• Botanique, Brussel - concertenreeks
    Botanique, Brussel - concertenreeks Botanique, Brussel - concertenreeks Concerten Omni-woensdag 20 november 2019-Witloof Bar-20h Ezra Furman - woensdag 20 november 2019 - Rotonde -…

zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Leffingeleuren, het gezellige festival rond de kerk met zijn ‘Busker Street’ waar beginnende muzikanten hun ding mogen doen, zijn exotische eetkraampjes, zijn kleurrijke fanfares en andere straatacts werd dit jaar wat geplaagd door het grillige weer. Wat dan toch weer een positief effect had : de groepen binnen (het betalende gedeelte) konden rekenen op een ruimere belangstelling. Het werd een erg eclectisch festival waar de parels zomaar voor het rapen lagen. Hier het relaas van drie dagen speuren...

dag 1 – vrijdag 8 september 2017
Eerste groep in een lange, slopende reeks was Tin Fingers, een gloednieuwe synth/indiepopband uit Antwerpen. Een valse start, wat mij betreft, want wat klonk dit aalglad en werden risico’s angstvallig vermeden. Geeuwend moest ik denken aan wat Kurt Overbergh van de AB zich onlangs liet ontvallen in ‘De Standaard’ : “Pop en rock zijn klef en saai geworden”.

De volgende band in de rij zal de AB gegarandeerd nooit halen maar dit klonk allesbehalve klef en saai. Nieuw kon je Heavy Lids (New Orleans) bezwaarlijk noemen maar hun gerecycleerde garagepunk klonk gemeen en melodieus tegelijkertijd en greep me onverbiddelijk bij de kladden. Moeders mooiste was hij niet, John Henry Kelly, maar hij had wel een heerlijk geteisterde punkstrot die mooi contrasteerde met het wat lieflijkere klinkende orgel van Marie Dufran. Verder bestond deze guerrilla nog uit drummer Benny Divine en de voortdurend met dodelijk priemende ogen nors de zaal in turende bassist, Jayme (Kill-All) Kalal. Het vijfde lid was blijkbaar onderweg gesneuveld. Niet dat we daar wat van merkten want deze korte, explosieve set hield erg lang stand als het beste van Leffingeleuren 2017.

Het nieuwste project van Dieter ‘Von Deurne’ Sermeus, Dieter & The Politics, kan in ieder geval niet klagen over een tekort aan aandacht in de pers. Na Orange Black en The Go Find zou dit het hardste zijn wat hij ooit op de mensheid losliet. Het optreden in de Kapel begon met een scheurende Dinosaur Jr. solo maar daarna was het weer business as usual : doodbrave popsongs die me, op een paar keer na, niet wisten te raken. Minstens één keer kwamen ze in de buurt van The War On Drugs, helaas is dat nu ook niet bepaald mijn favoriete band. Toen de snor en kompanen het plots nodig achtten een dosis zinloos geweld op ons los te laten verliet ik het pand om J. Bernardt (Balthazar) te zien.

J. Bernardt - En dat was even de ogen uitwrijven. Een baardige mens in een lange regenjas dartelde als een geschifte vleermuis over het podium terwijl pompende kermisdreunen voor de soundtrack zorgden. Even leek er een kentering te komen toen de man zijn gitaar ter hand nam. Maar die werd al gauw onverrichter zake terug gezet zodat ik luid kermend de zaal ontvluchtte en me nestelde in mijn meest vertrouwde habitat, het café.

Waar het trouwens goed toeven was met The Murlocs (Melbourne), de band rond Ambrose Kenny-Smith die ook actief is bij het populaire King Gizzard & The Lizard Wizard. Vijf jongens in overalls vergrepen zich aan psychedelische rock zoals die klonk eind jaren ‘60 begin jaren ‘70. ‘Cosmonauts, down to earth’, dacht ik. Veel gitaren, af en toe een orgel of een mondharmonica en verdomd knappe songs. Jammer genoeg zat er nog wat kaf tussen het koren. Was dat eruit geschift, sprak ik hier ongetwijfeld over het absolute hoogtepunt van Leffingeleuren.

dag 2 - zaterdag 9 september 2017
Zaterdag mocht de winnaar van Verse Vis 2017, het Gents SHHT de feestelijkheden openen in de zaal. Ze hadden een frontman bij zoals ik ze graag heb : boordevol energie, onvoorspelbaar en zelfs gevaarlijk. Alle hoeken van het podium verkennend, bengelend aan de hoog opgehangen boxen of een paar schoenen de zaal in kieperend, altijd viel er wat te beleven met die kerel. Over de muziek was ik heel wat minder enthousiast. Twee spuuglelijke synths en een gitaar die hard zijn best deed om even lelijk te klinken. Hoekig en doelloos, Evil Superstars op een verkeerd toerental.

Met band klonk singer-songwriter Christopher Paul Stelling (Brooklyn) een stuk folkier wat me goed uitkwam want ik vind zijn zang net iets te gestileerd.  Maar met viool, staande bas en een vrouwelijke tweede stem kon dit me toch verwarmen. Sympathieke bende ook die op eigen vraag later nog eens speelde op het gratis te bekijken Busker Street podium!

De vorige plaat van Waxahatchee (Philadelphia), ‘Ivy Tripp’, liet ik geregeld onder de naald schuiven maar bij hun laatste worp, ‘Out in the storm’, had ik toch wat twijfels. Het geluid klonk wat voller, een lichte ruk richting commercie? Dat is misschien wat kort door de bocht maar ook live wist Waxahatchee niet volledig te overtuigen. Dat Katie Clutchfield talent en een neus voor fijne songs heeft, laten we daar niet aan twijfelen. Maar wie een groep meebrengt moet er ook voor zorgen dat die de songs naar een hoger niveau tillen. Nochtans zag het er mooi uit, de vrouwelijke muzikanten in een stemmig zwart mannenpak stokstijf en ver uit elkaar staand. Maar wanneer er verder zo goed als niets gebeurt kan vijftig minuten wel heel lang duren.

Ik zag het Gentse Mind Rays reeds verschillende keren aan het werk en telkens ik ze mijn pad opnieuw kruisten , bleken ze een stuk gegroeid te zijn. En het was deze keer in het café niet anders. De ongecontroleerde chaos heeft definitief plaats moeten ruimen voor compacte songs. Het blijven kopstoten vol punk, noise en andere herrie maar de contouren zijn tastbaarder geworden. Ook de zanger heeft de waanzin beter onder controle terwijl de gitaar al eens voor een wat helderder moment mag zorgen. Het uitbrengen van een eerste LP, ‘Nerve endings’, heeft hen duidelijk deugd gedaan.

Togo All Stars moesten ter elfder ure afzeggen en zo werden de B Boys van het café naar de zaal verplaatst en die was misschien wel een maatje te groot voor dit nog prille trio uit Brooklyn. Korte, catchy punksongs, helemaal in de stijl van stadsgenoten Parquet Courts. Zeker knap gedaan met een zich uitslovende zanger, Brendon Avalos (tevens op bas), maar te weinig echt knappe songs in de haard om de grote zaal op te warmen.

Wat ik daarna zag in de kapel was op zijn zachtst gezegd een geval apart. The Babe Rainbow uit het Australische Byron Bay bleken vier gebronsde strandjongens die zich vergrepen aan het meest foute wat de sixties ons hebben opgeleverd. Zij zochten nu eens niet hun inspiratie in correcte verzamelaars als ‘Nuggets’,  maar vonden de mosterd bij lang vergeelde, zeemzoete hitjes uit het gouden decennium. Ze klonken een beetje zoals de Allah-Las maar zo mogelijk nog braver. En toch hoefde ik hier mijn sabel niet voor boven te halen. Integendeel, langzaam maar zeker nestelde deze muziek zich als een virus in mijn borstkas en omstrengelde het mijn hart om nooit meer te lossen. Hun songs waren bijzonder knap in elkaar geknutseld en deden soms denken aan Donovan. Een paar keer mocht het funky klinken terwijl ze ook nog eens Blondie’s “Heart of glass” coverden. Afgesloten werd er met het hemelse “Evolution 1964” waarvan ik durfde te zweren dat het een cover was, toch niet dus. The Babe Rainbow heeft één plaat uit die geproduced werd door King Gizzard opperhoofd, Stu McKenzie en was één van dé revelaties op dit festival.

