• Democrazy Gent: events
    Democrazy Gent: events Democrazy Gent: events Wegens het coronavirus , alle concerten opgeschort in het voorjaar! Geen gewone Gentse Feesten dit jaar, maar…

zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

donderdag 26 januari 2017 01:00

James Leg - Nog steeds in bloedvorm


James Leg - Nog steeds in bloedvorm
James Leg
Bar Live
Roubaix
2016-01-24
Ollie Nollet

Er diende voor dit optreden in allerijl een nieuwe locatie gezocht te worden daar El Diablo, waar James Leg oorspronkelijk ging spelen, enkele dagen voordien op politiebevel werd gesloten. Gelukkig vond men de Bar Live (voorheen le 301) bereid om hun deuren hiervoor open te stellen. Een zaaltje met een perfecte klank waar ik vroeger al eens Black Diamond Heavies aan het werk zag.

Wat kan ik nog schrijven over James Leg? Ik ben intussen al lang de tel kwijt geraakt hoeveel keer ik hem zag. Dat de Black Diamond Heavies nu toch tot een wel zeer ver verleden behoren? Slechts één song bleef er nog over : “Fever in my blood”, dat pas als allerlaatste bis werd prijsgegeven. Dat ook de gezondheidsproblemen definitief van de baan zijn? Onze held bleek in uitstekende conditie ondanks het eindeloze touren. Net als zijn ‘nieuwe’ Fender Rhodes piano trouwens, wat ooit anders is geweest. Of dat Mat Gaz, van nature uit een hardrock drummer, zich steeds beter weet in te leven in deze unieke mix van garagerock, gospel, blues en country?
De set bestond voor de helft uit nummers van de nieuwe plaat, ‘Blood on the keys’, en die klonken verrassend stuk voor stuk behoorlijk straf. Veel beter dan op de plaat, die ik trouwens erg teleurstellend vind. En dan zijn ze die songs nog ten volle aan het leren, aldus de man zelf, wat mijn vermoeden bevestigt dat ze veel te vroeg op plaat zijn gekwakt. Hier klonk alles zoveel strakker en meer vintage James Leg terwijl het op vinyl rammelt langs alle kanten.
Naast dat nieuwe geweld hoorden we onder andere nog het geweldig stompende “Do how you wanna” (te vinden op zijn eerste soloplaat) en gesmaakte covers van The Gories (“Can’t stop thinking about it”) en The Cure (“A forest). Ja, zelfs met dat laatste kon ik me verzoenen. Maar het hoogtepunt van de avond vond ik “Drink it away”, een feestelijk klinkende countryrocker, oorspronkelijk van ene Larry Doug Bales. Na wat gegoogle kwam ik te weten dat het hier gaat om een nummer van het mij totaal onbekende Uncle Lightnin’ (Bales is de drummer), een band uit Chattanooga, Tennessee, tevens de thuisstad van James Leg. Beiden werkten overigens ooit wel eens samen terwijl die Bales ook nog eens bijkluste bij Mark ‘Porkshop’ Holder van wie er één dezer dagen een plaat (‘Let it slide’) op Alive Naturalsound Records verschijnt en dat is echt iets om naar uit te zien.

Maar ik had het over James Leg in Roubaix. Wel, hij ‘stond’ er, net als in zijn hoogdagen en dat voor een uitgebreide, dolenthousiaste schare fans!

E + FireFang - Vreemde combinatie, weidse schoonheid
E
4AD
Diksmuide
2017-01-13
Ollie Nollet

Nadat FireFang amper een achttal maanden geleden boven de doopvont werd gehouden kwam het Gentse drietal nu al haar eerste cd presenteren. Het moet blijkbaar vooruitgaan. Ergens las ik dat ze hun muziek zelf omschreven als powergrunge. Wat een gruwelijk label is dat! Alsof grunge alleen al niet erg genoeg is.
Anderen meenden dan weer het Gentse antwoord op MC5 in hen te horen wat me dan toch maar deed besluiten om hier niet in een grote boog om heen te wandelen. Gelukkig maar. Firefang bleek te bestaan uit drie stoere, langharige mannen, een imago dat mooi contrasteerde met het drumstel dat teder met lichtjes versierd was en zag ik daar geen konijntje, netjes gedrapeerd op de basdrum? Vanaf het eerste nummer, gezongen door een ouderwetse telefoonhoorn wist FireFang me buiten alle verwachtingen bij de keel te grijpen. Dit was bij momenten snoeiharde rock met inderdaad veel sporen uit de grunge maar ook met genoeg rock-‘n-roll in de poriën en stevige ballen aan het lijf.
Brulboei Steven De Poorter bleef ook tijdens de zachter gezongen passages pal overeind terwijl die oude telefoonhoorn veel meer dan zomaar een gimmick was, maar eerder een welgekomen afwisseling. Op die manier kregen we eigenlijk drie zangers voor de prijs van één. Een frontman ook zoals ik ze erg graag heb, die af en toe, al dan niet gewild, het publiek schoffeerde. Dan zou ik nog bijna vergeten te melden dat hij ook als gitarist tot wonderlijke dingen in staat was, daarbij stevig op de rails gehouden door de onwrikbare ritmetandem : Bram Lesauvage (bas) en Maarten Buyst (drums).
Tijdens een magistrale eerste helft hoorde ik opvallend knappe nummers terwijl ze zelfs met een Alicia Keys cover bijzonder goed wegkwamen. Daarna werd het iets minder, vooral door het teveel terugvallen op het zacht/hard contrast en een overbodige cover van John Lennon’s “God”. Hun onstuitbare geldingsdrang zorgde ervoor dat ze bijna een uur speelden en dat was duidelijk net iets teveel van het goede.

