zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

maandag 11 februari 2019 20:05

DBUK - Donker, intens en intrigerend

DBUK (voluit Denver Broncos UK) uit Denver, Colorado zou men gemakshalve kunnen omschrijven als Slim Cessna’s Auto Club (SCAC) unplugged maar dat klopt niet helemaal. We zagen hier inderdaad wel een akoestische set van exact dezelfde leden (minus twee) als bij SCAC maar de vier, die samen trouwens met Munly & The Lupercalians nog een ander nevenproject hebben, ondernamen toch een ernstige poging om een wat andere muzikale koers te varen.

Hier geen uitbundige hoogmis gecelebreerd door twee flamboyante predikanten maar ingetogen gothic americana die de ene keer betoverend mooi klonk, een andere keer onheilspellend, in die mate zelfs dat een aanwezige hond zijn blaf niet kon onderdrukken. Bovendien waren, een enkele uitzondering niet te na gesproken, alle nummers, waarvan er sommige een rijpingsproces van meer dan vijftien jaar doorstaan hadden, specifiek voor dit project geschreven. Het gezelschap had tal van instrumenten bij en die waren niet allemaal even evident. Munly Munly hield het nog bij een gewone akoestische gitaar, Lord Dwight Pentacost toonde zijn talenten op wat minder alledaagse instrumenten als een dulcimer, banjo, mandoline of melodica. Rebecca Vera wisselde dan weer een keyboard af met een cello terwijl Slim Cessna het moest stellen met een omgekeerde waskuip, waarop een paar tamboerijnen gemonteerd waren, en enkele andere zelf in elkaar geknutselde percussie instrumenten.
De set werd sterk geopend met “Broncos fight song” dat met vreemde gilletjes werd opgesmukt. Meteen werd duidelijk dat de songs met veel oog voor details waren uitgewerkt. De sound schipperde tussen honigzoet (vooral wanneer de dulcimer met de cello gecombineerd werd) en ongemakkelijk (wanneer Lord Dwight Pentacost zijn mandoline met een strijkstok bewerkte had dat eerder het effect van krassende nagels op een schoolbord). Maar de songs zelf, steeds voorzien van expliciete titels, prikkelden stuk voor stuk onze verbeelding. “Immaculately warded children”, het aan de Beach Boys schatplichtige “The Red Cross is giving out misinformation” en het trage broeierige “From the estate of John Denver”, waarin een boodschap van vriend Jello Biafra verwerkt was, bleven me het langst bij. Het was zeker niet vanzelfsprekend om dit soort aardedonkere werk te brengen voor een publiek dat vooral vertrouwd was met Slim Cessna’s Auto Club maar gezien de warme respons bleek dat geen enkel probleem te geven. Slim Cessna zelf genoot zichtbaar met volle teugen van zoveel bijval.

DBUK klonk intens en intrigerend, enigszins te vergelijken met Woven Hand maar dan bijlange niet zo hoogdravend. Hun laatste plaat, ‘Songs nine through sixteen’, wordt in Europa door Glitterhouse Records samen met hun eerste, ‘Songs one through eight’, uitgebracht als een dubbelelpee (‘Songs one through sixteen’, hoe verzinnen ze het?) en dat is een aanrader.

Organisatie: Muddy Roots - Cowboy Up, Waardamme

maandag 21 januari 2019 18:48

Drahla - Nieuw talent zoekt zijn weg

Nadat beide bands eerder hun geluk zochten op het showcase festival Eurosonic Noorderslag in Groningen , vonden ze ook nog even de tijd om hun kunsten in Leffinge te demonstreren.

De belangstelling was eerder mager voor dit nieuwe talent. Hoewel je Perro bezwaarlijk een nieuwe band kan noemen. Deze groep uit het Spaanse Murcia is reeds sinds 2011 actief, heeft naast talloze singles ook drie elpees gemaakt en blijkt in Spanje toch een gerenommeerde naam te zijn. Een groep met ambitie ook want voor de mastering van hun laatste plaat, ‘Trópico lumpen’, trokken ze naar Joe Carra in Melbourne, een man die ook al werkte voor King Gizzard, The Drones en Amyl & The Sniffers. Perro bestaat uit twee drummers, waarvan er eentje het zonder basdrum moest stellen, een bassist en een gitarist terwijl die laatste twee ook de (Spaanstalige) zang voor hun rekening namen. Hun, door de immer voortjakkerende drums (met koebel!) en bas, opgejaagde rock had duidelijk inspiratie in de nineties gevonden. De prijs voor originaliteit zullen ze er wel nooit mee winnen maar het klonk toch best aardig. Alleen jammer dat de zang in de mix veel te ver naar achteren zat. Toen het plots wat meer mocht rammelen kwamen ze even in de buurt van Thee Marvin Gays, waar ik zeker niet rouwig om werd. Voor de laatste twee nummers werd de gitaar geruild, eerst voor een keyboard, daarna voor een synthesizer. Eén van die twee songs, met name “Supercampiones”, waarin een op hol geslagen Jean-Michel Jarre Donny Benét ontmoet, bracht me zowaar nog in feeststemming.