Het contrast met de volgende groep in de kapel kon niet groter zijn. Idles (uit Bristol) schoot meteen op orkaankracht, alles en iedereen verpletterend uit de startblokken en zwakte op geen enkel moment af. Sleaford Mods achterna gezeten door een schuimbekkend punkkwartet lijkt me de meest adequate omschrijving. Zanger Joe Talbot was een bijzonder nijdig mannetje die in zijn teksten naar goede Britse traditie tegen zoveel mogelijk schenen stampte. Hun plaat heet niet voor niets ‘Brutalism’ dachten de vier achter Talbot om vervolgens als een stampede door de songs te razen. Het werd een heftig feestje met de nodige crowdsurfers terwijl ook de gitarist, vrolijk verder spelend, het plafond van de kapel verkende. Idles waren zonder meer het hoogtepunt van Leffingeleuren 2017.

We waren gewaarschuwd : zo wild als destijds met The Hunches was Hart Gledhill al een tijdje niet meer. De tijden dat hij alle muren van de Pit’s op stuiterde zijn definitief voorbij. Maar hier was meer aan de hand. De heer Gledhill verscheen namelijk stomdronken op het podium en dat waarschijnlijk ook nog in combinatie met andere en beter te vermijden substanties. Hij kon zich nauwelijks staande houden en zijn gewauwel was nauwelijks verstaanbaar. Gelukkig was de rest van zijn band, Sleeping Beauties (uit Portland, Oregon met o.a. leden van The Hospitals en Eat Skull) bloednuchter en speelden ze alsof er niets aan de hand was. Al bij al bleef de schade beperkt en kregen we een set beklijvende powerrock met glam –en punkinvloeden. Er kon zelfs nog een bisnummer af waarbij Gledhill een microfoon aan het publiek gaf. Het werd een chaotische versie van “Wild thing” met plotseling verrassend sterke vocals.

dag 3 - zondag 10 september 2017
Waar het op zaterdag tamelijk lang duurde voor we iets memorabels mochten meemaken, was het op zondag meteen raak. Daar zorgde Aubrie Sellers uit Nashville met haar allereerste optreden in Europa voor. Zij is de dochter van songwriter Jason Sellers en countryster Lee-Ann Womack. Country werd haar met de paplepel ingegoten en ze zong samen met haar moeder zelfs een nummer op de laatste plaat van Ralph Stanley. Zelf noemt ze het garage country wat ze brengt. Country, dat zeker maar garage? In ieder geval had ze een rits sterke nummers meegebracht die ze met veel gevoel zong. Met zijn drieën zorgden ze voor een heerlijk rafelige en forse sound waarbij de gruizige gitaar een even belangrijke rol kreeg als la Sellers zelf. Zo werd mijn kater meteen doorgespoeld.

Daarna volgde wat mij betreft de mooiste verrassing van het hele festival met het Brusselse Phoenician Drive. Fenicië bevond zich waar we nu Libanon en Syrië situeren en dus mag ik veronderstellen dat de muzikale invloeden van Phoenician Drive uit die streken afkomstig zijn hoewel ikzelf eerder aan de Maghreb landen dacht. In ieder geval werden die niet-Westerse elementen perfect geïntegreerd met een stevige, gitaar georiënteerde rocksound. Naast de twee gitaren bestond de bezetting verder uit bas, drums, darbuka (percussie instrument) en de oud van Gaspard Vanardois. De meestal volledig instrumentale composities waren gelaagd en klonken de ene keer ophitsend, een andere keer bezwerend en hypnotiserend. In zekere zin te vergelijken met Godspeed! You Black Emperor. Maar elke vergelijking loopt uiteraard mank bij een dergelijk unieke sound van een unieke groep die ik beslist nog eens terug wil zien.

Dylan LeBlanc (Shreveport, Louisiana) had een uitgebreide groep (piano, gitaar, bas, drums, cello) meegebracht terwijl hij zelf ook nog gitaar speelde. Mooie, zij het iets te gestroomlijnde, americana waarin zijn hoge stem  voor wat meerwaarde zorgde. Soms kwamen ze in de buurt van The Eagles en dat is iets wat ik liever niet zag gebeuren.

Charles Francis Mootheart II is heus wel een begrip in de Bay Area garage noise revival. Actief in groepen als Charlie and The Moonhearts, Fuzz, GOGGS en prominent aanwezig op platen van Ty Segall en Mikal Cronin. Je zou voor minder iets verwachten. De man kwam er zijn nieuwste groep waarvan de naam gemakkelijkheidshalve bestaat uit zijn eigen initialen, CFM, voorstellen. Nu wist ik wel dat ik wat hardrock mocht verwachten – zijn andere groepen kreunen er ook onder – maar in juiste dosis en van de juiste soort kan ik daar best vrede mee nemen. Maar zover geraakte Mootheart nooit. Oorverdovend en bulkend van het gitaargeweld maar verder dan een goeie aanzet of een vette riff (eentje leek zelfs gepikt van Zappa maar dat zal wel puur toeval zijn, zover zie ik het hem niet zoeken) kwam CFM niet. Een zware teleurstelling en ik twijfel eraan of het ooit wel iets wordt met Charles Mootheart II.

Dan maar een brok Courtney Marie Andrews (Phoenix, Arizona) in de zaal mee gepikt. Op plaat laat ze spontaan het glazuur op mijn tanden barsten, te voorspelbaar en te poppy. Ze maakte ooit een EP samen met onze eigenste Milow. Niet dat je het meteen in die richting moet zoeken, maar toch. Op het podium echter, geruggensteund door een competente groep, vielen haar countrygetinte songs veel beter mee. Al zal haar niet onappetijtelijke verschijning daar ook wel voor iets tussen gezeten hebben, volgens een kenner.

Het hoogtepunt van de dag viel evenwel in het café te beleven. Daar zorgde singer-songwriter Joan Shelley (Louisville, Kentucky) voor. Samen met de uitmuntende gitarist Nathan Salsburg bracht ze breekbare songs, stuk voor stuk pareltjes. Naar eigen zeggen beïnvloed door June Tabor en soms hoorde je wel Angelsaksische sporen maar toch klinkt ze vooral als zichzelf. Verfijnd en –Low hoog in het vaandel dragend– zo stil mogelijk, alhoewel ze even werd opgeschrikt toen geweldenaar Robert Jon zijn set begon in de zaal en een kleine aardbeving veroorzaakte.

Cosmonauts uit Los Angeles wordt stilaan een vertrouwde naam op onze podia. Dit was reeds de vierde keer dat ik ze zag. Een jaar geleden vielen ze wat tegen op Rock Zerkegem maar hier was het weer lekker deinen op hun aanstekelijke psychrock. Niets nieuws onder de zon maar soms hoeft dat ook niet.

Toch voortijdig afgehaakt maar dat was enkel om Spirit Family Reunion (Brooklyn) te zien. Dit was de laatste dag van een vier weken durende Europese tour en ze hadden op de middag al een set gespeeld in Eindhoven. Dat had vooral bij zanger-gitarist Nick Panken zijn sporen nagelaten. Toch haalden de vijf nog eens alles uit de kast, vooral washboardspeler Stephen Weinheimer had echt zin in een wild feestje. Vrolijk makende country en Appalachenfolk, niets meer maar zeker ook niets minder.

