• Democrazy Gent: events
    Democrazy Gent: events Democrazy Gent: events Voorlopig geen concerten door de coronacrisis DEMOCRAZY SLUIT VOOR ONBEPAALDE TIJD DE DEUREN Op online concertplatform Sound…

zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Concertreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

zaterdag 04 februari 2017 01:00

The Mystery Lights - Passionele garagerock


Een goeie garagerockgroep die naar België komt en er is geen tweede buitenlandse groep voorhanden? Dan kan je er vergif op innemen dat ofwel The Glücks ofwel Double Veterans in het voorprogramma staan. Dit keer waren het die laatsten. Stonden zij trouwens ook al niet op de affiche van de vorige passage van The Mystery Lights in de AB Club? Niet dat ik er problemen mee heb maar het gevaar op overexposure is niet denkbeeldig. Het Kempische trio rond Lee Swinnen liet het alvast niet aan hun hart komen en vuurden meteen een verschroeiend “Leave me alone” op ons af. Start van een set vol catchy songs met niet alleen wortels in de sixties garagerock maar ook met duidelijke sporen van hedendaagse psych-rockers als Ty Segall en Michael Cronin. Twee gitaren en drums hielden het tempo hoog en strak en af en toe mocht een song al eens ontsporen. We kennen het recept intussen maar het blijft aanstekelijk vooral dankzij die sterke nummers. Alleen miste ik wat nieuw werk om mijn onverzadigbare honger helemaal te stillen.

Ik was nauwelijks hersteld van een griepaanval maar The Mystery Lights wou ik onder geen beding missen. Deze band uit Salinas, Californië, die ondertussen naar Brooklyn, New York is verkast, maakte met hun titelloze debuut één van dé platen van 2016. Een pure garagerockplaat die eens niet staat te blinken in de catalogussen van ‘In The Red’, ‘Goner’ of ‘Burger Records’ maar verrassend verscheen bij ‘Wick Records’, een sublabel van ‘Daptone Records’, bekend van soulsterren als de vorig jaar overleden Sharon Jones en Charles Bradley. Bovendien genieten ze van een uitstekende live-reputatie wat de verwachtingen nog groter maakte.
Het optreden begon net als op de plaat met “Intro” gevolgd door “Follow me home”, een droomstart voor een set vol kwikzilveren garagerock. Meteen werd ook duidelijk dat alles draaide rond frontman Mike Brandon. Een man met een venijnig hoge stem die voortdurend rondhoste of gaten in de lucht sprong en aan charisma geen gebrek had.
Al dat geweld belette trouwens niet dat hij ook nog eens erg fijne dingen deed op gitaar, nooit spectaculair maar altijd meeslepend. Toch misten we iets : dat wonderlijke orgeltje van op de plaat. Het ding stond wel op het podium maar de man die het moest bespelen was thuis gebleven. Even hoopte ik nog dat één van de gitaristen af en toe van instrument ging wisselen maar nee dus. Jammer want het instrument is wel essentieel in hun sound maar met zijn vieren lukte het ook wel en ze benaderden zeer dicht de sound van de opnames. Zo dicht dat ik soms hunkerde naar een vrijere (lees: een wat ruigere) interpretatie.
Maar klagen mochten we zeker niet want de parels bleven elkaar voor de voeten lopen met onder meer een geweldig “Flowers in my hair, demons in my head”. Ongeveer halverwege hoorde ik voor het eerst iets wat niet op de plaat staat : zowaar een punkversie van “Hey Joe”, een moedige poging om een kapot gespeelde song nieuw leven in te blazen maar ook niet meer dan dat. Daarna werd een nummer uit een binnenkort te verschijnen opvolger prijsgegeven maar dat bleek een sof van jewelste die volledig haaks stond op de rest van de set. Iemand zou hen dit onding toch uit het hoofd moeten kunnen praten.
Nadien was het opnieuw heerlijk meedeinen met de ons nog resterende songs van die eerste plaat om te eindigen met een tweede nieuwe die toch al een stuk beter klonk dan de eerste en voorzien was van een lange psychedelische outro.
De vier hadden daarna nog zin in een erg lange bisronde waarin alle remmen werden losgegooid, ze een stuk ruiger klonken en waarbij het laatste greintje weerstand, als die er al nog was, onder de mat werd geveegd. Boze tongen zouden kunnen beweren dat dit alles al zoveel keer eerder en beter gedaan werd. En het was ook overduidelijk waar ze de mosterd gehaald hadden : de sixties en dan vooral compilaties als “Nuggets” en “Back from the grave”. Maar toch waren dit niet zomaar wat doorslagjes van de gouden parels van toen die ze ons voorschotelden.

