• Wilde Westen, Kortrijk: events
    Wilde Westen, Kortrijk: events Wilde Westen, Kortrijk: events afgelasting concerten tgv coronacrisis Door de aanhoudende coronacrisis werd Wilde Westen genoodzaakt de deuren te sluiten…

zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Festivalreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Dit was de tweede groep, die zich onledig hield met het spelen van Frank Zappa composities, die ik zag in amper tien dagen tijd. Eerst was er Zappa Plays Zappa in Borgerhout, dit keer Banned From Utopia in Diksmuide.

De vraag die zich hierbij meteen opdringt : wie was er de betere? Moeilijk te zeggen want de omstandigheden waren totaal anders. Zappa Plays Zappa vond plaats in een uitverkochte grote zaal met zitjes (De Roma) terwijl de 4AD een kleine club is met een staand publiek. Ondanks een licht teleurstellende opkomst geniet die laatste plaats mijn voorkeur omdat het gewoon altijd leuker is om een groep in zo’n intiem kader aan het werk te zien.
Ook qua aanpak verschilden beide bands grondig. Terwijl Dweezil Zappa voor jonge muzikanten koos zagen we hier een stel Zappa-veteranen en dat waren dan nog niet van de minsten. Leider Bobby Martin (vocals, toetsen en sax) was van 1976 tot 1984 actief bij de maestro, Ray White (vocals, gitaar) van 1976 tot 1984, Tom Fowler (bas) van 1973 tot 1975 om in ‘78 nog eens terug te keren en Albert Wing was er enkel bij tijdens de allerlaatste tour. Zij werden aangevuld met gitarist Robbie Seaheg Mangano (o.a. Grand Mothers Of Invention) en drummer Joel Taylor (o.a. Al Di Meola, Stanley Clarke).
Wat de bezetting betreft kies ik resoluut voor Banned From Utopia want met Ray White en Bobby Martin hebben zij twee geweldige zangers in huis, iets wat ik bij ZPZ toch (meer dan) een beetje miste. Bovendien was dit een bijzonder hechte band waarbij je nooit de indruk kreeg dat ze krampachtig probeerden het origineel zo dicht mogelijk te benaderen. Nee, alles werd bijzonder vlot uit de mouw geschud terwijl de valkuilen der nostalgie handig vermeden werden. De songkeuze van Dweezil vond ik dan weer misschien wel net iets beter (die twee nummers uit ‘The Grand Wazoo’!). Hoewel, de setlist van Banned From Utopia bestond eigenlijk ook uit niets dan hoogtepunten.
Het begon al indrukwekkend met het fascinerende gitaarnummer “Chunga’s revenge” waarin jongeling Robbie Mangano, die blijkbaar naar dezelfde kapper gaat als Frank destijds, mocht tonen wat hij in de vingers had en Bobby Martin zijn hoorn bovenhaalde.
Meteen was de toon gezet voor een set die vooral focuste op de eerste helft van de jaren zeventig, de periode waarin FZ duidelijk op het toppunt van zijn creatieve kunnen stond. Het blijft heerlijk om songs als “Zomby Woof”, “I’m the slime”, “Village of the sun” en het onvermijdelijke “Montana” terug te horen. Tijdens “Dupree’s paradise” kregen zowel bassist Tom Fowler als saxofonist Albert Wing hun verdiende solospotje en werd nog meer duidelijk wat voor rasmuzikanten hier op het podium stonden en waarop bovendien de leeftijd (resp. 64 & 63) blijkbaar geen vat krijgt.
Tijdens de reguliere Zappa-optredens was er altijd tijd en ruimte voor een gezonde portie waanzin op het podium. Hier probeerde Bobby Martin dat door zijn medemuzikanten te dirigeren met een viertal simpele handbewegingen. Later mochten twee vrouwen uit de zaal dat ook eens proberen. Leuk maar de hilariteit die de oppersnor op de planken wist te creëren bleef hier toch enigszins achterwege. Toch was het beslist beter dan de halfslachtige poging tot publieksparticipatie van Dweezil in Antwerpen. Sympathiekste kerel vooraan was zonder twijfel Ray White die voortdurend contact zocht met de aanwezigen. Zijn moment de gloire was hem dan ook van harte gegund, alleen jammer dat daarvoor het soulvolle “City of tiny lites” onderbroken werd.

Bissen waren het fenomenale “Andy” (Is there anything good inside of you. If there is, I really wanna know) en “Whipping post” (Allman Brothers Band-cover).
Ik vond het toch wat vreemd klinken dat net tijdens dit enige niet Zappa-nummer (hij speelde het wel live en het belandde op wel op één van zijn platen) Bobby Martin het had over de muziek van Zappa die er altijd zal zijn.
Uiteindelijk kwam de band nog een tweede keer terug voor een, door de zaal uit volle borst (la la la la la la) meegezongen instrumental, “Peaches en regalia”! Dat we dit nog mochten meemaken.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

maandag 26 oktober 2015 02:00

Hollis Brown: klaar voor de doorbraak?

Hollis Brown: klaar voor de doorbraak?
Hollis Brown + Bruce Sudano
café De Zwerver
Leffinge
2015-10-24
Ollie Nollet

Het was geen van de minsten die de avond mocht openen in De Zwerver. Bruce Sudano (geboren in New York en verkast naar L.A.) was voorheen actief in minder bekende bands als Alive ‘n Kickin’ en Brooklyn Dreams maar maakt wellicht meer indruk met de hits die hij schreef voor Jermaine Jackson (“Tell me I’m not dreamin’”), Dolly Parton (“Starting over again”) en Donna Summer (“Bad girls”). Aan dat laatste nummer, dat hij hier dus speelde, werd een heel verhaal gebreid waarin hij het voortdurend had over zijn girlfriend en hij vergat te vertellen dat hij gewoon meneer Donna Summer was die trouwens twee kinderen met haar heeft.
Naast hem zat (slide-) gitarist Randy Mitchell die volgens Sudano ooit een Grammy Award won voor zijn werk bij Warren Zevon. Dan zal dat voor “Knockin’ on heaven’s door” uit diens zwanenzang “The wind” geweest zijn, meteen ook het enige nummer waarbij hij op de loonlijst van Zevon stond. Maar Mitchell was wel nog te horen op platen van talloze andere artiesten. Zelfs op eentje van The Osmonds(!) en meer recent ook op “Hobo” van acteur Billy Bob Thornton waarvan hij tevens co-producer was. Bruce Sudano kwam dus met zijn tweeën zijn nieuwe plaat die hij opnam met The Candyman Band, “The Burbank sessions”, voorstellen.
In De Zwerver lieten ze, beiden op akoestische gitaar,  zich wel bijstaan door de pianist en de drummer van Hollis Brown maar uiteindelijk hebben we die twee niet vaak gehoord. Sudano heeft een mooie, soulvolle stem waarmee hij meestal lange, verstilde songs bracht, subtiel ingekleurd door de gitaar van Mitchell en waarin de hand van de vakman duidelijk hoorbaar was. Intelligente teksten ook die getuigden van Sudano’s rake observatie van onze maatschappij. Vrij aardig en onderhoudend al vermoed ik dat dit op plaat net iets te gesofisticeerd zou kunnen klinken voor mijn ongewassen oren.
“Ride on the train” (op Alive Records) uit 2013 vind ik nog steeds een hartverwarmende rootsrockplaat. Ook “Gets loaded” waarop ze integraal “Loaded” van The Velvet Underground coverden mag er best wezen terwijl ze me vorig jaar live ook al konden overtuigen in ‘De Nodige Deugd’ te Moorslede. Kortom, een groep waar ik nog veel van verwachtte maar die me toch danig lieten schrikken toen ik hun nieuwste, ‘3 Shots’, onder de naald legde. Wat klonk dit glad en gepolijst, als was het een knieval voor de commercie. Na enige tijd kon ik tussen de laagjes glazuur toch wel enige sterke songs ontwaren maar dat maakte het enkel des te spijtiger.

