fles en twee snaren gemonteerd) leek het tij te keren. Helaas zong hij dan (wat een vlakke stem) zijn eigen songs die absoluut niet konden tippen aan de originele Left Lane Cruiser songs.
Ach, misschien ben ik aan het zeuren: Left Lane cruiser speelde het plein gewoon plat. Het zwerk werd doorkliefd met crowdsurfers en een jonge deerne sprong zelfs op het podium om meteen haar t-shirt uit te trekken zodat iedereen kon genieten van de wonderen der natuur. Nooit iemand zo snel zien afvoeren! De jonge snaak van Dirty Deep beleefde de tijd van zijn leven toen hij de twee laatste nummers mocht meeblazen op mondharmonica terwijl er nog een verrassend coda volgde waarin de drummer zich liet kennen als een volleerd rapper, iets wat hij zo’n 15 minuten volhield, olé!

Heel vreemd maar Binic was weer eens mooi geweest!
Organisatie: Binic Folks Blues Festival

zondag 27 april 2014 01:00

Dead Ghosts - Nood aan nieuwe songs


Double Veterans, dat ontstond uit de restanten van The Crackups en Tubelight, twee groepen met een rockrally verleden, kwam verrassend sterk voor de dag in Leffinge. Het begon met een oerschreeuw van Lee Swinnen, zoon van Scabsvoorman Guy, terwijl hij zijn gitaar verschrikkelijk overstuurd liet gieren. Na die chaotische start volgden wel bijzonder knappe songs met wortels in de sixties maar ook eigentijdse garagerockers als Ty Segall of Mikal Cronin waren nooit ver weg. Niets nieuws onder de zon maar dat hoeft ook helemaal niet als de pot zo lekker smaakt. De twee voortreffelijke gitaristen Lee Swinnen en Thomas Valckeniers en de piepjonge drummer Niels Meukens (steeds met een verbeten trekje om de lippen) stonden garant voor stevige psych garagerock met een perfecte balans tussen hard en zacht. Even leken ze zelfs de wind uit de zeilen van Dead Ghosts te zullen halen toen ze “You’re gonna miss me” van The 13th Floor Elevators op ons afvuurden, een song die de Canadezen bij hun vorige passage ook al speelden op datzelfde podium. Niet meteen een onvergetelijke versie maar Double Veterans, dat is wel een naam om te onthouden!

Dead Ghosts uit Vancouver waren al aan hun derde Europese tour toe in amper een dik jaar tijd. Misschien wat van het goede teveel want veel was er niet veranderd sinds de vorige keer, buiten die nieuwe gitarist dan.
Na hun verpletterende set vorig jaar tijdens Leffingeleuren waren de verwachtingen misschien wat te hooggespannen. Ik bleef in ieder geval enigszins op mijn honger zitten. Natuurlijk werkte hun rammelende lo-fi garagerock nog steeds aanstekelijk en klonk een song als het wat aan The Animals schatplichtige “Cold stare” nog even adembenemend maar het heilige vuur leek dit keer toch op een lager pitje te staan. Bryan Nicol blijft een mooie warme stem hebben en zijn catchy songs baadden in een “Back to the grave”-sfeertje terwijl hij sluiks ook nog een cover van The Gun Club’s “She’s like heroin to me” in de set smokkelde.
Maar de motor bleef een beetje sputteren en ook de bandleden oogden niet echt fris. Ze hadden er net een zwaar en gekruid nachtje in Nederland opzitten. Het aloude excuus dus.

Bovendien leek de setlist uit exact dezelfde nummers te bestaan als de vorige keer. Een echt nieuwe plaat is er niet. Het onlangs verschenen ‘Rarities’ is, zoals de titel al laat vermoeden, een verzameling bij elkaar geschraapte oude opnamen.
Een mindere dag, het kan iedereen overkomen maar met wat nieuw materiaal spelen ze de volgende keer gegarandeerd opnieuw de voegen uit de muur.

Organisatie: de Zwerver, Leffinge (Leffingeleuren)

Instant Karma 2014 - Revelatie La Luz blaast de surf nieuw leven in
Instant Karma 2014
CC De Grote Post
Oostende
2014-04-19
Ollie Nollet


Er was behoorlijk wat volk op deze tweede dag van Instant Karma, de ‘rock-‘n-rolldag’, maar om daaruit te besluiten dat rock-‘n-roll weer in de lift zit lijkt me wel wat voorbarig. Het overgrote deel van de aanwezigen was er enkel en alleen voor The Sore Losers (wat zijn die jongens plots populair geworden!). Nochtans viel er heel wat meer te ontdekken in De Grote Post. Unieke locatie trouwens.

Mijn parcours (er moesten weer onverbiddelijke keuzes gemaakt worden) begon bij White Mystery uit Chicago die er hun vijfde plaat, de dubbelaar ‘Double dragon’ kwamen voorstellen. De nog steeds zeer jonge zangeres Miss Alex White is duidelijk niet iemand die op haar luie krent blijft zitten want voor die vijf platen had ze er al twee gemaakt met The Red Orchestra en eentje met de later verongelukte Chris Playboy. Maar nu doet ze het al geruime tijd met haar jongere broer (en drummer) Francis Scott Key White. Ofte White Francis en dat is een echte metalfan wat we geweten zullen hebben want tijdens de tweede song kwam hij met zijn scheurende stembanden akelig dicht in de buurt van de echte grunters. Gelukkig bleef het bij dat ene nummer.
De start van White Mystery was trouwens verre van optimaal. De eerste tien minuten klonken erg rommelig maar gaandeweg wisten de contouren van hun puntige garagerocksongs, die gelardeerd waren met een vleugje glamrock, zich los te wrikken uit de brij. Alex White bruist nog steeds van energie en ze verkende al springend alle hoeken en kanten van het podium. Maar naast die tomeloze vitaliteit leek dit keer het nieuwe materiaal een stuk beter uitgewerkt en heeft White Mystery heel wat aan maturiteit gewonnen. Tijdens het afsluitende nummer mengde Alex zich tussen de fans terwijl broerlief onder het podium kroop om er zijn tekst te declameren. Enige gekte is hen nog steeds niet vreemd.
Daarna zag ik een flard van het optreden van Sleepy Sun en ik vond hen nog steeds in hetzelfde bedje ziek. De gitaren klonken als vanouds groots en majestueus maar die konden niet verbergen dat de songs wat ondermaats waren. Maar dit is natuurlijk slechts een indruk na een momentopname.