Met wat goeie wil zou men E (de letters waren duidelijk niet in de aanbieding toen ze hun naam kozen) een supergroep kunnen noemen. De drie leden van dit nieuwe project uit Boston hebben allen hun kunnen reeds bewezen bij andere groepen, de ene al succesvoller dan de andere.
‘Grootste’ naam is ongetwijfeld Thalia Zedek die een, intussen al imposante, discografie bij elkaar heeft gesprokkeld met bands als Uzi, Live Skull, Come en de Thalia Zedek Band. Drummer Gavin McCarthy maakte voorheen het mooie weer bij Karate (meerdere malen te gast in de 4AD) terwijl gitarist Jason Sanford actief was bij Neptune, een collectief dat zijn instrumenten zelf maakte uit schroot en die mijn oren schromelijk op de proef stelde zo’n acht jaar geleden in de Pit’s. Ook hier had de man een zelfgebouwde gitaar bij, dit keer een wat lichter exemplaar dat zonder klankkast gevlochten was uit ijzerdraad. Maar ik was vooral benieuwd in welke richting Thalia Zedek het deze keer zou zoeken na haar enkele maanden eerder verschenen en toch wat teleurstellende plaat ‘Eve’.
Dit was het eerste optreden van de tour en het was dan ook niet vreemd dat het optreden wat aarzelend van start ging. En toen la Zedek ook nog eens wanhopig en vergeefs begon te zoeken naar een verloren earplug was ik er plots niet erg gerust meer in. Maar uiteindelijk viel alles op zijn plaats en werd het een concertje om in te kaderen. Nochtans maakten ze het zichzelf niet gemakkelijk. De opstelling (twee gitaren en drums zonder bas) en de minimalistische, repetitieve nummers nodigden niet meteen uit tot dansen.
E moest het meer hebben van de klankkleur en de subtiel opgebouwde spanning. De op het eerste zicht vreemde combinatie van twee gitaren die elk uit een totaal andere wereld kwamen werkte wonderwel. Het hoekige en soms bijzonder vreemde klanken uitstotende exemplaar van Jason Sanford versus de meer rock georiënteerde en niet zelden van een melancholische ondertoon voorziene gitaar van Thalia Zedek : het zorgde voor een geraffineerd klankentapijt. Minstens even belangrijk hierbij was het ronduit schitterende drumwerk van Gavin McCarthy. Alleen de murmelende zang van Sanford (ze zongen alle drie) viel me wat tegen maar dit detail weegt niet op tegen de weidse schoonheid die hier erg bescheiden voor het voetlicht werd gebracht.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

 

Robert Ellis - Balancerend tussen geniaal en irritant gesofisticeerd
Robert Ellis
café De Zwerver
Leffinge
2016-11-24
Ollie Nollet

Het was onmogelijk om geen sympathie te voelen voor Jenny O, de special guest die Robert Ellis had meegebracht. Non-conformistisch, bijna slonzig en ietwat verlegen. Hoewel, om in je eentje op het podium te klimmen in een land waarvan je alleen weet dat ze er lekkere wafels hebben (waar je dan nog geen zin in hebt ook) moet je toch enig lef hebben. Mijn vertrouwen had ze dus, alleen bleken haar songs te weinig om het lijf te hebben en niet van die aard te zijn om langer dan vijf seconden te blijven nazinderen. Toch bewees de New Yorkse naar het einde toe wat meer in haar mars te hebben dankzij enkele wel beklijvende songs die me via een vreemde hersenkronkel aan Ted Hawkins deden denken. Die simpele gitaar aanslag en zonovergoten melodie wellicht! 

Het contrast met Robert Ellis kon moeilijk groter zijn. Samen met rasmuzikanten Kelly Doyle (gitaar), Geoffrey Muller (bas) en Michael ‘Tank’ Lisenbe (drums) opende hij (gitaar/piano) met een grillige, haast dissonant klinkende brok instrumentale jazzrock. Wou hij ons hiermee op het verkeerde been zetten?  Niet echt want het label ‘alt-country’, dat hij gemakshalve opgekleefd krijgt, dekte de lading verre van volledig en bleven de jazz-invloeden zich voortdurend manifesteren. Meer nog, de momenten dat hij de geijkte paden verliet en zijn inspiratie de vrije loop kreeg waren ronduit geniaal.
Toen hij ons na een Joni Mitchell cover kwam te vertellen  dat hij gek was op haar ‘Shadows and light’-album (een live registratie met jazzcoryfeeën Pat Metheny, Jaco Pastorius en Michael Brecker in de band) wisten we nu wel zeker waar hij naartoe wou. Het was dan ook bijzonder jammer dat hij zo vaak afgleed naar veilige, akelig gesofisticeerde jazzpop waarin de perfect gespeelde noten zo risicoloos in elkaar vloeiden dat ik even vreesde voor een allergische reactie. Zelden kreeg ik zulke tegenstrijdige gevoelens bij één en hetzelfde optreden.
Toch was er één constante : die impressionant wendbare stem van Ellis die ons voortdurend aangenaam wist te verbazen. Toch had ik het gevoel dat hier meer in gezeten had. Ook al omdat hij sommige van zijn beste songs zoals “Chemical plant” opzij liet liggen. Akkoord, in het begin vroeg hij enkele keren of er requests waren (er vroegen drie mensen iets wat hij dan ook effectief speelde) maar dan ga je toch niet om zijn beste nummer staan roepen want dat komt er sowieso. Neen, dus. En dan waren er nog die ellenlange bindteksten, niet altijd even grappig gezever maar wel steeds gevolgd door een hoog hinnikend lachje. Hij zwoor dat hij niet stoned was en het gewoon zijn gevoel voor humor was. Dat gevoel deelden zijn compagnons blijkbaar niet want het leek er eerder op alsof ze last hadden van plaatsvervangende schaamte.