The Mystery Lights benaderden dat verleden met een haast devotionele overtuiging en zoveel passie dat het leek alsof zij alles ter plekke zelf aan het uitvinden waren. Er is nog hoop voor de rock-‘n-roll...

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/the-mystery-lights-02-02-2017/
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/double-veterans-02-02-2017/

Organisatie: Wilde Westen, Kortrijk

Promised Land Sound - Sprankelende country – en rootsrock
Promised Land Sound
café de Zwerver
Leffinge
2017-01-21
Ollie Nollet

Opener van dienst was Nemo, de jongeman uit Zwevezele die vorig jaar Westtalent, die wedstrijd waar ook The Glücks eens de hoofdvogel afschoten, won. Moederziel alleen op het podium, totaal onbekend en dan nog in een voorprogramma en toch wist deze sympathieke kerel alle aandacht naar zich toe te zuigen. Niet onbelangrijk daarbij waren zijn ietwat onbeholpen bindteksten waarin hij zichzelf voortdurend relativeerde en zich voor alles en nog wat excuseerde (zowat iedere zin bevatte een “sorry”). Helemaal hilarisch werd het toen een luidruchtige tante aan de toog zei “je moet daar niet naar kijken, enkel luisteren” en hij dat nog eens met een verwonderde blik herhaalde. Maar ook muzikaal had Nicolas Vlaeminck (zo heet hij) wel wat te bieden. Deze eigentijdse singer-songwriter bracht zijn songs met een hoge, breekbare, ‘dreampop’ stem en een fraaie fingerpicking gitaar terwijl hij ook één keer zijn mondharmonica bovenhaalde. Niet alle nummers konden me evenveel bekoren maar dat hij talent heeft, laat daar geen twijfel over bestaan. En mocht het dan toch niet lukken in de muziek kan hij het nog altijd proberen als stand-up comedian.

Het titelloze debuut van Promised Land Sound uit 2013 beschouw ik nog steeds als een klein meesterwerkje. Het plaatje staat vol opwindende rootsrock met als grootste troef de adembenemende samenzang. Dat dit kwartet uit Nashville mijn hooggespannen verwachtingen niet volledig kon inlossen had dan ook alles te maken met het feit dat ze die plaat bijna compleet negeerden, enkel “Make it through the fall” werd me gegund.
Zo goed als alles kwam dus uit hun tweede plaat, “For use and delight”, die me vooraf onbekend was en waarop ze het roer volledig omgooiden. Er kwam een tweede gitarist, Peter Stringer-Hye, de gelederen versterken terwijl pianist Mitch Jones die er op de laatste plaat nog bij is intussen blijkbaar de groep heeft verlaten. Vreemd genoeg leidde die extra gitaar hen naar veel ingetogener songs.
Maar als die gitaren dan eens van de ketting mochten zorgde dat toch voor de meest begeesterende momenten. Zoals tijdens het eerste nummer, “Push and pull (all the time”) toen gitarist Sean Thompson een snaar brak, de drie anderen bijzonder intelligent verder improviseerden om uiteindelijk met een herstelde gitaar tot een heerlijke apotheose te komen. Wat een schitterende start.
Nadien bleef ik soms wat op mijn honger zitten en dat kwam vooral door de te ingehouden en zelfs ietwat bedeesde zang. Wat op hun debuut nog voor vuurwerk zorgde , bleek hier een klein pijnpuntje. Desondanks bleef er ruim genoeg over om hier met volle teugen van te genieten. Knappe songs bijvoorbeeld die me achtereenvolgens deden denken aan The Band, Crosby, Stills, Nash & Young, Syd Barrett, The Byrds en een recentere naam als Israel Nash. Vernieuwend kon je dit bezwaarlijk noemen en toch klonk het bijzonder fris. Hoogtepunt vond ik “Golden Child”, een uptempo song met een geweldige gitaarbreak die zo op een plaat van The Who had kunnen staan.
Eén cover ook en dat was er verrassend genoeg geen uit de jaren zestig of zeventig maar eentje van een paar jaar teug : “Easy ridin’” van de mij totaal onbekende The Avery Rose Band, een groep uit Los Angeles.

