• Democrazy Gent: events
    Democrazy Gent: events Democrazy Gent: events Wegens het coronavirus , alle concerten opgeschort tot eind april! Concerten Dub Fx, Vooruit, Gent op 12…

zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Festivalreviews
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Binic Folks Blues Festival 2018 - Rock-‘n-roll dood? Niet in Binic!
Binic Folks Blues Festival 2018
Côtes d’Armor (Festivalkaai)
Binic (Bretagne)
2018-07-27 t/m 2018-07-29
Ollie Nollet

Twee jaar geleden had ik nochtans gezworen er nooit nog terug te zullen komen. Het eens zo pittoreske festival was compleet uit zijn voegen gebarsten. Ik ergerde me rot aan het zo goed als onbestaande sanitair en die zwalpende massa die hectoliters eigen drank het terrein op zeulde kon ook al niet op mijn sympathie rekenen.
Maar de line-up was dit jaar dermate indrukwekkend dat ik het er toch nog eens op waagde, zij het slechts voor één dag. En er bleek toch een en ander veranderd. De site was dit keer afgesloten ( niet hermetisch maar het hielp toch) en alle rugzakken en tassen werden gecontroleerd. Er werd duidelijk ingezet op de veiligheid en af en toe zag je piepjonge, tot op de tanden gewapende, militairen door de straten marcheren wat er dan weer helemaal over was.
Pijnpunt blijft evenwel, ondanks enkele aanpassingen, de sanitaire voorzieningen. Maar dat bleek geen rem op de opkomst die voor deze tiende editie weer duizelingwekkend hoog was. Voor de grote namen moest je er nochtans niet zijn. Zo was de afsluiter vrijdagavond op het grootste van de drie podia Endless Boogie, een groep die ik vorig jaar nog zag in café De Zwerver.  Met zijn vijftig tot zestigduizend bezoekers verspreid over de drie dagen blijft Binic Folks Blues Festival een onverklaarbaar fenomeen.

Verslag van één dag
Het festival opende meteen met de, wat mij betreft, interessantste naam op de affiche : Mr. Airplane Man! Genoemd naar een Howlin’ Wolf song en met een duwtje in de rug van Mark Sandman (Morphine) en Jeffrey Evans (68’ Comeback) maakte dit duo uit Boston net na de eeuwwisseling enkele mooie platen op het legendarische Sympathy For The Record Industry label. Het sprookje duurde echter niet lang. In 2005 was het voorbij en nadat Margaret Garrett (zang/gitaar) een blauwe maandag bij Jack Oblivian’s Tennessee Tearjerkers speelde en Tara McManus (drums + orgel) een plaat opnam met de Turpentine Brothers kozen beiden er blijkbaar voor om moeder te worden en werd er verder niets meer van hen vernomen. Tot in 2014 ‘The lost tapes’, een verloren plaat die op de schappen van Fat Possum was blijven liggen, dan toch nog het levenslicht zag. Een jaar later begon het duo opnieuw te touren waarbij ze onder andere de Vera in Groningen aandeden. Dit jaar verscheen er zelfs een gloednieuwe plaat, het overigens uitstekende ‘Jacaranda blue’, op het Franse Beast Records, een label met een zwak voor schijnbaar uitgerangeerde artiesten. Denk maar aan Jerry en Pauline Teel (Chicken Snake) of Patrick Bourbonnais (Gravel Route). Van die laatste band verschijnt trouwens binnenkort een nieuwe plaat, ‘Mr. Gravel Men’, waarvoor ze samenwerkten met... Mr. Airplane Man. Hooggespannen verwachtingen dus maar ik werd niet teleurgesteld. De twee begonnen vrij indrukwekkend met “Red light” uit 2001. Direct daarna kreeg ik het even moeilijk met een drietal ingetogen songs. Mooi, daar niet van, maar ik miste wat power. Ze wilden het, ondanks het grote podium wat intiem houden (met enkele foto’s van hun helden tegen de gitaarversterker geposteerd) maar dit klonk net iets té laid-back. Na dit dipje herpakten ze zich en konden de wankele drums van Tara en de niet altijd even toonvaste stem van Margaret zich wel perfect integreren in die toch wel unieke sound van Mr. Airplane Man die soms aardig dicht in de buurt van Junior Kimbrough kwam. Die gruizige, repetitief klinkende gitaar had een hypnotiserend effect waarbij het verdomd heerlijk wegsmelten was. Naast eigen parels als “C’mon Dj” of “Blue as I can be” brachten ze ook enkele geïnspireerde covers: “Asked for water”van Howlin’ Wolf en “Black cat bone” van de ten onrechte vergeten bluesmadam uit Memphis, Jessie Mae Hemphill. Zelfs het eenvoudige en treurige “I don’t know why?” bleek hier veel meer in zich te hebben dan ik ooit had durven vermoeden. Het nieuwe “I’m in love” leek met zijn in reverb gedrenkte gilletjes dan weer een eerbetoon aan de betreurde Alan Vega. Alles leek plots van een onaardse schoonheid tot een hevige plensbui me plots uit mijn bedwelming deed ontwaken en waardoor Mr. Airplane Man het ook, wat vroeger dan voorzien, voor bekeken hield. Dju!