Vreemde kerel, die Robert Ellis, maar dat hij enorme talenten heeft, laat daar geen twijfel over bestaan. Het nu nog weten te kanaliseren.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

 

Het aloude verhaal bij The Cavemen uit Auckland, Nieuw-Zeeland. Vier tieners leren elkaar kennen op de middelbare school, zuipen zich te pletter, snuiven tussendoor wat lijm en besluiten uiteindelijk om samen een groepje te starten. Er volgt een eerste plaat waarna het zootje ongeregeld besluit de koffers te pakken om naar Londen te verhuizen om van daaruit de wereld te veroveren. Of dat lukt blijft een open vraag maar de Pit’s hebben ze alvast ingepalmd.

Wat een overweldigende indruk hebben die kerels op ons nagelaten. Lang geleden dat ik nog zo midscheeps getroffen werd door een onnozel punkbandje. Je kon je zo in 1977 wanen want dat zal dit viertal ongetwijfeld het magische jaar vinden. Toch waren The Cavemen intelligent genoeg om zich niet te angstvallig vast te klampen aan enkel en alleen onstuimige old school punk en vergrepen ze zich af en toe ook aan kwijlende rock-‘n-roll of demente hardrock.
Een ander referentiepunt waren The New York Dolls terwijl ze tussendoor ook nog eens “Hanging on the telephone” sloopten.
Bovendien hebben deze kiwi’s met zanger Paul Caveman een rasechte frontman in de rangen. Met op zijn ene arm “cretin” getatoeëerd en op zijn andere iets wat hoogstwaarschijnlijk een kerkje moet voorstellen, bleek hij voor het podium geboren. Zelfs Mick Jagger zal in zijn jonge jaren nooit zo dartel geweest zijn als deze gozer.
En ook de andere drie straalden een zelden geziene gretigheid uit. Alleen de drummer leek bij het begin door een reeks hevige hoestbuien te gaan sterven maar na een pintje of vier was hij volledig genezen. Toch ging hij één keer duidelijk in de fout toen hij een nummer te vroeg stopte maar dat hoort uiteraard bij punk.

Daarvoor hadden we al twee groepen voor de kiezen gekregen. Eerst de immer sympathieke Wild Raccoon uit het Franse Lille. In zijn eentje kon hij ons vermaken met psychedelische garagesurf. Veel reverb op de gitaar, indrukwekkende foot drums en een enkele keer een knipoog naar Ty Segall waren voldoende om zich van het grijze peloton one-man-bands te onderscheiden.

Aardig als hij is, had hij ook nog de Messieurs meegebracht. Een duo dat zich te buiten ging aan, tegen de hardcore aanleunende, punkrock en me welgeteld één nummer kon boeien. Voor de rest zat ik mijn kas op te vreten omdat de avondklok schrikbarend dichtbij kwam. Maar het was elf november en de wapenstilstand werd gelukkig ook aan de St-Rochuslaan gerespecteerd zodat The Cavemen het niet moesten doen met de resterende tien minuten maar een volledige set konden spelen.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

woensdag 09 november 2016 02:00

Steve Gunn - Vreemde blik maar hemelse muziek

Nathan Bowles uit de Piedmont in North Carolina is niet alleen de drummer van Steve Gunn maar ook lid van het erg productieve Black Twig Pickers, terwijl hij solo met ‘Whole and cloven’ ook al een derde plaat op de schappen heeft liggen. Logisch dus dat de man als opener mag fungeren in de nieuwe tour van Steve Gunn. Dat deed hij in Leffinge moederziel alleen, gezeten op een stoel met enkel een weerbarstige clawhammer banjo. Het duurde telkens nogal wat om het ding gestemd te krijgen maar eenmaal dat gelukt was wist Nathan Bowles er de wonderlijkste klanken uit te halen. Je hoorde vage echo’s uit de Appalachen folk maar Bowles zocht vooral met een virtuoze techniek zijn eigen weg. Daarbij deed hij me meer dan eens aan de legendarische gitarist John Fahey denken, vooral in die twee lang uitgesponnen instrumentale nummers waarvan “I miss my dog” een fascinerende en grillige trip was. Slechts vier nummers (het laatste met een drummer) was wat aan de korte kant maar toch ruim voldoende om me van zijn kunnen te overtuigen.