Gelukkig klonk het op het podium allemaal een stuk potiger. Hollis Brown (pics homepag) had er net een tour in het voorprogramma van de Counting Crows op zitten en dat was eraan te zien. We zagen een groep boordevol zelfvertrouwen, goed geolied en met zeer veel honger. Ze speelden dan ook meer dan anderhalf uur. Opener “Cathedral” klonk meteen al een stuk appetijtelijker dan op die laatste plaat. Mike Montali bleek meer dan ooit een erg begenadigd zanger.
Samen met de vier andere, al even competente muzikanten wist hij een onwrikbare sound te produceren waarin vage sporen van C.C.R., The Band en Neil Young terug te vinden waren. Die laatste werd trouwens geëerd met een cover : “Revolution blues” (uit ‘On the beach’). Eén stinker niet te na gesproken werd dit een set vol deugdelijke songs waarvan er enkele toch wat te vlot binnen hapten. Maar dat laatste werd ruimschoots gecompenseerd door enkele nummers waarin stevig gerockt werd zoals “Rain dance”. Een onafgewerkte song van Bo Diddley die Hollis Brown mocht vervolledigen en die hier met een schitterende Randy Mitchell op slidegitaar uitgroeide tot een machtig epos.
Na de zo al lange set volgde nog een uitgebreide bisronde met onder meer een ietwat bleke versie van “Sweet Jane” en een fenomenaal “John Wayne” waarin Hollis Brown boven zichzelf uitsteeg. Deze song, die begint als iets van Calexico om vervolgens in een gitaarfestijn te belanden waarvoor Drive-By Truckers hun neus zeker niet zouden ophalen, was op zich alleen al de moeite waard om naar Leffinge af te zakken.
Hollis Brown lijkt me klaar voor het grotere werk. Hopelijk zonder verdere toegevingen...

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

De ons, in 1993 alweer, ontvallen Frank Zappa lijkt alom tegenwoordig dezer dagen. Vooreerst is er de cd, ‘Dance me this’, met onuitgegeven werk dat hij vlak voor zijn dood opnam, al kan ik me moeilijk inbeelden dat de maestro deze probeersels ooit op plaat zou hebben gekwakt.
Maar ook in de concertzalen is hij niet weg te slaan. Onlangs nog waren de Grandmothers Of Invention in de Spirit Of 66 in Verviers. Op 4 december speelt Sinister Sister (groep Belgische topmuzikanten rond vibrafonist Pieter Claus) werk van hem in de Rataplan in Antwerpen. Op 1 november komt oud Zappa-drummer Terry Bozzio naar de Zwerver in Leffinge en op 30 oktober prijkt Band From Utopia op de affiche van de 4AD in Diksmuide. Die laatsten lijken me, met ex FZ leden Ray White, Bobby Martin en Tom Fowler in de rangen, het interessantst. En dan was er zeer onlangs ook nog het overlijden van weduwe Gail Zappa maar daar repte Dweezil met geen woord over.

Intussen is het project Zappa Plays Zappa, waarmee Dweezil de muziek van zijn vader levend wil houden, ook al zo’n 10 jaar oud. Voor deze avond in een uitverkochte Roma was ons naar aanleiding van de 40ste verjaardag van de plaat een integrale uitvoering van ‘One size fits all’ beloofd. En die integrale uitvoering mag wel erg letterlijk genomen worden. De nummers werden in exact dezelfde volgorde afgewerkt zonder ook maar één woord commentaar tussendoor, als betrof het een klassiek werk. Eerst werden we nog op het verkeerde been gezet met het ellendige thema van ‘Star Wars’ maar na enkele minuten ontwaarde ik toch de eerste noten van “Inca roads” waarin de zang van Chris Norton aardig in de buurt kwam van George Duke destijds.
De meeste zang nam evenwel Ben Thomas voor zijn rekening en daar was ik heel wat minder over te spreken. Zo miste ik tijdens het heerlijke “Florentine Pogen” de van de soul barstende strot van Napoleon Murphy Brock. Voor de rest viel er weinig aan te merken. De uitvoeringen stonden heel dicht bij het origineel. Het instrumentale “Sofa No. 1” viel zo goed als niet te onderscheiden van de plaatversie. We hoefden niet te mopperen want “One size fits all” bevat negen ijzersterke songs die allen zo goed als feilloos gebracht werden. Maar wanneer je het zo brengt , wordt alles wel erg voorspelbaar terwijl de schaarse afwijkingen nooit voor enige meerwaarde zorgden.
Gelukkig volgde hierna nog zoveel moois waardoor ik zeker niet op mijn muzikale honger bleef zitten. Het begon al sterk met “Black napkins” waarin Dweezil zijn talenten als gitarist mocht etaleren. Het eigen “Dragon master”, een heavy metal-pastiche waarvoor vader destijds de tekst schreef, begon met de plots uit de coulissen opduikende stuntzanger Pete Jones niet onaardig maar ontspoorde op het einde toch compleet. Deze uitschuiver was ik echter snel vergeten want wat volgde liet mijn hart toch een paar tellen sneller slaan : “The Grand Wazoo”, titeltrack van één van Zappa’s meest onderschatte platen en wat mij betreft zelfs zijn allerbeste. Een lome, jazzy compositie waarin zowel de blazers , de toetsen als de gitaar uitblonken.
Na deze parel vond The Dweez dat het tijd was voor wat publieksparticipatie. De drie delen van de zaal mochten elk een kunstje leren wat erg vlot ging. Alleen gebeurde er daarna niets mee. Onze taken werden niet geïntegreerd in een song en er werd ook niets nieuws mee gecomponeerd, iets wat Zappa senior wel deed! Totaal overbodige oefening die gevolgd werd door het geweldige “Cletus Awreetus-Awrightus”, ook al uit ‘The Grans Wazoo’, en waarin saxofoniste Scheila Gonzalez een glansrol speelde. Later zou ze nog een paar keer schitteren. Het waren niet meteen de meest evidente nummers die Dweezil had uitgekozen. Neem nu “The evil prince”, een track uit de verschrikkelijk taaie driedubbelaar ‘Thing-fish’, dat volledig gedragen werd door de hemelse samenzang van de bandleden en waarin Ben Thomas wel tot zijn recht kwam. Meer nog, hij zong gewoon de sterren uit de hemel. Vanaf hier bleef het uitermate genieten met onder meer nog “I’m the slime” en het obligate “Montana”.
Tot slot liet Dweezil de helft van de groep vertrekken om zich samen met bassist Kurt Morgan en drummer Ryan Brown te vergrijpen aan een brok verzengende gitaarrock dat begon met “Apostrophe”.
Uiteraard volgde er nog een feestelijke bisronde waarbij het onmogelijk werd te blijven zitten : “Cosmik debris”!, “Dancin’ fool”!!, “Muffin man”!!!