La Luz uit Seattle maakte met ‘It’s alive’ één van de betere platen van 2013 en ik was toch wel benieuwd of ze die prestatie ook op een podium konden waarmaken. Het was de laatste dag van hun eerste Europese tour, die hen blijkbaar erg goed had bevallen, en de vier meiden hadden er duidelijk zin in. Ze waagden zich al eens aan een dansje en af en toe werd er een plaagstootje uitgedeeld. De stemming was in ieder geval opperbest maar wat veel belangrijker was : ook op de planken bleek hun wat timide gebrachte surf heel goed te gedijen. Alles werd bijzonder subtiel uitgevoerd door vier verrassend sterke muzikanten : Shana Cleveland op gitaar, Marian Li Puno op drums, Alice Sandahl op keys en Lena Simon op bas. Die laatste verdient alleszins een pluim want ze kwam de groep pas net voor het vertrek naar Europa vervoegen. Daarnaast bleken ze alle vier ook nog eens meer dan convenabel te kunnen zingen. Het bleef een beetje vreemd om die jonge meisjes muziek te zien spelen die uit hun grootvaders’ platencollectie had kunnen komen maar het werkte verdomd aanstekelijk. We hoorden echo’s van The Ventures, Link Wray en Dick Dale terwijl hun aanpak ook gelijkenissen vertoonde met de Allah-Las, ook zo’n nieuwe retroband. Hoogtepunten vraagt u? Alles eigenlijk hoewel ik toch “Morning high” met een verrukkelijke gitaar van Cleveland en het slepende “You can never know” met hemelse samenzang er net iets vond uitspringen. Tegen het einde van de set was het Dactylo-zaaltje helemaal volgestroomd en werden de reacties steeds heftiger. Er werd dan ook volkomen terecht een bis afgedwongen. La Luz wist de surf nieuw leven in te blazen en dat nu eens zonder er extra paardenkracht aan toe te voegen of twee versnellingen hoger te schakelen. Een verademing en zonder meer de revelatie van Instant Karma.

Ik zag het Gentse Little Trouble Kids naar aanleiding van hun nieuwe plaat onlangs een magisch concert spelen in de 4AD. Die glansprestatie konden ze niet herhalen in Oostende maar dat had alles te maken met de omstandigheden. Het begon al in mineur : de set (voorziene aanvangsuur 00u00) begon met meer dan een halfuur vertraging. Tot overmaat van ramp bleek iedereen voor The Sore Losers gekozen te hebben. Platgetreden paden zijn duidelijk nog steeds veel aantrekkelijker dan hobbelige sluikwegen. En zelfs toen de concurrentie er een punt achter zette kwam er niet veel volk bij wat ongetwijfeld veel met het nachtelijke uur te maken had. Kortom : Little Trouble Kids hadden het meest ondankbare plaatsje in het uurrooster gekregen. Zonde maar gelukkig lieten ze dit niet aan hun hart komen en werd er furieus geopend met “Myrninerest” gevolgd door een al even beklijvend “Haunted hearts”. Donkere, uitgebeende noiserock met een erg rock-‘n-roll klinkende gitaar van Thomas Werbrouck die ook steeds meer vocals voor zijn rekening neemt. Dat terwijl Eline Adam, nu ze wat meer bewegingsvrijheid heeft sinds ze verlost is van haar stompbox, zich meer en meer ontpopt als een waar podiumdier en beter zong dan ooit. Slagwerker Jonas Calu is daarbij de perfecte aanvulling. Uiteraard lag de focus op de verse plaat “Haunted hearts” maar toch zat er ook een ouder nummer, ‘'”Feed on Love”, in de set verstopt. Licht verteerbare muziek was het niet, wel erg intense en met krassen op de ziel.
Little Trouble Kids laten zich duidelijk nergens op vastpinnen en hebben resoluut gekozen voor een eigenzinnige en onvoorspelbare koers, wat belooft voor de toekomst.

Organisatie: Jong Oostende + VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

De avond werd geopend door Thierry Steady Go!, naar verluidt de ongekroonde koning van de Brusselse soul. De man draaide zeldzame en naar alle waarschijnlijkheid erg kostbare 45-toerenplaatjes uit de jaren ‘50 en ‘60. Ideale stuff om het publiek op temperatuur te laten komen (voor zover dat nodig was) alhoewel ik een dj als voorprogramma een beetje vreemd blijf vinden.

De 27-jarige Nick Waterhouse (uit Los Angeles) kwam zijn nieuwste plaat ‘Holly’ voorstellen. Die klinkt wat gesofisticeerder dan zijn eerste ‘Time’s all gone’ en ik ben er nog niet uit of ik dit beter of slechter moet vinden. Wat ik wel weet is dat zijn concert in een helemaal volgelopen Orangerie een regelrechte voltreffer was.