Steve Gunn, uit Brooklyn en voormalig gitarist van Kurt Vile’s The Violators, baant zich gestaag een weg naar meer erkenning. Zo liep ook De Zwerver op een doorregende maandagavond behoorlijk vol voor deze unieke artiest. En hij was er niet alleen, hij had zich omringd door een stel uitstekende muzikanten die stuk voor stuk hun sporen elders al verdiend hadden. Zo zagen we naast drummer Nathan Bowles bassist Jason Maegher, een graag geziene studiogast en lid van de No-Neck Blues Band, en de in Engeland geboren gitarist Jim Elkington die nog steeds actief is bij Eleventh Dream Day en onlangs nog mocht meespelen op een plaat van Richard Thompson.

Vanaf de eerste noten werd meteen duidelijk dat bij Steve Gunn live, meer nog dan op plaat, de gitaar centraal staat. Dit werd een waar festijn voor de liefhebbers van het zessnarige instrument. Maar ook de licht psychedelische songs met wortels in de folk mochten er zijn, telkens fris en sprankelend soms dromerig en toch goed in het vlees zittend. Echt geniaal werd het tijdens die momenten waarop de gitaren van Steve Gunn en Jim Elkington zich sensueel door elkaar wisten te strengelen. Zo zouden de Allman Brothers klinken mochten ze vandaag aan het begin van hun carrière staan was een bedenking die bij deze onmetelijke pracht door mijn gedachten flitste. Eén keer werd het veilige vangnet van de goed geconstrueerde song overboord gekieperd om het wat experimenteler aan te pakken en waarbij onze oren eventjes op de proef werden gesteld maar ook hier wist hij zich moeiteloos staande te houden. Het was meteen het einde van de reguliere set waarin het merendeel van de nummers uit de laatste en warm aanbevolen plaat, ‘Eyes on the lines’, kwamen.
Tijdens de bissen bewees hij samen met enkel Elkington dat zijn muziek ook in een intiemere setting best gedijt. Het laatste nummer bracht hij zelfs helemaal alleen. Toen hij net daarvoor wat over zijn bezorgdheid over de toekomst van zijn land kwijt wou (hij voelde de bui precies al hangen) steeg er wat geroezemoes op uit de, tot dan, muisstil gebleven zaal waarop Steve Gunn kordaat om stilte vroeg. Daarbij was geen ontkomen aan zijn priemende blik, waarmee hij voordien ook al de zaal voortdurend had doorspeurd alsof hij potentiele terroristen zocht.

Vreemde blik maar hemelse muziek.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  


King Khan & The Shrines - Zijne Majesteit omringd door wervelende Shrines

King Khan & The Shrines
Kreun
Kortrijk
2016-10-19
Ollie Nollet

Dit feestelijk avondje werd geopend door het Gentse Mind Rays. Meteen viel op dat de ongecontroleerde chaos van vroeger plaats heeft moeten ruimen voor een wat heldere structuur. Een logische en positieve evolutie hoewel ik een portie onversneden kloteherrie op tijd en stond best kan pruimen. Dit was harde, soms onbehaaglijk scheurende, garagerock waarin de waanzinnige zang gelukkig gebleven was en met veel ruimte voor de gitaar die steeds bevlogen klonk (buiten die ene keer toen hij te veel de hardere regionen opzocht). Toen die gitarist na een gebroken snaar een andere gitaar kreeg aangereikt , zorgde dit verrassend  voor een smeuïger sound. Niet alle nummers bleven overeind maar op deze Mind Rays ben ik lang nog niet uitgekeken.

Na een turbulent avontuur met The Spaceshits, een garagepunkcombo uit Montreal, begon King Khan in 1999 te Berlijn, met de toen nog Sensational geheten Shrines, een totaal ander project waarin onvervalste soul zijn plaats vond. Niet dat hij de rock-‘n-roll volledig af zwoor. Enkele jaren later al zocht hij Mark Sultan, zijn vroegere maatje bij The Spaceshits, op om als The King Khan & BBQ Show de hort op te gaan. Tot op vandaag is hij in beide ondernemingen actief.

Na een instrumental waarin meteen al bleek wat voor een schitterende muzikanten The Shrines wel zijn, kondigde de gitarist in pure Las Vegas-stijl King Khan aan waarop Zijne Majesteit in een stijf pak met glitterkraag zijn plaats kwam innemen. De band nam een ronduit verschroeiende start met “Born to die”, een geweldige soulsong met een psychedelisch randje. Dit duizelingwekkend niveau werd nog een hele tijd aangehouden waarbij The Shrines niet alleen begenadigde muzikanten bleken te zijn maar ook nog eens voor spektakel zorgden door voortdurend door elkaar heen te hossen of in het publiek te duiken. Het waren vooral de twee Fransen in de groep, orgelspeler Fredovitch en saxofonist Big Fred Roller, die hierin het verst gingen terwijl enkel de percussionist en de drummer er stoïcijns kalm bij bleven. En King Khan zelf? Die zong de sterren uit de hemel maar de James Brown danspasjes van destijds bleven evenwel achterwege. Zouden de overtollige kilo’s hier voor iets tussen zitten?
Even had ik gedacht dat hij zijn exhibitionistische trekjes had afgezworen maar halverwege de set verdween hij van het podium om terug te komen in een strak zittend pakje met nep bontkraag waarin zijn kroonjuwelen nogal verfrommeld waren opgeborgen. Bovendien bleek de achterkant op de meest strategische plaats voorzien van twee uitgesneden ‘ogen’. Potsierlijk, dat zeker maar zo kennen we hem intussen al jaren en met dit pakje was het niet eens nodig om zijn broek af te steken.