Die blijdschap werd daarna evenwel meteen gefnuikt door het niet erg tot feesten uitnodigende Drahla. Twee jongens en een meisje (allen even graatmager, wat wordt dat na de brexit?) brachten donkere postpunk. Maar waar ik de meeste groepen in die niche onverteerbaar vindt, kon ik deze groep uit Leeds wel pruimen. Dat kwam vooral omdat ze zich niet, zoals de meeste bands in die hoek, beperkten tot een desolate, dreinerige sound maar ook elementen uit de noise of artrock (ze halen niet voor niets Wire aan als één van hun grote voorbeelden) in de stoofpot gooiden. Vanaf het tweede nummer kreeg de groep gezelschap van een (wel doorvoede) saxofonist. Een nieuw groepslid of een gastmuzikant, het was me niet geheel duidelijk. Net als zijn inbreng trouwens. Wanneer hij voor wat spookachtige effecten zorgde bleek hij absoluut een meerwaarde maar anderzijds stond hij soms ook gewoon wat jazzy mee te toeteren en daar zag ik dan niet meteen het nut van in. Veel kwaad deed hij niet want de knappe songs (zoals “Twelve divisions of the day”), geconstrueerd rond een erg potente bas en stevige drums lieten zich niet zomaar ontwrichten. En dan was er nog die lijzige, half gesproken zang van gitariste Luciel Brown: verleidelijk en in de stijl van de onvolprezen Tess Parks maar na een tijdje net iets te eentonig.

Toch vond ik Drahla vrij innovatief en voorspel ik ze mits wat schaafwerk een mooie toekomst.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Drahla - Nieuw talent zoekt zijn weg
Drahla + Perro
Café De Zwerver
Leffinge

De opkomst was eerder mager op deze zondagavond maar dat kon niet beletten dat het een hele mooie en hartverwarmende avond werd.

Eerst werden we nog blootgesteld aan de exploten van Gezman, een geschift gezelschap uit Kortrijk dat intussen toch ook al zo’n 20 jaar aan de weg timmert. De groep rond zanger Steven Vervaecke opende ronduit schitterend met “Schmuck”, een nummer dat zowaar in het Engels gezongen werd en waarmee Gezman bewees het ook zonder dat sappige West-Vlaams te kunnen. Zwalpende americana waarin de Country Teasers Morphine ontmoeten na een nachtje stappen.
Met de tweede song werd nog even op hetzelfde elan doorgegaan maar daarna losten de vijf de teugels wat en werd het wat nonchalanter en cabaretesker. Er werd nu gegraaid in het oudere werk waardoor ik, die gehoopt had op een presentatie van de laatste plaat, ‘Olput blues’ (schitterende titel overigens), wat op mijn honger bleef zitten. Hoewel de band muzikaal duidelijk een stuk rijper geworden is , doorstond niet alles de tand des tijds. Toch viel er nog voldoende moois te rapen zoals “Veel dust”, “Blow Hotel Zulu” met een knipoog naar “Blue Hotel” van Chris Isaak of het wat vreemde “Evil”, een nummer van bassist Kris Demets. En werd het wat minder dan bleef er nog steeds die geweldige sax van Ruben Vercaemer. Ten slotte werden onze oren nog onverwacht zwaar op de proef gesteld met “Hotdog”, een noise explosie die zijn doel wat voorbijschoot.

Holly Golightly werd door haar moeder gezegend met een naam die verwijst naar een personage uit ‘Breakfast at Tiffany’s’, een novelle van Truman Capote die ook succesvol verfilmd werd. Holly begon haar muzikale loopbaan bij Thee Headcoatees (1991-1999), aanvankelijk het achtergrondkoortje van Billy Childish’s Thee Headcoats maar die al snel als volledig vrouwelijke garage band naam wist te maken. Sinds 1995 maakt ze ook solo platen terwijl ze vanaf 2007 ook nog een nieuw project begint met haar partner Lawyer Dave : Holly Golightly & The Brokeoffs. De twee verhuizen enkele jaren later naar Georgia en sindsdien leidt ze eigenlijk een dubbelleven. In Amerika tourt ze met The Brokeoffs terwijl ze regelmatig de plas oversteekt om met haar Britse groep Europa te doorkruisen.