Mooi concertje, benieuwd of ze bij een derde plaat opnieuw voor een andere invalshoek zullen kiezen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

donderdag 26 januari 2017 01:00

James Leg - Nog steeds in bloedvorm


James Leg - Nog steeds in bloedvorm
James Leg
Bar Live
Roubaix
2016-01-24
Ollie Nollet

Er diende voor dit optreden in allerijl een nieuwe locatie gezocht te worden daar El Diablo, waar James Leg oorspronkelijk ging spelen, enkele dagen voordien op politiebevel werd gesloten. Gelukkig vond men de Bar Live (voorheen le 301) bereid om hun deuren hiervoor open te stellen. Een zaaltje met een perfecte klank waar ik vroeger al eens Black Diamond Heavies aan het werk zag.

Wat kan ik nog schrijven over James Leg? Ik ben intussen al lang de tel kwijt geraakt hoeveel keer ik hem zag. Dat de Black Diamond Heavies nu toch tot een wel zeer ver verleden behoren? Slechts één song bleef er nog over : “Fever in my blood”, dat pas als allerlaatste bis werd prijsgegeven. Dat ook de gezondheidsproblemen definitief van de baan zijn? Onze held bleek in uitstekende conditie ondanks het eindeloze touren. Net als zijn ‘nieuwe’ Fender Rhodes piano trouwens, wat ooit anders is geweest. Of dat Mat Gaz, van nature uit een hardrock drummer, zich steeds beter weet in te leven in deze unieke mix van garagerock, gospel, blues en country?
De set bestond voor de helft uit nummers van de nieuwe plaat, ‘Blood on the keys’, en die klonken verrassend stuk voor stuk behoorlijk straf. Veel beter dan op de plaat, die ik trouwens erg teleurstellend vind. En dan zijn ze die songs nog ten volle aan het leren, aldus de man zelf, wat mijn vermoeden bevestigt dat ze veel te vroeg op plaat zijn gekwakt. Hier klonk alles zoveel strakker en meer vintage James Leg terwijl het op vinyl rammelt langs alle kanten.
Naast dat nieuwe geweld hoorden we onder andere nog het geweldig stompende “Do how you wanna” (te vinden op zijn eerste soloplaat) en gesmaakte covers van The Gories (“Can’t stop thinking about it”) en The Cure (“A forest). Ja, zelfs met dat laatste kon ik me verzoenen. Maar het hoogtepunt van de avond vond ik “Drink it away”, een feestelijk klinkende countryrocker, oorspronkelijk van ene Larry Doug Bales. Na wat gegoogle kwam ik te weten dat het hier gaat om een nummer van het mij totaal onbekende Uncle Lightnin’ (Bales is de drummer), een band uit Chattanooga, Tennessee, tevens de thuisstad van James Leg. Beiden werkten overigens ooit wel eens samen terwijl die Bales ook nog eens bijkluste bij Mark ‘Porkshop’ Holder van wie er één dezer dagen een plaat (‘Let it slide’) op Alive Naturalsound Records verschijnt en dat is echt iets om naar uit te zien.

Maar ik had het over James Leg in Roubaix. Wel, hij ‘stond’ er, net als in zijn hoogdagen en dat voor een uitgebreide, dolenthousiaste schare fans!

E + FireFang - Vreemde combinatie, weidse schoonheid
E
4AD
Diksmuide
2017-01-13
Ollie Nollet

Nadat FireFang amper een achttal maanden geleden boven de doopvont werd gehouden kwam het Gentse drietal nu al haar eerste cd presenteren. Het moet blijkbaar vooruitgaan. Ergens las ik dat ze hun muziek zelf omschreven als powergrunge. Wat een gruwelijk label is dat! Alsof grunge alleen al niet erg genoeg is.
Anderen meenden dan weer het Gentse antwoord op MC5 in hen te horen wat me dan toch maar deed besluiten om hier niet in een grote boog om heen te wandelen. Gelukkig maar. Firefang bleek te bestaan uit drie stoere, langharige mannen, een imago dat mooi contrasteerde met het drumstel dat teder met lichtjes versierd was en zag ik daar geen konijntje, netjes gedrapeerd op de basdrum? Vanaf het eerste nummer, gezongen door een ouderwetse telefoonhoorn wist FireFang me buiten alle verwachtingen bij de keel te grijpen. Dit was bij momenten snoeiharde rock met inderdaad veel sporen uit de grunge maar ook met genoeg rock-‘n-roll in de poriën en stevige ballen aan het lijf.
Brulboei Steven De Poorter bleef ook tijdens de zachter gezongen passages pal overeind terwijl die oude telefoonhoorn veel meer dan zomaar een gimmick was, maar eerder een welgekomen afwisseling. Op die manier kregen we eigenlijk drie zangers voor de prijs van één. Een frontman ook zoals ik ze erg graag heb, die af en toe, al dan niet gewild, het publiek schoffeerde. Dan zou ik nog bijna vergeten te melden dat hij ook als gitarist tot wonderlijke dingen in staat was, daarbij stevig op de rails gehouden door de onwrikbare ritmetandem : Bram Lesauvage (bas) en Maarten Buyst (drums).
Tijdens een magistrale eerste helft hoorde ik opvallend knappe nummers terwijl ze zelfs met een Alicia Keys cover bijzonder goed wegkwamen. Daarna werd het iets minder, vooral door het teveel terugvallen op het zacht/hard contrast en een overbodige cover van John Lennon’s “God”. Hun onstuitbare geldingsdrang zorgde ervoor dat ze bijna een uur speelden en dat was duidelijk net iets teveel van het goede.