Waterhouse had een uitgebreide groep (allen keurig in het pak) meegebracht : twee blazers (tenor sax en bariton sax), een congaspeler, een drummer, een bassist, een toetsenist en de schitterende backingzangeres Roberta Freeman. Ondanks dat vele volk bleef de muziek vrij transparant en waren het enkel de tenor saxofonist en de pianospeler die af en toe ruimte kregen voor een solospotje.
Al heel vroeg in de set kregen we twee hoogtepunten met “Time’s all gone” waarbij het kookpunt in de zaal een eerste keer bereikt werd en “Dead room”, dat vooruit gestuwd werd door een soulvolle piano, die me onwillekeurig deed denken aan James Leg. De muziek van Nick Waterhouse zou je kunnen omschrijven als een mix van authentieke rhythm ‘n blues en soul, gekruid met een mespuntje jazz. Retro, dat zeker maar hij is bijvoorbeeld ook niet te beroerd om een recent nummer als “It # 3” van Ty Segall te coveren. Alles werd bijzonder smaakvol gespeeld met veel zin voor details en nuance. Het enige wat men hem zou kunnen verwijten is dat hij het net iets te braaf bracht. Bij de wat steviger gespeelde songs of toen hij plots een oerkreet uit zijn strot ramde waren de reacties van het publiek meteen een stuk uitzinniger. Nu, het volk wat op zijn honger laten zitten kan eigenlijk ook geen kwaad. Tijdens het laatste nummer, een lekker stomend “(If) you want trouble”, gooide de groep dan toch alle remmen los en ging het er een stuk wilder aan toe.
Daarna was het een beetje bang afwachten want wat bisnummers betreft heeft Nick Waterhouse stilaan een wat kwalijke reputatie gekregen. Vorig jaar in Trix kwam hij ondanks lang en luidruchtig aandringen niet terug en onlangs op Motel Mozaïque in Rotterdam presteerde hij het om een bis van welgeteld anderhalve minuut te spelen. En zo zijn er nog verhalen. Ook hier werd er lang en hard geschreeuwd. Dat laatste vooral door het vrouwelijk gedeelte van het publiek dat een regelrechte aanslag op mijn zo al geteisterde trommelvliezen pleegde.

Uiteindelijk verscheen de band opnieuw op het podium, voor één of twee nummers wist Nick ons te vertellen. Het werden er uiteindelijk drie (!) met als laatste een weliswaar hertimmerde maar briljante versie van “Pushin’ too hard” (The Seeds) waarin zijn garagerockroots nog eens opborrelden.

Organisatie: Botanique, Brussel

dinsdag 04 maart 2014 00:00

Thalia Zedek Band - In bloedvorm

Het werd een hele mooie zondagavond, daar in de 4AD … Het begon al niet onaardig met de Gentse Reena Riot ofte Naomi Sijmons, dochter van wijlen Fons, bassist bij The Scabs na het vertrek van Berre Bergen naar De Kreuners. Voor het eerst opgemerkt tijdens een Radio 1-sessie van, jawel, The Scabs, haalde daarna in 2012 de finale van Humo's Rock Rally en kwam nu een nieuwe EP, die ze heeft ingeblikt met Mauro als producer, voorstellen.
Reena Riot bleek een zelfverzekerde en charmante verschijning op het podium, die over een paar geweldige en bijzonder wendbare stembanden beschikte. Een enkele keer klonk ze wat schril maar toch was het die stem die terecht voortdurend alle aandacht opeiste. Het was dan ook jammer dat die superbe stem omkaderd werd door muziek die veel te dicht bij de mainstream aanschurkte.
Naomi is opgegroeid tussen de platen van haar ouders (Muddy Waters, John Lee Hooker, Bob Marley,...) en die invloeden zouden te horen zijn in haar songs las ik ergens maar in Diksmuide was daar alvast niets van te merken. Toen ze haar gitaar inruilde voor de piano klonk het toch wat meer geïnspireerd maar meestal vond ik de groep (gitaar,bas,drums) veel te braaf, wat met een naam als Reena Riot toch wel anders had gemogen.

Nadat haar volledige tour vorig jaar nog gecancelled werd wegens gebrek aan voldoende belangstelling stond ze nu dus toch in de 4AD. Verre van uitverkocht maar toch had een behoorlijk aantal fijnproevers de weg naar deze club gevonden. Thalia Zedek lijkt al een eeuwigheid bezig : eerst in groepjes met namen als Dangerous Birds, Live Skull of Uzi, later in het gerenommeerde Come, waarmee ze een zekere cultstatus verwierf, en sinds 2001 solo. Of toch weer niet want sinds de plaat ‘Liars and prayers’ uit 2008 opereert ze onder de naam Thalia Zedek Band. Een logische beslissing want het was wel degelijk een groep die we aan het werk zagen.
Had ik bij een paar vorige concerten van haar nog het gevoel van "ok, sterk, maar zat er net niet iets meer in?" dan was het dit keer vanaf de eerste noten er pal op en werden we bij ons nekvel gegrepen om niet meer gelost te worden. De groep, die duidelijk op het toppunt van haar kunnen speelde, creëerde een spanningsboog vol onmetelijke schoonheid die niet meer doorbroken werd. Zelfs niet door een bassist die letterlijk naast zijn schoenen stond en duidelijk wat te veel lokale streekbieren had geproefd. Gelukkig had zijn basspel daar niet onder te lijden want dat ware zonde geweest.
Thalia Zedek kent blijkbaar een creatieve opstoot want na de schitterende plaat ‘Via’ van vorig jaar is er reeds een nieuwe EP, ‘Six’, terwijl ze vorig jaar ook nog een reünietour had met Come. Het waren gunstige voortekens die bewaarheid werden op het podium waar la Zedek in bloedvorm verkeerde. Haar unieke, getormenteerde stem joeg voortdurend koude rillingen over mijn rug terwijl ze ook op gitaar meer dan haar mannetje stond. Hetgeen ze tegenwoordig brengt staat eigenlijk niet zo heel ver verwijderd van haar Come-werk alleen klinkt het nu iets minder hard en vooral veel rijker. Dat laatste komt uiteraard door die twee andere protagonisten in de band die mede verantwoordelijk zijn voor die intense, melancholieke sound. Op viola : David Michael Curry (o.a. Willard Grant Conspiracy) en pianist Mel Lederman (Victory At Sea), beiden zeer bescheiden maar uitermate groots bezig. Rest me nog Winston Braman (bas) en nieuwkomer Jonathan Ulman (drums) te vermelden. Ik hoorde enkel hoogtepunten, de set kende echt geen enkele dip en toch vond ik één song er net iets uit springen : "Want you to know" dat een waarlijk bloedstollende uitvoering mee kreeg.