Hoe kan men een festival beter afsluiten dan met een flinke portie nostalgie? Want dat beloofde het nieuwe project van Arno, Tjens Matic, ons toch met enkel nummers van TC Matic en Tjens Couter. De set werd fors geopend met “Being somebody” waarbij Arno een handmixer hanteerde, de reden waarom is me nog steeds niet duidelijk. De toon was meteen gezet. Met drummer Laurens Smagghe, bassist Mirko Banovic en gitarist Bruno Fevery (bekend van Arsenal, de man ook die de plaats van Josh Homme innam bij Garcia Plays Kyuss) in de rug was het duidelijk de bedoeling om ons weg te blazen. Enorme power! Soms werkte dat, andere keren verminkte het enkel de songs zoals bij “Gimme what I need”, waar alle subtiliteit verloren ging. Mooie songkeuze met onder meer “Que pasa” en “Middle class and blue eyes” hoewel ik er als Tjens Couter fan wat berooid vanaf kwam. Slechts twee nummers : een sterk “The Milkcow” en het eerder vermelde “Gimme what I need”. Eén nieuw nummer ook, het futiele “Middle finger”, waarin Arno zich voor de gelegenheid aan wat stoner waagde of was het een idee van Bruno Fevery? Meer dan genietbaar concertje maar wie TC Matic of (vooral) Tjens Couter wilde horen zoals die vroeger klonken bleef toch wat op zijn honger zitten.

Vooraf had ik wat bedenkingen bij de affiche maar achteraf kan ik enkel tevreden terugblikken. Met revelaties als Heavy Lids, The Murlocs, The Babe Rainbow, Idles, Sleeping Beauties, Aubrie Sellers en Phoenician Drive plus een Joan Shelley die haar waarde kwam bevestigen was dit opnieuw een meer dan geslaagde editie.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge   

Muddy Roots Festival 2017 - Europe VI – Vol muzikale hoogtepunten!
Muddy Roots Festival 2017
2017-06-23 t/m 2017-06-25
Festivalterrein
Waardamme
Ollie Nollet

Het Europese luik van het befaamde Muddy Roots Festival in Tennessee was een bijzonder fijn festival die drie dagen lang onze oren weldadig masseerde. Er werd gekozen voor de ouderwetse aanpak, één podium maar zo heb ik het graag. Geen weg en weer gehol of gevloek omdat bands gelijktijdig spelen. Voor de rest een vlekkeloze organisatie met alles erop en eraan. Geen al te hoge opkomst waarvan het overgrote deel buitenlanders die ervoor zorgden dat dit echt wel Muddy Roots Europe was.

dag 1 – vrijdag 23 juni 2017

Daar ik me vrijdagnamiddag niet kon vrijmaken miste ik de eerste vier groepen en begon mijn Muddy Roots met James Hunnicutt, een singer-songwriter uit Washington State die zweert bij de kracht van liefde en muziek. Deze ruwe bolster met wel erg blanke pit liet zijn geweldige stem wentelen in weelderige melodieën die geruggensteund werden door een stevige gitaar aanslag. Maar hij kon het ook wat meer ingetogen zoals in de Beatles-cover, “Blackbird”. Na een tijdje kreeg hij versterking van Philip Bradatsch op gitaar, banjo en tweede stem. Hoogtepunten : opener “99 lives” en het fenomenale “Don’t let teardops fill your eyes” dat door de ganse tent krachtig werd meegezongen.

The Redemption’s Colts uit het diepe zuiden van België brachten met zijn drieën razendsnelle bluegrass en hillbilly. Misschien niet echt opvallend tussen het ruime aanbod hier maar het halsbrekende getokkel op de mandoline van Benoît Hubert wil ik zeker niet onvermeld laten.

The Pine Hill Haints uit Florence, Alabama hadden veruit de origineelste bezetting : accordeon, akoestische gitaar, washtub bass, snare drum (Preston Corn van de Legendary Shack Shakers fungeerde als stand-in), zingende zaag/ washboard/ mandoline (Katie Barrier) en gitaar/ fiddle/ zang (Jamie Barrier). Even leek het mis te gaan toen de retro microfoon dienst weigerde maar met een gewone micro ging het natuurlijk ook. En hoe? Dit was een wervelende set met een Jamie Barrier die alles gaf en regelmatig een Chuck Berry spreidstand uitprobeerde. Zelf pretenderen ze Alabama ghost music te spelen. Een mooie term die moet staan voor country, gospel, rockabilly en blues waar ze telkens weer een eigen draai aan wisten te geven. We hoorden een cover van Hank Williams : “Lonesome whistle blow” terwijl ze zelfs het kapot gespeelde “St.James infirmary” een fris elan wisten te geven. The Pine Hill Haints waren zonder meer dé revelatie van dit festival. En dat terwijl ze reeds zo’n vijftien jaar bezig zijn en een achttal platen op de teller hebben staan.

Th’ Legendary Shack Shakers waren wellicht de grootste naam op deze editie. Dat schept verwachtingen en die werden volledig ingelost. Wie deze groep uit Nashville aanhaalt , denkt vooral aan hun ongewone frontman J.D. Wilkes. Ik had het geluk om zijn metamorfose van dichtbij te mogen meemaken. Tijdens het optreden van The Pine Hill Haints stonden hij en zijn vriendin net naast me : een doodgewone kerel, eerder het type ‘saaie boekhouder’. Eenmaal op het podium had hij niet meer dan twintig seconden nodig om te veranderen in een bronstig rock-‘n-rollbeest die ons geen minuut rust gunde. Hyperactief, seksueel provocatief en de fans vooraan tot bloedens toe knuffelend, dat laatste mag je zelfs letterlijk nemen. Waar ik bij vorige optredens soms het gevoel had dat die act de bovenhand nam, was dat deze keer niet het geval. Dat dankzij de nieuwe, jonge gitarist Rod Hamdallah, een garagerocker pur sang, die toch voor een lichte koerswijziging zorgde. Het begon al straf met “Shake your hips” van Slim Harpo, later hoorden we ook nog “Baby, please don’t go” (Big Joe Williams). Vooral de eerste helft van de set bestond uit compleet verhakkelde blues waarin telkens weer die heerlijke rock’'-‘n-rollgitaar van Hamdallah kwam bovendrijven. Intussen was er een enorme moshpit ontstaan waarin zich de waanzinnigste taferelen afspeelden en waar ook ik enkele blauwe plekken aan overhield. Th’ Legendary Shack Shakers waren beter dan ooit...

dag 2 – zaterdag 24 juni 2017

Er werd ons niet veel rust gegund want meteen een grote naam op het podium : Otis Gibbs. De man moest ‘s avonds nog een optreden afwerken in Haarlem, vandaar. Deze voormalige boomplanter uit Indianapolis is een geboren verhalenverteller. Met zijn roestbruine stem en simpele gitaar wist dit natuurtalent je steeds bij je nekvel te grijpen en bij de verhalen tussen de songs hing iedereen aan zijn lippen.

Na de verstilde pracht van Otis Gibbs volgde wat meer uitbundigheid met het honkytonk rockabilly gezelschap uit Londen, The Doggone Honkabillies. Vier mannen in salopettes zorgden voor een feestje met veel gesmaakte covers : “Get rhythm” (Johnny Cash), “Guitars, Cadillacs” (Dwight Yoakam), “Mind your own business” (Hank Williams), “Lonesome train” (vooral bekend van Johnny Burnette) en “Miller, jack & mad dog” (Wayne Hancock). Maar ook het eigen werk hield vlot stand terwijl de gitarist, die voortdurend switchte tussen gitaar en lap steel, op mijn bewondering kon rekenen.

Dylan Walshe dan, een singer-songwriter met wortels in de folk uit Dublin (maar intussen naar Nashville verkast). Met een krachtige warme stem, een gitaar en herkenbare songs wist hij het publiek moeiteloos voor zich te winnen.