Op de Scène de la Cloche zag ik vervolgens The Floors, een harig trio uit het Australische Perth waarvan de drummer (Ash Doodkorte) net uit zijn grot in het Afghaans gebergte leek te zijn ontsnapt maar toch mooi een t-shirt van Future Of The Left droeg. Schipperend tussen hardrock en bluesrock hadden ze het bastaardkindje van The Gun Club en Motörhead kunnen zijn. Zwaar, vuil, wild en met net voldoende rock-‘n-roll in de aderen om een tevreden grijns op mijn smoel te laten verschijnen.

Met CATL (Toronto) zag ik de derde band op rij die net een plaat (‘Bide my time until I die’) uithad op Beast Records, hofleverancier van groepen op Binic. Uitgeklede ‘rock-‘n-roll dance songs’ met af en toe een neut blues gebracht door een hyperkinetische gitarist (Jamie Fleming) en de ravissante Sarah Kirkpatrick op staande drums. Eén brok energie waarbij één cover te noteren viel: “Thunderbird esq” van The Gories. Wat niet toevallig geweest zal zijn want Dan Kroha speelt af en toe mondharmonica op hun platen. Tussen de credits op die platen vinden we trouwens nog meer mooi volk. Zo wisten ze voor hun laatste Jim Diamond te strikken om de eindmix vast te leggen.

Ik had ze niet aangestipt maar omdat er op dat moment niets anders te beleven viel toch maar eens naar Les Lullies gaan kijken. Voor wie het Nederlands machtig is, een tot de verbeelding sprekende naam maar dat zullen de vier uit het Franse Montpellier wellicht niet weten. De groep bestaat amper twee jaar en heeft slechts twee singles op het actief, waarvan de laatste, “Don’t look twice”, op Slovenly Recordings. Desondanks zag ik een erg volwassen band aan het werk. Kick-ass punk met veel glamrock invloeden, het had zeker wat.

Tijd voor het wat grotere werk dan op de Scene Banche met Mark Porkchop Holder uit Chattanooga, Tennessee. Porkchop stond in 2003 mee aan de wieg van de Black Diamond Heavies maar hield het daar al vlug voor bekeken om solo zijn weg te zoeken. Een succes werd het niet want de man sukkelde van de ene depressie in een andere verslaving. Toch zag ik hem in die schimmige periode (in 2011) aan het werk in datzelfde Binic. Er volgde zelfs een plaat, ‘Fry Pharmacy”, maar die is zo obscuur dat hij niet eens vermeld wordt op Discogs. Vorig jaar maakte hij dan plots met groep twee lp’s, ‘Let it slide’ en ‘Death and the blues’. En dan nu op het podium in Binic, dit mocht ik niet missen. MPH (zo heet hij zijn groep) bleek niet meteen uit posterboys te bestaan. Porkchop mag dan al kogelrond zijn, vergeleken bij zijn bassist, Travis ‘T-Bone’ Kilgore, leek hij wel een anorexia-patiënt. Derde man was Doug Bales (Uncle Lightnin’), die, vrij naar Woody Guthrie, “This machine kills fascists” op zijn basdrum had geschreven. Kilgore had op zijn beurt dan weer een tape met de woorden “Fuck Trump” op zijn arm. Nogal gratuit ben ik dan geneigd te denken maar bij deze mannen voelde het spontaan en gemeend aan. Porkchop is een meester op de slidegitaar, een ware lust voor het oor, en samen met Kilgore en Bates vormde hij een erg strak klinkende groep.
Blues zoals ik ze het liefst lust: rauw en met de nodige dosis rock-‘n-roll terwijl de technische finesse toch niet ontbrak. Een set vol hoogtepunten waarin ik toch weer mateloos kon genieten van een Junior Kimbrough-cover: “Sad days and lonely nights”. Achteraf kon ik me alleen maar afvragen waarom het zolang geduurd heeft om met een groep als deze naar buiten te komen.

Digger & The Pussycats uit Melbourne zag ik enkele keren aan het werk in de Pit’s en dat waren telkens memorabele avondjes. Ook het daaropvolgende Kamikaze Trio vond ik best de moeite maar de herinneringen blijken na al die jaren toch wat vervaagd. Het is trouwens al negen jaar geleden dat Digger & The Pussycats nog een volwaardige plaat maakten. Maar nu werd ‘Watch yr back’ uit 2005 heruitgebracht (door Beast Records of wat dacht je) en dat diende gevierd te worden. Wat ook effectief gebeurde want een feestje werd het daar op de Scene Banche. Gitarist Sam Agostino leek nog steeds een springveer waar de tijd geen vat op krijgt. De conditie van staande drummer Andy Moore leek net iets minder maar dat kon niet verhinderen dat we een set stomende, pretentieloze punk voorgeschoteld kregen. Wat klonken die nummers toch bekend en even fris als destijds in de oren. “100 degrees”, “Coming to get you”, “Save yourself”,... Het bleken songs voor de eeuwigheid.

