zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Festivalreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Vooraf had ik al mijn overredingskracht moeten aanwenden om mijn wederhelft duidelijk te maken dat ik absoluut niet mee kon naar dat feest waarvoor we uitgenodigd waren want dit wou ik voor geen geld missen. Vorig jaar blies David Nance me live van de sokken, ook al in de 4AD, terwijl zijn laatste plaat ‘Peaced & slightly pulverized’ een erg verslavende schijf is die zijn weg telkens opnieuw naar mijn draaitafel weet te vinden. Mijn honger naar meer diende gestild te worden en niets of niemand kon dat dwarsbomen.

In afwachting doorstond ik lijdzaam het voorprogramma, Nimbus Cart. Nee, dat klinkt toch wat te oneerbiedig. Vooreerst alle respect voor gitarist Steven Govaere die het, na onder meer Gurt Goatbuck en Spit Fox, blijft proberen en met Nimbus Cart misschien wel zijn beste band tot nu toe heeft. Uithangbord was zangeres Janis die heus wat meer te bieden had dan die opvallende decollete. Ik hoorde vooral jaren ‘70 hardrock, wat grunge invloeden (overgang van zacht naar hard) en enkele funkaanzetten. Niet echt mijn ding maar toevallig had ik die namiddag geluisterd naar de nieuwe van Ex Hex, die door sommige gerenommeerde bladen als de nieuwste garagerock sensatie wordt omschreven, en die zoeken het min of meer in dezelfde hoek. Waarom zou ik dan Nimbus Cart geen plaatsje onder de spotlights gunnen. De band sloot af met de allereerste song die ze maakten, een oersimpele maar aanstekelijke pubrock deun, waarna ik me afvroeg waarom ze die weg niet verder bewandeld hadden.

David Nance (Omaha, Nebraska) groeide op met groepen als de Oblivians en The Reatards zodat het misschien wat vreemd lijkt wanneer hij zich een tijdje onledig houdt met het opnemen van complete coverplaten zoals ‘Goat’s head soup’ van de Stones (samen met Simon Joyner), “Doug Sahm and Band”, “Berlin” van Lou Reed en “Beatles for sale”. Op de hoes van die laatste staat trouwens “These guys stink” geschreven bovenop de foto van the fab four en deinst hij er niet voor terug om enkele nummers serieus door de mangel te halen.
Waar er op zijn voorlaatste plaat, ‘Negative boogie’ (uit op ‘Ba Da Bing!’) nog heel wat wringende nummers met eventuele invloeden uit de jaren ‘90 garagerock staan kiest hij op zijn laatste, ‘Peaced & slightly pulverised’, op één nummer na, resoluut voor epische gitaarrock. De plaat werd uitgebracht op het toonaangevende ‘Trouble In Mind Records’ dat wel meer dergelijke groepen (Mountain Movers, Headroom,...) onderdak biedt.
Toen de groep het podium betrad bleek bassist Tom May er niet bij te zijn. Zijn plaats werd ingenomen door Sarah Bohling (Thick Paint, Icky Blossoms) terwijl er ook nog een extra (derde) gitarist mocht opdraven: Londenaar Jack Cooper van Ultimate Painting. Naast hen de vertrouwde gezichten van drummer Kevin Donahue en gitarist Jim Schroeder.
De set werd geopend met het dartele, haast frivole “Give it some time” en meteen wist je dat dit goed zat. Daarna liet David Nance het tempo zakken zodat de gitaren (de zijne en die van Schroeder) zich innig konden verstrengelen terwijl de derde gitaar er wat extra ornamenten aan toevoegde. Het leverde een roesverwekkende sound op (geen drug scoort beter, vermoed ik) die de knap opgebouwde nummers nooit in de weg stond.
Roots, americana en, waarom niet, classic rock op smaak gebracht met een perfecte dosering psychedelica. ‘Een heruitgevonden Neil Young’, ‘Steve Gunn met ballen’ of ‘Steve Wynn na een bad americana’ waren de omschrijvingen die door mijn hoofd flitsten.
Songs als “Amethyst” en “In her kingdom” zijn zinderende epossen die ik nu al als klassiekers ervaar. Bovendien was Nance intelligent genoeg om zich niet op die ene vaardigheid te laten vastpinnen en zorgde hij voor de nodige variatie. Zo was er ook plaats voor de zwalpende country van “Silver wings”, een uitstekende Merle Haggard cover. Blijkbaar heeft hij ook nog eens een neus voor fijne covers want even later dook er een stevige versie van “Down where the drunkards roll” op, een prachtige song van Richard & Linda Thompson die hier uitgroeide tot misschien wel hét hoogtepunt van de avond. Of “Poison”, een homp lillende rock-‘n-roll dat een hit van de Stones uit de jaren ‘70 geweest kon zijn.
Er passeerden ook een rits mij onbekende nummers, zoals “Credit line”, die dan weer het beste beloven voor de toekomst. Vorig jaar vond ik ze al sterk maar dit overtrof gewoon alles! Viel er dan werkelijk niets op aan te merken? Ach, het ging er nogal statisch aan toe. Enkel Nance zelf zakte af en toe door de knieën om wat effecten op zij gitaar te steken of om een bierbekertje over te snaren te laten glijden.