En ten slotte gaat het nog steeds om de muziek die hier steeds verder richting authentieke soul en funk afdreef en daar was ik absoluut niet rouwig om. De nieuwe single, “Children of the world”, een song geïnspireerd op het verhaal van The Invaders (militante groepering die opkwam voor de burgerrechten in Memphis waar binnenkort een documentaire van verschijnt), haalde zo duidelijk de mosterd bij James Brown. Voor de bissen was King Khan zich nogmaals gaan omkleden waardoor we nu zijn indrukwekkende pens konden bewonderen. Het werd een spetterende finale waarin Khan voor één keer zijn statische positie verliet en mee het publiek introk. King Khan, het blijft een fenomeen. Net als The Shrines trouwens.

Organisatie: Kreun, Kortrijk

 

Wat laat vertrokken in de hoop dat de eerste band, waar ik na een korte kennismaking op het net niet veel van verwachtte, reeds tot het verleden zou horen. Niets was echter minder waar, La Jungle (een duo uit Mons) moest er nog aan beginnen en dat werd verdomd een aangename verrassing. Zelf omschrijven ze hun muziek als techno/kraut/trance/noise. Een bizarre combinatie die grotendeels klopte. De gitarist kon keer op keer verrassen met noise-achtige repetitieve motieven en liet een onzichtbare maar infecterende (techno) basbeat meelopen die voor een onweerstaanbare groove zorgde. En dan was er nog Rémy, een explosieve drummer, die ik aan het lijstje met fenomenale drummers die ik dit jaar zag gerust mag toevoegen, als kers op de taart. Slechts een paar keer deed de gitarist een voorzichtige poging om iets te zingen of was dat dan toch slechts een gevolg van acute kiespijn?

Het Tsjechische Uz jsme doma (spreek uit als oosh-smeh-dough-ma) heeft het communistisch regime nog meegemaakt en gaat dus al bijzonder lang mee (sinds ‘85). Al gaat het hier om voorman Miroslav Wanek die steeds andere muzikanten recruteert, de groep heeft toch een indrukwekkende staat van dienst waarin o.a. een samenwerking met The Residents. Hun muziek wordt doorgaans omschreven als complexe avant-garde met een punkspirit en een activistisch hart waarbij de nodige humor niet geschuwd wordt. Een hele hap maar dat was wel ongeveer hetgeen ik zag en hoorde, alleen die complexe avant-garde klonk hier verbazend toegankelijk.
Nee, die grillige structuren vonden ze eerder in de seventies progrock die ze verder bijkleurden met invloeden uit de Balkanmuziek en de punk. Die vele gekke stemmetjes deden dan weer denken aan Frank Zappa ten tijde van Howard Kaylan en Mark Volman, begin jaren ‘70. Miroslav Wanek, die ik voor de show nog even verwarde met één van Oostendes bekendste kroegbazen, bleek een erg minzaam man. Geen virtuoos op zijn instrumenten (vooral in de pianoles zal hij wel geen uitblinker geweest zijn) maar wat hij ermee aanving bleek altijd even onvoorspelbaar als doeltreffend. Tot tweemaal toe liet hij zich gaan in een ranzige gitaarexcursie, geheel op zijn eigen, met niemand te vergelijken, wijze. Naast hem zagen we een veel jongere drummer, een goedlachse bassist en een geweldige trompettist die voor een absolute meerwaarde zorgde. Op het einde charmeerde Wanek nog het publiek door enkele zinnen in zijn beste Frans te debiteren.

Echt van deze tijd klonk Uz jsme doma niet, het was veeleer een relikwie die met liefde gekoesterd dient te worden.

Organisatie: Le Watermoulain, Tournai

Bob Wayne - Hillbilly troubadour houdt De Zwerver in zijn ban
Bob Wayne
café de Zwerver
Leffinge
2016-09-18
Ollie Nollet

Bob Wayne, altijd goed voor een pot onversneden hillbilly music voorzien van smeuïge teksten. En hoewel hij wat door zijn stem zat , ontgoochelde hij ook deze keer niet. In de loop der jaren heeft de man toch een aantal songs geschreven die niet zouden misstaan in het verzamelde werk van een Johnny Cash of een Steve Earle.
Ik bedoel maar dat Bob Wayne veel meer is dan de vuilbekkende countryboy die perfect een stoomfluit kan nabootsen.

Bovendien had de man een uitstekende groep, The Outlaw Carnies, meegebracht waarvan enkel de drummer er twee jaar geleden, toen ik ze in Binic zag, ook bij was. Wayne rekruteert zijn muzikanten in alle uithoeken van de States en de sublieme banjospeler, die de plaats van de violist innam, was hij zelfs helemaal in Brazilië gaan zoeken. Zijn recent verschenen zevende plaat, ‘Hits the hits’, bevat enkel covers (waaronder zelfs songs van Adele en Rihanna) en is zeker niet zijn beste. Gelukkig beperkte hij zich tot twee nummers uit de plaat en die vielen uiteindelijk nog best mee : “Sympathy for the devil” (Rolling Stones) en “Rock and roll” (Led Zeppelin).