We hadden al zoveel moois gehad en na de splinterbom geheten Digger & The Pussycats vroeg ik me af hoe het volk zou reageren op  de trage, uitgesponnen nummers van Endless Boogie. Maar wat dacht je? Het publiek was gekomen om te pogoën en te crowdsurfen en dat gebeurde dan ook, zoals steeds hier, in alle uitbundigheid.
De vier uit Brooklyn, New York zullen zich wel even de ogen hebben uitgewreven. Na wat technische problemen (tot tweemaal toe zorgde een basversterker voor een stroompanne) opende de band met het heerlijke “Back in ‘74”. De grommende zang van Paul ‘Top Dollar’ Major, de roesverwekkende gitaarescapades van diezelfde Top Dollar en Jesper ‘The Governor’ Eklow, stevig gedekt door bassist Marc Razo en drummer Harry Drudz... We leken op weg naar een grandioze apotheose van een sensationele festivaldag maar dat werd het nipt niet.
Het tweede nummer werd eindeloos uitgesponnen waarbij de heren het eerste deel van hun groepsnaam alle eer aan deden. De gitaren meanderden weliswaar sprankelend door elkaar maar telkens de eindmeet leek bereikt begon er, aangemoedigd door een uitzinnig publiek, een nieuwe ronde. Na zo’n twintig jaar ervaring weten deze mannen perfect hoe ze moeten jammen maar dit duurde me toch iets te lang. Tijdens de resterende nummers hielden ze het toch wat strakker maar de magie van hun set vorig jaar in De Zwerver was er dit keer niet bij, ook al omdat klasbakken als “Vibe killer” ontbraken. Voor hun tweede optreden op zaterdag beloofden ze totaal iets anders te zullen spelen maar daar was ik helaas niet bij.

Toch kon ik het niet laten om op zaterdag, een dure belofte negerend, nog eens terug te gaan om een tweede keer van Mr. Airplane Man te proeven, dit keer op de wat kleiner Scene Pommelec. Wat ben ik blij dat ik dat gedaan heb. De twee dames hadden hun setlist totaal door elkaar gegooid en zo werden de zachtere nummers perfect verdeeld tussen het stevigere werk. Van een dipje was hier geen sprake meer, integendeel, deze Mr. Airplane Man steeg boven zichzelf uit. Soms vragen mensen me waarom ik in godsnaam een groep twee dagen na elkaar ga zien. Na dit optreden zou ik er zelfs niet mogen aan denken dat ik het niet deed. Moeilijk uit te leggen wat er precies gebeurde maar diezelfde songs klonken allemaal net iets bezielder terwijl er een niet te bevatten magie in de lucht hing. Het zorgde voor een zinderende sfeer waarbij er zowaar twee crowdsurfende rolstoelgebruikers opdoken. Optreden van het jaar, tot nu toe.

Organisatie: Binic Folks Blues Festival  

Sjockfestival 2018 – 06 t/m 08 juli 2018 - Uitzinnige Mummies, zieltogende Dead Kennedys
Sjockfestival 2018
Festivalterrein
Gierle
2018-07-11
Ollie Nollet

1 dag werd hier uitgepikt – zaterdag 07 juli 2018

Sjock is nog steeds het beste alternatief voor wie het rock-‘n-roll hart op de juiste plaats draagt. Ook voor deze 43ste (!) wisten ze heel wat mooie namen naar Gierle te lokken. Zaterdag was ik erbij.

De eerste band die ik zag was Wild Deuces, meteen een goeie. Energieke rockabilly uit eigen land met een hele straffe zangeres, Stefni Wijnen, die, zo te zien, heel goed wist op welk podium (Titty Twister) ze stond. Op het eind dook ze nog het publiek in om een rondje te crowdsurfen. De vraag of dit nog wel verantwoord is in deze #MeToo-tijden heb ik er niet gehoord.

Meteen daarna nog meer spektakel op de Main Stage met Labretta Suede & The Motel 6 uit Auckland, Nieuw-Zeeland. Labretta Suede leek wel het balorige nichtje van Amy Winehouse. Gehesen in een hooggesloten hotpants die haar billen de vrije ruimte liet , keilde ze meteen haar schoenen over haar rug de coulissen in en mikte ze de microfoonstandaard naar de frontstage. De toon was meteen gezet voor een wervelende show vol suggestieve bewegingen. Zo lag ze op een gegeven moment op haar rug te spartelen met een gitaar tussen de benen. Een mens zou van minder het noorden kwijt raken. En de muziek? Die mocht er best zijn. Stevige ouderwetse rock met een scheurende gitaar. Het klonk soms wat gedateerd maar dan was er nog steeds Labretta om het schip voor kapseizen te behoeden. Andere keren kwamen ze dan weer verdomd dicht in de buurt van The Cramps en daar ben ik nooit rouwig om.

Bebo and The Goodtime Boys uit El Monte, Californië brachten verrassend fris klinkende rockabilly waar het spelplezier zo van afspatte. Partytime!

The Darts (Los Angeles/ Phoenix) bestaan uit Nicole Laurenne (vocals, Farfisa) en Christina Nunez (bas), die voorheen deel uitmaakten van The Love Me Nots, aangevuld met vleermuis Michelle Balderama (vocals/gitaar) en de immer breed lachende Rikki Styxx (drums). Vier meiden op een podium, het spreekt altijd tot de verbeelding. Ook die van Jake Cavaliere (Lords Of Altamont) die zowat de ganse set aandachtig volgde. Waarschijnlijk was hij benieuwd hoe Nicole Laurenne haar Farfisa zou molesteren. Vrij klassieke garagerock waarin de momenten waarop het wat meer spacy mocht klinken de betere waren. Ze konden me minder boeien dan enkele maanden geleden op Roots & Roses, ook al omdat het pijnlijk duidelijk werd dat The Darts in hetzelfde bedje ziek zijn als The Love Me Nots destijds: te weinig degelijke songs.