Dat laatste gold zeker ook voor Moonshine Wagon, een trio (gitaar, fiddle, staande bas) uit het Baskische Vitoria-Gasteiz. Dankzij hun passage op de vorige editie waren dit duidelijk de publiekslievelingen die bovendien een gans contingent Spanjaarden naar Waardamme wisten te lokken.  Hun set begon niet onaardig met onder andere een mooie cover van Jimmy Reed’s “Peepin’ and Hidin’” maar na een tijdje werd het kermisgehalte in hun ‘hellgrass” me iets te hoog. Zelfs eeuwenoude trucs als het uitdelen van sterke drank werden niet geschuwd. Helemaal op het einde lieten nummers als “My liver is trying to survive” en Motörhead’s “Ace of spades” me dan toch weer met hen verzoenen.

Met Doghouse Rose (Toronto) stond er eindelijk een frontvrouw  (Sarah Beth) op de planken maar dat bleek geen garantie voor een goed optreden. Daarvoor gleden ze te vaak weg in platte pop. Nochtans bewezen ze een paar keer dat ze tot veel beter in staat waren : de George Jones/Hank Williams cover of de uitgesponnen versie van “Mystery train” waarbij enige acrobatie met de staande bas en wat vuurwerk aan te pas kwamen. Ook opmerkelijk de cover van “Cowboys from hell” van Pantera. Het beste nummer speelden ze evenwel tijdens de soundcheck : “At the hop”van Danny and The Juniors. Hier had duidelijk meer in gezeten.

Pat Reedy & The Longtime Goners (New Orleans) hadden een week geleden al op de pre-party mogen spelen maar hielden daar wel een nare kater aan over. Iemand was toen met hun kassa, waarin alle opbrengsten, gaan lopen. Om hen een hart onder de riem te steken werd hen voor het optreden een kartonnen doos, waarmee wat geld bij elkaar gesprokkeld was, overhandigd. Een duidelijk ontroerde Pat Reedy gaf daarna het beste van zichzelf in een erg gesmaakte set. Met zijn vieren (gitaar, staande bas, drums en fiddle) brachten ze mooie country waarbij Reedy’s stem soms deed denken aan Gordon Lightfoot. Tussen twee songs riep de drummer ons plots “poepeloeredronke” toe... De verbroedering was duidelijk al voor hun optreden begonnen.

Met The Pine Street Ramblers (Auburn, Californië) werd het nog beter. Het eerste half uur klonken ze verrassend stevig en elektrisch en leek het alsof de seventies nooit waren weg geweest. JT Lawrence (met Lech Walesa snor) schitterde op gitaar waarbij hij zich in alle bochten wrong. Mooie covers : “16 tons” (Tennessee Ernie Ford) en een weergaloos “Nowhere to run” (Bob Dylan). Daarna ruilde JT zijn gitaar voor een banjo en later een fiddle en kregen we een gans ander verhaal : akoestische roots en bluegrass waarin dit keer JD Gardemeyer (pedal steel, dobro en mandoline) wat meer op de voorgrond trad. David Cox (staande bas) en Travis Sinel (akoestische gitaar) vervolledigden dit wonderlijke kwartet.

Vervolgens zagen we opnieuw een Baskische groep (uit Gexto) aan het werk, Dead Bronco . Dit keer geen feestband maar een groep die resoluut zijn eigen weg zocht richting punk geïnspireerde rootsrock. Voornaamste troeven waren de machtige stem van de in Florida geboren Matt Horan en de rock-‘n-rollgitaar van Manu Heredia. Tussen de sterke eigen nummers ontwaarde ik ook “Honky tonk blues” van alweer ene Hank Williams.

Deze mooie maar vermoeiende dag (het was dan al kwart voor één) werd afgesloten door Scott H. Biram, one-man-band extraordinair uit Austin, Texas. Rad van tong, niet om een kwinkslag verlegen, met een hoek af maar vooral toch met een stapel fantastische songs onder de arm. Denk maar aan “Victory song” of “Still drunk, still crazy, still blue” die hier in al hun pracht mochten fonkelen. De man moest de volgende dag op een bluegrass festival spelen en vroeg zich af wat hij daar moest gaan doen en probeerde dan maar een Jimmy Martin nummer uit. Een andere cover was dan weer Doc Watson’s “Freight train blues”. En toen hij “Only whiskey” aankondigde werd er hem prompt één aangeboden uit het publiek. Machtig en hartverwarmend optreden!

dag 3 – zondag 25 juni 2017

Eén uur was net iets te vroeg voor mijn stramme knoken waardoor ik Darren Eedens & The Slim Pickins miste. Wel op post voor AJ Gaither OMB en gelukkig maar. Die OMB staat voor one man band en dit was er eentje die zelf zijn instrumenten in elkaar knutselde. Maar liefst vier “gitaren” gemaakt uit sigarenkistjes had hij bij en ook nog een Diddley Bow, een zeer primitief instrument met één snaar. Bovendien maakte hij er uitstekende muziek mee gaande van junkgrass blues tot barroom gospel. Warme set van een dankbare kerel.

Slack Bird uit Finland bleek een gemengd duo. Hij zorgde voor de zang, gitaar en stompbox, zij hanteerde de accordeon. Folksongs zowel in het Engels als in het Fins. De eerste categorie kon me maar matig boeien wegens teveel platgetreden paden. De nummers in hun moedertaal daarentegen waren onbekend terrein en nodigden wel uit om er zich in te verdiepen.

Met The Harmed Brothers (Portland, Oregon) kregen we opnieuw een duo, drie vijfden van de groep was immers thuis gebleven. Ray Vietti op gitaar en Alex Salcido op banjo (beiden zongen) brachten zonovergoten americana waarvan het uitstekend genieten zou zijn op een terrasje met een ferme aperitief voor de neus. Helaas stond ik in een tent met een bekertje koffie in mijn hand. De rest van het volk deelde duidelijk mijn mening niet en trakteerden de twee op een oorverdovend applaus. Opmerkelijk : Salcido was de enige kerel die ik niet zag wroeten om zijn banjo gestemd te krijgen.

(The real) John Lewis uit Penarth, Wales stond er helemaal alleen voor maar dat gevoel kreeg je nooit. De man heeft meer uitstraling dan de meeste groepen van drie of vier man. Een enorme persoonlijkheid, een messcherp gevoel voor humor, een stem als een klok en dan nog eens uitblinken op gitaar! Rockabilly, roots, americana, covers van Woody Guthrie, Merle Haggard (The bottle let me down) en een magistraal “Ramblin’ man” van Hank Williams (misschien wel hét moment van Muddy Roots 2017). Ook zijn eigen songs klonken alsof je ze al heel je leven kende. Op het einde nodigde hij ons uit om in zijn band te spelen en toen er iemand vroeg wat dat betaalde antwoordde hij kurkdroog : “Free sex”. Geweldige kerel!

Daarna werd het stilaan tijd voor een feestje en we werden op onze wenken bediend door Black Irish Texas uit Austin, Texas. Er werd wat melig geopend met één of andere deun van Ennio Morricone maar daarna was het hek van de dam. Met zijn vijven (staande bas, fiddle, drums, gitaar en mandoline ploegden ze zich door een reeks Iers geïnspireerde rockabilly/hillbilly songs. De zang deed me soms denken aan Shane MacGowan terwijl The Goddamn Gallows gecoverd werden, zo weet je meteen in welke richting je moet zoeken. Party music waarbij Dylan Walshe ook nog eens op het podium werd geroepen.