Met wat goeie wil zou men E (de letters waren duidelijk niet in de aanbieding toen ze hun naam kozen) een supergroep kunnen noemen. De drie leden van dit nieuwe project uit Boston hebben allen hun kunnen reeds bewezen bij andere groepen, de ene al succesvoller dan de andere.
‘Grootste’ naam is ongetwijfeld Thalia Zedek die een, intussen al imposante, discografie bij elkaar heeft gesprokkeld met bands als Uzi, Live Skull, Come en de Thalia Zedek Band. Drummer Gavin McCarthy maakte voorheen het mooie weer bij Karate (meerdere malen te gast in de 4AD) terwijl gitarist Jason Sanford actief was bij Neptune, een collectief dat zijn instrumenten zelf maakte uit schroot en die mijn oren schromelijk op de proef stelde zo’n acht jaar geleden in de Pit’s. Ook hier had de man een zelfgebouwde gitaar bij, dit keer een wat lichter exemplaar dat zonder klankkast gevlochten was uit ijzerdraad. Maar ik was vooral benieuwd in welke richting Thalia Zedek het deze keer zou zoeken na haar enkele maanden eerder verschenen en toch wat teleurstellende plaat ‘Eve’.
Dit was het eerste optreden van de tour en het was dan ook niet vreemd dat het optreden wat aarzelend van start ging. En toen la Zedek ook nog eens wanhopig en vergeefs begon te zoeken naar een verloren earplug was ik er plots niet erg gerust meer in. Maar uiteindelijk viel alles op zijn plaats en werd het een concertje om in te kaderen. Nochtans maakten ze het zichzelf niet gemakkelijk. De opstelling (twee gitaren en drums zonder bas) en de minimalistische, repetitieve nummers nodigden niet meteen uit tot dansen.
E moest het meer hebben van de klankkleur en de subtiel opgebouwde spanning. De op het eerste zicht vreemde combinatie van twee gitaren die elk uit een totaal andere wereld kwamen werkte wonderwel. Het hoekige en soms bijzonder vreemde klanken uitstotende exemplaar van Jason Sanford versus de meer rock georiënteerde en niet zelden van een melancholische ondertoon voorziene gitaar van Thalia Zedek : het zorgde voor een geraffineerd klankentapijt. Minstens even belangrijk hierbij was het ronduit schitterende drumwerk van Gavin McCarthy. Alleen de murmelende zang van Sanford (ze zongen alle drie) viel me wat tegen maar dit detail weegt niet op tegen de weidse schoonheid die hier erg bescheiden voor het voetlicht werd gebracht.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

 

Robert Ellis - Balancerend tussen geniaal en irritant gesofisticeerd
Robert Ellis
café De Zwerver
Leffinge
2016-11-24
Ollie Nollet

Het was onmogelijk om geen sympathie te voelen voor Jenny O, de special guest die Robert Ellis had meegebracht. Non-conformistisch, bijna slonzig en ietwat verlegen. Hoewel, om in je eentje op het podium te klimmen in een land waarvan je alleen weet dat ze er lekkere wafels hebben (waar je dan nog geen zin in hebt ook) moet je toch enig lef hebben. Mijn vertrouwen had ze dus, alleen bleken haar songs te weinig om het lijf te hebben en niet van die aard te zijn om langer dan vijf seconden te blijven nazinderen. Toch bewees de New Yorkse naar het einde toe wat meer in haar mars te hebben dankzij enkele wel beklijvende songs die me via een vreemde hersenkronkel aan Ted Hawkins deden denken. Die simpele gitaar aanslag en zonovergoten melodie wellicht! 