Voor de rest gebeurde er visueel zo goed als niets op het podium en kan ik best begrijpen dat sommigen daarop afknappen. Maar wie zich liet mee glijden in deze hallucinerende trip zal het waarschijnlijk niet eens opgevallen zijn.
En dat David Nance, die zowat de ganse set op vijf snaren speelde(!), het rock-‘n-roll hart op de juiste plaats heeft zitten, laat daar geen twijfel over bestaan. Hopelijk blijft de David Nance Group geen goed bewaard geheim...

Organisatie: 4AD, Diksmuide

David Nance Group - Hallucinerende gitaren
David Nance Group
4AD
Diksmuide

Veel volk voor deze Ethan Johns, wiens naam waarschijnlijk bekender is dan zijn muziek. Johns is een gewaardeerd producer die werkte voor onder meer Ryan Adams, Tom Jones, Kings Of Leon, Rufus Wainwright, Paul McCartney en Crosby, Stills & Nash. Daarmee treedt hij in de voetsporen van vader Glyn Johns, een mythische naam in de muziekwereld die je in kleine lettertjes kan terugvinden op platenhoezen van Led Zeppelin, The Rolling Stones, The Who, Eagles, Eric Clapton of The Band. Maar Ethan maakt ook zelf muziek, eerst op zijn eentje en sinds enkele jaren met The Black Eyed Dogs. Met hen kwam hij zijn laatste plaat, de dubbelaar “Anamnesis”, voorstellen.

Een uiterst sympathieke Ethan Johns verscheen met een hertimmerde band op het podium: geen viool of keyboard, wel een pedal steel (geen traan om gelaten). Hij opende de set met “Runaway Train”, stevige americana, knap gebracht maar niet van die aard om mijn hart ook maar één tel sneller te laten kloppen. Toen hij even later een nummer, geschreven door Benmont Tench (gevierd studiomuzikant en toetsenist bij Tom Petty’s Heartbreakers) met wie hij samen een plaat opnam, bracht begon ik het ergste te vrezen. Dit was aalgladde soft rock waar ik liever in een grote boog omheen loop. Wanneer hij een eerste keer naar zijn akoestische gitaar greep keerde het tij helemaal via een herfstige song met de pedal steel van Chris Hillman in een glansrol. Daarna volgden ook nog enkele smaakvolle nummers op mandoline maar hét hoogtepunt van de avond kwam er toen hij op een ‘Gretsch White Falcon’ gitaar een magistrale versie van “Time (The Revelator)” door het café liet galmen. Het origineel van Gillian Welch leek me onmogelijk te overtreffen en toch wist Johns deze song te laten uitstijgen tot een weergaloos anthem van meer dan tien minuten. Adembenemend en vanaf dan kon mijn avond niet meer stuk. En er volgden nog meer parels (“Twenty first century paranoid blues”, “Six and nine”,...) waardoor ik die aarzelende start volledig vergat.