Tributebands, ik moet ze absoluut niet maar voor dit Link! moet ik toch een uitzondering maken. Het gaat hier tenslotte om de geniale Link Wray en als Sjock erin gelooft, wie ben ik dan om hen tegen te spreken. Op het podium zagen we Thee Andrews Surfers (gitarist Steven Gillis, bassist Jens De Waele en drummer Bart Rosseau, allen ook actief bij Fifty Foot Combo) en Steven Janssens (Whodads, The Revelaires), één van mijn favoriete gitaristen. De eerste drie nummers schoten hun doel voorbij en hoorde ik teveel de opgeblazen sound van Fifty Foot Combo. Het koude zweet brak me al uit maar de vier herpakten zich en vonden dat toch de ware spirit van Link Wray. Ook al omdat de inbreng van Steven Janssens groter werd. Wat contrasteerde zijn bescheidenheid toch met die ondeukbare ego’s van De Waele en Gillis. Link!: een geslaagde oefening!

The Bonnevilles uit het Noord-Ierse Lurgan zorgden voor het eerste echte hoogtepunt van de dag. Beiden in een keurig zwart hemd met roze das brachten ze dynamische garageblues met een stevige punkinjectie waar geen ontkomen aan was. Uitermate strak gespeeld door een zich in het zweet werkende Andy McGibbon op gitaar en de wonderlijke drummer, Chris McMullan. Een razende set waarin de mij nog onbekende nummers uit de nieuwe plaat, “Dirty photographs”, zeker niet moesten onderdoen voor het oudere werk. Uitschieters kiezen lijkt onbegonnen werk of misschien dan toch “No law in Lurgan”, ook al omdat het op verzoek werd gespeeld. Jammer dat er achteraf geen vinyl te scoren viel.

Net bekomen van The Bonnevilles was het opnieuw raak in de Titty Twister met Messer Chups (Rusland/ Duitsland). Hun recept is bekend: terwijl op de achtergrond oude horror- en pornofilmpjes te zien zijn schudden gitarist Oleg Gitaracula, drummer Dr. Boris en bassiste, ice queen Svetlana Zombierella uiterst smaakvolle surfdeuntjes uit hun mouw. Bovendien kregen ze hier versterking van Ir. Vandermeulen uit Amsterdam die op theremin en saxofoon tekeer ging. Ondanks deze onuitgegeven bezetting klonk Messer Chups veel strakker dan een paar jaar terug op TEXtival. Ondanks een korte dip werd dit een schitterende set.

Nine Pound Hammer maakte in de eerste helft van de jaren ‘90 furore met ‘Smokin’ taters’ en ‘Hayseed Timebomb’, twee platen op het toen toonaangevende Crypt Records. Ooit kon ik het niet laten om hiervoor helemaal naar Groningen te rijden maar intussen is de liefde flink wat bekoeld. De groep uit Lexington, Kentucky bleef nochtans platen maken die ik evenwel nooit hoorde. Toch wisten ze op Sjock het oude vuur terug op te poken en klonk hun in bier gedrenkte cowpunk als vanouds. Gitarist Blaine Cartwright had zijn hardrockriffs gelukkig thuis op de sofa van Nashville Pussy laten liggen en hield het vrij snedig. Scott Luallen, nochtans uitstekend bij stem, bleek een grotere eikel dan ik ooit had durven vermoeden. Zo’n kerel die je ten allen prijze wil ontwijken in de kroeg en die hier na ieder nummer ostentatief met de hoes van de nieuwe plaat stond te zwaaien. Maar dat kon de pret niet drukken: de meebrulbare songs gingen er even vlot in als het bier! En dat onder een genadeloos brandende zon terwijl Luallen de prijs voor de grootste eikel even later nog met een straatlengte achterstand zou verliezen.

Op naar de Bang Bang Stage dan voor Los Coyote Men uit het Britse Newcastle. De groep heeft een vijftal elpees op het actief, waaronder ‘Two sides of The Coyote Men’ uit ‘99 op Estrus Records. Vier mannen in hawaiihemdjes en met Mexicaanse worstelmaskers over het hoofd getrokken serveerden ons, met flink wat chili gekruide, garagepunk waarin af en toe wat surf doorschemerde. Pretentieloos, elkaar voor de voeten lopend of de toeschouwers het podium op sleurend... Er viel genoeg te beleven, meer moest dat echt niet zijn.

Hierdoor miste ik wel The Hackensaw Boys (Charlottesville, Virginia) waarvan ik nog net de eindsprint zag. Voldoende om te besluiten dat hun bluegrass-hillbilly net zo wervelend klonk als vorig jaar in de 4AD.

Lords Of Altamont (Los Angeles) vind ik nog steeds een mooie naam hebben, hun muziek daarentegen vind ik toch net iets minder dan in hun vroegste dagen. Net als hun dresscode (zwarte jeans) klinkt het iets te stereotiep. Ok, hun fuzzy rock-‘n-roll klonk bij momenten behoorlijk ranzig en Jake Cavaliere gaat nog steeds als een wildeman tekeer op zijn Farfisa maar ik miste iets. Wat precies weet ik niet of sloeg de zenuwachtigheid voor de komst van The Mummies nu reeds toe?