Maar naast eigen songs als “There ain’t no diesel trucks in heaven” en “Hillbilly heaven” bleken ze toch verwaarloosbaar. Hij hield zijn publiek in de ban voor een spannende set.


Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Binic Folks Blues Festival 2016 - Schitterend festival met groeipijnen
Binic Folks Blues Festival 2016
Côtes d’Armor (Festivalkaai)
Binic (Bretagne)
2016-07-29 + 2016-07-30
Ollie Nollet

Na de editie van vorig jaar had ik me nochtans voorgenomen om het Binic Folks Blues Festival (BFBF) voortaan links te laten liggen. Het festival was teveel uit zijn voegen gebarsten. De immense drukte en de talloze mensen die er enkel en alleen waren om zich te bezatten konden me gestolen worden.
Maar zie, de organistoren wisten dit jaar zowat al mijn favoriete groepen te strikken zodat thuis blijven plots geen optie meer was. En hoewel ik er de zondag wegens dwingende familiale redenen moest afknijpen bleken twee dagen BFBF ruim voldoende om een rit naar Bretagne te rechtvaardigen.

BFBF blijft een uniek festival dat dit jaar 50 000 toeschouwers wist te lokken voor niets dan relatief onbekende groepen die anders altijd verbannen worden naar kleine, zweterige clubs. Dit jaar was de ‘grootste’ groep de Oblivians, die het enkele dagen voordien nog moesten doen in de DOKarena, niet meteen een muziektempel van formaat. Vanwaar dan dat overweldigend succes? Het is een gratis festival waar je bovendien de volledige vrijheid hebt om je drank zelf mee te brengen. Er wordt daar dan ook wat afgezeuld. Misschien vreemd in tijden van terrorisme maar hier wordt je nergens gecontroleerd wanneer je de festivalsite betreedt. Hoe wordt dit dan gefinancierd? 15% subsidies, 30% sponsoring en 55% eigen inkomsten (merchandising, drank,...). Nieuw dit jaar waren de drie festivalcampings maar ook dat bleek onvoldoende om alle kampeerders op te vangen. Ander pijnpunt was het schrijnend gebrek aan sanitair, zowel op het festivalterrein zelf als op de campings. Maar voor de rest was de sfeer er optimaal en de muziek beter dan ooit.

Ik begon mijn parcours aan de Scène Cloche, het kleinste van de drie podia. Mr David Viner (Norfolk, UK) werd ooit ontdekt door The Von Bondies, voor wie hij de merchandising deed tijdens hun Britse tournee. Iets wat hij later ook nog zou doen voor de Soledad Brothers. Alleen en op akoestische gitaar bracht Viner een aantal gesmaakte songs met wortels in de country, folk en blues. Songs die handelden over ‘murder, mystery en regret’ en spekende titels hadden als “I love you, I love you, I love you, I love to kill you” en waartussen ook één cover verscholen zat : “Mind your own business” (Hank Williams). Mooi!

Vervolgens zag ik het plaatselijke Buck (St Brieuc) op de Scène Pomellec. Een duo met een virtuoze bassist, die de zoon van Dave Wyndorf had kunnen zijn, en een obscene drummer die meestal ook de zang, die aardig in de buurt kwam van de Tuvaanse keelzangers, voor zijn rekening nam. Bij momenten was hun brutale, luide swamp bluesrock best genietbaar, vooral de cover van Blind Willie Johnson’s “John the revelator” was erg knap. Jammer dat de drummer zichzelf iets te graag degoutant bezig zag. Op het einde kregen ze nog versterking van een saxofonist die er enkele jazzy solo’s tussen manoeuvreerde.

Terug naar de Scène Cloche voor het eerste hoogtepunt van de dag : Gravel Route. Ik had “Electrically recorded”, hun plaat zonder hoes (enkel een binnenhoes) op Beast Records, reeds gekocht en was daar danig van onder de indruk. En ook in de Bretoense buitenlucht zag ik meteen dat dit goed zat. Men zou dit drietal uit Montréal meteen kunnen wegzetten als een banale bluesgroep zoals er dertien in een dozijn gaan. Maar wie wat meer geduld had hoorde fijne lo-fi garageblues met een intrigerende zanger, Patrick Bourbonnais, die niet altijd toonvast was maar wel de intensiteit had van een Skip James of een Jeffrey Lee Pierce! En ook op gitaar wist hij me te verbazen: nooit spectaculair maar altijd bijzonder fijnzinnig en de clichés telkens handig ontwijkend. Meer vintage rock-‘n-roll dan blues en uitstekend door bas en drums op de rails gehouden. “East bound west bound depot bound” en “Shetland pony blues” zijn nummers die zich nu al voorgoed in mijn hersenen hebben genesteld. Achteraf kwam ik te weten dat dit groepje niet zomaar uit de lucht kwam vallen. Bourbonnais was jarenlang één van de drijvende krachten achter het geweldige Demon’s Claws hoewel hij op het podium toen telkens de schaduw van zanger Jeff Clarke opzocht. Ik had hem niet eens herkend, dat in tegenstelling tot drummer Brian Hildebrand, ook al met een verleden bij Demon’s Claws, die me wel bekend voorkwam. Vreemde eend in de bijt was de klassiek geschoolde en de zich meestal in jazzkringen ophoudende bassist Fred Grenier. Momenteel zijn er nog geen tourplannen maar hou ze toch maar in de gaten : Gravel Route.