Het contrast met Robert Ellis kon moeilijk groter zijn. Samen met rasmuzikanten Kelly Doyle (gitaar), Geoffrey Muller (bas) en Michael ‘Tank’ Lisenbe (drums) opende hij (gitaar/piano) met een grillige, haast dissonant klinkende brok instrumentale jazzrock. Wou hij ons hiermee op het verkeerde been zetten?  Niet echt want het label ‘alt-country’, dat hij gemakshalve opgekleefd krijgt, dekte de lading verre van volledig en bleven de jazz-invloeden zich voortdurend manifesteren. Meer nog, de momenten dat hij de geijkte paden verliet en zijn inspiratie de vrije loop kreeg waren ronduit geniaal.
Toen hij ons na een Joni Mitchell cover kwam te vertellen  dat hij gek was op haar ‘Shadows and light’-album (een live registratie met jazzcoryfeeën Pat Metheny, Jaco Pastorius en Michael Brecker in de band) wisten we nu wel zeker waar hij naartoe wou. Het was dan ook bijzonder jammer dat hij zo vaak afgleed naar veilige, akelig gesofisticeerde jazzpop waarin de perfect gespeelde noten zo risicoloos in elkaar vloeiden dat ik even vreesde voor een allergische reactie. Zelden kreeg ik zulke tegenstrijdige gevoelens bij één en hetzelfde optreden.
Toch was er één constante : die impressionant wendbare stem van Ellis die ons voortdurend aangenaam wist te verbazen. Toch had ik het gevoel dat hier meer in gezeten had. Ook al omdat hij sommige van zijn beste songs zoals “Chemical plant” opzij liet liggen. Akkoord, in het begin vroeg hij enkele keren of er requests waren (er vroegen drie mensen iets wat hij dan ook effectief speelde) maar dan ga je toch niet om zijn beste nummer staan roepen want dat komt er sowieso. Neen, dus. En dan waren er nog die ellenlange bindteksten, niet altijd even grappig gezever maar wel steeds gevolgd door een hoog hinnikend lachje. Hij zwoor dat hij niet stoned was en het gewoon zijn gevoel voor humor was. Dat gevoel deelden zijn compagnons blijkbaar niet want het leek er eerder op alsof ze last hadden van plaatsvervangende schaamte.

Vreemde kerel, die Robert Ellis, maar dat hij enorme talenten heeft, laat daar geen twijfel over bestaan. Het nu nog weten te kanaliseren.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

 

Het aloude verhaal bij The Cavemen uit Auckland, Nieuw-Zeeland. Vier tieners leren elkaar kennen op de middelbare school, zuipen zich te pletter, snuiven tussendoor wat lijm en besluiten uiteindelijk om samen een groepje te starten. Er volgt een eerste plaat waarna het zootje ongeregeld besluit de koffers te pakken om naar Londen te verhuizen om van daaruit de wereld te veroveren. Of dat lukt blijft een open vraag maar de Pit’s hebben ze alvast ingepalmd.

Wat een overweldigende indruk hebben die kerels op ons nagelaten. Lang geleden dat ik nog zo midscheeps getroffen werd door een onnozel punkbandje. Je kon je zo in 1977 wanen want dat zal dit viertal ongetwijfeld het magische jaar vinden. Toch waren The Cavemen intelligent genoeg om zich niet te angstvallig vast te klampen aan enkel en alleen onstuimige old school punk en vergrepen ze zich af en toe ook aan kwijlende rock-‘n-roll of demente hardrock.
Een ander referentiepunt waren The New York Dolls terwijl ze tussendoor ook nog eens “Hanging on the telephone” sloopten.
Bovendien hebben deze kiwi’s met zanger Paul Caveman een rasechte frontman in de rangen. Met op zijn ene arm “cretin” getatoeëerd en op zijn andere iets wat hoogstwaarschijnlijk een kerkje moet voorstellen, bleek hij voor het podium geboren. Zelfs Mick Jagger zal in zijn jonge jaren nooit zo dartel geweest zijn als deze gozer.
En ook de andere drie straalden een zelden geziene gretigheid uit. Alleen de drummer leek bij het begin door een reeks hevige hoestbuien te gaan sterven maar na een pintje of vier was hij volledig genezen. Toch ging hij één keer duidelijk in de fout toen hij een nummer te vroeg stopte maar dat hoort uiteraard bij punk.