Na een uur en drie kwartier hield Ethan Johns, de bescheidenheid zelve hoewel hij zowat alle rockgoden met de voornaam mag aanspreken, het voor bekeken en kon de stormloop op het platenstandje beginnen.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Ethan Johns with The Black Eyed Dogs - Balancerend tussen Britse folk en americana
Ethan Johns with The Black Eyed Dogs
Café De Zwerver
Leffinge

Een verrassend hoge opkomst voor deze veteraan die kennelijk van geen ophouden wil weten.  Maar eerst mochten Structures, een groep uit het Franse Amiens met een EP, ‘Long life’, uit op het Belgische Rockerill Records, het wat kouwelijke Magasin 4 opwarmen. De vier jongens omschrijven hun ding zelf als rough wave/ post punk maar ik hoorde vooral new wave.
Het begon zeker niet onaardig en die eerste nummers hadden eigenlijk wel een ruw randje. Zanger Adrien Berthe deed hard zijn best om met een Engelse tongval te zingen wat ik best wel grappig vond. Maar toen Structures zich na een tiental minuten in de middelmaat vastreed (veel te slappe nummers) begon ik me er toch wat aan te ergeren. Ik had ze dan ook al afgeschreven toen de band, met twee geblondeerde frontmannen, zich wonderwel remonteerde tijdens de laatste drie songs. Dit was plots aanstekelijke, tot dansen uitnodigende new wave met een opjuttende bas, een zweverige gitaar en goed gedoseerde synths die zo in de jaren ‘80 gemaakt kon zijn. In die mate zelfs dat ik één nummer ervan verdacht een cover te zijn.

Eind jaren ‘70 was James Chance met groepen als The Contortions, James White & The Blacks en Teenage Jesus and The Jerks (waarin ook Lydia Lunch zat) het boegbeeld van de No Wave, een avant-gardistische muziekstroming die ontstond in New York. Chance combineerde de ongebonden jazz van Ornette Coleman met de solide funk van James Brown om zo een geheel eigen stijl te creëren.
Intussen is die No Wave beweging allang doodgebloed maar Chance, die blijft maar toeren. In zijn thuisland met de Amerikaanse Contortions, hier zoekt hij Europese muzikanten om hem te begeleiden. Dit keer waren dat Duitsers, vandaar ‘Die’ Contortions.
Het leek niet meteen een rockartiest die het podium opstapte: een corpulent, gedrongen mannetje dat voortdurend worstelde met een veel te grote broek. Maar eens zijn danspasjes, die hij leende bij James Brown, ingezet wist je het wel.
Helaas konden die kwieke bewegingen niet maskeren dat Chance de start van zijn set compleet miste. Wat klonken die eerste nummers ontzettend mak terwijl hij als zanger de ene na de andere noot miste. Was de angry young man definitief uit James Chance gevaren? Nochtans bleek hij nog even ontvlambaar als vroeger. Zo veegde hij zijn gezicht af met een sjaal die hij zag liggen op een monitor. Toen de rechtmatige eigenaar die terugpakte schold hij hem uit voor dief van zijn handdoek. Zo kennen we hem natuurlijk en ook muzikaal kwam hij nu een stuk vinniger voor de dag.
Net toen ik dacht dat we onze portie ellende wel gehad hadden kondigde hij “Days of wine and roses” aan en dat bleek niets met The Dream Syndicate vandoen te hebben. Een cover van Henry Mancini? In ieder geval probeerde hij te croonen als Chet Baker om zo het absolute dieptepunt van de avond te bereiken. Later zou hij het nog eens proberen met “Yesterdays” maar dat nummer werd nog gedeeltelijk gered door een goddelijke sax interventie op het einde.
Na al dat negatieve zou je kunnen denken dat het stilaan tijd wordt om de bijna 66-jarige James Chance naar een welverdiend pensioen te leiden. Dat hoeft echter niet noodzakelijk want buiten die paar verkeerde keuzes had de man heus nog wel wat te bieden. Zo blijft zijn saxspel (dat iets te weinig aan bod kwam) nog steeds weergaloos en op het Hammondorgel bleken zijn vingers niets aan soepelheid te hebben ingeboet.
De drie Duitse begeleiders deden precies wat van hen verwacht werd. Veel ruimte kregen ze trouwens niet want Chance hield alles erg strak. En als hij dan plots onverwacht alle schijnwerpers op de drummer liet richten was die te verbouwereerd om een solo bij elkaar te roffelen.
De dwarse songstructuren van dit balorige broertje van James Brown bleven tot de verbeelding spreken en wanneer op het einde oude prijsbeesten als “Contort yourself” van stal werden gehaald kwam de magie van vroeger weer bovendrijven. De oude krijger bleek dan toch niet moegestreden.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/foto-s/concert/magasin-4-brussel/james-chance-die-contortions-11-03-2019
http://www.musiczine.net/nl/foto-s/concert/magasin-4-brussel/structures-11-03-2019