Holly Golightly begon haar set, net als twee jaar geleden in Het Bos, met “Crow Jane”, een traditional die vooral gekend is in de versie van Skip James. Dat terwijl de soundcheck eigenlijk nog niet afgerond was en er nog enkele techniekers de monitors kwamen checken op het podium. Tot grote verbazing van Holly die zoveel bezorgdheid niet gewend was en waarbij ze zich liet ontvallen dat de sound tijdens deze tour (het was trouwens de laatste dag) nergens beter geweest was dan hier. Ze zal het wel gemeend hebben want het geluid zat inderdaad perfect wat de schoonheid van dit concertje nog bedwelmender maakte.
Wat was het weer genieten van de souplesse waarmee deze band oude vergeten parels nieuw leven in blies: “Directly from my heart”, een zeldzame sleper van Little Richard die ooit nog door Frank Zappa werd gecoverd, “Your love is mine” van Ike Turner, hier met gitarist Bradley Burgess vertederend op tweede stem, “Mule Skinner” van Jimmie Rodgers, te vinden op haar laatste plaat met The Brokeoffs of  “Sally go ‘round the roses” van one-hit wonder The Jaynets. Maar ook de eigen songs getuigden van een tijdloze klasse. Onthaastende rock-‘n-roll gebracht met een ontwapenende bescheidenheid. Betoverend gezongen met die lijzige stem van een eeuwig mysterieus glimlachende Holly, geruggensteund door een uitmuntende, goed geoliede groep. Die bestond uit de wonderlijke gitarist Bradley Burgess, die geen noot teveel speelde, en een onwankelbare ritmesectie met Matt Radford op staande bas en veteraan Bruce Brand (Billy Childish, Hipbone Slim and The Knee Tremblers, The Dustaphonics, The Kneejerk Reactions, The Len Bright Combo, Thee Milkshakes, Thee Headcoats, The Pop Rivets, The Voo-Dooms, The Masonics en zo kan ik nog een tijdje doorgaan...) op drums. Altijd een plezier om die laatste terug te zien, kurkdroog maar o zo efficiënt terwijl hij al eens een ander nummer dan de rest durfde in te zetten.

Heerlijk toch, die ongedwongen sfeer. Bij het afscheid zei Holly dat ze hier graag opnieuw geïnviteerd zou worden. Niet aarzelen zou ik zeggen, als de kans zich voordoet.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

vrijdag 16 november 2018 16:07

Cass McCombs - Meesterlijke songsmid

Nadat ik zo'n tien jaar geleden een plaat van Cass McCombs had gekocht verloor ik de man uit het oog maar wanneer De Zwerver, een club die men moeilijk een slechte smaak kan verwijten, hem uitnodigt, vond ik het toch tijd voor een hernieuwde kennismaking. Een wijs besluit want Cass McCombs bleek veel meer dan de timide singer-songwriter die ik in gedachten had.

Eerst mocht zijn toetsenman, Frank LoCrasto, ons wat opwarmen en die deed dat met stijl. Afwisselend op elektrische piano en synthesizer liet hij ons proeven van zachtaardige, betoverende melodieën. Even dacht ik een lo fi Jean-Michel Jarre te horen maar toen hij zijn korte set afsloot met een cover van Les Baxter wist ik uiteindelijk dan toch waar ik deze muziek moest situeren. Toen werd duidelijk dat de man zijn inspiratie vond in de exotica, een genre dat floreerde halfweg de vorige eeuw en een mix was van easy listening en wereldmuziek. LaCrosta liet ons verstaan zelf ook een plaat te zullen uitbrengen, benieuwd wat dat zal geven.

Onmiddellijk daarna verscheen de rest van het gezelschap en kon het concert van Cass McCombs zonder voorafgaande pauze starten. Al vlug werd duidelijk dat hier een echte band op de planken stond. Van LoCrasto wisten we intussen al dat hij iets in de vingers had, hoewel ik niet altijd even gelukkig was met zijn synthesizerklanken, maar ook bassist Dan Horne en drummer Otto Hauser, die al vroeg in de set eens zijn talenten mocht demonstreren, zorgden voor een ruime inbreng.
Tweede vaststelling was dat het bij McCombs duidelijk draait om de songs. Stuk voor stuk ambachtelijke parels met veel oog voor details die soms herinneringen aan Bill Callaghan opriepen. Niet altijd mijn ding -sommige waren iets te zoetsappig van structuur- maar altijd herkende men er de hand van een meester in. Meestal klassiek van snit hoewel de 41-jarige Californiër ook al eens buiten de lijntjes durfde te kleuren. Zoals tijdens dat dreigende nummer toen Horne zijn bas ruilde voor een brass gong die een galmende gitaar kwam bijstaan of met “Rancid girl” dat niet veel meer nodig had dan een aanstekelijke basriff. Soms kwam hij ook al eens stevig rock-‘n-rollend uit de hoek en naar het einde toe breide hij geregeld lange instrumentale outro’s aan zijn songs waarin dan weer duidelijk werd dat hij ook een begenadigd gitarist is. Die jammomenten waren niet te versmaden en deden qua sfeer aan wijlen J.J. Cale denken.