Daarvoor hadden we al twee groepen voor de kiezen gekregen. Eerst de immer sympathieke Wild Raccoon uit het Franse Lille. In zijn eentje kon hij ons vermaken met psychedelische garagesurf. Veel reverb op de gitaar, indrukwekkende foot drums en een enkele keer een knipoog naar Ty Segall waren voldoende om zich van het grijze peloton one-man-bands te onderscheiden.

Aardig als hij is, had hij ook nog de Messieurs meegebracht. Een duo dat zich te buiten ging aan, tegen de hardcore aanleunende, punkrock en me welgeteld één nummer kon boeien. Voor de rest zat ik mijn kas op te vreten omdat de avondklok schrikbarend dichtbij kwam. Maar het was elf november en de wapenstilstand werd gelukkig ook aan de St-Rochuslaan gerespecteerd zodat The Cavemen het niet moesten doen met de resterende tien minuten maar een volledige set konden spelen.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

woensdag 09 november 2016 02:00

Steve Gunn - Vreemde blik maar hemelse muziek

Nathan Bowles uit de Piedmont in North Carolina is niet alleen de drummer van Steve Gunn maar ook lid van het erg productieve Black Twig Pickers, terwijl hij solo met ‘Whole and cloven’ ook al een derde plaat op de schappen heeft liggen. Logisch dus dat de man als opener mag fungeren in de nieuwe tour van Steve Gunn. Dat deed hij in Leffinge moederziel alleen, gezeten op een stoel met enkel een weerbarstige clawhammer banjo. Het duurde telkens nogal wat om het ding gestemd te krijgen maar eenmaal dat gelukt was wist Nathan Bowles er de wonderlijkste klanken uit te halen. Je hoorde vage echo’s uit de Appalachen folk maar Bowles zocht vooral met een virtuoze techniek zijn eigen weg. Daarbij deed hij me meer dan eens aan de legendarische gitarist John Fahey denken, vooral in die twee lang uitgesponnen instrumentale nummers waarvan “I miss my dog” een fascinerende en grillige trip was. Slechts vier nummers (het laatste met een drummer) was wat aan de korte kant maar toch ruim voldoende om me van zijn kunnen te overtuigen.

Steve Gunn, uit Brooklyn en voormalig gitarist van Kurt Vile’s The Violators, baant zich gestaag een weg naar meer erkenning. Zo liep ook De Zwerver op een doorregende maandagavond behoorlijk vol voor deze unieke artiest. En hij was er niet alleen, hij had zich omringd door een stel uitstekende muzikanten die stuk voor stuk hun sporen elders al verdiend hadden. Zo zagen we naast drummer Nathan Bowles bassist Jason Maegher, een graag geziene studiogast en lid van de No-Neck Blues Band, en de in Engeland geboren gitarist Jim Elkington die nog steeds actief is bij Eleventh Dream Day en onlangs nog mocht meespelen op een plaat van Richard Thompson.

Vanaf de eerste noten werd meteen duidelijk dat bij Steve Gunn live, meer nog dan op plaat, de gitaar centraal staat. Dit werd een waar festijn voor de liefhebbers van het zessnarige instrument. Maar ook de licht psychedelische songs met wortels in de folk mochten er zijn, telkens fris en sprankelend soms dromerig en toch goed in het vlees zittend. Echt geniaal werd het tijdens die momenten waarop de gitaren van Steve Gunn en Jim Elkington zich sensueel door elkaar wisten te strengelen. Zo zouden de Allman Brothers klinken mochten ze vandaag aan het begin van hun carrière staan was een bedenking die bij deze onmetelijke pracht door mijn gedachten flitste. Eén keer werd het veilige vangnet van de goed geconstrueerde song overboord gekieperd om het wat experimenteler aan te pakken en waarbij onze oren eventjes op de proef werden gesteld maar ook hier wist hij zich moeiteloos staande te houden. Het was meteen het einde van de reguliere set waarin het merendeel van de nummers uit de laatste en warm aanbevolen plaat, ‘Eyes on the lines’, kwamen.
Tijdens de bissen bewees hij samen met enkel Elkington dat zijn muziek ook in een intiemere setting best gedijt. Het laatste nummer bracht hij zelfs helemaal alleen. Toen hij net daarvoor wat over zijn bezorgdheid over de toekomst van zijn land kwijt wou (hij voelde de bui precies al hangen) steeg er wat geroezemoes op uit de, tot dan, muisstil gebleven zaal waarop Steve Gunn kordaat om stilte vroeg. Daarbij was geen ontkomen aan zijn priemende blik, waarmee hij voordien ook al de zaal voortdurend had doorspeurd alsof hij potentiele terroristen zocht.