James Chance & Die Contortions
Magasin 4
Brussel

Organisatie: Magasin 4, Brussel

Vergezeld van gifgroene laserstralen verscheen er eerst met B. Polar & The Spacefuckers een erg bizar gezelschap op het Pit’s podium. Rechtstreeks van Uranus of was het dan toch Doornik? B. Polar, ook wel Lord Sanchax The Destructor genoemd, half mens half alien en bewoond door een dodelijk parasitaire robot kwam met zijn troepen, getooid met bivakmutsen en maskers, de Pit’s veroveren. Zo’n vaart liep het echter niet. Daarvoor was het beestje, ondanks de hulp van een Marvin Gay, muzikaal wat te mager. Sanchax gebruikte de ene microfoon om er brute hardcore door te brullen, met de andere klonk zijn stem als een vooroorlogse robot: blikkerig, monotoon en vooral vervelend. Een paar keer wisten ze zich toch te onderscheiden maar meestal klonk hun “space punk” gewoon als doordeweekse hardcore.

Erg productief kan je The Anomalys niet noemen. De gelijknamige debuutplaat uit 2010 op Slovenly Recordings en een handvol singles, dat zal het zowat zijn. Maar The Anomalys zijn vooral een liveband en dat bewezen ze nog maar eens in de Pit’s. Zanger-gitarist Bone uit Amsterdam, die je ook zou kunnen kennen als de penis bij Sex Organs, is het enige overgebleven originele lid. De twee vacante plaatsen werden ingevuld door twee toppers uit het Franse rock-‘n-roll wereldje: gitarist Looch Vibrato van The Magnetix en Rémi Lucas die ook actief is bij Escobar en Weird Omen (op 28/03 in de Pit’s te zien). Bone verontschuldigde zich omdat zijn stem het liet afweten maar dat vormde geen enkel probleem. Zijn hees gehuil kwam zelfs aardig dicht in de buurt van Mick Collins. Met een zelden geziene verbetenheid ramde hij op zijn gitaar terwijl hij zijn lange lijf, die aan hevige spasmen ten prooi viel, mee de strijd in gooide. Perfect geruggensteund door de twee Fransen resulteerde dat in psychotische rock-‘n-roll in de beste traditie van The Cramps en de Oblivians. Songs als korte, krachtige explosies waarbij het stof geen kans kreeg om te gaan liggen. Ook al omdat er intussen een vervaarlijke pogo was ingezet waarbij ondergetekende enkele rake elleboogstoten mocht incasseren. Eén keer mocht de voet van het gaspedaal en kreeg Bone de kans om, al wandelend op de toog, te scheuren op mondharmonica.

The Anomalys zijn nog lang niet uitgeteld. Integendeel, met het verse Franse bloed klonken ze misschien wel beter dan ooit.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

maandag 25 februari 2019 19:15

Death Valley Girls - Adembenemende psychrock

Het Londense Calva Louise bestaat uit een Venezolaanse zangeres, een Franse bassist en een Nieuw-Zeelandse drummer. Het sprak ook tot mijn verbeelding maar buiten één volledig in het Spaans gezongen nummer leverde dat geen verrassende uitvalshoeken op. Er was ons bubblegum punkrock beloofd maar dit had in de verste verte niets met punk (zoals ik die toch ken) te maken.
Punk, het klinkt natuurlijk chique maar laten we het toch maar houden bij bubblegum pop die ondanks de internationale uitstraling van de band bijzonder Brits aanvoelde. Het klonk zeker energiek terwijl het er bovendien fris en sexy uitzag, toch kon dit mijn hart geen tel sneller laten kloppen. Daarvoor was het veel te gestroomlijnd terwijl de muziek op het podium bijna verzoop onder de meelopende tapes die de geluidsman er telkens bovenop gooide. Vooral de gitaar van zangeres Jess Allanic was bij momenten nauwelijks te horen of was dat doelbewust? Ik vond er niets aan maar gelukkig voor Calva Louise dachten de meeste aanwezigen daar anders over.