Intussen brak het moment aan om de groep waar ik het meest naar uitkeek op de stage te verwelkomen. The Bonnevilles, twee lads uit Lurgan, Noord-Ierland brachten vorig jaar met “Arrow pierce my heart” een uitstekende plaat uit terwijl ze ook live vele potten braken, zo kon ik constateren in Namur. Ook hier, opnieuw in zwarte broek, wit hemd en zwarte das, waren ze niet te stuiten. Zelfs een voortdurend kapseizende dronkenlap die obscene gebaren maakte net voor het podium kon hen niet uit het lood slaan. Ze konden er om lachen en drummer Chris McMullan ging hem zelfs even knuffelen. Een typisch beeld eigenlijk van de wonderlijke sfeer die hier heerste. Strakke garage punk blues werd ons deel. Het Europese antwoord op Left Lane Cruiser als het ware maar dan net ietsje meer rock-‘n-roll. Live klonk de flegmatieke (gans het optreden met een kauwgum in de mond) zanger Andrew McGibbon een stuk rauwer dan op plaat wat mooi meegenomen was terwijl drummer McMullan er eentje van de explosieve soort was. Songs als splinterbommetjes geplukt uit hun drie platen met als bonus een magnetiserende Bukka White cover. Mooi!

Veel tijd om op adem te komen was er niet want ik wou onder geen beding Bob Wayne (de zingende stoomfluit uit Nashville) missen. Vergeleken bij zijn optreden vorig jaar in Leffinge bleek zijn begeleidingsband, The Outlaw Carnies, volledig uit nieuwe gezichten te bestaan. Geen Braziliaanse banjospeler meer, dit keer was de blikvanger ongetwijfeld de gitarist die tevens de lap steel voor zijn rekening nam. Bob Wayne bleek nog steeds een vat vol grappen en grollen maar vond toch het perfecte evenwicht tussen kolder en muziek. Zijn fucked up country klonk verrassend strak. Naast de gekende meezingers zoals “Spread my ashes on the highway” en “Till the wheels fall off” (dat laatste zelfs met een heuse polonaise in de tent waarin ook Andrew van The Bonnevilles meeliep) hoorden we ook een drietal nummers uit een gloednieuwe plaat. Die klonken wat ingetogener maar moesten absoluut niet onderdoen voor het oudere werk.

Wie dacht dat we het met Bob Wayne nu wel alle geschifte frontmannen gehad hadden was eraan voor de moeite. Met Nic Roulette, zanger van Hillbilly Casino (Nashville) bleek het nog gekker te kunnen. Dit leek wel Fonzy onder de amfetamines zoals hij om de twintig seconden zijn vetkuif kamde, vervaarlijk met zijn microfoon stond te zwaaien of op een stoel balanceerde. Ook hun muziek klonk aanvankelijk halsbrekend : rockabilly of psychobilly gebracht met de intensiteit van een hardcoreband waarbij gitarist Ronnie Crutchero het vuur telkens nog wat oppookte. Dat hij daarbij soms de grens met metal overschreed zagen we graag door de vingers. Na een groot half uur ging de orkaan wat liggen en werd de violist van Black Irish Texas op het podium uitgenodigd om er samen met  Crutcero, nu op banjo, een lange instrumental uit te knijpen. Het werd een waar kippenvelmoment. Vervolgens mocht ook James Hunnicutt opdraven maar dat leverde niets op en vanaf dat moment zakte het peil van de set naar ongekende diepten. “Scumbag pompadour” was misschien nog een opflakkering maar de groep die nochtans zo strak en snedig begon klonk nu lamlendig en oeverloos. Bovendien bleef Roulette maar dooremmeren over “real american music”...
Na anderhalf uur hield ik het voor bekeken en achteraf hoorde ik dat ze het nog een half uur langer hadden volgehouden. Jammer. In de beperking kan soms grote kunst schuilen.

Maar laten we niet janken, Muddy Roots Europe 2017 was een bijzonder fijn festival vol muzikale hoogtepunten!

Info http://www.muddyrootsrecords.com
Organisatie: Muddy Roots Festival 2017

 

GravelRoad - Met veel respect en passie
GravelRoad
café de Zwerver
Leffinge
2017-06-16
Ollie Nollet

Met hun achtste, ‘Capitol Hill Country Blues’, maakte GravelRoad uit Seattle één van de betere platen van het voorjaar en dat was De Zwerver, zoals steeds met de vinger aan de pols, niet ontgaan. De plaat, die geproducet werd door Jack Endino (Nirvana, Soundgarden, Mudhoney,...), is niet meteen te catalogeren en blaast je ook niet van bij de eerste minuten omver maar heeft wel een onverklaarbare aantrekkingskracht die bij iedere beluistering groeit.
En zoals ik vooraf vermoedde en vooral hoopte wisten ze die aantrekkingskracht op het podium nog eens extra te kristalliseren.

Drie eenvoudige kerels die je niet kon betrappen op zelfs de minste zweem van pretentie maar wel een grenzeloze passie voor muziek uitstraalden en veel respect betoonden aan hun helden die zich situeerden in de Fat Possum-stal van rond de eeuwwisseling.
Vooral T-Model Ford, met wie ze een drietal jaar tourden en twee platen opnamen, werd meermaals bewierookt. Een tweetal covers van de man konden dan ook niet uitblijven. Maar ook RL Burnside (“Fireman rings the bell”) en de onvolprezen Junior Kimbrough (“Sad days lonely nights”) vielen die eer te beurt. Dat laatste bezorgde me bijna een delirium maar dit geheel ter zijde.
Toch moest hun eigen werk absoluut niet onderdoen voor deze covers, integendeel. Er werd vooral geput uit hun laatste worp maar ook de drie voorgaande platen en een binnenkort te verschijnen gloednieuw album kwamen ruimschoots aan bod.
Hun stijl bleek live al even moeilijk te definiëren. Basis bleef evenwel steeds de deep (trance) blues waaraan dan elementen uit uiteenlopende genres als psychedelica, southern rock, garagerock, hardrock of punk werden toegevoegd om zo een unieke sound te creëren. Centraal stond de immer subtiele, wat loom klinkende gitaar van zanger Stefan Zillioux die vakkundig begeleid werd door een erg wendbare zessnarige bas (Joe Johnson) en de stevige drums van Martin Reinsel. Die laatste fungeerde ook als spreekbuis en zorgde met zijn bindteksten (Seattle is net als België, het regent er ook elke dag) meermaals voor hilariteit terwijl zijn grijns Jack Nicholson uit The Shining liet verbleken.
Hoogtepunten vraagt u? Ik hoorde haast niets anders. Toch wil ik graag het slepende en lijzig gezongen “Back yard” vermelden of het lange Black Sabbathiaanse “Asteroid”.
Mijn favoriet, het instrumentale “Green lungs”, haalde die kwalificatie net niet omdat die, voortdurend aan de ketting rammelende, tweede gitaar van op de plaat hier noodgedwongen ontbrak. Jon Kirby Newman was er immers niet bij maar zelfs dat kon mijn euforie niet temperen.

En, alsof we dat al niet wisten, bewees GravelRoad tijdens de bisnummers dat ze niet voor één gat te vangen zijn met twee ultrakorte, nijdige punksongs (“Monkey with a wig” en “Medpass”).
Concertje om in te lijsten!

… Wwie ze alsnog wil zien : 01/07 De Giraf, Zwalm

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge   

Godspeed You! Black Emperor - In alle opzichten groots en indrukwekkend
Godspeed You! Black Emperor
Kraterfront (Kemmelstraat)
Heuvelland
2017-06-10
Ollie Nollet

In het kader van de WO1-herdenkingen van GoneWest werden de Canadese postrockpioniers, Godspeed You! Black Emperor, uitgenodigd bij een participatieproject rond het kraterlandschap in Heuvelland. Die kraters ontstonden na één van de bloedigste episodes uit de Eerste Wereldoorlog. 19 dieptemijnen werden tegelijkertijd onder de Duitse stellingen tot ontploffing gebracht en zorgden zo voor de grootste niet-nucleaire ontploffing uit de militaire geschiedenis. Het werd een succesje voor de geallieerden maar de menselijke tol was bijzonder groot (42.000 slachtoffers) en dat voor enkele kilometers terreinwinst in een uitzichtloze oorlog.