Dweezil Zappa heeft duidelijk niet het charisma van zijn vader in de genen en het concert kende wel enkele pijnpunten. Toch viel er meer dan voldoende te genieten in een bijna twee en een half uur durende set vol tijdloze muziek gebracht door zes schitterende muzikanten.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://musiczine.lavenir.net/nl/fotos/zappa-plays-zappa-21-10-2015/

Organisatie: Greenhouse Talent ism De Roma, Antwerpen

Ik herinner me het eerste concert van de Black Diamond Heavies in de 4AD anno 2007 nog als de dag van gisteren. Wat een explosieve kracht school er in dat duo! Later zag ik ze nog talloze keren terug want ze toerden als gekken (drie Europese tournees per jaar was geen uitzondering, eerder de regel) en telkens hing er magie in de lucht.
Tot er eind 2010 een einde aan het sprookje kwam toen de superbe drummer Van Campbell vond dat het genoeg geweest was. Maar organist-zanger James Leg bleef koppig doorgaan met telkens een andere occasionele drummer, zij het wat zwalpend. Net toen ik het ergste vreesde, zag ik in 2013 een herboren James Leg, die de drank en alle andere gevaarlijke genotmiddelen had afgezworen, terug in Middelburg. Dit jaar verscheen dan zijn tweede soloplaat, ‘Below the belt’, die er best mag zijn. Ik verwacht telkens een meesterwerk als die eerste Black Diamond Heavies-plaat, “Every damn time”, mijn wat onredelijke eis werd evenwel niet ingewilligd. Maar James Leg is iemand die je vooral live moet zien, dus trok ik naar Brussel.

Zoals een beetje verwacht bleek het sympathieke Magasin 4 een paar maten te groot voor James Leg. Vooral The Freeborn Brothers hadden hier last van en kregen het her en der verspreide volk moeilijk aan hun kant. Uiteindelijk trok Matt Plesniak dan maar zelf al dansend de zaal rond wat een aardig zicht opleverde met die stompfoot tamboerijn aan zijn ene voet. Het drietal uit Polen omschrijft hun muziek zelf als ‘gypsy hobo trash grass punk-‘n-roll’ en dat zal wel ongeveer hetgene geweest zijn wat we op ons bord kregen. De stevig voortjakkerende songs met een losgeslagen banjo, een ratelend washboard of een pompende accordeon konden alvast de kilte uit mijn stramme ledematen verdrijven. Enkel wanneer er wat gas teruggenomen werd, wat gelukkig niet al te veel gebeurde, kwamen hun beperkingen bovendrijven. Niettemin een aangename opwarmer.
James Leg stoof er als vanouds furieus in en lokte het volk meteen naar voor maar tijdens het eerste nummer al gaf zijn oude Fender Rhodes piano, die zo te zien beide wereldoorlogen nog van nabij heeft meegemaakt, de geest.
Na wat oplapwerk kreeg een duidelijk geïrriteerde James Leg het ding toch weer aan de praat maar tijdens het eerste half uur bleef de klank geregeld wat haperen. Dat vervelende probleem maakte hem bijzonder nijdig - een paar keer had hij duidelijk zin om zijn piano tegen de vlakte te stampen – maar zelfs dat kon geen rem zetten op een gedreven, pittige set.
Samen met zijn tegenwoordig vaste partner in Europa, drummer Mat Gaz uit het Franse Angoulême, die onlangs nog met zijn andere band Mars Red Sky op het Desert Fest in Trix speelde, produceerde hij een stevige bezielde sound waarvan de wortels diep in de soul, gospel en country verankerd waren. De nieuwe songs moesten niet onderdoen voor de talrijke Black Diamond Heavies parels als “White bitch”, Leave it in the road” of “Poor brown sugar”. Vooral “Dirty south” kon zo weggeplukt zijn uit een BDH elpee en was met zijn “Sympathy for the devil” oe-oe’s na “Fever in my blood” met zijn “Gimme shelter” passage de tweede song die verwees naar de Rolling Stones.

Een zich herhaaldelijk voor het slechte materiaal excuserende James Leg zal wellicht niet tevreden geweest zijn, toch haalde hij tijdens de bis nog eens alles uit de kast in een werkelijk fenomenale versie van “Ain’t talking about love” (Van Halen).

Organisatie: Magasin 4, Brussel

Roy & The Devil’s Motorcycle - Zwitserlands best bewaarde geheim
Roy & The Devil’s Motorcycle
2015-10-03
4AD
Diksmuide
Ollie Nollet

De openingsavond van het nieuwe concertseizoen in de 4AD was meteen al goed voor een voltreffer. Waar ik het optreden van Roy & The Devil’s Motorcycle een paar maanden geleden in de Pit’s nog catalogeerde als een twijfelgeval (de omstandigheden zaten hen toen echt niet mee) werd ik dit keer compleet van de sokken geblazen. Maar vooraleer we dit wonder mochten aanschouwen hadden we er al twee groepen opzitten.

Gglory, een duo uit Koksijde, zette meteen de beuk erin met onversneden garagepunk. Een groots zanger zou ik Arthur Pauwelyn niet noemen. Toch vond ik zijn stem iets hebben terwijl zijn gitaar gruizig klonk zoals het hoort en een paar keer van lekker ouderwetse wah wah effecten werd voorzien. Het leuke aan dit soort duo’s is dat de drummer automatisch op het voorplan terecht komt en met een beer als Chris Weyne achter de vellen leverde dat constant vuurwerk op. De songs klonken erg rudimentair en net toen ik dacht ‘nu hebben we het wel gehad’ toverden ze een paar vlezigere nummers, waar duidelijk met wat meer inspiratie aan gewerkt was, uit hun hoed. Rock-‘n-roll uit de Westhoek!