King Mud werd hier meteen op het grote podium (Scène Banche) neergepoot en ik was benieuwd of ze hun verpletterende prestatie van in Hoogstade nog eens konden herhalen. Overbodige vraag want vanaf het eerste nummer snoerden ze me de keel dicht: een dreigende en adembenemende interpretatie van Junior Kimbrough waarin een paar van diens nummers tot één geheel werden gesmeed. Nooit klonk Junior Kimbrough beter dan hier. Nogmaals bleek Freddy J IV de duivel zelf op gitaar, die tevens veel ruimte liet voor meesterdrummer Van Campbell. Wat is zijn respect voor die roffelaar groot en terecht. Ik zou haast Jaxon Lee Swain vergeten te vermelden. Bijzonder gretig op bas en daarbij voortdurend gaten in de lucht springend waarbij zijn zonnebril minstens één keer van zijn neus tuimelde. Naast eigen krakers als “Rat time” en “Smoked all my bud” was ook hier “Going down” (Don Nix) onweerstaanbaar. Het intussen flink aangegroeide publiek ging luidkeels tekeer terwijl de eerste crowdsurfers gesignaleerd werden. Grootse band!

Na King Mud had ik eerst wat moeite om de knop om te draaien voor de postpunk van Useless Eaters uit San Francisco. Maar uiteindelijk kon ik er me net als op Rock Zerkegem toch in vinden. De garageaanpak, de nodige agressiviteit en hier en daar wat The Fall-invloeden maakten veel goed.

The Shivas (Portland, Oregon) mochten afsluiten op de Scène Pomellec en dat werd geen onverdeeld succes. Nochtans begon de groep sterk met hun zonnige sixties pop/rocksongs, sterk gezongen door Jared Wait-Molyneux. Maar na een tijdje kwam de kwaliteit van de songs in een neerwaartse spiraal terecht. Melige pop werd ons deel en toen de anders wel ravissante drumster de leadvocals overnam werd het helemaal een ramp. Haar samenzang met Jared vond ik altijd één van de pluspunten, had ze het daarbij maar gehouden. Zaterdag zag ik The Shivas eerder toevallig nog eens terug en het leek wel een andere band. Fris, snedig en erg aanstekelijk zoals ik ze kende van Leffingeleuren en de Water Moulin. Hadden ze hier het slechtste deel van de set al achter de rug, deed het zonlicht hen deugd of was ik de avond voordien zelf in een mindere bui?

Nadat ik afhaakte bij The Shivas zag ik nog Hits uit het Australische Brisbane. Ik kon nauwelijks een vloek onderdrukken bij het horen van een eerste nummer. Kwam ik hier niet te laat? Dit was pure Stooges met donkere, slepende gitaren. Helaas bleef het bij die ene song waarna Hits wegzakte in eerder richtingloze hard(e) rock. De twee gitaristen waren van vrouwelijke kunne en ik vermoed dat The Runaways hen niet onbekend waren. Niets op tegen, alleen vraag ik me af waarom ze die vervelende leraar moraalfilosofie kozen als zanger?

Zaterdag, toen ik opnieuw stond te genieten van de strompelende lo-fi blues van Gravel Route, werd ik even de gelukkigste mens van de wereld toen het nieuws me bereikte dat het optreden van King Mud deze avond met een uur vervroegd werd! Zo moest ik geen hartverscheurende keuze maken tussen hen en de Oblivians en liep ik de rest van de dag op een wolk. En Gravel Route? Die hadden hun set totaal omgegooid zoals het een goede groep betaamt en klonken opnieuw erg verslavend.

Chicken Diamond is een one-man-band uit het Noord-Franse Thionville. Met zijn t-shirtje van T-Model Ford wist je meteen wat je kon verwachten. Rauwe stompende blues, hier gebracht met een scheurende gitaar, een tamboerijn om de ene voet gebonden terwijl hij met de andere een cimbaal torpedeerde. Knap gedaan maar ook nogal voorspelbaar.

The Intelligence (Los Angeles & Seattle) is vooral de groep van Lars Finberg, die een verleden heeft bij A-Frames en Thee Oh Sees. Waar hij aanvankelijk alle instrumenten zelf inspeelde is hij nu toch al een hele poos met een echte groep bezig. Waar hun postpunk op plaat nogal eens in eentonigheid durft te verzanden kwamen ze hier live veel vinniger voor de dag en durfde ik het bijna rock-‘n-roll noemen. Vooral de gitarist dan, nochtans niet meer van de jongsten, die zich achterwaarts van het podium liet vallen op de talrijk uitgestoken handen.

Na hen opnieuw een verzengende set van King Mud. De derde keer in één week tijd dat ik dit trio aan het werk zag en opnieuw was hier niets tegen in te brengen. Bloedstollende blues met een hoog rock-‘n-roll gehalte en een alles spijtende energie. Dit keer opnieuw met het beukende “ I can only give you everything”.