Vreemde blik maar hemelse muziek.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  


King Khan & The Shrines - Zijne Majesteit omringd door wervelende Shrines

King Khan & The Shrines
Kreun
Kortrijk
2016-10-19
Ollie Nollet

Dit feestelijk avondje werd geopend door het Gentse Mind Rays. Meteen viel op dat de ongecontroleerde chaos van vroeger plaats heeft moeten ruimen voor een wat heldere structuur. Een logische en positieve evolutie hoewel ik een portie onversneden kloteherrie op tijd en stond best kan pruimen. Dit was harde, soms onbehaaglijk scheurende, garagerock waarin de waanzinnige zang gelukkig gebleven was en met veel ruimte voor de gitaar die steeds bevlogen klonk (buiten die ene keer toen hij te veel de hardere regionen opzocht). Toen die gitarist na een gebroken snaar een andere gitaar kreeg aangereikt , zorgde dit verrassend  voor een smeuïger sound. Niet alle nummers bleven overeind maar op deze Mind Rays ben ik lang nog niet uitgekeken.

Na een turbulent avontuur met The Spaceshits, een garagepunkcombo uit Montreal, begon King Khan in 1999 te Berlijn, met de toen nog Sensational geheten Shrines, een totaal ander project waarin onvervalste soul zijn plaats vond. Niet dat hij de rock-‘n-roll volledig af zwoor. Enkele jaren later al zocht hij Mark Sultan, zijn vroegere maatje bij The Spaceshits, op om als The King Khan & BBQ Show de hort op te gaan. Tot op vandaag is hij in beide ondernemingen actief.

Na een instrumental waarin meteen al bleek wat voor een schitterende muzikanten The Shrines wel zijn, kondigde de gitarist in pure Las Vegas-stijl King Khan aan waarop Zijne Majesteit in een stijf pak met glitterkraag zijn plaats kwam innemen. De band nam een ronduit verschroeiende start met “Born to die”, een geweldige soulsong met een psychedelisch randje. Dit duizelingwekkend niveau werd nog een hele tijd aangehouden waarbij The Shrines niet alleen begenadigde muzikanten bleken te zijn maar ook nog eens voor spektakel zorgden door voortdurend door elkaar heen te hossen of in het publiek te duiken. Het waren vooral de twee Fransen in de groep, orgelspeler Fredovitch en saxofonist Big Fred Roller, die hierin het verst gingen terwijl enkel de percussionist en de drummer er stoïcijns kalm bij bleven. En King Khan zelf? Die zong de sterren uit de hemel maar de James Brown danspasjes van destijds bleven evenwel achterwege. Zouden de overtollige kilo’s hier voor iets tussen zitten?
Even had ik gedacht dat hij zijn exhibitionistische trekjes had afgezworen maar halverwege de set verdween hij van het podium om terug te komen in een strak zittend pakje met nep bontkraag waarin zijn kroonjuwelen nogal verfrommeld waren opgeborgen. Bovendien bleek de achterkant op de meest strategische plaats voorzien van twee uitgesneden ‘ogen’. Potsierlijk, dat zeker maar zo kennen we hem intussen al jaren en met dit pakje was het niet eens nodig om zijn broek af te steken.

En ten slotte gaat het nog steeds om de muziek die hier steeds verder richting authentieke soul en funk afdreef en daar was ik absoluut niet rouwig om. De nieuwe single, “Children of the world”, een song geïnspireerd op het verhaal van The Invaders (militante groepering die opkwam voor de burgerrechten in Memphis waar binnenkort een documentaire van verschijnt), haalde zo duidelijk de mosterd bij James Brown. Voor de bissen was King Khan zich nogmaals gaan omkleden waardoor we nu zijn indrukwekkende pens konden bewonderen. Het werd een spetterende finale waarin Khan voor één keer zijn statische positie verliet en mee het publiek introk. King Khan, het blijft een fenomeen. Net als The Shrines trouwens.