Monster Youth uit Sint-Niklaas werd aangekondigd als een nieuwe sensatie in de Belgische garagerock maar dat viel behoorlijk tegen. Veel ‘garagerock’ viel er überhaupt niet te horen, wel zoete garagepop die zeker niet zou misstaan in de Burger Records-stal. Alleen is dat laatste allang geen garantie meer voor kwaliteit. Monster Youth klonk veel te poppy en die griezelig mooi klinkende stemmen deden me al vlug heimwee krijgen naar het onbehouwener keelgeluid van Gglory. Enkel wanneer de gitaren de bovenhand kregen, wat slechts heel sporadisch gebeurde, bleek Monster Youth dan toch de moeite waard. Dat werd heel duidelijk tijdens het symptomatische laatste nummer dat tergend traag begon met tenenkrullende zang om dan plots te eindigen met een weldadig gitaarepos.

Bij Roy & The Devil’s Motorcycle viel er visueel eigenlijk niet zo heel veel te beleven op het podium. De broers Markus, Matthias en Christian Staehli zagen er, net als in Kortrijk, wat vermoeid uit (ik vermoed dat ze er altijd zo uitzien, drummer Elias Raschle zag er wel patent uit) en er werd al eens met dichtgeknepen ogen of met de rug naar het publiek gemusiceerd. Maar als het muzikaal zo goed zit zal daar wellicht niemand om malen.
Er werd furieus geopend met twee nijdige garagerocksongs waaronder “You better run”, prijsnummer uit hun laatste plaat ‘Tino: Frozen Angel’.
Daarna werd het roer meteen volledig omgegooid en kregen we een ellenlange en adembenemende instrumental waarin de drie gitaren repetitief tegen elkaar op stuiterden en om beurten de sterren uit de hemel speelden. Een gedurfde oefening die jammer genoeg zijn weg naar het vinyl nog niet gevonden heeft.
De rest van de set klonk wat conventioneler maar was daarom niet minder smakelijk. Hun inventieve psychedelische gitaarrock sleurde me mee in een benevelende roes die niet lang genoeg kon duren.

Roy & The Devil’s Motorcycle zijn reeds meer dan twintig jaar actief, hoog tijd voor wat meer erkenning!

Organisatie: 4AD, Diksmuide

Zondag begon alweer met een Vlaamse supergroep, wat vermoeiend! Het Gentse King Dalton bestaat uit Pieter (vocals, gitaar en bariton sax) en Jonas (slide gitaar) De Meester (beiden ex AedO), bassist Tomas De Smet (Think Of One, Zita Swoon, Broken Circle Bluegrassband), zangeres Jorunn Bauweraerts (Laïs) en drummer Frederik Heuvinck (A Brand). Maar King Dalton, dat eruit zag als een orkestje uit de Appalachen, zorgde onverwacht voor een zeer aangename verrassing. De groep is zeker niet voor een gat te vangen. Het ene moment klonken ze als 16 Horsepower om dan, wanneer Pieter de Meester zijn sax bovenhaalde, in de voetsporen van Morphine te treden. Nog wat later klonk het weer lekker funky terwijl ik ook even Yoko Ono meende te horen. Bovendien was er zelfs een moment van herkenning toen het mooie “Jewel pleasures”, bekend van de televisiereeks ‘Tom & Harry’, werd ingezet.

Muzikaal klonk Het Zesde Metaal heel wat conventioneler dan King Dalton. Het Zesde Metaal : dat is vooral meester-verteller Wannes Cappelle. Zijn West-Vlaams teksten zijn steeds spitsvondig, poëtisch en erg zelfrelativerend. Verder bestond de groep uit vier uitmuntende muzikanten waaronder gitarist Tom Pintens en een alweer briljante Filip Wauters op gitaar en lapsteel.

The Deslondes, genoemd naar een straat in thuisstad New Orleans, moesten starten voor een akelig leeg lijkende zaal. Buiten was eindelijk de zon aan de hemel komen piepen en zo vonden slechts weinigen de weg naar een donkere zaal voor een relatief onbekende groep (later sijpelde er toch wat meer volk binnen). Maar de vijf, die mooi op één rij stonden, lieten het niet aan hun hart komen. Wel integendeel. Ze brachten meteen leven in de brouwerij door een wedstrijdje two-step dansen te organiseren waarbij de winnaars zowaar een flesje pils kregen. De sfeer zat er meteen in en hun verrukkelijke pot americana kreeg een hartelijke respons. De heren hadden talent zat en maar liefst vier nachtegalen in de rangen. Naast de gekende nummers uit hun dit jaar verschenen debuutplaat werd ook een gloednieuwe song met als werktitel “Loses” gespeeld en dat werd meteen één van de pieken uit de set. Zondermeer een belofte voor de toekomst, deze The Deslondes.

Op zondag werd het meest uitgekeken naar het project Moondog by Roland & Friends maar dat werd een ontgoocheling. Vermoedelijk in tegenstelling tot het overgrote deel van de aanwezigen kende ik wel Moondog. In 2006 kocht ik de nog steeds aan te raden verzamelaar, ‘The Viking of Sixth Avenue’, die wekenlang in mijn cd-speler kampeerde waarna ik nog dieper in het werk van de excentrieke Amerikaan ging graven. Vooraf vroeg ik me af wat men in godsnaam met deze minimalistische avant-garde jazz zou aanvangen. Met een rits topmuzikanten als Roland, Isolde Lasoen, Patrick Riguelle, Yves Fernandez (trompet), Marc De Maeseneer (sax), Mirko Banovic (bas) en Serge Feys (keys) mocht je toch wel iets verwachten maar ze maakten Moondog gewoon salonfähig. Het werd een hapklare brok waar kunstminnend Vlaanderen zich in de culturele centra geen buil aan zou vallen. Het klonk mooi gepolijst en voor sommige stukken kon ik de mening van een enthousiast publiek beslist delen maar de geest van Moondog? Die was nooit en nergens te bespeuren. Verder viel ook op hoe beperkt de rol van een nochtans met een mooie vissenmuts uitgedoste Roland wel was. Hoewel hij met zijn schelpenrammelaar misschien nog het dichtst in de buurt van Moondog kwam.

Hoe graag had ik de kater na Moondog doorgespoeld met een spetterend optreden van het Nederlandse MY BABY. De omschrijving was alleszins veelbelovend, de ontnuchtering des te groter. Niets leek wat het was. De gitaar van het anders wel leuke zangeresje Cato Van Dyck was nooit te horen. De zielloze drums van broer Joost leken wel een nooit aflatende drummachine terwijl ik voortdurend een pompende bas meende te horen die nergens te zien was. En dan waren er nog de blueslicks van Nieuw-Zeelander Daniel ‘Dafreez’ Johnston die ik eerder met een kermis zou associëren. En toch zouden ze samen met Seasick Steve getourd hebben. Vreemd.