Ten slotte vroeg Cass McCombs ons beleefd wat we wilden horen als bis waarop er nogal wat geroepen werd. Uiteindelijk opteerde hij voor het stevige “Big wheel” en het fijn uitgesponnen “Dreams-come-true-girl” wat voor een mooi slotakkoord zorgde.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

maandag 29 oktober 2018 12:43

Bambara - Apocalyptische sfeer

Altijd spannend om twee mij totaal onbekende bands te gaan bekijken. De eerste heette Magic Shoppe en kwam uit Boston, Massachusetts maar dat had evengoed Manchester, England kunnen zijn. Want ik kon me niet van de indruk ontdoen dat ze hard hun best deden om zo Brits mogelijk te klinken. Zelf omschrijven ze hun muziek als 'hypnotic reverb rock'. Hypnotisch dan in de betekenis van slaapverwekkend, adequate omschrijving! Ikzelf zou ze ergens situeren op de grens waar postpunk de psychedelica ontmoet. Ze wisten wel een eigen solide sound te creëren maar die klonk me toch te gestroomlijnd. Maar hét zwakke punt was zanger van Josiah Webb, die het kinderkoor net ontgroeid leek. Wat klonk die bedeesd terwijl hij er ook al niet veel zin in leek te hebben en af en toe een geeuw niet kon onderdrukken.

Het verschil met Bambara (New York), die meteen voor de frontale aanval koos, kon niet groter zijn. Een vreemde naam, Bambara is eigenlijk een taal die door zowat zes miljoen mensen wordt gesproken, voornamelijk in Mali. Ik weet niet of ze het daar gezocht hebben maar ik vind Bam-ba-ra fonetisch wel passen bij hun muziek die je als luide, nachtmerrieachtige postpunk zou kunnen omschrijven.
Voor zover ik weet bestaat de groep nog steeds uit drie leden, bassist William Broomshire en de tweelingbroertjes Reid (gitaar, zang) en Blaze Bateh (drums), die beiden onlangs ook de hort optrokken met Liars, en ik vermoed dat de twee extra gitaristen die we hier zagen er waren om Reid Bateh zich volledig op de zang te laten concentreren.
Reid bleek trouwens een begenadigd frontman die zich werkelijk smeet, op gevaar van eigen leven soms. Een paar keer werd een lelijke valpartij slechts op het nippertje vermeden. Zijn gehuil had iets beangstigends en zorgde samen met de venijnige gitaren voor een apocalyptische sfeer. Het deed me sterk denken aan The Drones of The Birthday Party. Heel intens maar naar het einde toe klonk die immer kolkende woordenstroom ook wat vermoeiend en trappelde het muzikaal misschien iets te veel ter plaatse.
Hoewel, eindigen deden ze dan weer met een finale uppercut: het, euh, monumentale “Monument”, misschien wel het beste nummer van de avond.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zondag 04 november 2018 18:17

Idles – Rake kopstoten!

Achteraf toch wat mensen ontmoet die een lichte zweem van ontgoocheling niet konden verbergen. Allen hadden ze IDLES vorig jaar gezien op Leffingeleuren en hoewel ze wisten dat het mirakel van toen nooit voor herhaling vatbaar kon zijn , bleef het toch ergens knagen.
Toen kwam de groep uit Bristol schijnbaar uit het niets ons als een niets ontziende pletwals vermorzelen in een niet eens volgelopen ‘Kapel’. Dit keer stonden ze in een uitverkochte zaal en wisten we nagenoeg perfect wat er ging komen. Het verrassingseffect mochten we dus vergeten maar was het dan echt niet iets minder? Wat mij betreft helemaal niet. Wel klonk het soms wat anders. Intussen is er een tweede plaat, ‘Joy as an act of resistance’, verschenen en die klinkt wat gevarieerder en melodieuzer wat zich uiteraard ook vertaalde naar het podium.
Wat minder rechttoe rechtaan beukende punkstampers waartussen zelfs plaats was voor de Solomon Burke cover “Cry to me”. Maar daar kan toch niets mis mee zijn. Verandering van spijs doet immers eten. Wat trouwens niet wil zeggen dat die nieuwe nummers niet evengoed telkens als ziedende mokerslagen aankwamen.

De set begon met de vervaarlijk grommende bas van Adam Devonshire waarmee “Colossus” werd ingezet. Meteen werd duidelijk dat Joe Talbot zijn welgekozen woorden nog steeds met een gemene verbetenheid de zaal in spuwt. Niet zonder enige moeite wat zijn geteisterde stem dreigde het af en toe te laten afweten. Net als Sleaford Mods, waarmee de band vaak vergeleken wordt, stampt hij tegen zoveel mogelijk zere benen. Maar in tegenstelling tot de Mods, bij wie het kunstje zijn geheimen snel prijsgeeft, bleef dit dankzij het schuimbekkende punkkwartet achter hem intrigeren tot het einde.
Hofnarren van dienst waren de twee gitaristen die om beurt de zaal in doken. Maar ook Talbot zelf liet zich niet onbetuigd en demonstreerde zowaar een kopstand. Op een gegeven moment stond er bijna meer volk op het podium dan ervoor waartussen ook een, uit het publiek geplukte, jongen die een gitaar in zijn handen geduwd kreeg terwijl hij er voorheen waarschijnlijk nooit één had aangeraakt. Gelukkig stonden al die capriolen het muzikale niet in de weg en bleken songs als “Mother” of de pro immigratie song “Danny Nedelko” bijzonder rake kopstoten.