In 2016 maakten Death Valley Girls ‘Glow in the dark’, een plaatje dat uitgebracht werd door Burger Records en die ik bij de tien beste van dat jaar vond horen. Maar een goeie plaat is absoluut geen garantie voor een goed concert terwijl groepen die door Burger Records zijn opgevist al eens door de mand durven te vallen. Het was dus nog even nagelbijtend afwachten maar al snel kon ik alle reserves overboord gooien.
De vier uit Los Angeles begonnen hun set met een soort ritueel dat me enigszins aan Dead Moon deed denken en uiteindelijk uitmondde in een vreemd tafereel. De zangeres en bassiste stonden in een rijtje voor de drumster die bezwerend begon te roffelen en zo “Abre Camino” inzette. Een donker, melancholisch nummer dat onderhuids bleef etteren tot er onverhoopt toch nog een uitbarsting via de gitaar van Larry Schemel kwam.
De toon was meteen gezet: doomy, sludgy psychrock uit de garage waarbij de vraag of het wel radiovriendelijk genoeg zou klinken nooit gesteld werd.
Death Valley Girls lieten alle heersende trends aan zich voorbijgaan en zochten het in de onhippe (hoewel het tij stilaan aan het keren is) seventies. Tussen de oorsplijtende riffs van Schemel ontwaarden we echo’s van The Stooges of Black Sabbath zonder dat we hen ook maar één seconde konden verdenken een retroband te zijn.
De inspiratie mocht dan wel uit het verleden komen, het eindresultaat klonk eigentijds en nooit eerder gehoord. Vooral zangeres Bonnie Bloomgarden, tevens op gitaar en piano, bleek onnavolgbaar met haar hoog kirrende stem. Een beetje van de wereld, dat is dan nog zacht uitgedrukt maar het stoorde nooit. Integendeel, het hoorde er gewoon bij.
Nadat ze ons eerst bedankte omdat we de juiste t-shirts droegen leek ze plots dekking te zoeken. Zo dook ze eerst onder haar piano om later tussen de bevallige benen van de bassiste op te duiken.
Niet alleen de muziek sneed ons de adem af, ook visueel werd onze aandacht voortdurend geprikkeld. Voor de obligate bis liet la Bloomgarden ons kiezen tussen een happy of een scary song. Een overbodige vraag want “happy” leek me niet te associëren met Death Valley Girls. Hoewel ze met “Disco” toch één opgewekte song, die zelfs uitnodigde tot dansen, in de zwartgeblakerde set hadden gemoffeld.

Organisatie: 4AD, Diksmuide

maandag 18 februari 2019 16:08

Paul Collins Beat - Oudste songs triomferen

Even leek het erop alsof Paul Collins een grote ging worden toen hij eind jaren ‘70, begin jaren ‘80 twee knappe platen vol sprankelende power pop (‘The Beat’ en ‘The kids are the same’) uitbracht bij CBS, één van de allergrootste platenmaatschappijen. Helaas bleef een echte doorbraak uit en deemsterde Paul Collins in de loop der jaren steeds verder weg. Af en toe probeerde hij het nog eens maar het duurde tot 2014 vooraleer hij gerehabiliteerd werd dankzij ‘Alive Naturalsound Records’. Intussen heeft hij al drie albums gemaakt voor dat label en rijgt hij de ene tour aan de andere. Zo belandde hij zaterdag voor de derde keer in nauwelijks evenveel jaar tijd in Den Trap.