Want laat ik eerlijk zijn: Sjock had een hele mooie line-up bij elkaar gepuzzeld maar ik was hier toch voor die ene band, The Mummies. In 1993 speelden ze een legendarische set in de Pit’s. Ze namen er zelfs een splitsingle met Supercharger, met wie ze toen samen tourden, op. Maar ik miste jammerlijk de afspraak wegens ziekte. Ik weet niet of ze daarna nog in België geweest zijn, in ieder geval zag ik ze nooit. Deze kans mocht ik dus zeker niet laten schieten en ik was duidelijk niet alleen met die gedachte. Hoewel The Mummies slechts een viertal lp’s, waaronder maar één volwaardig studioalbum (‘Never been caught’), uitbrachten (begin jaren’ 90) geniet de groep uit Daly City, Californië een ijzersterke reputatie dankzij de sporadische optredens die ze sinds 2003 weer geven. Hoge verwachtingen dus en die werden volledig ingelost. Wanneer de vier, allen netjes ingepakt als een mummie, het podium opstormden wist je al dat dit niet mis kon gaan.
Net als Los Coyote Men hebben The Mummies een plaat uit op Estrus Records en ook hun muziek is enigszins vergelijkbaar. Toch was het verschil in intensiteit frappant. Dit was uitzinnige garage punk-‘n-roll, erg lo-fi gebracht maar steeds op het scherp van de snee. Nummers die telkens aankwamen als een stomp in de maag waarvan ik er een paar letterlijk mocht incasseren maar dat neem ik er graag bij. Het werd een bijzonder ruw feestje daar vooraan maar ook op het podium ging het er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Trekken en duwen en toen de zanger even op zijn Farfisa-orgeltje ging liggen rolde hij er ongewild af. Een razende set waarin we twee covers opmerkten: “Uncontrollable urge” van Devo en “Come on up” van The Young Rascals. Beter zou het die dag niet meer worden.

Met Turbonegro heb ik niet de minste affiniteit waardoor ik deze kelk aan me liet voorbijgaan.

Jameson’s Gentlemen ontstond na een jamsession op een Kroatisch rockabilly festival. Zes mannen uit evenveel Europese landen maakten er nog een rock-‘n-rollfeestje van in de Titty Twister. Goed gedaan, mooi gezongen ook maar het werd nu toch wel uitkijken naar de Dead Kennedys.
Niet dat ik hier heel veel van verwachtte. Boegbeeld Jello Biafra was er immers niet bij. Bovendien zit het er tussen beide partijen bovenarms op. Nadat Biafra een proces wegens een geschil over royalties verloor , beschuldigt hij de overige leden uitverkoop te houden. Zo noemt hij ze één van de meest hebberige karaokebands ter wereld. Maar het blijven de Dead Kennedys, één van de meest tot de verbeelding sprekende Amerikaanse punkbands, die in 1980 met ‘Fresh fruit for rotting vegetables’ een onbetwistbaar meesterwerk maakten terwijl de platen die daarop volgden niet zoveel minder waren. En met gitarist East Bay Ray, bassist Klaus Flouride en drummer Darren Peligro kwamen drie van de vier leden toch uit de originele bezetting.
De groep opende met “Forward to death”, meteen al een nummer uit “Fresh fruit...”. Helaas werd tegelijkertijd duidelijk dat zanger Ron ‘Skip’ Greer in de verste verte niet kon tippen aan de sneer van Jello Biafra. Tot daar aan toe maar de man vond het ook nog eens nodig om oeverloos te beginnen lullen over van alles en nog wat. Zo joeg hij het volk op stang door te stellen dat er op de World Cup geen voetbal werd gespeeld want dat was immers geen American football. En zo bleef hij voortdurend het volk schofferen. Dat mag best maar hier gebeurde dat op zo’n lompe, onbehouwen manier en zonder ook maar een vleugje gevoel voor humor. Het contrast met de immer spitante Biafra kon niet groter zijn en ik kan me niet herinneren ooit een grotere eikel op een podium gezien te hebben. Het boegeroep was dan ook niet van de lucht maar dat was blijkbaar niet te horen vooraan. Maar ook de overige muzikanten gingen niet vrijuit. De recentere nummers hadden meer met stadionrock dan met punk vandoen terwijl de meeste oude songs twee versnellingen te traag werden gespeeld en gebukt gingen onder talloze onderbrekingen. Zelfs het inleidende woordje tot “Nazi punks fuck off” van de drummer ging compleet de mist in.
Min of meer verdraagbaar waren de Elvis-cover “Viva Las Vegas”, “California über alles” en “Holiday in Cambodia”, dat plots wel een knappe uitvoering kreeg. Maar dan was het voorbij en het applaus, dat bleef uit. Toch kwam de groep terug (de ware punkspirit!) om “Chemical warfare” in te zetten. Nog een parel uit ‘Fresh fruit...’,  maar opnieuw veel te traag gespeeld en met een flard “Sweet home Alabama” halfweg helemaal de nek omgewrongen. Het was een gok om deze Dead Kennedys te programmeren maar zo’n debacle had waarschijnlijk niemand verwacht. Volgend jaar: Jello Biafra graag!