Na zowat anderhalf uur volgde na aandringen van een niet aflatende fan een derde bisnummer: Leonard Cohen's "Dance me to the end of love". Misschien wel het minste moment van de avond waarmee ik hier geen afbreuk wil doen aan die song. Nee, aan haar eigen nummers viel deze avond gewoon niet te tippen.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/thalia-zedek-02-03-2014/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/reena-riot-02-03-2014/

Organisatie: 4AD, Diksmuide

maandag 18 november 2013 02:00

Fai Baba - Worstelend met een kater

Fai Baba is niet meteen een grote naam maar wel een groep die het verdient om ontdekt te worden en de 4AD wou hen hierbij een handje helpen door er een gratis (althans voor de leden) concert van te maken. Mooi gebaar maar daar had duidelijk niet iedereen een boodschap aan want de opkomst was bedroevend laag. Bijzonder jammer want het aloude cliché werd hier nog maar eens bevestigd : de afwezigen hadden ongelijk.

Opener van de avond was het Antwerpse gezelschap Lightning Vishwa Experience. Veel volk op het podium (met zijn zessen) dat desondanks zorgde voor eenvoudige, dromerige pop met een hoog lo fi gehalte. Bij momenten best wel intrigerend waarbij de harmonieuze samenzang tussen zanger Vishwa (Gerrit Van Dyck) en de hemels klinkende zangeres Sarita opviel. Zelden een tweede stem gehoord die zo bepalend was voor het groepsgeluid. Niet alles klonk even sprankelend, een paar keer gleden ze af richting wat te gladde en iets te veel naar de radio lonkende pop (o.a. de single "Milky sea", die dan wel door enkelen in de zaal herkend werd).

Fai Baba uit Zurich was reeds een tiental dagen aan het touren en ze hadden er blijkbaar elke avond een uitbundig feestje met de nodige drank van gemaakt. In die mate zelfs dat de bassist gewoon op zijn bed bleef liggen en de groep er dan maar met zijn drieën aan begon. Echt problematisch was dat niet : twee gitaren en drums volstonden om hun eerste songs, die zich ergens situeerden in de psychedelische garagerockhoek, appetijtelijk te laten klinken.
Na het tweede nummer verscheen plots de bassist dan toch, "back from the grave" zoals zanger Fabian Sigmund zei, om in kleermakerszit mee te spelen. Met hem klonk de sound wat voller maar na een vijftal songs hield hij het zonder een woord uitleg voor bekeken. Een hardnekkige kater blijkbaar. Gelukkig konden de overige drie, die er ook niet allen even fris uitzagen, het wel uitzingen.
Fai Baba bleek vooral de groep van Fabian Sigmund, een buitenissige kerel met een stem die soms deed denken aan een jonge Thom Yorke (Radiohead) maar vooral aan Ryan Sambol (zanger van The Strange Boys). Fai Baba werkte in het verleden ooit samen met Viva L'American Death Ray Music en het zoeken naar minder voor de hand liggende songstructuren hebben ze wel met die Amerikaanse band gemeen. Halverwege dreigden ze toch even weg te zakken in het moeras der middelmatigheid en net toen ik een enorme behoefte voelde opkomen om luidkeels "rock-'n-roll" te schreeuwen zetten ze een sublieme cover van The Gories in. Hiermee bewezen Sigmund en de zijnen nog maar eens dat ze niet voor één gat te vangen zijn. Het werd het startsein voor een spetterende rush naar de eindmeet.
Fai Baba is een groep die zoekt, probeert en durft, niet altijd met evenveel succes maar toch steeds blijft fascineren. Eigenlijk een beetje zoals de club die hen uitnodigde.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Eerlijk gezegd vond ik de affiche van het anders immer sympathieke Leffingeleuren dit jaar wat aan de magere kant. Niet zozeer omdat het allemaal slechte groepen zouden zijn, nee, veeleer omdat er te veel namen op stonden die ik reeds eerder zag en een mens wil al eens verandering van spijs. Achteraf bekeken viel het muzikaal uiteindelijk beslist wel mee (enkel de zaterdag kende een dip) en was het de regen die de grote spelbreker was hoewel we daar op het terrein weinig hinder van ondervonden.

De laatste weken zorgde de terugkeer van Girls In Hawaii, na een lange afwezigheid wegens een verongelukte drummer, voor nogal wat laaiend enthousiaste commentaren. Maar hetgeen ik in Leffinge zag kwam niet veel verder dan wat braaf muzikaal behang. Ook het publiek bleef er opvallend mak bij tenzij bij die te schaarse momenten toen de gitaren wat forser mochten klinken.

Nee, geef mij dan maar And So I Watch You From Afar. Dit viertal uit Belfast grossiert in bijna volledig instrumentale postrock. Een genre dat me de laatste jaren steevast zure oprispingen bezorgt omdat de meeste groepen niet verder komen dan wat steriele vingeroefeningen. Maar het kan dus anders. And So I Watch You From Afar klonk krachtig en energiek terwijl het bijwijlen razendsnelle gitaarspel van Rory Friers ons de adem benam. Postrock-'n-roll !!