Nadat onder andere Ozark Henry en Wannes Capelle het beste van zichzelf hadden gegeven op een ander podium (Zero Hour) begon om 22u Het Kraterfront met een videocreatie van de kunstenares Shelbatra Jashari. Het werd een ingetogen moment waarin sobere beelden geprojecteerd werden op een ‘human screen’ (gevormd door honderd mensen in een wit schilderspak) terwijl we een tikmachine hoorden ratelen of een oorlogsvliegtuig voorbij hoorden razen. Knap!

Het was een gedurfde keuze om het eigenzinnige ensemble, Godspeed You! Black Emperor, aan te trekken voor dit evenement maar al vlug bleek dat het de juiste was. Terwijl voor het podium 2100, door kinderen versierde, kaarsjes flikkerden opende GY!BE hun set met “Hope drone”. Het nummer mag dan al “Hope drone” heten, de haperende violen creëerden onheilszwangere klanken die in combinatie met de ‘smeulende’ velden van Heuvelland voor een beklemmende sfeer zorgden. Het nummer liep naadloos over in het, van een weelderige melodie voorziene, “Buildings”, dat gedragen werd door majestueuze gitaren. Intussen zorgden de installaties bij de kraters op de achtergrond voor sobere maar gesmaakte lichteffecten. En plots kwam daar nog een andere speler een hoofdrol opeisen : een rijzende, volle maan die van achter het podium te voorschijn kwam piepen. Voor deze gelegenheid had GY!BE een nieuw nummer gecomponeerd dat wat weggemoffeld zat midden in de set en ook niet aangekondigd werd. Het werd een lang en complex nummer waarbij twee blazers mochten opdraven. Niet dat ik ze kon zien want vanop mijn plaats in de tribune (ondanks de immens vele voorbehouden plaatsen had ik toch nog een strategisch comfortabele plaats weten te bemachtigen) kon ik niet eens uitmaken hoeveel man er op het podium stond. Daarvoor was da afstand wegens de kaarsenweide en de staanplaatsen te groot terwijl de groep dan ook nog eens in het duister speelde omwille van de geprojecteerde beelden. Dat gemis werd evenwel ruimschoots gecompenseerd door een overweldigend panorama annex lichtshow. Of er in dat nieuwe nummer muzikale verwijzingen naar de oorlog te horen waren laat ik in het midden maar mits enige verbeelding kon men in hun soms apocalyptisch aandoende soundscapes voortdurend de atmosfeer van honderd jaar geleden inademen.

Kraterfront was in alle opzichten groots en indrukwekkend!

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/kraterfront-2017/

Organisatie: GoneWest

Kolfskop, een bont uitgedost trio uit Gent (veel kleren hadden ze eigenlijk niet aan), mocht er met een nieuwe EP, ‘Cambozola Superster’, onder de arm, de avond openen. Het begon veelbelovend met “De strooptocht van de legermieren”, een potige rocksong waarvan de gitaar geleend leek bij Captain Beefheart’s Magic Band. De drie zweren bij een mix van rock en cabaret maar wanneer de balans overhelde naar dat laatste werd het toch iets minder. Vooral die geforceerde stemoefeningen schoten hun doel wat voorbij. Gelukkig bleven er genoeg momenten over waarin het gepingel achterwege bleef en de groep voluit mocht gaan want dan bleek dat Kolfskop tot grootse dingen in staat was. Die stevige onconventionele rock met absurde teksten, zowel in het Nederlands als het Engels, kwam zelfs een verdwaalde keer in de buurt van Zappa en ook het van een nieuwe tekst voorziene “Kaap’ren varen” liet me goedkeurend knikken. En wie er niet van hield kon nog altijd kijken naar ‘Zardoz’, een campy sf film van John Boorman met Sean Connery en Charlotte Rampling, die de ganse set meeliep.

Ik zag The Hackensaw Boys uit Charlottesville, Virginia tweemaal eerder en was daar telkens danig van onder de indruk: in 2004, het jaar dat ze in de Vera Poll de prijs voor beste concert wonnen (wat toch iets wil zeggen) en in 2007. Sindsdien is er veel veranderd en kende de groep nogal wat personeelswisselingen. De groep kan bogen op een lijst van maar liefst 17 ex-leden waarvan de bekendste wellicht Pokey LaFarge, die in 2006 eventjes hun mandolinespeler was. Intussen is de groep, die oorspronkelijk zes leden telde, herleid tot drie, op deze tour aangevuld met een extra vierde man op staande bas en een enkele keer op banjo. Ook muzikaal vond er een lichte koerswijziging plaats. Zanger-gitarist David Sickmen, die de groep na een afwezigheid van zeven jaar, in 2012 opnieuw vervoegde drukt meer dan ooit zijn stempel op The Hackensaw Boys. De punkspirit en de duizelingwekkend snel gespeelde nummers bleven grotendeels achterwege. Zo komt de focus meer te liggen bij de songs zelf, die nog steeds met een intense gretigheid voor het voetlicht worden gebracht, zo bleek in Diksmuide.
Het was even wennen maar na een tijdje was er geen ontkomen aan en kwam de pure klasse bovendrijven. Traditionele Appalachenmuziek, bluegrass, hillbilly, American folk of hoe je het ook noemen wilt, The Hackensaw Boys gaven er hun in eigen draai aan in simpele, maar telkens van mooie melodieën voorziene, songs.
Knap gezongen met die bruine stem van David Sickmen maar de blikvanger van de groep was toch Ferd Moyse. Voortdurend dansend en jonglerend met zijn hoedje bleef hij imponeren op de fiddle terwijl ook hij enkele nummers mocht zingen. Al even bepalend voor hun unieke geluid was Brian Gorby op basdrum en charismo. Die charismo, tevens titel van hun vorig jaar verschenen plaat, is een zelf in elkaar geknutseld percussie-instrument dat hoofdzakelijk bestond uit gerecycleerde conservenblikken. Terwijl David Sickmen de ene snaar na de andere brak – iemand hield zich zelfs continu bezig met het vervangen ervan – bleven de pareltjes elkaar opvolgen in een set die zowat twee uur duurde.
Op het einde werd het nog helemaal mooi en hartverwarmend toen de vier het podium lieten voor wat het was om onversterkt tussen het volk te gaan spelen. In die intieme setting kregen we nog vier songs en dat waren zeker niet van de minste : “Alabama shamrock”!, “Smilin’ must mean something”!, ...

Het werd een lange rit maar vervelen deed het geen seconde. The Hackensaw Boys blijven absolute top.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Les Nuits Botanique 2017 - Thee Oh Sees, La Jungle + The Glücks
Les Nuits Botanique 2017
Botanique (Chapiteau)
Brussel
2017-05-21
Ollie Nollet

Thee Oh Sees, La Jungle + The Glücks - Nacht van de drummer

Een gebrek aan veelzijdigheid kan je Les Nuits Botanique zeker niet verwijten. Er stond zelfs een avondje garagerock op het menu met Thee Oh Sees die zowaar de Chapiteau wisten uit te verkopen. Wat zijn die jongens populair aan het worden... Het werd een bijzonder mooie avond waarin het eerbare ambacht van de drummer een verdiende opwaardering kreeg.