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/sjock-2018/
Organisatie: Sjock, Gierle

dinsdag 26 juni 2018 02:00

Deap Vally - Power en attitude

In 2013 kocht ik ‘Sistrionix’, de debuutplaat van Deap Vally, en dat was niet meteen mijn meest briljante aankoop want het ding verdween al snel in de achterste regionen van mijn collectie. Een derderangs versie van The Kills of zoiets, dacht ik toen. Ik was ze allang vergeten maar plots komen ze dan naar De Zwerver, een ideale stek voor een avondje zweterige rock-‘n-roll en kan ik het toch niet laten om even poolshoogte te nemen. Wie weet gaf dit live misschien wel meer vonken (hun twee passages op Dour bleven trouwens niet onopgemerkt) en anders zat ik me toch maar suf te staren naar dat eindeloze voetbal op TV …

Ik moet toegeven dat ik met een zekere negatieve vooringenomenheid in De Zwerver arriveerde en toen de twee dames uit Los Angeles eraan begonnen leek die alleen maar bevestigd te zullen worden. Wat was dat schrikken. Lindsey Troy zong alsof ze bij een seventies hardrockband solliciteerde terwijl de tweede stem van Julie Edwards zo expressieloos klonk dat ze zelfs op een vrij podium door de mand zou vallen. Tot overmaat van ramp leken de twee naast elkaar te spelen terwijl hun technische bagage, zowel op gitaar als drums, niet bepaald indrukwekkend was. Nadat ze wat overmoedig Jimi Hendrix als openingstune door de boxen hadden laten schallen mocht er van de gitaar van Lindsey Troy toch wat meer verwacht worden. Op haar best kwam ze in de buurt van Jack White maar dat kwam dan vooral door de klankleur want met White, één van de meest geïnspireerde gitaristen van de jongste jaren toch, zal ze zich nooit kunnen meten. Hé, tot zover het slechte nieuws!
Want na die desastreuze start herpakte het duo zich wonderwel en kreeg het volgepakte café alsnog een stomende set te degusteren. Een gezonde ‘riot grrrl’ attitude en voldoende power waren daarvan de belangrijkste ingrediënten. Het deed me wat denken aan The Runaways, een groep waarvan ik evenmin de platen lust maar die me, in een wel erg ver verleden, toch konden charmeren op het podium.
Naarmate het optreden vorderde werd de sound steeds hechter en bleken ook de songs van betere makelij te zijn. Vooral diegene die als nieuw werden aangekondigd lieten de oudere nummers, die ik ken van die eerste plaat, wat verbleken.

Het bleef een wat vreemde mix van fris klinkende garagerock, zoals we die ook van de Yeah Yeah Yeahs kennen, en het bombastische geluid van seventies hardrock/powerpop bands maar uiteindelijk werkte het wel.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

dinsdag 05 juni 2018 02:00

Lonesome Shack - Uitgeklede blues

Wellicht had het terrasjesweer een aandeel in de bedroevend lage opkomst, maar toch. Waar waren al die bluesliefhebbers? Ok, dit was niet echt blues in de traditionele betekenis van het woord maar hetgeen we hier gepresenteerd kregen was zoveel beter dat wat er tegenwoordig op een doorsnee bluespodium te beleven valt.
Lonesome Shack, een trio uit Seattle, bracht al verschillende platen uit, waaronder één, ‘More primitive’, op het kwaliteitslabel Alive records, wat toch een belletje zou moeten doen rinkelen. Maar blijkbaar heeft niemand dat gehoord.  De mannen van Lonesome Shack lieten het niet aan hun hart komen en speelden een meeslepende set. Uitgeklede blues gegoten in stuk voor stuk sterke, eigen songs waarin de geest van Junior Kimbrough voortdurend rondwaarde. Het leek misschien eenvoudig maar het zat bijzonder knap in elkaar. De combinatie van de lome maar steeds indringende gitaarpatronen van zanger Ben Todd, de kurkdroge drums van Kristian Garrard en de subtiel tot dansen uitnodigende bas van Luke Bergman leidde tot een intrigerend resultaat. Ergens te situeren in de hoek waar ook GravelRoad, die hier vorig jaar ook op het podium stond en met wie ze de fascinatie voor Junior Kimbrough delen, zich bevindt. Het wordt nu vooral uitkijken naar de nieuwe plaat die er zit aan te komen...

Vooraf zagen we nog Vincent Slegers uit Gent. North Mississippi Hill Country Blues is zijn ding en dat hij bracht dat met verve. Knappe, donkere songs gezongen met een schuurpapieren stem en voorzien van inventief gitaarspel op dobro (af en toe wat slide) terwijl hij met een stompbox het ritme aangaf. De laatste twee nummers koos hij voor een elektrische gitaar waardoor de sound wat voller klonk. Ook mooi maar ik verkoos toch die breekbare en soms magisch klinkende dobro.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

donderdag 07 juni 2018 02:00

The Scientists - Adembenemende gitaren

Toen de N9 The Scientists aankondigden wist ik eerst niet goed wat daarvan te denken. Want nadat ik ze in 2004 zag als Kim Salmon & The Scientists (wat ik trouwens vergeten was) tijdens een korte reünietour in de 4AD , leek de groep volledig van mijn radar verdwenen. Kim Salmon zag ik wel nog met zijn andere band, The Surrealists terwijl ik enkele jaren geleden ‘True west’ kocht, een plaat (niet meteen een hoogvlieger) van Kim & Leanne ofte Salmon en de drumster van The Scientists. En daar bleef het bij.

De groep uit Perth debuteerde in 1981 met ‘The pink album’, een zwik frisse punkpop vol Ramones, Buzzcocks en Big Star invloeden. Op de volgende platen werd de sound donkerder en gruiziger en creëerden ze samen met Beasts of Bourbon (bij wie 3/4 van the Scientists wel eens gespeeld heeft) een Australische variant op de swamp rock. De groep verhuisde naar Londen, toerde met zielsverwanten als The Gun Club en Alex Chilton maar het succes bleef uit en in 1987 was het over en out.