Op naar het café dan, want traditiegetrouw vielen de fijnste verrassingen ook dit jaar daar te beleven. Nadat ze op 5 maart nog in Trix hadden gespeeld waren Dead Ghosts uit het Canadese Vancouver reeds opnieuw in het land. Lekker weghappende sixties garagerock met een groot fungehalte. Duizenden groepjes deden het hen voor en reeds tijdens de eerste song hoorde ik een baslijntje dat gepikt was van The Animals. Maar wat geeft dat? Zanger-gitarist en tevens auteur van alle nummers, Bryan Nicol, en kompanen brachten het met zoveel vuur en passie dat het toch weer onweerstaanbaar werd. Toegegeven : er zaten enkele veel te softe songs tussen maar vanaf de 13th Floor Elevators-cover "You're gonna miss me", het garage anthem bij uitstek, ging het enkel nog steil bergopwaarts waarop vooraan de vlam definitief in de pan sloeg.

Na het pretentieloze amusement van Dead Ghosts kon het contrast met de dodelijke ernst van Amen Ra (doommetal uit Kortrijk) niet groter zijn. Allen in stemmig zwart produceerden ze een indrukwekkend geluid. Alleen miste die intense sound wat variatie om te blijven boeien en de prestatie van zanger Colin van Eeckhout, voortdurend met de rug naar het publiek gekeerd, was niet van die aard om me langer dan een halfuur in de zaal te houden. Zo miste ik het slot waarin naar verluidt een versnelling hoger werd geschakeld.

Op zaterdag zorgen Bed Rugs uit Antwerpen al voor een vroeg hoogtepunt. Dit vijftal vuurde met een aanstekelijk enthousiasme heerlijke, psychedelische pop/rock de zaal in. Goeie songs, een wat vrouwelijk klinkende zanger en wijds meanderende gitaren waren de voornaamste ingredienten. Nog tijdens het laatste nummer werd alles van het podium weggehaald, inclusief het drumstel, zodat roepen om een bis zinloos werd. Net nu ik daar eens goesting in had.

Na deze zeer gesmaakte set bleef ik heel lang (4 1/2 uur) op mijn honger zitten. Eerst bezorgden The Horrors (uit Londen) me nog een ware indigestie. Gothic rock, bedolven onder de synths, of het galmende niets. Meer kan ik er niet bij bedenken. Gitarist en bassist pleegden geregeld een dansje maar wat de reden daartoe was bleef me een raadsel. Ik ben uiteraard wat bevooroordeeld want van dit soort muziek heb in nooit moeten weten maar ook de reacties van een fel uitgedund publiek leken me wat lauw.

Jacco Gardner dan, het nieuwe wonderkind uit het Nederlandse Hoorn die een plaat, ‘Cabinet of curiosities’, uit heeft op het toonaangevende undergroundlabel, Trouble in Mind, waar ook het fantastische Night Beats onderdak vond. De piepjonge Jacco zorgde op keys, bijgestaan door gitaar, bas en drums, voor een mooie, subtiele en warme sound. Neo-psychedelische barok-pop heet dat dan en die voortdurende vergelijkingen met Syd Barrett bleken inderdaad terecht. Jammer dat het teveel bleef kabbelen en de power-injectie, die ik toch ergens verwachtte, uitbleef. Mooi maar tevens slaapverwekkend en dat kan toch niet de bedoeling zijn.

Mijn verwachtingen voor het optreden van Max Romeo, als ik er al had, waren niet bepaald hoog. Onterecht bleek want deze krasse knar van bijna 69 lentes gaf één van de beste reggae-optredens die ik in jaren zag. Zijn achtkoppige begeleidingsband (4 mannen/ 4 vrouwen) met als uitblinkers de twee blazers en een hemelse mama op bas, die zich doorlopend verborg achter haar versterker, had hierin een groot aandeel. Maar ook Max Romeo zelf was goed op dreef en hield het naar reggaenormen ongelooflijk strak. Hier geen oeverloos gelul tussen de nummers. Hij hield de communicatie met de menigte erg beperkt. Opmerkelijk : "Chase the devil", dat dankzij The Prodigy blijkbaar door iedereen gekend is en een a capella gezongen versie van Marley's "Redemption song".

Na dit orgelpunt kon ik maar net de lokroep van de warme lakens weerstaan en strompelde ik de zaal binnen waar om één uur A Place to Bury Strangers afspraak hadden. ‘The loudest band of New York’, zoals ze gemeenzaam worden genoemd, greep me meteen bij mijn nekvel om niet meer te lossen. Gitzwarte noiserock die het daglicht niet verdraagt met gitaren die klonken als... Tja, als wat? De effectpedalen zullen wel hun voornaamste instrument zijn. Al na drie nummers gooide zanger Oliver Ackermann zijn gitaar twee keer keihard tegen de vlakte en wou dan gewoon verder spelen maar het ding was kompleet naar de vaantjes. Als milieubewuste mens heb ik daar wel moeite mee maar zo'n gitaar in het halfduister door de lucht zien klieven heeft visueel wel wat. Wereldschokkend was het allemaal niet maar qua intensiteit zijn er weinig groepen die hieraan kunnen tippen. Een bevreemdende totaalervaring met als bonus een weliswaar onherkenbare Dead Moon-cover.

Op zondag kon Trixie Whitley, ondanks een prachtige en bijzonder wendbare stem, me maar matig bekoren. Te gesofisticeerde pop of speelde haar begeleidingsband teveel met de handrem op?

Nee, dan liever Strand Of Oaks, uit Philadelphia, die het met veel minder middelen moesten doen in het café. Strand Of Oaks staat in feite voor Timothy Showalter, een man die eruit zag alsof hij in een metalband speelde maar hij klonk allerminst als een gekeeld varken. Integendeel, zijn stem smaakte hemelszoet. Soms heb je niet veel nodig om boeiende muziek te maken : een stem, een gitaar en wat drums. Maar hier klonk die stem nooit minder dan indrukwekkend, fonkelde zijn gitaar weids en majestueus en bleek de drummer een waar geheim wapen. Jason Slots leek wel te toveren met zijn drumstokken. Toen hij halverwege de set het podium verliet om Timothy Showalter zijn ding alleen te laten doen (waarin hij met verve slaagde) hoopte ik al vlug dat hij snel terug zou keren en ik was zeker niet alleen met die gedachte. Dit optreden in De Zwerver was het eindpunt van een 16 maanden durende tour en het werd er eentje om in te lijsten. Achteraf nam vriend Timothy nog eens ruim de tijd om de mensen die vooraan stonden te knuffelen.