Slotsom : dit vernieuwde Leffingeleuren was een schot in de roos. Een festival op mensenmaat waar de muzikale ontdekkingsreiziger op zijn wenken bediend werd. Merci Leffinge!

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

zaterdag 29 augustus 2015 01:00

Cuz - Hoog bezoek!

Cuz
café de Zwerver
Leffinge

Hoog bezoek in café De Zwerver! Mike Watt, vooral bekend als bassist van de legendarische bands The Minutemen en fIREHOSE, kwam er zijn nieuwste project voorstellen. De lijst collaboraties van de man is schier eindeloos (Sonic Youth, The Stooges, J. Mascis om er maar de bekendste uit te pikken).

Dit keer vond hij een partner in Sam Dook, gitarist van de indie-pop band The Go! Team. Gezien het leeftijdsverschil en de verschillende muzikale achtergronden niet meteen voor de hand liggend. En dat is hun muziek ook niet. De titel van de plaat alleen al : ‘Tamatebako’ wat een origami-ontwerp van een kubusje, gebruikt in een Japanse legende, zou zijn. En er zitten nog meer Oosterse invloeden in, vandaar misschien de keuze voor E-da Kazuhisa (ex-Boredoms, Drum Eyes) als (voortreffelijk!) drummer.
Het internationale gezelschap (USA, UK, Japan) beperkte zich tot het spelen van nummers uit die ene plaat en de nieuwe single. Geen oudjes dus of het zou de bis, die me net iets bekender in de oren klonk, moeten geweest zijn. Niet alles was even geslaagd : de spielereien op elektronica en de zoetgevooisde stem van Sam Dook (op gitaar kwam hij wat beter uit de verf) konden me gestolen worden.
Maar zelfs in die zwakke momenten bleef het nog steeds genieten van het onimiteerbare basspel van een erg sympathieke en spraakzame Mike Watt. De nummers waarin hijzelf het voortouw nam mochten er wel zijn. Een paar keer kwam hij in de buurt van Pere Ubu om een andere keer richting jazz af te slaan.

Wellicht stond nog niet alles op punt -dit was pas het tweede CUZ optreden ooit- toch viel er voldoende moois te horen om de afwezigen ongelijk te geven.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge 

Binic Folks Blues Festival 2015 - Rock-‘n-roll springlevend in Bretagne
Binic Folks Blues Festival 2015
Festivalkaai
Binic (Bretagne)
31/07, 01 & 0208/2015
Ollie Nollet

Binic Folks Blues Festival 31/07, 1 & 2/08 - Eén lange maar boeiende aanloop naar de peetvaders van de garagerock, The Sonics

Het idyllische Binic (Cotes d’Armor, Bretagne) begint stilaan letterlijk uit haar voegen te barsten tijdens het Folks Blues Festival. Sprak men vorig jaar van zo’n 25000 à 30000 bezoekers, dan waren er dit jaar waarschijnlijk opnieuw een pak meer. Hoe dit eclatante succes te verklaren is blijft een beetje een raadsel.
De programmatie lijkt me niet meteen de reden voor deze enorme volkstoeloop. Ok, dit jaar hadden ze The Sonics maar wat dacht je van de drie headliners op vrijdag : Son Of Dave, JC Satan en Urban Junior? Dat zijn drie namen die niet eens de Pit’s laten vollopen (de laatste twee speelden er ook effectief) en toch kon je er op de koppen lopen. Een betere verklaring is wellicht het feit dat dit een gratis festival is en misschien nog meer het totaal ontbreken van ook maar enige controle. Iedereen is er vrij zijn eigen drank mee te brengen wat dan ook massaal werd gedaan. Het was echt opvallend dit jaar. Er waren overal glascontainers geplaatst maar die konden de gigantische toevloed aan leeggoed echt niet slikken. Dat kolossale drankverbruik uitte zich ‘s avonds telkens in een immense moshpit met talloze crowdsurfers terwijl de sfeer er steeds opperbest bleef en incidenten gelukkig uitbleven. Een ideale situatie ook voor de groepen die slechts zelden of nooit zo’n respons krijgen.

dag 1 –vrijdag 31 juli 2015

Mijn parcours begon vrij teleurstellend bij James Finch Jr, een halfzachte singer-songwriter uit San Francisco, die enkel te pruimen viel als hij zijn gitaar wat gruizig liet mijmeren. De bassist hoorde dan weer beter thuis op een kermis en dat niet alleen vanwege die onnozele zonnebril.

Hot Flowers, een duo uit Bordeaux, begonnen vol vuur en lieten me twijfelen tussen een oude Crypt-band en Madensuyu maar na zo’n 20 minuten was het vet van de soep en moesten we het stellen met een derderangs Digger & The Pussycats.

Veel beter verging het The Blues Against Youth, een one-man-band uit Rome. Gianni TBay hield het bij tamelijk pure country en blues en kon aardig overweg met zijn gitaar. Jammer van de wel erg vlakke zang maar wie Townes Van Zandt en Hank Williams in één en dezelfde set covert krijgt van mij veel krediet.

La Bastard uit Melbourne was één van de vele groepen uit de stal van Beast Records, het platenlabel uit Rennes. Een surfgroep met een voluptueuze zangeres, het deed me dromen van Shannon and The Clams maar hier hadden we toch geheel ander vlees in de kuip. Powerpop en powersurf met een als bezeten tekeer gaande gitarist die duidelijk de tijd van zijn leven beleefde. Sympathiek, dat zeker maar ik krijg mijn surf liever wat subtieler geserveerd.
‘Subtiel’ zal waarschijnlijk ook niet in het woordenboek van Henry’s Funeral Shoe (Wales) staan. Toch konden de broers Aled en Brennig Clifford me moeiteloos inpakken. Het ging hier om bluesrock in een minimale bezetting met uitvergrootte riffs van een wijdbeense gitarist die het grote gebaar niet schuwde en met vooral een geweldige drummer die regelmatig zo’n half metertje boven zijn stoel uitwipte.

JC Satan uit Bordeaux (enkele leden komen oorspronkelijk uit Turijn) bleek geëvolueerd van een Thee Oh Sees-kloon naar een niets ontziende pletwals van noise, psychrock, garage en zelfs een snuif progrock. Gitarist Arthur Satan trok met zijn, van de smeerolie druipende, gitaar alle aandacht naar zich toe terwijl zangeres Paula zich eerder bescheiden opstelde en me een paar keer deed denken aan onze eigenste Little Trouble Kids. Maar JC Satan is tegenwoordig met niets of niemand meer te vergelijken en hield het volledig volgelopen plein aan de Pommelec scène, dat minstens vijfmaal groter was dan vorig jaar, compleet in de ban.