Nadien volgde af en toe nog een occasionele reünie en werden ze in 2006 door Mudhoney uitgenodigd op het All Tomorrow’s Parties festival. Maar de groep bestaat blijkbaar opnieuw en maakte vorig jaar zelfs een single en dat in de bezetting uit hun topperiode: Kim Salmon (zang, gitaar), Tony Thewlis (gitaar), Boris Sudjovic (bas) en Leanne Cowie (drums). Iets om naar uit te kijken en gezien de mooie opkomst was ik niet alleen met die mening.

De hooggespannen verwachtingen kregen meteen een flinke knauw met het openingsnummer, “You only live twice” (Nancy Sinatra cover), een flauwe song die bovendien helemaal om zeep werd geholpen door een rampzalige klankbalans. Gelukkig mocht ik vanaf song twee mijn vloeken inslikken. Het geluid zat nu perfect en met nummers als “Braindead” en “This is my happy hour” kreeg ik hetgeen waarvoor ik gekomen was : strakke, nijdige gitaarrock die hier op veel bijval kon rekenen.

Die was er minder voor enkele nieuwe nummers, twee b-kantjes, maar Kim Salmon is eigenzinnig genoeg om die niet zomaar te laten vallen. De laatste single, het in feilloos Frans gezongen “Mini mini mini” (na “Hippie, Hippie, Hoorah” van Black Lips op Roots & Roses alweer een Jacques Dutronc cover) was wel een schot in de roos. De parels werden aaneen geregen en steeds meer werd duidelijk wat voor een schitterende band hier op het podium stond. Vier gretige muzikanten die er overduidelijk zin in hadden. Alleen drumster Leanne Cowie leek een paar keer moeite te hebben om te volgen. Slecht geslapen?

Uitblinker was wat mij betreft gitarist Tony Thewlis. De bescheidenheid zelve maar wat klonk die gitaar toch steeds meeslepend. Hij is er zeker de man niet naar om te stunten maar op een gegeven moment deed hij dat toch. Zo wisselde hij een snaar terwijl hij verder bleef spelen en duurde het verdomd lang vooraleer de anderen dat in de gaten hadden. Nooit eerder gezien.

De set kreeg een ongemeen hoogstaande finale met “Swampland” en “We had love”, twee uitgesponnen, broeierige nummers waarin de zich in alle bochten wringende gitaren geen enkele belemmering werden opgelegd. Adembenemend. De verplichte bisronde begon met het iets mindere “Hey Sydney” maar met “When fate deals its mortal blow” en “Burnout” kregen we opnieuw twee uppercuts.

Niets dan tevreden grijnzende gezichten gezien achteraf.

Organisatie: N9, Eeklo

 

Op het allerlaatste moment werd Bront nog opgetrommeld om als eerste groep te spelen en dat bleek een goede zet. Bront (Gent/Antwerpen) heeft naast leden van Moar, O’Grady, Lagüna en Voodooland ook twee broers van Leopard Skull in de rangen. Een supergroep als het ware met maar liefst drie gitaren in de frontlinie. Die gitaren eisten meteen de hoofdrol op en leken de mosterd gehaald te hebben bij Ty Segall. Maar nog voor we halfweg het eerste nummer waren kantelde alles en dreef de band richting The Abigails. Daar zal de bijzonder lage en wat zwijmelende stem van de charismatische Brent Pauwels niet vreemd aan geweest zijn. Zo bleef de groep voortdurend switchen tussen verschillende genres en bleven de tempowisselingen elkaar voor de voeten lopen. Daarbij deden ze denken aan de meest uiteenlopende namen: Butthole Surfers, Evil Superstars, The Memories of zelfs The Mothers Of Invention.  Soms werkte dat wonderwel, andere keren hing het met haken en ogen aan elkaar. Toch bleef de balans overwegend positief.

Er was iets vreemds aan de hand met The Buttertones (Los Angeles). In zowat alle artikels die ik over de band las worden ze steevast met The Cramps vergeleken, soms zelfs met The Gun Club (naast meer aannemelijke namen als The Beach Boys). Maar in Leffinge was daar tot mijn teleurstelling geen spoor van terug te vinden. Van genre veranderd? Moeilijk te geloven.
De vijf, duur gekleed (retro style) en netjes gekapt, zagen er ook niet uit alsof ze zich ooit aan zulke muzikale exploten zouden hebben vergrepen. Wat kregen we dan wel te horen? Bijzonder moeilijk te omschrijven. Verfijnde rock waarin de gitarist subtiel rockabilly en surf invloeden smokkelde terwijl de zang er dan weer onmiskenbaar een new wave draai aan gaf. Dit stond wel erg ver weg van de rauwe garagerockbands (zoals The Cramps en The Gun Club) die ik meestal ga bekijken maar naarmate de set vorderde wisten ze me steeds beter bij mijn nekvel te pakken om niet meer te lossen. Ook al omdat de groep de grandeur van vroeger (jaren ‘40-‘50) in hun muziek wist te loodsen net zoals hun (Innovative Leisure) labelgenoot Nick Waterhouse, iemand die ik een erg warm hart toedraag.
De zang van Richard Araiza, soms tegen het parlando aan schurkend maar altijd dwingend, deed me naast de naam, die me maar niet te binnen wil schieten, verder denken aan achtereenvolgens Scott Walker, Morrisey en Nick Cave. Dan heb ik het wel over de manier van zingen, niet de stemkleur. De gitaar van Dakota Böttcher drong zich nooit op maar klonk altijd inventief en had wortels in de rock’-n-roll. En dan was er nog de steeds mee toeterende saxofonist (slechts twee keer koos hij voor de toetsen), je ziet het bijna nooit meer in een rockgroep maar ik hou er wel van.
Bovendien bleken de jongens bescheiden en erg sympathiek en kwamen ze, ondanks de magere opkomst, na hun reguliere set maar liefst driemaal terug. En dat met dank aan de niet aflatende aanmoedigingen van Bront.
The Buttertones zorgden voor een alweer sterk concertje in De Zwerver!