Na deze hartverwarmende en in al zijn eenvoud schitterende set terug naar de tent voor afsluiter Seasick Steve die op zijn beurt alle harten voor zich won. Het recept is bekend en onveranderd. Primitieve blues op zelfgebouwde gitaren, een meisje uit het publiek pikken voor wie hij dan een liedje zong, ostentatief een fles wijn aan de lippen zetten waarop het volk hem telkens weer luidkeels aanmoedigde,.... Voorspelbaar als de pest en toch kon ik er opnieuw breed grijnzend van genieten. Seasick Steve blijft gewoon een onweerstaanbaar sympathieke kerel die ondanks het succes, dat hij nu toch al een ettelijk aantal jaren kent, nog geen spat veranderd is. Uiteraard kent hij intussen alle trucs om de toeschouwers voor zich te winnen door en door maar dat hypothekeerde zijn set allerminst en sloot hij samen met drummer Dan Magnusson Leffingeleuren in schoonheid af.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/index.php?option=com_datsogallery&Itemid=49&func=viewcategory&catid=4061

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  

Binic Folks Blues Festival 2013 van 02 t/m 04 augustus 2013 - Drie dagen rock-'n-roll in een idyllisch badplaatsje
Binic Folks Blues Festival 2013
Festivalkaai
Binic (Bretagne)

Binic Folks Blues Festival 02/03/04 augustus

Binic ligt net voorbij St.-Brieuc in het departement Côtes d'Armor in Bretagne. Het pittoreske havenstadje, verscholen tussen de hoge rotswanden, zal het wellicht vooral van de toeristen moeten hebben maar sinds een jaar of vijf duiken er in het eerste weekend van augustus ook horden, al dan niet ruige, rock-'n-roll liefhebbers op wier meestal zwarte kledij nogal contrasteert met de gebruikelijke vakantieoutfit. Verantwoordelijk hiervoor is het Binic Folks Blues Festival, een organisatie van La Nef-D-Fous. Drijvende kracht hierachter is de uitbater van het plaatselijke etablissement "Le Chaland qui passe" die hierbij hulp krijgt van het managementbureau "U-Turn Touring" uit Bordeaux en het platenlabel "Beast Records" uit Rennes. Twee jaar geleden had ik al eens het geluk dit gratis festival te mogen meemaken maar sinds die keer is er daar toch wel wat veranderd. Vooral de komst van een derde en wat groter podium op de Esplanade de la Banche, net naast het strand, heeft het festival een ander gezicht gegeven. Bovendien leek het aantal bezoekers me meer dan verdubbeld. Een groot festival is het nog steeds bijlange niet maar veel meer mensen kan het plaatsje toch niet meer aan. Desondanks werd het nooit te druk, bleef de sfeer steeds gemoedelijk en viel er muzikaal heel wat te genieten. Enerzijds van een hele lading garagerockbands (meestal via U-Turn Touring) en anderzijds van een contingent singer-songwriters en folkrockbands uit Australië (dankzij Beast Records).

DE FRANSEN
Uiteraard nogal wat Franse bands op het menu maar daarnaast ook een drietal groepen met het mysterieuze (BZH) achter hun naam. Enig speurwerk was nodig om uit te vissen waar deze vreemde lettercombinatie voor stond. Dat onbekende land bleek Breizh te zijn en dat is gewoon Bretagne in het Bretoens. Eén van die drie was Head On uit Rennes met een werknemer van "Beast Records" als niet onverdienstelijk zanger. Ze zagen er erg rock-'n-roll uit en zo klonken ze ook. Wijdbeens grijnzend joegen ze een luide en smerige sound door de boxen die deed denken aan Australische garagepunkbands als The Beasts Of Bourbon. Niets nieuws onder de zon wel bijzonder amusant, vooral tijdens de laatste drie nummers toen ze de hulp kregen van een niet zo jonge saxofonist in een erg strak zittend rolkraagtruitje met luipaardmotief. Rock-'n-roll !!
Ook het drietal Ultra Bullitt, eveneens uit Bretagne, wist me te charmeren. Zelf omschrijven ze hun muziek als high energy rock-'n-roll garage. Dat zal wel kloppen. Het klonk alleszins luid, deed heel even aan MC5 herinneren en de gitarist was uitermate vinnig bezig.
Chicken Diamond is een one-man-band uit Thionville. In een voor de hand liggend t-shirt van Bob Log III bracht hij trashblues met een van distortion kromtrekkende gitaar. Twee jaar geleden vond ik hem net iets beter maar toen zag ik hem op het wat kleinere podium aan de Place de la Cloche. Een wat intiemere omgeving komt hem (en de meeste anderen ook trouwens) wat beter uit.
Een andere one-man-band was Thomas Schoeffler Jr. uit Straatsburg. Countryblues gezongen met een folkstem lijkt me de meest adequate omschrijving. Een akoestische gitaar, soms wat slide, een mondharmonica en een tamboerijn-stompbox waren zijn attributen terwijl hij zijn hoge stem soms wat liet vibreren. Naast een cover van "Alone and forsake" van Hank Williams bracht hij uitsluitend eigen werk dat er best mocht zijn.
Het jong trio Libido Fuzz uit Bordeaux klonk krek als The Jimi Hendrix Experience. De gitaar van Pierre Alexis Mungual zag er uit alsof hij net uit de verpakking was gehaald maar de jongeman beheerste het instrument als geen ander, Jimi achterna. Toch was het vooral het geluid van de bassist en de drummer die de Experience voor de geest riep. Goed naar Radio Moscow gekeken dacht ik maar dan moet ik er meteen bij vertellen dat deze Libido Fuzz hun nummers nooit lieten verzanden in oeverloos gesoleer, iets wat bij Radio Moscow jammer genoeg wel het geval is. Ik zat hier zeker niet op te wachten maar kon er toch best mee leven.
Beste Franse band was voor mij zonder twijfel The Feeling Of Love uit Metz. Ik zag ze al eens schitteren in de 4AD en hier was dat niet anders. Op plaat komt het er voorlopig nog niet helemaal uit maar live zijn ze onweerstaanbaar. De groep rond zanger-gitarist Guillaume Marietta klonk als een geüpdate versie van The Velvet Underground en dat vooral door de toetsen (waaronder een Farfisa) van Hess. Maar ook meer bijdetijdse bands als The Ponys, Mmoss en Allah-Las (maar dan met meer ballen) bleken vergelijkingspunten. Eenmaal gegrepen door deze muziek werd je niet meer losgelaten. Mensen die wat meewarig doen als het over Franse rock gaat moeten hier dringend eens naar luisteren.
Jammerlijk gemist : Strong Come Ons.