One-man-band Urban Junior bedient zich van synths, gitaar, drums en een 80’s beatmachine terwijl hij door een megafoon zingt. Niet gewoon dus en daarbij haspelt hij ook nog eens alle genres door elkaar : van blues tot disco. Iets teveel elektronica naar mijn gedacht maar daar zullen de vele danslustigen zeker geen boodschap aan gehad hebben.

dag 2 - zaterdag 01 augustus 2015
De zaterdag werd fijn geopend met meteen één van de revelaties van het festival. The Lame (Turijn) bracht naast enkele ranzige punknummers en een stevige bluesstomper vooral ‘80’s gitaarrrock (zeg maar Green On Red) maar dan wel in Crypt-stijl : twee gitaren en drums. Hun plaat is trouwens gemasterd door Crypt-opperhoofd Tim Warren. Naast de geweldige zanger Stefano Isaia (ook actief bij de Movie Star Junkies) wil ik zeker ook de flamboyante drumster, Maria Mallol Moya, die tevens zorgde voor een sexy tweede stem, vermelden.

Shake It Like A Caveman (one-man-band uit Tennessee) moet tijdens de allereerste editie van BFBF nogal wat indruk gemaakt hebben. Ik vond hem net iets teveel het publiek bespelen met zijn funky blues. Halfweg kwam de Franse saxofonist Pierrot Rault voor een verfrissende wind zorgen.

Delaney Davidson (Nieuw-Zeeland) zorgde in zijn eentje voor een bijzonder indrukwekkend geluid. Hij leek wel te toveren door verschillende lagen samples (van zijn stem, van zijn gitaar en van het getokkel op de klankkast ervan) op elkaar te stapelen. Het mooie eraan was dat het nog feilloos werkte ook. Even mocht Izobel Garcia (Los Angeles), die vorig jaar ook al met Reverend Beat-Man mocht opdraven, hem vervoegen. Maar na twee nummers (waaronder datzelfde Mexicaanse volksliedje van vorig jaar) liet hij haar met een dwingend handgebaar het podium alweer verlaten. Terecht want Delaney Davidson’s blues verdroeg geen inmenging van derden.

Het Franse duo Hummingbird (Nîmes) was op het eerste zicht niet bepaald publieksvriendelijk. De zanger-gitarist, Sylvain Arnaux, zat neer terwijl de drummer zich verborg achter een hangende basdrum. De twee bezorgden ons aan 16 Horsepower verwante americana waar echt wel enkele heel knappe dingen tussenzaten maar waar ik na een tijdje toch het etiket ‘aanvaardbaar’ op kleefde. Zo publieksonvriendelijk waren ze nu ook weer niet want een op het einde duidelijk aangeschoten Arnaux deelde zijn fles whisky gul met het volk.

De laatste plaat “Wayne interest” van Tijuana Panthers vind ik eerlijk gezegd een sof maar hun zonnige surfpop gedijde hier uitstekend. Mede dankzij de uitzinnige reacties raakte de steeds forser spelende band meer en meer op toerental terwijl ik me kostelijk amuseerde met het in de gaten houden van de gitarist, een Benny Hill lookalike!

Afsluiter op het grootste podium (La Banche) was Ought uit Montreal dat een plaat uit heeft op het gerenommeerde ‘Constellation Records’. De vier jongelingen brachten verrassend gevarieerde postpunk, flink gekruid met wat noise, en beschikten met Tim Beeler over een fameuze zanger die zijn stem (ergens te situeren tussen Ian Curtis en Scott Walker ) flink liet galmen. Vooraf leek Ought een wat vreemde keuze maar achteraf kon ik er best mee leven.

dag 3 – zondag 02 augustus 2015
Prima start op zondag met meteen een feestje : Hipbone Slim & The Kneetremblers (Londen) wisten met hun authentieke fifties rock-‘n-roll vooral de vrouwen aan het dansen te krijgen. Af en toe mocht er iemand op het podium kruipen om de maracas te schudden, iets wat dan weer de mannen meer interesseerde. Heerlijk ook hoe ze Gene Vincent nog eens van onder het stof haalden terwijl ik het altijd fijn vind om de flegmatieke drummer, Bruce “Bash” Bland terug te zien.

Kaviar Special, vier jongelingen uit Rennes, laveerden tussen sixties garage, psychrock en grunge wat tot een aanstekelijk en verfrissend resultaat leidde, ook al omdat de Black Lips meermaals om de hoek kwamen loeren.

Heel wat minder vond ik het duo Escobar uit Limoges. Powerpunk met een goeie gitaar en dito drums die na een tijdje de eentonigheid niet kon ontwijken terwijl de zang te veel in de glamrock baadde.

Met Ron S Peno & The Superstitions (Melbourne) had ik het soms moeilijk. Schitterende groep waarin vooral gitarist Cam Butler en toetsenman Tim Deane de uitblinkers waren maar Ron S Peno zelf werkte met zijn licht obscene gebaren me soms op de zenuwen. BFBF is altijd erg karig met informatie over de groepen zodat ik ze niet meteen kon plaatsen. Maar toen ze een cover speelden van Died Pretty (wie kent ze nog?) begon het me stilaan te dagen. Dit was gewoon de zanger van Died Pretty die ook nog bij Screaming Tribesmen een verleden heeft. Wanneer ik mijn aversie wat opzij kon duwen hoorde ik bij momenten de keel toesnoerende gitaarrock met knap uitgewerkte songs.

Harlan T Bobo (Memphis) kwam daarna zijn sympathieke zelf zijn en sprong al snel van het podium om zijn fans uitgebreid te knuffelen. Hij zag er wat sjofel uit mede door die handig, met zwarte tape, herstelde laars maar bleek goed geluimd en vertelde ons zelfs over zijn erotische dromen met Paula H. van JC Satan in de hoofdrol. De set begon met enkele van zijn sterkste nummers, kende daarna een dipje om superieur te eindigen met wat nijdig rockende songs.

Uiteindelijk was het zover : tijd voor de groep waarop iedereen al drie dagen zat te wachten : The Sonics. Ik had strategisch helemaal vooraan postgevat omdat ik wel wist wat er zou gebeuren. Vanaf de eerste noten veranderde het plein in een gigantische moshpit waarboven in een dikke stofwolk talloze crowdsurfers elkaar kruisten. En de veteranen deden, alsof er niets aan de hand was, gewoon hun ding zoals altijd : beginnen met “Cinderella om te eindigen met “The witch”. Tussendoor veel songs uit de nieuwe plaat, ‘This is The Sonics’, die zeker niet stoorden en een geweldige cover, “Keep a-knockin’” (Little Richard), gegild door ‘nieuwkomer’ Freddie Dennis. Ik heb het nu al vele keren gezien en weet telkens perfect wat er zal komen, toch blijft het een verademing om Rob Lind (sax), Larry Parypa (gitaar) en Gerrie Roslie (die op het einde ondanks zijn 71 lentes nog gezwind een been op de toetsen van zijn piano zwiepte) aan het werk te zien. Terwijl het stof geleidelijk neerdwarrelde had ik nog aanzienlijk wat werk om alle ingewanden terug op hun plaats te krijgen.