Nee, dit had alles wat een concert moet hebben: knappe, strak gehouden, nummers, een onwrikbare sound, tonnen energie en de nodige dosis humor.

Vooraf zagen we John, een duo uit Crystal Palace (Zuid-Londen) waarvan beide leden -ik verzin het niet- John heten. Een gitarist en een drummer die tevens de zang voor zijn rekening nam , zorgden voor een stevige, franjeloze sound die onvermijdelijk aan No Age deed denken.
Strak gebrachte brute rock met punk en noise invloeden, het klonk zeker niet onaardig maar was toch iets te eenvormig om zich lang onder mijn hersenpan te blijven nestelen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Don Antonio is het alter ego van Antonio Gramienteri die ik in 2012 al eens aan het werk zag met Sacri Cuori in Den Trap. Toen begeleidde de Italiaan Dan Stuart, dit keer was hij met zijn andere groep, simpelweg Don Antonio geheten, mee met Alejandro Escovedo. Het lijkt een beetje zijn specialiteit om overzeese artiesten doorheen Europa te accompagneren. Eerder waren Richard Buckner, Hugo Race, Terry Lee Hale en JD Foster ook al zijn reisgezellen. Maar eerst mocht hij zijn eigen plaat, ‘Don Antonio’, voorstellen.
Samen met een saxofonist/toetsenist, een bassist en een drummer bracht hij verfijnde, meestal instrumentale rootsmuziek met nogal wat latin en jazz invloeden. Balancerend tussen stijlvol en muzak, wild werd ik er niet van. Toch was Antonio best een aangename peer die sappig kon vertellen en met “Sunset, Adriatico”, een americana getint nummer, dan toch bewees best iets te kunnen. Maar de rock-‘n-roll spaarde hij voor de set met Escovedo, zei hij en gelukkig hield hij woord.

Alejandro Escovedo leerde ik pas echt kennen zo’n twee jaar geleden toen ik zijn uitstekende plaat, ‘Burn something beautiful’ kocht. Bij nader inzien bleek ik reeds in 1982 al eens een LP van hem gekocht te hebben. ‘Sundown’, gemaakt met zijn toenmalige band Rank And File, bevatte country georiënteerde gitaarrock, een beetje in de stijl van Green On Red, dat in datzelfde jaar debuteerde. Nog vroeger maakte hij Los Angeles onveilig met de punkband The Nuns maar nu is hij ondertussen reeds toe aan zijn dertiende plaat onder eigen naam.
De nu 67-jarige Alejandro Escovedo is dus al een tijdje bezig en alom gerespecteerd. Er verscheen zelfs een tributeplaat ter ere van hem. Des te opmerkelijker dus dat hij in een cafeetje als De Zwerver met zoveel gretigheid zijn ding kwam doen.
Hij opende de set met enkele songs uit het nieuwe, ‘The crossing’, een conceptalbum over twee immigranten. Verrassend stevige rootsrock waarin Don Antonio zich inderdaad ontpopte tot een totaal ander gitarist. Na die heftige start volgden dan wat meer ingetogen nummers die stuk voor stuk bleven boeien. Slechts eenmaal liet het fout. Het aan Bill Withers herinnerende “Always a friend”, dat hij ooit nog samen met Bruce Springsteen opnam en hier gekruid werd met flarden “The tracks of my tears” (Smokey Robinson) en “Lively up yourself” (Bob Marley), werd veel te lang uitgemolken. Maar dit slippertje zette hij meteen recht tijdens de bissen met een wat overbodige maar toch leuke cover van Neil Young’s “Like a hurricane” en een ronduit magistrale versie van The Velvet Underground’s “ Rock & Roll”.
Tussen de songs bleek hij tevens een begeesterend causeur die honderduit over zijn leven vertelde. Hoe hij als kind met het gezin, een nest van twaalf, zonder uitleg plots van San Antonio, Texas naar Los Angeles verhuisde. Of over zijn vele muzikale familieleden zoals zijn jongere broer Javier die in de punkband, The Zeros, speelt of zijn nichtje Sheila E. (bekend van Prince en zichzelf).
De man zou naar verluidt van plan zijn een boek te schrijven. Dat wordt echt iets om naar uit te zien, te meer omdat hij zowat iedereen kent. Op zijn laatste plaat alleen al kreeg hij hulp van Wayne Kramer (MC5), James Williamson (Stooges), Peter Perrett en John Perry (The Only Ones) en Joe Ely. Daar hangen ongetwijfeld smeuïge verhalen aan vast.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Op basis van haar debuut, 'Fish' uit 2017, waren mijn verwachtingen voor ShitKid, een one woman band uit Stockholm, niet al te hooggespannen. Maar het is toch niet iedereen gegeven te mogen touren met de Melvins dus moest dit wel iets meer voorstellen dan het broze slaapkamerproject dat ik in gedachten had.
ShitKid bleek intussen uitgegroeid tot een duo en klonk op de planken gelukkig een stuk potiger. Daar zal de inbreng van de sensuele bassiste, die de spektakelwaarde een stuk de hoogte in dreef, niet vreemd aan geweest zijn. Asa Söderqvist laveerde behendig tussen meezingbare punk, slaapliedjes en lofi pop met weerhaakjes terwijl de Melvins de ganse set vanop de zijlijn goedkeurend mee knikten.
Een simpele gitaar, elektronische drumbeats, een geil swingende bas en een wendbare stem die soms iets had van een embryonale Courtney Barnett waren de bouwstenen. Beiden hadden ook een tweede micro die op halve hoogte geïnstalleerd was waar ze dan af en toe gehurkt of geknield door zongen. En dan was er nog eentje bijna tegen de grond opgesteld waar de bassiste tijdens de slotsong niet zonder enige moeite onder ging liggen. Rock-‘n-roll?