Een goedgeluimde Paul Collins trapte zijn set af met “Dreaming” een nummer uit ‘The kids are the same’. En net als de vorige keren kwam ook nu het leeuwendeel van de songs uit die twee eerste platen, gelukkig maar. Zijn stem is zeker niet immuun gebleven voor corrosie maar zijn ongebreideld enthousiasme en de stevige begeleiding (bassist Paul Stingo en drummer van het eerste uur (!) Michael Ruiz) compenseerden dat ruimschoots. Bovendien bleek hij ook nog een aangenaam causeur die ons enkele pittige anekdotes uit zijn beginperiode vertelde. Uiteraard moest ook de nieuwe plaat, ‘Out of my head’, gepromoot worden en niet alle nummers daaruit waren even sterk. “Killer inside” kon me nog bekoren maar “Tick tock” had de impact van een vallend blad en zo zaten er nog een paar mindere broeders tussen. Beste song vond ik “On the highway”, dat een stuk bluesier klonk dan destijds.
Hét hoogtepunt kwam evenwel uit totaal onverwachte hoek toen de baas van het etablissement de vocals van “Rock ‘n roll girl” voor zijn rekening mocht nemen en zo zijn niets vermoedende vrouw, Nina, op een wel heel origineel verjaardagscadeau trakteerde. En de man deed dat werkelijk voortreffelijk, inclusief een wijdbeense metalpose. Zelfs de nogal talrijk aanwezige lallende drankorgels hielden het toen enkele minuten stil.
Het bekendste nummer spaarde hij tot helemaal op het eind: “Hanging on the telephone”, vooral bekend van Blondie maar origineel van The Nerves, Collins’ eerste groepje waarin ook Jack Lee, die het nummer schreef, en Peter Case zaten.

Urgent is hij allang niet meer maar de ongekroonde ‘king of power pop’ bezorgde ons toch weer een heerlijk nostalgische trip.

Organisatie: Den Trap, Kortrijk

vrijdag 22 februari 2019 15:57

Pale Lips - Ideale schoondochters

Eerst hadden we The Brittle Brothers uit Zwevegem en die deden me toch even de wenkbrauwen fronsen. Wat was dit? Een verdwaalde carnavalsband in de Pit’s? Mooie opstelling nochtans: bas, gitaar/zang en staande drums en een al even mooie intentie op hun visitekaartje: punk ‘n roll garage! Ik hoorde eerder een ratatouille van genres telkens opgejaagd door een drammerige bas. Tussen de nummers door leek de zanger te solliciteren voor een rol in ‘Eigen kweek’. Wil iemand hem vertellen dat er geen vierde reeks komt? Was dan alles kommer en kwel? Toch niet. Tijdens een paar instrumentale nummers, waarin de zanger zich duidelijk wat meer op zijn gitaar kon concentreren, kwam het tot een bevreemdende symbiose van jam band music en garagepunk.

Pale Lips uit Montréal, Québec kwamen hun nieuwe, tweede plaat (‘After dark’) voorstellen. Vier frisse meiden op het podium in de Pit’s, ik was er volledig klaar voor en het begon meteen straf met “I’m a witch” waarin een stukje “The Witch” van The Sonics verweven zat. Ze kenden duidelijk hun klassiekers want later volgden nog een nummer vol verwijzingen naar oude rock-‘n-roll helden en een hommage aan de Ramones. Jammer genoeg volstond dit niet om van Pale Lips een grootse band te maken. Nochtans deden ze het verre van slecht. Hun strakke bubblegum punk, rammelende rock-‘n-roll of hoe je het ook noemen wil liep als een denderende trein. Jackie Blenkarn zong zich de ziel uit het lijf terwijl de rest haar feilloos volgde maar wat klonk dit toch braaf. Té braaf voor een gore club als de Pit’s. Wat had ik gitariste Ilona Szabo, die zich beperkte tot slaggitaar, graag eens een vuile riff uit haar gitaar zien wringen.
Nee, deze ideale schoondochters hielden het netjes en daar was op zich niets mis mee. Alleen lagen de verwachtingen hier enigszins anders.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

woensdag 13 februari 2019 21:33

Bad Mojos - Snelle punk met powerpop riffs

Er werd nog maar eens geopend met een exponent uit de welig tierende Kortrijkse underground: Los Bonobos, waarin opnieuw enkele gekende gezichten. Zelf noemen ze hun ding ‘Monkrock for wankers’. Razende garagepunk, goed gebruld en met voldoende zelfrelativering. “I’m to weak for rock-‘n-roll”, zo heette één van hun nummers. Het is hen duizenden keren voorgedaan maar toch bleef het leuk. Onder andere door er een flard “I’m a believer” van soortgenoten The Monkees tussen te moffelen. Hun zanger moest wegens rugproblemen noodgedwongen in een rolstoel plaatsnemen waarop er meteen iemand schamper “ Los Lumbagos” riep. Voor dit soort opmerkingen alleen al zou ik een verplaatsing naar de Pit’s overwegen. Te klasseren naast Freddie & The Vangrails.