HET AUSTRALISCHE LEGIOEN heb ik grotendeels aan me voorbij laten gaan.
De drie songs die ik van Suzie Stapleton (Melbourne) zag waren veelbelovend. Solo met een elektrische gitaar waarop ze soms fors uithaalde viel ze ergens te situeren in de alternatieve rockhoek.
Twenty Seven Winters (ook al uit Melbourne) serveerde smaakvolle americana (australiana?) waarin de lapsteel van Paul Mileham voor het verschil zorgde. Zeker niet onverdienstelijk maar na enige tijd begon wat eenvormigheid hen parten te spelen.
Het koppel Louise O'Reilly en Paul Hannan verliet destijds Melbourne om diep in de beboste heuvels van Natural Bridge in een hut aan de rand van een uitgedoofde vulkaan te gaan leven om zo wat inspiratie op te doen. Tegenwoordig hebben ze hun stek in Berlijn gevonden maar de folkrock die ze met Laneway brengen ademt nog steeds de sfeer van die bossen uit en blijft tot de verbeelding spreken. Het weliswaar veel kleinere aantal geïnteresseerden op de Place de la Cloche luisterde ademloos naar songs met titels als "Love is the devil". Mooi!

TWEE AMERIKAANSE EINZELGÄNGERS
Het allereerste optreden dat ik in Binic zag was er meteen één van uitzonderlijke klasse. Op de Place Pommelec bracht de 69-jarige David Evans uit Memphis, Tennessee (en dat is dus niet The Edge, die dezelfde naam draagt) de blues zoals die in het begin van de vorige eeuw moet geklonken hebben. Zichzelf begeleidend op fingerpickin' gitaar (af en toe wat slide) zong hij nummers van Robert Johnson, Blind Lemon Jefferson, Charley Patton en ook van minder bekende namen als Tommy Johnson en Peetey Wheatstraw met een stem die perfect zou passen tussen die stokoude opnames van de hierboven geciteerde bluesmannen. De kerel was de bescheidenheid zelve maar wat hij bracht was in al zijn eenvoud superieur. David Evans speelde maar liefst vier sets op het festival en ik zag hem nog een aantal keer terug. Zo hoorde ik hem ook nog op verzoek "Special rider blues" van Skip James haast achteloos uit zijn mouw schudden. Meesterlijk! Achteraf kwam ik te weten dat die David Evans toch niet de eerste de beste is. Hij blijkt een etnomusicoloog te zijn die reeds verschillende boeken schreef (o.a. één over Tommy Johnson) en is tevens directeur van een etnomusicologisch, regionaal studieprogramma aan de universiteit van Memphis. Een ontdekking!
Ook bluesman Mississippi Gabe Carter uit Chicago, Illinois deed het op zijn eentje. Zijn stem klonk net als zijn gitaar erg metalliek en al bij het derde nummer dreigde hij weg te zinken in een kleurloze gladde brei. Maar na een tiental minuten joeg hij met zijn stompbox het ritme opnieuw de hoogte in en kon hij het tij alsnog keren. In de buurt van David Evans kwam hij evenwel nooit terwijl hij net iets te veel reclame maakte voor zijn cd om sympathiek over te komen.