De eeuwig tourende Jon Spencer vindt altijd wel een reden om de baan op te gaan: is het niet met de Blues Explosion dan maar met Heavy Trash of Boss Hog. Totaal onverwacht werd hij nu plots solo aangekondigd en bleek hij een nieuwe plaat, ‘Spencer sings the hits!’, onder eigen naam te hebben opgenomen. Op die plaat kreeg hij assistentie van drummer M. Sord en bassist, toetsenist Sam Coomes (Quasi) die beiden ook in Kortrijk het podium deelden. The Hitmakers, zo heette Spencer zijn nieuwe groep, bestond verder nog uit een derde man en dat was absoluut geen van de minsten: Bob Bert, de legendarische drummer die naam maakte bij Sonic Youth, Chrome Cranks en in iets mindere mate Bewitched, Action Swingers, Knoxville Girls, Chicken Snake, Lydia Lunch’s Retrovirus en Pussy Galore, het allereerste vehikel van Jon Spencer.
Het mag een klein wonder heten dat hij de 63-jarige Bert bereid vond mee te gaan touren en dan nog met die vuilnisbakkendrums. Dat laatste mag je letterlijk nemen want het enige conventionele onderdeel van zijn stel was de basdrum. De rest bestond uit onder meer een authentieke metalen vuilnisbak, een benzinetank en een enorme ijzeren veer waarop hij dan met hamers of metalen buizen tekeer ging. Dit alleen al -of het nu veel bijbracht of niet- maakte mijn avond al goed.
Maar er was meer. Jon Spencer zelf bleek in goede doen, zeer goede doen zelfs. Verlost van het keurslijf, dat de Jon Spencer Blues Explosion heet, greep hij terug naar de dagen van Pussy Galore en kregen we verfrissende sixties punkstijl garagerock te horen. Veel feedback en een fuzzy gitaar, dat nog steeds, maar geen eindeloze collages of oeverloos gekrijs als ‘The Blues Explosion is number one’ meer. In plaats daarvan degelijke songs waarvan het merendeel geplukt was uit het nieuwe album aangevuld met enkele nummers van Pussy Galore, de Blues Explosion (waaronder een heerlijk “Dang”), Heavy Trash (“The loveless”) en zelfs een flard “Roadrunner” (Jonathan Richman).
Veel wezenlijk verschil met de sound van de Blues Explosion, buiten de bass synthesiser en toetsen van Sam Coomes, was er niet. Die Coomes mocht zelfs een nummer voor eigen rekening brengen waarbij zijn orgelpartij me zowaar aan Iron Butterfly deed denken en het was nog knap gedaan ook. Jon Spencer is bijlange nog niet afgeschreven, iets wat bij de Melvins wat minder duidelijk was.