Hoewel ik de indruk had dat er hier nauwelijks iemand de Oblivians kende – het tegendeel zou verbazen – slibde het grote plein aan de Scène Banche zo goed als volledig dicht. “No reason to live” en “Bad man” waren de openers van een set die toch wel wat afweek van hetgeen ik enkele dagen ervoor in Gent hoorde. Het duurde even maar na een tijdje konden hun korte, strak gespeelde garagepunksongs voor de nodige beroering in de moshpit zorgen. Toen Greg aankondigde dat er twee drummers in de band waren en het drumstel een andere opstelling kreeg omdat hij linkshandig is , stuitte dat op enig onbegrip bij het publiek maar toen Jack de honneurs waarnam was dat oponthoud snel vergeten. Opvallend toch hoeveel wereldsongs dit drietal in hun korte bestaan neergepend heeft. Dit was puur genieten. Zelfs het drietal nummers uit hun ’nieuwe’ plaat, “Desperation” (2013), vielen niet uit de toon. Voor de bisnummers werd de opstelling opnieuw veranderd en sloot Greg verrassend af met het trage “Live the life”, een traditional die te vinden is op “Play 9 songs with Mr. Quintron”. Daarna werd er blijkbaar nog druk onderhandeld in de coulissen want ze kwamen toch nog een keer terug om een verzoekje te brengen : “Big black hole”, hier voor één keer met Greg in plaats van Jack op gitaar. De in bloedvorm verkerende Oblivians bewezen nog steeds relevant te zijn. Alleen vroeg ik me af waarom ze de kansen die ze nu, 19 jaar na de split, krijgen vroeger nooit gehad hebben.

Binic was weer mooi geweest en dan had ik James Leg, The Pullmen, Ausmuteants, Roy & The Devil’s Motorcycle, Kelley Stoltz en Ron S. Peno niet eens gezien.


Organisatie: Binic Folks Blues Festival  

Oblivians - Niet meer zó urgent, toch nog altijd een klasse apart
Oblivians
DOKarena
Gent
2016-07-26
Ollie Nollet

The Glücks hebben blijkbaar een patent op het openen van dit soort optredens. Het aantal keren dat ik ze zag bestaat intussen al uit twee cijfers. Ondanks het feit dat ik perfect weet wat me te wachten staat , kan hun overstuurde garagepunk overgoten met een Cramps galm me nog steeds boeien. Hun natuurlijke habitat zal zich eerder in dompige krochten situeren maar zelfs in de openlucht van de DOKarena wisten ze de vonk te laten overslaan.

Lange tijd waren de Oblivians één van de meest geciteerde namen bij de vraag naar invloeden. Daar lijkt nu een einde aan gekomen te zijn, ook al omdat het genre (garagepunk) compleet op apegapen ligt. Toch waren zij het die midden de jaren ‘90 samen met groepen als The Jon Spencer Blues Explosion de rock-‘n-roll nieuw leven wisten in te blazen. Net toen een doorbraak niet meer veraf leek , kwam abrupt een einde aan hun korte, tumultueuze bestaan.
Wat bleef waren drie schitterende, reguliere LP’s en talloze herinneringen aan sensationele optredens. In 2009 (na 12 jaar) gebeurde dan hetgene waar niemand nog van had durven dromen : een nieuwe Europese tour waarbij het oude vuur opnieuw hoog oplaaide. In 2013 verscheen zelfs een nieuwe en meer dan genietbare plaat, ‘Desperation’, maar optreden deden ze nog slechts met mondjesmaat.
En nu, zeven jaar na de vorige keer waren ze opnieuw in Europa en kon ik ze gaan zien in Gent, de stad waar ik ze samen met de Country Teasers destijds ook de allereerste keer zag. Toen in een perfecte zaal (Democrazy, Reinaertstraat), nu in de wat ongelukkig gekozen DOKarena.
De set kwam wat aarzelend op gang hoewel hun hit, “Bad man”, reeds als tweede nummer werd prijsgegeven. Het heilige vuur leek wat gedoofd maar gaandeweg kon ik er me toch steeds meer in vinden en werd nog maar eens duidelijk welk immens talent Greg Cartwright toch is. Wat een hemelse stem heeft hij terwijl zijn gitaarspel in de loop der jaren steeds verfijnder is geworden maar toch nog ruw genoeg blijft voor de ongepolijste garagepunk van de Oblivians. Naast hem kwam Eric Friedl als zanger maar bleekjes voor de dag. Maar dit hoort erbij : zij waren immers het groepje waarin iedereen zong, iedereen gitaar speelde en iedereen ook nog eens moest drummen. Alleen is Eric momenteel met geen stokken meer achter dat drumstel te krijgen.
Intussen werd het steeds beter met songs als “I’m not a sicko, there’s a plate in my head”, “Drill”, “Guitar shop asshole” en “Pil popper”. Toen Jack en Greg wisselden leek het erop alsof er een versnelling hoger werd geschakeld hoewel zijn prijsnummers, “Big black hole” en “The leather”, een net iets trager tempo hebben. Jack was bijzonder goed op dreef, voegde er een mespuntje blues aan toe en bewees in de wondermooie afsluiter “Never change” dat ook hij er als zanger een heel stuk op vooruit gegaan is.
Nadien volgden nog twee korte bisnummers waarna de avondklok er onverbiddelijk een einde aan maakte.

De euforie van vroeger was er niet meer bij maar het was mooi geweest. Er liep iemand voorbij met een t-shirt waarop stond ‘The Trashmen since 1962’ en ik vroeg me of er binnen dertig jaar t-shirts met als opschrift ‘Oblivians since 1993’ verkocht zouden worden.

Organisatie: Heartbreaktunes + Democrazy, Gent

Pagina 10 van 15
FaLang translation system by Faboba