Garagerock? Dan kun je er bijna gif op innemen dat The Glücks er ook zullen zijn. Vlaanderens hardst werkende garageband ontbrak hier dan ook niet. Dit was de groep waarin de drums het minst prominent aanwezig waren hoewel ik Tina nooit eerder op zo’n hoge troon bezig zag. Dit duo uit Oostende staat nog steeds garant voor een portie onversneden kamikaze rock-‘n-roll waarin de geest van Lux Interior rusteloos rondwaart. Tonnen fuzz, overstuurde zang waarbij de micro meermaals in het keelgat van Alek dreigde te verdwijnen en een enorme ontlading aan energie vormen nog steeds de pijlers van hun eigenzinnige interpretatie van garagerock. Nog steeds stomend en opwindend maar na de talloze keren dat ik ze nu al bezig zag begin ik me toch voorzichtig af te vragen of het niet stilaan tijd wordt om, al is het maar in een paar nummers, eens iets anders te proberen.

Wie La Jungle buiten de tent hoorde, zonder ze te zien, moet zich ongetwijfeld hebben afgevraagd of hij zich niet per abuis bij één of andere danstent bevond. Garagerock was dit allerminst, een zinderende mix van techno, rock en noise des te meer. Een formule die zeker reeds eerder geprobeerd is maar me zelden langer dan tien minuten kon boeien, veelal omdat het spook van de platte commercie telkens kwam opduiken.
Hier niet dus omdat dit duo uit Bergen toch iets meer bracht dan wat rock met een vette dancebeat onder. Meestal speelde de hyperkinetische Mathieu Flasse wat simpele, krautrock gerelateerde, synths in die hij vervolgens door een loop station joeg terwijl naast hem de sensationele drummer, Rémy Venant, zich in het zweet mocht werken. Soms kwam er ook een gitaar aan te pas die dan verrassend smerig uit de hoek kwam. Zo goed als volledig instrumentaal en de tekst in “Hahehiho” beperkte zich tot de titel om vervolgens als loop enkele versnellingen hoger te worden afgespeeld. Het leek een vreemde combinatie : het organisch geluid van een volbloed rockdrummer koppelen aan dance gerichte synths maar hier werkte het meer dan uitstekend.

Om één of andere duistere reden miste ik Thee Oh Sees tijdens hun vorige tournee. Dit was dus mijn eerste kennismaking met de nieuwe bezetting. Geen Brigid Dawson, Petey Dammit of Mike Shoun meer, ik miste ze wel een beetje omdat ze toch een wezenlijk onderdeel van de groep leken te zijn. Maar goed, niets blijft eeuwig duren en Thee Oh Sees zijn meer dan ooit John Dwyer.
Sinds het vertrek van de oerleden was het een komen en gaan maar als ik het goed heb , ziet de bezetting er momenteel zo uit : Tim Hellman (Sic Alps) op bas en centraal vooraan de twee drummers, Dan Rincon en Paul Quattrone (!!!, Modey Lemon). Met het aantrekken van een extra drummer lijkt Dwyer definitief voor die geheel eigen, monstueuze sound gekozen te hebben.
Weg zijn de verstilde nummers, laat staan dat hij zijn dwarsfluit nog eens zou bovenhalen. Nee, de gitaar (een exemplaar met doorzichtige body), daar draait alles rond. Hij liet het ding, net onder de kin gehouden, scheuren, piepen, knarsen en hanteerde het als was het oorlogswapen.
Zoals altijd in korte broek (met indrukwekkende tattoo’s op de kuiten) begon Dwyer zijn set met een wild en galmend “Plastic plant”. Een imponerende start en minder dan dat zou het nooit worden. Een concert op orkaankracht waarin weinig plaats was voor adempauzes. Beukende psychedelica, gezongen met dat gekke stemmetje, die telkens net niet ontspoorde door het stevige karkas van drums en bas. Even had ik gevreesd dat, met het vertrek van Brigid Dawson, mijn favoriete Oh Sees-song, “Sticky hulks”, er niet meer bij zou zijn. Maar als voorlaatste nummer was het daar plots toch met een John Dwyer die dan maar zelf de toetsen voor zijn rekening nam. Ook hier bleek het een tijdloos en majestueus epos. Afgesloten werd er met een ellenlang “Contraption” waarin Dwyer nog eens totaal loos ging op zijn gitaar. Murw maar tevreden kon ik enkel constateren dat The Oh Sees ook in deze bezetting live nog steeds tot het beste behoren wat er momenteel op een podium te vinden valt.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/la-jungle-21-05-2017/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/thee-oh-sees-21-05-2017/
Andere zalen
Arno, Girls In Hawaii, Mélanie De Biasio (avec Musiques Nouvelles: Ensemble à cordes et fanfare) – zondag 21 mei 2017 – Koninklijk Circus
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/arno-21-05-2017/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/girls-in-hawaii-21-05-2017/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/melanie-de-biasio-21-05-2017/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/musiques-nouvelles-21-05-2017/

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Bota 2017)

dinsdag 09 mei 2017 03:00

The Devils - Brutale kaakslag

The Devils - Brutale kaakslag
The Devils
Pit’s
Kortrijk
2017-05-07
Ollie Nollet

Openers van dienst waren Josy & The Pony uit Charleroi en omstreken. Dit project dat nogal eens van naam durft te veranderen en de zegen geniet van het geprezen Rockerill Records bestaat uit het gemaskerde zangeresje, Josette Ponette en The Poneymen, zijnde vier vreemde wezens half mens half pony, waarbij twee valsspelers die gewoon een masker over hun hoofd hadden getrokken. Het vreemde gezelschap begon met een paar knappe en stevige instrumentals, powersurf die soms deed denken aan Man Or Astroman en voorzien was van een mespuntje Morricone. Daarna voegde de niet altijd even gelukkige zang van Josy daar nog een element yé-yé aan toe. Josy, die ons toesprak in een hilarisch schoolnederlands bleek een en al ontwapenende charme maar haar gekweel begon me na een tijdje toch op de zenuwen te werken (daar kon zelfs haar cover van “Surfin’ USA” niets aan verhelpen) terwijl ze me ook nog eens in verlegenheid bracht door ongegeneerd en kortgerokt vlak naast me op de toog te gaan staan. Maar de momenten dat ze zich terugtrok achter haar orgel kwam telkens de onmiskenbare klasse van deze band, met twee excellente gitaristen in de rangen, bovendrijven zoals tijdens de verrassende uitsmijter, die zowaar aan Sonic Youth refereerde.

The Devils, niet te verwarren met het pre Duran Duran groepje van Nick Rhodes en Stephen Duffy, zijn een blasfemisch rock-‘n-roll duo uit Napels dat zijn naam vond bij de gelijknamige B-film van Kurt Russel. Duidelijk worstelend met het katholicisme loopt Gianni Vessella erbij als een priester terwijl Erica Toraldo zich kleedt als een non. Maar de nonnen die ik heb gekend frequenteerden toch duidelijk een andere kleermaker.
Dergelijke knap gevonden gimmicks overschaduwen meestal het muzikale of, erger nog, verdoezelen het gebrek daaraan maar dat was hier allerminst het geval.
Hun doortocht in de Pit’s kwam aan als een brutale kaakslag en zal niet licht vergeten worden. Niet voor niets vonden The Devils dan ook onderdak bij Voodoo Rhythm Records en was Jim Diamond (ex Dirtbombs) bereid hun plaatje, ‘Sin, you sinners’ te producen.
Razende punk en furieuze trash rock-‘n-roll wisten de gemoederen danig te verhitten. Ultrakorte nummers die ons geen adempauze gunden met een als een bezetene drummende Toraldo, een gitaar die het equivalent had van een bende losgeslagen buffels en verheven lyrics die tierend het café in werden gekatapulteerd. Die dolgedraaide razernij verhinderde niet dat die explosieve songs wel degelijk knap in elkaar zaten terwijl die moordende riffs me af en toe deden denken aan The White Stripes, getroffen door een vlaag van complete zinsverbijstering.
Kortom, een welgekomen shot adrenaline van een duo dat feilloos op elkaar is ingespeeld, zodanig zelfs dat het hoofd van Vessella een paar keer volledig onder Erica’s habijt verdween.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

Voor een iets te magere opkomst (daar zal de moordende concurrentie van zowel De Zwerver als The Pit’s, die diezelfde avond allen in dezelfde vijver visten, wel voor iets tussen zitten) mochten eerst Doorniks fijnsten, Sects Tape, hun nieuwe plaat met de heerlijke titel, ‘We’re all pink inside’, voorstellen. Deze religieuze organisatie, bestaande uit The Guru en vier volgelingen getooid met roze KKK-mutsen, vlogen er meteen in met een ongecompliceerde mix van garagerock, punk, hardcore en surf. Immer voortdenderende nummers gestuwd door pompende drums en voorzien van lekker galmende surfgitaren , konden ons hart wat sneller laten kloppen maar de uitzinnige taferelen die hier doorgaans mee gepaard gaan bleven wegens een wat overmaatse zaal uit. Net toen het wat teveel van hetzelfde dreigde te worden haalden ze het tempo naar beneden en dat zonder op hun bek te gaan. Wel integendeel, vooral dat ene traag startende nummer met een gitaar die gepikt leek uit het graf van Link Wray moet zowat het beste van de ganse set geweest zijn.