De Melvins, opgericht in 1983 in Montesano, Washington, mag je stilaan als een monument beschouwen in de alternatieve rockwereld. Hoewel Buzz Osborne, ook gekend als King Buzzo, het ene resterende originele lid is blijft de groep immens populair.
Melvins, dat staat voor beuken, beuken en nog eens beuken tot het bloed je oren uitsijpelt. En omdat voor elkaar te krijgen werd voor alle zekerheid nog een extra bassist (Butthole Surfer Jeff Pinkus) gerekruteerd. Vroeger probeerde de warrigste krullenbol uit de rock het al eens met twee drummers, dit keer met twee bassen dus. Ik herinner me een vorig optreden van hen waarbij ik helemaal in extase raakte maar ik kan je meteen vertellen dat het dit keer bijlange niet zo ver kwam. Daarvoor zat er teveel sleet op de formule.
Het schouwspel mocht er nog steeds zijn: een neurotisch rondstruinende King Buzzo, in een stemmige jurk, de immer rondspringende bassist Steven Shane McDonald (Red Kross, Off!), in een blits kostuum, en de spectaculaire drummer, Dale Crover, die ooit een blauwe maandag bij Nirvana speelde. Enkel Jeff Pinkus bleef er wat onopvallend bij.
Aanvankelijk ging hun laaggestemde sludge metal er nog vlotjes in maar na een tijdje trad er een vorm van metaalmoeheid op. Of het nu eigen nummers of covers (“Saviour machine”van David Bowie, “Sway” van de Stones) waren, alles werd steeds door dezelfde mangel gehaald.
Nummers als “The kicking machine” die er wat uit sprongen kwamen veel te weinig voor in het stuk. Ik vond ze eigenlijk nog het best te genieten tijdens de lange intro’s en de instrumentale passages.
Tijdens de afsluiter, “Rebel Girl” (van Bikini Kill) mochten de twee meiden van ShitKid mee opdraven en werd het plots toch nog spannend. En dat NIET omdat Asa Söderqvist het nodig achtte haar borsten te tonen. Daarna bleef drummer Dale Crover alleen over om al “So long, farewell” zingend uiteindelijk ook in de coulissen te verdwijnen en daar was ik dit keer niet echt rouwig om.

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

zaterdag 20 oktober 2018 13:05

Hot Snakes - Live nog steeds een bom

Een gebrek aan ambitie kan men opener Onmens moeilijk verwijten. Dit Gentse duo omschrijft zichzelf immers als ‘Belgium’s most explicit electronic music group’. Of dat ook klopt , laat ik in het midden maar op het podium was er alvast voldoende te beleven. De gitaar van de energieke Kasper Van Esbroeck klonk nijdig, dwars en steeds onvoorspelbaar. Naast hem zagen we een erg begeesterende zanger, Bert Minnaerts ofte Siegfried Burroughs, die tevens drummer is bij Kapitan Korsakov en verder nog in talloze andere projecten actief is. Hier liet hij zijn met echo overladen stem alle richtingen uitzwermen. De ene keer klonk hij als een volbloed rapper, een andere keer leek hij te solliciteren bij een death metal band om het volgende nummer als een dronken crooner over het podium te struinen. Vuurwerk genoeg op het podium maar dit was slechts de helft van het plaatje. De twee werden begeleid door een vooraf geprogrammeerde muur van elektronica die je in het beste geval ergens in de industrial hoek kon situeren maar te dikwijls goedkoop en schetterig klonk. Jammer maar misschien ben ik gewoon te oud voor dit soort onzin.

Alles komt terug! Nog maar pas Radio Birdman gezien en daar waren nu de Hot Snakes alweer. Deze band uit San Diego, Californië maakte het mooie weer tussen 1999 en 2005. Hun erfenis bestaat uit drie mooie platen en herinneringen aan een spetterend optreden in de Charlatan net voor de split. Mijn manke geheugen meende ze ook ooit al eens in De Kreun gezien te hebben maar bij navraag bleek ik ze te verwarren met Obits, een ander project van zanger-gitarist Rick Froberg. Diezelfde Froberg heeft verder samen met de andere gitarist, John Reis (ook bekend van Rocket From the Crypt) een verleden bij Drive Like Jehu. Mooi volk genoeg op het podium dus.
Eigenlijk zijn de Hot Snakes al sinds 2011 terug actief maar dit jaar verscheen er een nieuwe plaat, ‘Jericho Sirens’, wat de comeback compleet maakte.
Op de heenreis sloeg de twijfel plots toe. Die laatste plaat, zeker in vergelijking met hun vroeger werk, vind ik eigenlijk verre van geweldig maar toen de vier met een twintigtal minuten vertraging op het podium verschenen, bleek al zeer snel dat Hot Snakes live nog steeds een bom zijn. Misschien nog meer dan vroeger zelfs. Ze hadden er ook opvallend veel zin in. Vooral gitarist John Reis die meteen contact zocht met het publiek: praatjes makend met de mensen vooraan of zijn voet op iemands schouder posterend. Op een gegeven moment liet hij zelfs een fan zijn gitaar met de tanden toucheren.
Hot Snakes stonden nog steeds garant voor bijzonder strakke garagehardcore waarbij de hoge, ietwat benepen stem van Froberg en de kristalhelder hamerende gitaar van Reis de voornaamste kenmerken zijn. Aan een hels tempo werden de nummers, netjes evenredig geplukt uit hun vier platen, erdoor gejaagd.
Slechts een paar keer was er tijd voor een adempauze. Tijdens zo’n moment riep Reis plotseling “Kom dichterbij, we zijn niet gevaarlijk” waarbij hij vergat dat het volk reeds tegen het podium plakte en hij zonet zijn voet op het kale hoofd van een nietsvermoedende fotograaf had geplant.
Wat een genot om oude krakers als “Automatic midnight”, “Suicide invoice” of “I hate the kids” terug te horen. Niets hadden die aan frisheid ingeboet terwijl de nieuwe nummers dan toch niet zo bleek uitvielen als eerst gevreesd. Hoogtepunten zat natuurlijk maar als ik dan toch enkele uitschieters moet kiezen ga ik voor de eerste twee bisnummers die iets minder hard maar toch zo fonkelend klonken: “This mystic decade” en “Plenty for all”.