DE TOPPERS
Movie Star Junkies uit Turijn hadden een nieuwe gitarist bij die in nauwelijks twee dagen tijd alle nummers had ingestudeerd maar daar was op het podium niets van te merken. De groep begon indrukwekkend met een nummer dat kon tippen aan het beste van The Birthday Party. De erg charismatische zanger Stefano Isaia zou trouwens het ganse optreden Nick Cave naar de kroon steken. Het bleef een vreemde combinatie : de bijwijlen bombastische noise gekoppeld aan ritmes die uit de soundtracks van Ennio Morricone leken geslopen. Maar het werkte wonderwel en wanneer naar het einde toe de noise-erupties achterwege bleven bewees de groep ook het subtielere werk aan te kunnen.
Na hen verscheen op vrijdag een vol getatoeëerde John Dwyer in een tot op de draad versleten t-shirt (hij heeft er blijkbaar maar één) op het podium. Het duurde even voor de overige drie van Thee Oh Sees (San Francisco) volgden maar eenmaal kompleet barste de hel los. Zowel op het podium als ervoor. Dwyer leek beter dan ooit op zijn gitaar die hij meermaals als een soort oorlogswapen gebruikte. Er waren nog steeds die malle hoge stemmetjes van hem en Brigid Dawson terwijl eens te meer die fenomenale ruggengraat van de band opviel : tweede gitarist Petey Dammit!, die steeds beangstigend hard met zijn hoofd stond te knikken plus de nooit aflatende drummer Mike Shoun die zelfs tijdens de onderbrekingen (gebroken snaren) onverdroten verder mepte. Vuurwerk op de stage dus maar ook ervoor. Daar ging het er ongemeen heftig aan toe met talloze stagedivers en crowdsurfers. Thee Oh Sees maakten er een stormachtig feestje van waarin slechts tijdens het laatste nummer het gaspedaal werd losgelaten. Meteen een draak van een song vond ik maar toen een Française me onverwacht ten dans vroeg zag ik er plots toch nog enkele onvermoede kwaliteiten in. Na een eerste bisronde bleef het publiek koppig aandringen en na een schier eindeloze discussie verschenen Thee Oh Sees opnieuw op de planken. Helaas had de geluidsman toen de P.A. al afgesloten wat hem niet in dank werd afgenomen. Ik was reeds ver weg toen ik nog steeds verwensingen aan zijn adres door de lucht hoorde klieven.
Toen op zaterdag Shannon and The Clams hun opwachting maakten vielen er opnieuw diezelfde woeste, waanzinnige taferelen als bij Thee Oh Sees te zien op de Esplanade de la Banche. De volslanke Shannon (ook deeltijds lid van Hunx and his Punx) bleek wat overdonderd door die enorme respons en voelde zich duidelijk wat onwennig. Het verschil met zaaltjes als de DNA in Brussel, die ze tijdens deze tour aandeden, was dan ook zeer groot. Gelukkig had dat geen gevolgen voor hun muziek want die klonk hemels. Deze groep uit Oakland, Californië bracht springerige fifties rock-'n-roll doorkneed met doowopvocals en op smaak gebracht met een fikse scheut punk. Shannon zorgde naast de bas meestal voor de leadvocals terwijl gitarist Cody Blanchard met zijn knetterend hoog stemmetje voor de heerlijke doowopeffecten zorgde. Achter hen hadden ze nog een niet te onderschatten schakel : een kampioen bekkentrekken op drums die af en toe beslist niet onaardig meezong. Hier absoluut geen gitaargeweld zoals bij Thee Oh Sees maar de afgeknepen gitaarnoten van Blanchard lieten het volk evengoed 't zwin deur de bjêten joagn. Toen ze Del Shannon's "Runaway" (een song die hen op het lijf geschreven is) inzetten was er vooraan helemaal geen houden meer aan. Het hoogtepunt van het festival. Hoewel! Op zondag zag ik ze nog eens terug op een afgeladen "de la Cloche" pleintje en die set die ze begonnen met "You will always bring me flowers" (mijn favoriete Shannon and the Clams-song) bleek zo mogelijk nog beter.
Nadat ze net die uitzinnige meute bij Shannon and The Clams gezien hadden dachten Waves Of Fury uit Londen blijkbaar gewonnen spel te hebben. Niet dus en het duurde even voor er wat beweging kwam in het fel uitgedunde publiek. Wat meteen opviel bij Waves Of Fury was dat die onwaarschijnlijk gekke stem van op hun plaat "Thirst" (op Alive Records) in het echt heel wat normaler klonk. De muziek van Waves Of Fury omschrijven is geen kattenpis (vrij naar Jan Becaus). Powersoul met grote dosissen rhythm 'n blues, punk en zelfs jazz. Het lijkt een vreemde combinatie en dat was het ook. Soms verrassend sterk maar bij andere nummers wrong het dan weer een beetje. Uitblinkers bij dit vijftal waren de superbe saxofonist en Jamie Bird aan een stomend Rhodes-orgel. Ook Waves Of Fury zag ik een dag later terug op de Place de la Cloche en ook daar klonk de band van zanger-gitarist Carter Sharp een stuk beter dan op het grotere podium.
Op zondag verscheen Mikal Cronin meer dan een half uur te laat op de afspraak maar dat had waarschijnlijk veel te maken met het feit dat Shannon and The Clams toen nog op la Cloche bezig waren en al wie hen de dag voordien gezien had wou daar natuurlijk bij zijn. Mooie zet dus van een overigens prima organisatie, zo zag ook ik Mikal Cronin zeer sterk beginnen. Maar toen de nieuwe nummers eraan kwamen zakte de pudding zienderogen in elkaar. De laatste plaat "MCII" is dan ook, ondanks alle lovende recensies, een wat halfbakken werkstuk. En door de volumeknop wat verder open te draaien kon Cronin dat niet verbergen. Gelukkig voor hem liet de harde kern vooraan dat niet aan hun hart komen en zagen we weeral veel voeten en armen door de lucht zwieren. Hoe meer de set vorderde hoe meer Cronin zich liet verleiden tot oeverloze gitaarorgieën. Zelfs bisnummer "Whole wide world" (Wreckless Eric) eindigde met minutenlang gierende gitaren. Mikal Cronin kwam nog een tweede keer terug, helemaal alleen. Maar die slotsong ging grotendeels de mist in omdat hij zijn lach, om de uitzinnige toestanden voor hem, niet kon onderdrukken. Een heetgebakerde fan slaagde er zelfs in om zijn micro mee te grissen maar ook dat incident werd diplomatiek opgelost terwijl Cronin bijna de slappe lach kreeg.
Het was een mooi festival geweest met als uitschieters David Evans, Thee Oh Sees, The Feeling Of Love en Shannon and The Clams. Het laatste wat ik zag in Binic was Clams-gitarist Cody Blanchard die geduldig stond te wachten aan het wafelkraam. Hier zijn nog steeds geen grenzen tussen artiesten en toeschouwers.

Organisatie: Binic Folks Blues Festival

Pagina 14 van 15
FaLang translation system by Faboba