De muziek van The Blind Shake, het trio rond de broertjes Blaha uit Minneapolis, wordt nogal eens omschreven als surfpunk. Veel surf heb ik evenwel niet gehoord, dit was vooral postpunk met veel noise invloeden gebracht met een garage attitude. Misschien moeilijk te catalogeren maar één ding werd wel meteen duidelijk : dit was een echte live band. Wat een brok tomeloze energie!
Vanaf het eerste nummer, “I shot all the birds”, wist je dat dit goed zat. Catchy, fuzzed out punksongs voortgestuwd door waanzinnige drums en de voortdurend prominent aanwezige, wild resonerende bariton gitaar van Mike Blaha. Geen bas dus maar deze bariton gitaar is een stuk soepeler en zorgde voor het opzwepend karakter van hun eigenzinnige sound.
Broer Jim liet op zijn beurt zijn gitaar bijna verzuipen in spacey effecten terwijl hij zijn teksten nijdig krijsend door de microfoon joeg. En of dit werkte... Dit klonk verrassend aanstekelijk en liet zelfs de heupen niet onbewogen. Wat springerig ook waardoor ik meende wat invloeden van Devo te horen.
Slechts een paar keer liep het wat minder toen het echt wel te poppy werd. Maar dat werd dan weer snel goedgemaakt door een paar nummers waarin het gaspedaal wat gelost werd en die gehuld waren in een mysterieuze en broeierige atmosfeer. Wat bewees dat ze zoveel meer zijn dan zomaar een punkbandje. Na een strakke en verrassend sterke set sprong Mike Blaha meteen van het podium om koers te zetten naar de merchandise stand.
Geen ruimte dus voor bissen en daar kon het enorme gebulder van het publiek, dat lang bleef aandringen, niets aan verhelpen.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

woensdag 19 april 2017 03:00

Whitney Rose - Wat een stem!!!

Opnieuw een mooie avond in café De Zwerver, dit keer met Whitney Rose, een Canadese schone (nooit eerder werd er hier zoveel gefotografeerd!) die zich na een reeks omzwervingen in Austin, Texas heeft gesetteld. Meteen kreeg deze frêle jongedame het talrijk opgekomen publiek op de knieën met haar indrukwekkende, loepzuivere stem.

Uiteraard wist ze zich geruggensteund door een uitstekende band : Andrew Pacheco op bas, Kyle Sullivan op drums en uitblinker Will Meadows op een heerlijk twangende gitaar. Samen brachten ze erg traditioneel klinkende country waar af en toe een scheutje pop aan toegevoegd werd. Zelf beweert la Rose te zijn beïnvloed door Dolly Parton, Patsy Cline en Keith Whitley en als dat zo is resulteerde dat in enkele knappe eigen songs waarvan “ The devil borrowed my boots” één van de absolute uitschieters was.
Heel wat covers ook en die waren niet altijd even gelukkig gekozen. Zo kregen we al heel vroeg het van Elvis gekende “Suspicious minds”, niet onaardig maar hier zat ik echt niet op te wachten. Dan liever het door een mij totaal onbekende Brennen Leigh geschreven “Analog”. Rose kwam haar nieuwe EP ‘South Texas suite’ voorstellen maar er was ook plaats voor enkele gloednieuwe songs waarvan vooral “Arizona” ons reikhalzend doet uitzien naar het nieuwe full album, dat eraan zit te komen.
Hoogtepunt van de avond en daar zal iedereen het met me over eens zijn was dan toch nog een cover : een verpulverende versie van “You don’t own me” (Lesley Gore) waarvoor Whitney Rose vocaal werkelijk alles uit de kast haalde. Een onwaarschijnlijke prestatie waarna ze toch even op adem moest komen.
Na een mooie set volgden nog drie bissen. Eerst mocht Will Meadows zijn beheerste gitaarspel etaleren in een erg gesmaakte instrumental waarna Whitney haar tanden zette in “Stand by your man” van Tammy Wynette. Mooi maar een tour de force zoals we die enkele minuten voordien hadden gehoord zat er niet meer in.
Uiteindelijk werd er in schoonheid afgesloten met “Tonight the bottle let me down” van de blijkbaar door vele aanwezigen geliefde Merle Haggard.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge   

Leffinge

Rust On The Rails - American Aussie Roots
Rust On The Rails
café De Zwerver
Leffinge
2017-04-12
Ollie Nollet

Nog voor we een noot hadden gehoord werden we meteen al uitvoerig bedankt voor ‘supporting live music’ waarna Rust On The Rails zijn tanden zette in een avondvullend programma van maar liefst bijna twee uur.

Had daar niet wat in gesnoeid kunnen worden? Zeer zeker, trouwens de groepen die een volle twee uur kunnen boeien zijn een zeldzaam goed, maar het eindresultaat was toch overwegend positief. Slechts een paar keer liep het bijna mis en kwamen ze akelig dicht in de buurt van compleet foute Amerikaanse stadionacts wat dan vooral de schuld was van de gezwollen zang van Cody Beebe. Eddie Vedder zal hem wellicht niet vreemd zijn.
Maar de sound die ze wisten te creëren bleek toch behoorlijk inventief. Lekker swampy en gestut door een, net niet te, heavy klinkende ritmesectie. Zowel bassist Eric Miller als drummer Chris Lucier waren verbluffend sterk aanwezig en hadden duidelijk roots in de grunge. De band heeft trouwens Seattle als thuisbasis. En dan was er nog de wonderlijke Blake Noble die met zijn didgeridoo en een, niet zelden, als percussie-instrument gebruikte akoestische gitaar voor een vreemd broeierig sfeertje zorgde die soms deed denken aan 16 Horsepower.
Midden in de set mocht hij plots zijn eigen ding doen, eerst solo daarna met de hulp van de drummer, en werd ons duidelijk waarom Rust On The Rails hun muziek omschrijft als ‘American Aussie Roots’. Noble, een uitgeweken Australiër, initieerde ons in de fascinerende wereld van de didgeridoo en bracht vervolgens enkele van de aboriginals geleende nummers waarbij hij al zijn duivels ontbond op zijn twaalfsnarige gitaar, een ding dat ternauwernood bij elkaar gehouden werd met zwarte tape.
Na dit indrukwekkend intermezzo zorgde Rust On The Rails nog voor een dampende en foutloze finale waarbij enkele instrumenten driftig van eigenaar wisselden. Oh , en dan vergeet ik nog te melden dat de verloofde van de drummer, net overgevlogen uit Seattle, ook een (erg funky klinkend) nummer had mogen kwelen. Sympathiek, maar zeker niet meer dan dat.

Mooie set maar mits wat kortwieken had het zeker nog beter gekund.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Pagina 8 van 15