Zelden een groep gezien waar het spelplezier zo vanaf droop. Hopelijk duurt het dit keer geen dertien jaar eer we hen terugzien.

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Lokale helden (ik schreef bijna veteranen maar in vergelijking met de mannen die nog moesten komen zijn dit nog dartele veulens) The F’kk’n’ G’dd’mn Luckies mochten de avond openen en gaven ons precies wat we verwacht hadden, niet veel dus. Dat laatste mag je zelfs als een compliment zien. Met minimale middelen brachten ze geblutste, lofi trashblues waarop het steeds heerlijk meedeinen was. Veel was daar dus niet voor nodig: de knallende drums van Stevie en de rammende, kaduuk klinkende gitaar en de in bier gemarineerde rasp van Saftn’ volstonden ruimschoots. Naar ik meende te horen , gingen de meeste songs over bier, de rest waarschijnlijk ook en daar is niets mis mee. Want wat rest er ons meer dan bier, na een alweer deprimerende verkiezingsuitslag.

Mijn verwachtingen voor Radio Birdman waren niet bijster hooggespannen. Ik heb nog vage herinneringen van een optreden waarin een verwaande Rob Younger de boel vakkundig om zeep hielp. Bovendien las ik een recensie van een optreden, enkele dagen eerder in Haarlem, waaruit bleek dat Radio Birdman vandaag enkel nog een stel net niet dementerende bejaarden zou zijn. En teert de band nu wel niet erg lang op het oude succes? Ze maakten amper drie studioalbums, de laatste (het verwaarloosbare ‘Zeno Beach’) dateert van 2006, maar eigenlijk draait alles nog altijd om hun debuutplaat, ‘Radios Appear’, waaruit het leeuwendeel van de nummers werden geplukt.
De legende wil dat Deniz Tek (oorspronkelijk van Ann Arbor, Michigan) in 1973 in Detroit toevallig de gitaar van Fred Sonic Smith kocht, MC5 was toen net gesplit. Een jaar later houdt hij in Sydney met Rob Younger Radio Birdman (genoemd naar het verkeerd verstane ‘radio burnin’’, een regel uit de Stooges song “1970”) boven de doopvont. In ‘77 volgt dan dat debuut, het klassiek geworden ‘Radios Appear’, waarop een mix van messcherpe Detroitrock en een snuifje surf resulteert in unieke Australische protopunk. Na de tweede plaat in 1981, ‘Living Eyes’ split de band om vanaf 1996 een sluimerend bestaan te leiden.
In Kortrijk waren er toch drie van de vier mannen van het eerste uur bij: Deniz Tek (gitaar), Pip Hoyle (toetsen) en zanger Rob Younger. Dat alleen al was een prestatie op zich. De groep opende nogal mak met “Do the pop” terwijl de klankbalans verre van optimaal was, de keys waren bijna niet te horen.
Rob Younger, die er eerder uitzag alsof hij zopas bevrijd was uit Auschwitz, leek zijn spastisch snokkende lichaam niet onder controle te hebben. Het was geen gezicht maar de man bleek nog redelijk bij stem en stelde zich dit keer bescheiden op. Maar het heilige vuur miste ik toch in dat begin en waarom ze The Doors’ “Not to touch the earth” (een wat vergeten nummer uit ‘Waiting for the sun’) coverden vraag ik me nog altijd af. Naarmate de set vorderde en de klank wat beter werd , kreeg de band meer grip op de zaak en werd het nog heel mooi. Deniz Tek zorgde geregeld voor vuurwerk op gitaar terwijl songs als “Alone in the endzone”en “Man with golden helmet” (voorzien van een sublieme piano) niet stuk te krijgen zijn. Tijdens “Hand of Law” liet surfliefhebber Deniz Tek zich nog eens gaan door er een flard “Pipeline” (The Chantays) tussen te gooien.
Er werd afgesloten met het razende “New race”, misschien wel hun beste nummer. Het oplapwerk in de kleedkamer had blijkbaar heel wat voeten in de aarde maar uiteindelijk kwamen de zes terug voor een indrukwekkende bisronde. Daarin gingen ze verder op het elan waarmee ze de set gestopt waren en diepten ze drie knallers uit hun prille beginperiode op: “Anglo girl desire”, “Aloha Steve & Danno” en “T.V. Eye” (The Stooges) waarmee ze bewezen dat ze ooit even een punkband waren geweest die er echt wel toe deed.

Overtuigend over de ganse lijn was het zeker niet, toch blij dat ik de heren nog eens aan het werk zag want de afschrijvingstermijn moet nu toch stilaan verlopen zijn.

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Pagina 5 van 15
FaLang translation system by Faboba