Bad Mojos komen uit Thun, een schilderachtig stadje uit het Zwitserse kanton Bern maar dat was niet meteen de reden waarom ik naar Kortrijk was afgezakt. Hun plaat op Voodoo Rhythm Records, het label van Reverend Beat-Man, en een stevige live-reputatie waren grotere drijfveren.
Iemand voorspelde me zelfs dat ik een geniale groep aan het werk ging zien maar dat was net iets te veel eer. De drie zagen er behoorlijk blits uit: gehuld in plastic zakken (Garbage Bags revisited) waaronder blote benen priemden en met obligate zonnebril. Ook hier een zittende zanger, niet dat Julio Blanco last had van zijn rug, ‘t was gewoon wat comfortabeler als drummer.
Aanstekelijke, korte en snelle punknummertjes voorzien van powerpop riffs: het deed me soms denken aan de Ramones, anderen hoorden er een Europese versie van The Spits in. Er was absoluut niet mis mee, alleen vond ik ze iets te veel teren op een (ijzersterke) formule. Tijdens de bisronde hoorde ik plots een nummer die zowaar de twee minuten haalde en even later zelfs een korte aanzet tot een gitaarsolo. Veel was het niet. Het leken eerder onvolmaaktheden maar het maakte Bad Mojos, wat mij betreft, meteen een stuk opwindender.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

maandag 11 februari 2019 20:05

DBUK - Donker, intens en intrigerend

DBUK (voluit Denver Broncos UK) uit Denver, Colorado zou men gemakshalve kunnen omschrijven als Slim Cessna’s Auto Club (SCAC) unplugged maar dat klopt niet helemaal. We zagen hier inderdaad wel een akoestische set van exact dezelfde leden (minus twee) als bij SCAC maar de vier, die samen trouwens met Munly & The Lupercalians nog een ander nevenproject hebben, ondernamen toch een ernstige poging om een wat andere muzikale koers te varen.

Hier geen uitbundige hoogmis gecelebreerd door twee flamboyante predikanten maar ingetogen gothic americana die de ene keer betoverend mooi klonk, een andere keer onheilspellend, in die mate zelfs dat een aanwezige hond zijn blaf niet kon onderdrukken. Bovendien waren, een enkele uitzondering niet te na gesproken, alle nummers, waarvan er sommige een rijpingsproces van meer dan vijftien jaar doorstaan hadden, specifiek voor dit project geschreven. Het gezelschap had tal van instrumenten bij en die waren niet allemaal even evident. Munly Munly hield het nog bij een gewone akoestische gitaar, Lord Dwight Pentacost toonde zijn talenten op wat minder alledaagse instrumenten als een dulcimer, banjo, mandoline of melodica. Rebecca Vera wisselde dan weer een keyboard af met een cello terwijl Slim Cessna het moest stellen met een omgekeerde waskuip, waarop een paar tamboerijnen gemonteerd waren, en enkele andere zelf in elkaar geknutselde percussie instrumenten.
De set werd sterk geopend met “Broncos fight song” dat met vreemde gilletjes werd opgesmukt. Meteen werd duidelijk dat de songs met veel oog voor details waren uitgewerkt. De sound schipperde tussen honigzoet (vooral wanneer de dulcimer met de cello gecombineerd werd) en ongemakkelijk (wanneer Lord Dwight Pentacost zijn mandoline met een strijkstok bewerkte had dat eerder het effect van krassende nagels op een schoolbord). Maar de songs zelf, steeds voorzien van expliciete titels, prikkelden stuk voor stuk onze verbeelding. “Immaculately warded children”, het aan de Beach Boys schatplichtige “The Red Cross is giving out misinformation” en het trage broeierige “From the estate of John Denver”, waarin een boodschap van vriend Jello Biafra verwerkt was, bleven me het langst bij. Het was zeker niet vanzelfsprekend om dit soort aardedonkere werk te brengen voor een publiek dat vooral vertrouwd was met Slim Cessna’s Auto Club maar gezien de warme respons bleek dat geen enkel probleem te geven. Slim Cessna zelf genoot zichtbaar met volle teugen van zoveel bijval.