Binic Folks Blues Festival : het blijft een uniek gegeven.

Organisatie: Binic Folks Blues Festival

Sjockfestival Gierle 2015 – 10 t/m 12 juli 2015 - Jubileumeditie vol hoogtepunten
Sjockfestival Gierle
Festivalterrein
Gierle
20105-07-11
Ollie Nollet

1 dag werd hier uitgepikt – zaterdag 11 juli 2015

Op veel aandacht in de nationale media hoeft Sjock Gierle niet te rekenen. Nochtans hadden ze daar voor hun 40ste(!) editie een bijzonder sterke affiche in elkaar geknutseld. Ik had het geluk er zaterdag bij te mogen zijn en kon alleen maar constateren dat het zowel qua kwaliteit van de optredens als qua opkomst een absolute voltreffer was.

De tweede festivaldag werd luidruchtig voor open verklaard door We’re Wolves. Een stel baardige mannen in mouwloze jeansjasjes brachten hondsbrutale rock waarin geen plaats was voor veel nuance. Best amusant maar na een tijdje begon door gebrek aan variatie mijn aandacht te verslappen of waren dit reeds de eerste tekens van het genadeloze slopingswerk van een loden zon?

Dan maar naar de tent voor The Tinstars ft Ruby Pearl maar ook daar was de hitte nauwelijks te harden. The Tinstars brachten een mix van rockabilly en hillbilly met een, als steeds, voortreffelijke Dusty Ciggaar op gitaar. De eveneens uit Nederland afkomstige Annita and The Starbombers visten in dezelfde vijver waarin eventueel een geut western swing was gekieperd. Op beide bands viel weinig aan te merken – het klonk lekker authentiek – maar het bleek telkens iets te voorspelbaar om veel brokken te maken.

The Deaf is de groep van Spike (Frans Van Zoest), een mediafiguur in Nederland, die naar eigen zeggen werd opgericht na het zien van één van de allerlaatste Dead Moon optredens. Daar was buiten dat ene nummer, “Dead Moon Rise” bitter weinig van te merken. Integendeel, dit soort radiovriendelijke speedrock stond behoorlijk haaks op de rafelige garagerock van Dead Moon. Toch kon ik bij het, in de sixties badende, “Not your man” een goedkeurende grijns op mijn gezicht moeilijk verbergen.

Was deze festivaldag wat aarzelend op gang gekomen, met Black Mambas kwam daar definitief verandering in en stapelden de hoogtepunten zich in snel tempo op. Eindelijk een set waarbij de tropische temperaturen de greep op mijn geest losten. Daarvoor zorgden vier jongens uit Los Angeles met een pot ongekunstelde rock-‘n-roll waarin sporen terug te vinden waren van New York Dolls, Ramones, MC5 en -waarom niet- onze eigenste The Kids. Drummer Leroy Martinez droeg niet voor niets een t-shirt van hen terwijl de bis een cover van “Wanna get a job in the city” was. Veel verder dan een plaats op Sjock zullen ze wellicht nooit raken maar van dit soort eerlijke rock-‘n-roll krijg ik nu eenmaal nooit genoeg.

Blijkbaar had ik het tijdschema niet al te goed bekeken want ik stond helemaal vooraan op The Bloodhounds te wachten toen John Coffey (uit Utrecht) ten tonele verscheen. Dat was even schrikken en na twee nummers gewoon vluchten. Hun screamo metalpunk kon op verrassend veel bijval van het publiek rekenen. Energiek gebracht, dat wel, maar in die muur van geschreeuw en gitaren kon ik de stenen niet meer ontwaren en dan haak ik al vlug af. Ik kan jullie dus niet vertellen of het mirakel van het zwevende bierbekertje (zie YouTube) zich herhaald heeft. Maar er was een alternatief : op het nieuwe derde podium (NewComers Stage) stonden The Cheaterslicks. Correct gespeld, het waren dus niet hun (bijna) naamgenoten Cheater Slicks, het door mij verafgoodde trio uit Columbus, Ohio (wie haalt deze luidruchtige zuipschuiten nog eens naar Europa?). Ik moest het dus doen met The Cheaterslicks uit Bristol en die trakteerden ons op een set zeer gesmaakte, vette rockabilly waarbij de stem van zanger Paul Lovell Newman me soms deed denken aan Phil Alvin.

Meteen hierna volgde nog meer rockabilly in de Titty Twister met Jake Calypso and his Red Hot. Er was ons Charlie Feathers en Hasil Adkins beloofd. Niet meteen wat ik hoorde maar opwindend was het in ieder geval en beslist één van de revelaties van Sjock 2015. Jake Calypso, afkomstig uit het Noord-Franse Béthune en tevens bezieler van het Retro Festival aldaar, bleek een meesterlijk performer. Reeds 35 jaar bezig, 51 jaar oud en toch leek het alsof hij pas begonnen was en nog alles moest geven. Wat hij ook effectief deed : hij ging regelmatig tegen de vlakte, waagde zich zelfs aan een skydive en demonstreerde zowaar een handenstand voor het drumstel. Bovendien gebeurden deze acrobatieën niet ten koste van de muziek wat hun rockabilly klonk lekker ruw en verbazend gevarieerd.

The Bloodhounds uit East L.A. overrompelden me reeds een week eerder in ‘De Nodige Deugd’ in Moorslede. En ook hier op het grote podium palmden ze me moeiteloos in. Als totaal onbekende groep wisten ze de grote massa, die de schaarse schaduwplaatsjes liever niet prijsgaf, niet tot bij het podium te lokken. Maar dat kon de pret niet bederven en The Bloodhounds zorgden voor een schitterende set swingende rok-‘n-roll met naast een handvol covers (o.a. Otis Redding en tweemaal Bo Diddley) vooral een mooie rits eigen, ijzersterke songs (“Indian highway”, “They call ‘m the LSC”, “Wild little rider”,...). Wat mij betreft was dit HET hoogtepunt van de dag.

Na die magistrale Bloodhounds moest ik even op adem komen waardoor ik veel te laat arriveerde bij Bloodshot Bill (Montreal). Voor de gelegenheid niet als one-man-band maar met een heuse groep waarbij gitarist Chris Gillet (van Jake Calypso’s Red Hot) enkele nummers kwam meespelen.