Organisatie: Kreun, Kortrijk

 

Wat laat vertrokken in de hoop dat de eerste band, waar ik na een korte kennismaking op het net niet veel van verwachtte, reeds tot het verleden zou horen. Niets was echter minder waar, La Jungle (een duo uit Mons) moest er nog aan beginnen en dat werd verdomd een aangename verrassing. Zelf omschrijven ze hun muziek als techno/kraut/trance/noise. Een bizarre combinatie die grotendeels klopte. De gitarist kon keer op keer verrassen met noise-achtige repetitieve motieven en liet een onzichtbare maar infecterende (techno) basbeat meelopen die voor een onweerstaanbare groove zorgde. En dan was er nog Rémy, een explosieve drummer, die ik aan het lijstje met fenomenale drummers die ik dit jaar zag gerust mag toevoegen, als kers op de taart. Slechts een paar keer deed de gitarist een voorzichtige poging om iets te zingen of was dat dan toch slechts een gevolg van acute kiespijn?

Het Tsjechische Uz jsme doma (spreek uit als oosh-smeh-dough-ma) heeft het communistisch regime nog meegemaakt en gaat dus al bijzonder lang mee (sinds ‘85). Al gaat het hier om voorman Miroslav Wanek die steeds andere muzikanten recruteert, de groep heeft toch een indrukwekkende staat van dienst waarin o.a. een samenwerking met The Residents. Hun muziek wordt doorgaans omschreven als complexe avant-garde met een punkspirit en een activistisch hart waarbij de nodige humor niet geschuwd wordt. Een hele hap maar dat was wel ongeveer hetgeen ik zag en hoorde, alleen die complexe avant-garde klonk hier verbazend toegankelijk.
Nee, die grillige structuren vonden ze eerder in de seventies progrock die ze verder bijkleurden met invloeden uit de Balkanmuziek en de punk. Die vele gekke stemmetjes deden dan weer denken aan Frank Zappa ten tijde van Howard Kaylan en Mark Volman, begin jaren ‘70. Miroslav Wanek, die ik voor de show nog even verwarde met één van Oostendes bekendste kroegbazen, bleek een erg minzaam man. Geen virtuoos op zijn instrumenten (vooral in de pianoles zal hij wel geen uitblinker geweest zijn) maar wat hij ermee aanving bleek altijd even onvoorspelbaar als doeltreffend. Tot tweemaal toe liet hij zich gaan in een ranzige gitaarexcursie, geheel op zijn eigen, met niemand te vergelijken, wijze. Naast hem zagen we een veel jongere drummer, een goedlachse bassist en een geweldige trompettist die voor een absolute meerwaarde zorgde. Op het einde charmeerde Wanek nog het publiek door enkele zinnen in zijn beste Frans te debiteren.

Echt van deze tijd klonk Uz jsme doma niet, het was veeleer een relikwie die met liefde gekoesterd dient te worden.

Organisatie: Le Watermoulain, Tournai

Bob Wayne - Hillbilly troubadour houdt De Zwerver in zijn ban
Bob Wayne
café de Zwerver
Leffinge
2016-09-18
Ollie Nollet

Bob Wayne, altijd goed voor een pot onversneden hillbilly music voorzien van smeuïge teksten. En hoewel hij wat door zijn stem zat , ontgoochelde hij ook deze keer niet. In de loop der jaren heeft de man toch een aantal songs geschreven die niet zouden misstaan in het verzamelde werk van een Johnny Cash of een Steve Earle.
Ik bedoel maar dat Bob Wayne veel meer is dan de vuilbekkende countryboy die perfect een stoomfluit kan nabootsen.

Bovendien had de man een uitstekende groep, The Outlaw Carnies, meegebracht waarvan enkel de drummer er twee jaar geleden, toen ik ze in Binic zag, ook bij was. Wayne rekruteert zijn muzikanten in alle uithoeken van de States en de sublieme banjospeler, die de plaats van de violist innam, was hij zelfs helemaal in Brazilië gaan zoeken. Zijn recent verschenen zevende plaat, ‘Hits the hits’, bevat enkel covers (waaronder zelfs songs van Adele en Rihanna) en is zeker niet zijn beste. Gelukkig beperkte hij zich tot twee nummers uit de plaat en die vielen uiteindelijk nog best mee : “Sympathy for the devil” (Rolling Stones) en “Rock and roll” (Led Zeppelin).

Maar naast eigen songs als “There ain’t no diesel trucks in heaven” en “Hillbilly heaven” bleken ze toch verwaarloosbaar. Hij hield zijn publiek in de ban voor een spannende set.


Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Pagina 10 van 15
FaLang translation system by Faboba