DBUK klonk intens en intrigerend, enigszins te vergelijken met Woven Hand maar dan bijlange niet zo hoogdravend. Hun laatste plaat, ‘Songs nine through sixteen’, wordt in Europa door Glitterhouse Records samen met hun eerste, ‘Songs one through eight’, uitgebracht als een dubbelelpee (‘Songs one through sixteen’, hoe verzinnen ze het?) en dat is een aanrader.

Organisatie: Muddy Roots - Cowboy Up, Waardamme

maandag 21 januari 2019 18:48

Drahla - Nieuw talent zoekt zijn weg

Nadat beide bands eerder hun geluk zochten op het showcase festival Eurosonic Noorderslag in Groningen , vonden ze ook nog even de tijd om hun kunsten in Leffinge te demonstreren.

De belangstelling was eerder mager voor dit nieuwe talent. Hoewel je Perro bezwaarlijk een nieuwe band kan noemen. Deze groep uit het Spaanse Murcia is reeds sinds 2011 actief, heeft naast talloze singles ook drie elpees gemaakt en blijkt in Spanje toch een gerenommeerde naam te zijn. Een groep met ambitie ook want voor de mastering van hun laatste plaat, ‘Trópico lumpen’, trokken ze naar Joe Carra in Melbourne, een man die ook al werkte voor King Gizzard, The Drones en Amyl & The Sniffers. Perro bestaat uit twee drummers, waarvan er eentje het zonder basdrum moest stellen, een bassist en een gitarist terwijl die laatste twee ook de (Spaanstalige) zang voor hun rekening namen. Hun, door de immer voortjakkerende drums (met koebel!) en bas, opgejaagde rock had duidelijk inspiratie in de nineties gevonden. De prijs voor originaliteit zullen ze er wel nooit mee winnen maar het klonk toch best aardig. Alleen jammer dat de zang in de mix veel te ver naar achteren zat. Toen het plots wat meer mocht rammelen kwamen ze even in de buurt van Thee Marvin Gays, waar ik zeker niet rouwig om werd. Voor de laatste twee nummers werd de gitaar geruild, eerst voor een keyboard, daarna voor een synthesizer. Eén van die twee songs, met name “Supercampiones”, waarin een op hol geslagen Jean-Michel Jarre Donny Benét ontmoet, bracht me zowaar nog in feeststemming.

Die blijdschap werd daarna evenwel meteen gefnuikt door het niet erg tot feesten uitnodigende Drahla. Twee jongens en een meisje (allen even graatmager, wat wordt dat na de brexit?) brachten donkere postpunk. Maar waar ik de meeste groepen in die niche onverteerbaar vindt, kon ik deze groep uit Leeds wel pruimen. Dat kwam vooral omdat ze zich niet, zoals de meeste bands in die hoek, beperkten tot een desolate, dreinerige sound maar ook elementen uit de noise of artrock (ze halen niet voor niets Wire aan als één van hun grote voorbeelden) in de stoofpot gooiden. Vanaf het tweede nummer kreeg de groep gezelschap van een (wel doorvoede) saxofonist. Een nieuw groepslid of een gastmuzikant, het was me niet geheel duidelijk. Net als zijn inbreng trouwens. Wanneer hij voor wat spookachtige effecten zorgde bleek hij absoluut een meerwaarde maar anderzijds stond hij soms ook gewoon wat jazzy mee te toeteren en daar zag ik dan niet meteen het nut van in. Veel kwaad deed hij niet want de knappe songs (zoals “Twelve divisions of the day”), geconstrueerd rond een erg potente bas en stevige drums lieten zich niet zomaar ontwrichten. En dan was er nog die lijzige, half gesproken zang van gitariste Luciel Brown: verleidelijk en in de stijl van de onvolprezen Tess Parks maar na een tijdje net iets te eentonig.

Toch vond ik Drahla vrij innovatief en voorspel ik ze mits wat schaafwerk een mooie toekomst.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Drahla - Nieuw talent zoekt zijn weg
Drahla + Perro
Café De Zwerver
Leffinge

Pagina 4 van 15
FaLang translation system by Faboba