Lisa & The Lips is het nieuwe project van het echtpaar Lisa Kekoula en Bob Vennum waarin ze zich laten ruggensteunen door een zeskoppige Spaanse band (trompet, sax, gitaar, bas, drums en keys). Waar het bij The Bellrays (hun vorige groep) steeds hinken op twee gedachten was (soul of hardrock) werd er nu resoluut voor de soul gekozen (iets waar ik al jaren op hoopte) en kon Lisa Kekoula schitteren als nooit tevoren. Haar stem blijft me na al die jaren nog steeds verbazen! Ouderwets meeslepende soul werd afgewisseld met vette funk, waar het spelplezier met beken van afdroop en waartussen plaats was voor een opvallende cover van “Going down” (Don Nix). Sensationeel!

Voor deze jubileumeditie werd Southern Culture On The Skids voor een eenmalig optreden overgevlogen uit Chapel Hill, North Carolina. De drie maakten er dan ook een uitzinnig feestje van waarbij op het einde (vanaf hun hit “Camel walk”) de vrouwen het podium massaal mochten innemen. Ik bespaar jullie de details van wat er toen allemaal te ‘bewonderen’ viel. Voor dat uitgelaten slot laveerde de groep behendig tussen swamp pop, surf, rockabilly, boogie en country met songs over de alledaagse dingen van het leven (“Banana pudding”, “Too much pork for one fork”,...).
Southern Culture On The Skids waren op hun best tijdens de instrumentale passages waarin gitarist Rick Miller ongehinderd zijn gang mocht gaan. Ik was heel wat minder opgetogen over bassiste Mary Huff die nochtans uitgedost was met een stemmig blauw kapsel. De door haar gezongen songs gingen ietwat roemloos de mist in omdat haar stem nauwelijks enkele rijen ver droeg.
Zoals eerder gezegd, een feestje werd het wel waarbij ook nog eens stukken ‘fried chicken’ het publiek werden in geslingerd. Toch kan ik niet anders dan toegeven dat ik ze vroeger nog heel wat beter aan het werk heb gezien.

De Ierse Imelda May (Dublin) mocht afsluiten op het hoofdpodium en ze deed dat zonder meer met stijl. Wat een klassewijf (riep zelfs herinneringen op aan Billie Holiday) en wat een stem (met dat vreemde Ierse accent)! Samen met een uitstekende maar soms iets te onderdanige band bracht ze onderkoelde rockabilly en fifties rock-‘n-roll waarbij Dave Priseman op zijn bugel of trompet voor enkele heerlijke nuances zorgde. Ook de blues was haar niet vreemd, getuige de verrassende cover van “Spoonful” (Willie Dixon maar bekend van Howlin’ Wolf) waarin ze vocaal erg hoge toppen scheerde. Tijdens de bissen ging ze samen met Al Gare op diens contrabas zitten voor een verstilde versie van Blondie’s “Dreaming”, enkel begeleid door de ukelele van Gare. Aardig maar zeker niet het beste nummer uit een fonkelende set waarmee ze de wei moeiteloos inpakte.

Daarna liet ik Heavy Trash voor wat het was, het was meer dan voldoende geweest. Sjock 2015 was een grand cru.

Organisatie: Sjock, Gierle   


The Bloodhounds (uit East L.A.) zullen hun eerste optreden in België wellicht niet snel vergeten. Vooreerst kregen ze de eer om de deur van het sympathieke etablissement ‘De Nodige Deugd’ voorgoed dicht te trekken. Gezien de talrijke opkomst en de hitte werd ervoor geopteerd om het optreden op het dak (van de toiletten) te laten plaatsvinden. Mooi maar technische problemen met een versterker zorgden ervoor dat ze pas om 22u konden beginnen. Ik voelde de bui al naderen maar gelukkig bleken de dienstdoende politiemensen erg inschikkelijk en mochten de Latino’s zo’n anderhalf uur ongestoord hun ding doen. Dat viel dus goed mee want ik mag er niet aan denken dat ik ook maar iets van deze set had moeten missen.

Vorig jaar schafte ik me hun debuutplaat, ‘Let loose!’ (op Alive Records), aan en bombardeerde die schijf meteen tot plaat van het jaar. Of dat achteraf bekeken terecht was, laat ik in het midden maar feit is dat ik in geen jaren nog dergelijke rootsrock had gehoord die zo fris en vanzelfsprekend klonk. Het deed me onvermijdelijk denken aan de beginjaren van stadsgenoten Los Lobos die me destijds op dezelfde wijze wisten te overdonderen. Diezelfde onbevangen rock-‘n-roll, alleen waren de Norteño songs als tussendoortjes hier vervangen door jug band music (waarvan tijdens het optreden overigens geen spoor te bekennen was).
De jongens hadden er een nachtje stappen opzitten en zagen er tijdens het lange wachten wegens die technische panne eruit als halve lijken die zich ternauwernood staande hielden. Maar eenmaal die verdomde versterker aan de praat gekregen was , bleken ze meteen springlevend en ging zanger-gitarist, Aaron “Little Rock” Piedraita, zowaar aan het dansen, bijna verongelukkend door de talrijke kabels op het wel erg krappe ‘podium’.
De band begon ronduit verpletterend met “La Caouhila” (te vinden op de dubbel LP “Rock & roll is a beautiful thing – Alive 20th anniversary album”) gevolgd door de Bo Diddley-cover “Crackin’ up”. Retestrakke rootsrock met duidelijk sixties garagerock invloeden en immer heerlijk heldere en sprankelende gitaren. Het zorgde voor een fantastische sound maar ook de songs mochten er zijn. ”Indian highway” vind ik nu al als een klassieker klinken terwijl de talrijke nieuwe nummers het beste beloofden voor de toekomst. Wat me ook erg opviel , was hun frisse neus voor covers. Hun keuze was zeker niet evident waren voor zulke jonge gasten: “Security” (Otis Redding), “Filthy rich” (The Outsiders), “I found a peanut” (Thee Midnighters), “Slow down” (Larry Williams), “Primitive” (The Groupies) en “I’m gonna forget about you” (The Valentinos). Misschien wel het duidelijkste bewijs van de fijne smaak van deze Bloodhounds.

De groep had er duidelijk zin in en gitarist Branden Santos waagde het zelfs om naar beneden te klauteren. De reeks bissen leek oneindig waarbij de afscheidnemende kroegbaas (die ook in een groepje speelt) één nummer voor zijn rekening mocht nemen. Uiteindelijk werd de schitterende blues, “The wolf”, de gedroomde uitsmijter.
Zaterdag nog te zien op Sjock Gierle!!

Organisatie: Stinstage vzw

Pagina 12 van 15
FaLang translation system by Faboba