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Levitation Room - Sprankelende neo-psychedelische garagerock
Levitation Room
café De Zwerver
Leffinge
2018-05-19
Ollie Nollet

Was dit een optreden van Levitation Room of het afscheidsfeestje van Alpha Whale? Voor velen wellicht het laatste. De Gentse groep met West-Vlaamse roots houdt ermee op omdat veel optreden niet langer te rijmen valt met de professionele bezigheden van de groepsleden. Net nu de groep alles had om door te breken. Vier keer op de playlist van Studio Brussel gestaan en vorig jaar elk zeven euro van Sabam ontvangen, aldus de drummer (die je zou kunnen kennen van ‘De Ideale Wereld’).
Toch vond ik de groep hier beter klinken dan ooit of had ik misschien last van een nostalgische reflex? Ondanks het feit dat de vaart wat uit de set werd gehaald door de talloze onderbrekingen om iedereen uitvoerig te bedanken bezorgde hun mix van surf en psychpop me een zaligmakend loom gevoel. Voortaan zullen we dit nu moeten missen hoewel een eenmalig optreden af en toe niet helemaal uitgesloten wordt.

Levitation Room is een vierkoppige band uit Los Angeles die in 2016 een mooi plaatje, ‘Ethos’, uitbracht op Burger Records. De groep bracht ons neo-psychedelische garagerock, enigszins te vergelijken met de Allah-Las, maar dan iets rafeliger. Sprankelend frisse songs die onvermijdelijk banden hadden met de sixties en namen als The Zombies, The Lovin’ Spoonful en, waarom niet, The Beatles (zanger Julian Porte droeg trouwens een t-shirt van Paul McCartney) door mijn hersenpan lieten flitsen. Het werkte erg aanstekelijk.
Alleen tijdens de tragere nummers durfde het al eens mis te gaan wegens te zeemzoeterig en begon de aparte, bijna lispelende zang van Porte me wat te irriteren. Maar wanneer de man voluit ging op zijn bijzonder nostalgisch klinkende gitaar was ik meteen bereid om hem alles te vergeven. En dan plots uit het niets volgde een cover van Bob Dylan’s “Just like Tom Thumb’s blues”. Het paste niet echt in de set en stamt wellicht uit de periode toen Porte zich als busker onledig hield maar het was verdomd knap gedaan. Een forse uitvoering en een verademing vergeleken bij hetgeen de meester zelf tegenwoordig uitspookt.
Vraagt men me binnen een jaar of twee of ik Levitation Room ken zal “is dat niet dat groepje met die fameuze Dylan-cover?” naar alle waarschijnlijkheid mijn antwoord zijn. En dat zou jammer zijn want Levitation Room was veel meer dan dat. Hopelijk kan een nieuwe, binnenkort te verschijnen plaat dit alsnog verhinderen.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Paint Fumes + Vision 3D - Schuimbekkende garagepunk
Paint Fumes
Pit’s
Kortrijk
2018-05-20
Ollie Nollet

Vision 3D is nog maar eens een groep uit Doornik, dit keer bestaande uit twee delen Thee Marvin Gays (bas en gitaar) en één deel Maria Goretti Quartet (drums). Dit had toch wat minder uitstaans met de oergroep, Thee Marvin Gays, dan Pedigree die we hier onlangs ook aan het werk zagen. Door een aanhoudend rammelende gitaar opgejutte, in het Frans gezongen, lofi punkpop : soms werkte het, andere keren raakte het kant noch wal. Met de bas té prominent aanwezig leek het erop alsof Lulu Sabbath wou benadrukken dat dit wel degelijk haar groep was. Dat ze dat instrument aardig beheerste (ze waagde zich zelfs even aan een uitstapje richting jazz), laat daar geen twijfel over bestaan maar of het de muziek steeds ten goede kwam is een andere vraag. Vision 3D : er is nog wat werk aan de winkel maar bezwijkend voor de immer ontwapenende glimlach van Lulu wil ik hen gerust nog wat krediet gunnen.

Last van een opdringerige bas hadden Paint Fumes (Charlotte, North Carolina) allerminst, ze hadden er geen bij. Twee gitaren en drums waren ruim voldoende. Toen de band het podium opstapte dacht ik even dat de Grateful Dead uit haar asse was herrezen. Vooral zanger-gitarist Elijah Von Cramon en drummer Joshua Johnson zagen eruit als gepatenteerde hippies. Het contrast met hun muziek kon niet groter zijn : geen zwijmelende psychedelica hier maar schuimbekkende garagepunk.
Korte, nijdige nummers die er in en hels tempo werden doorgejaagd. Soms mocht de aanzet al wat trager zijn maar na enkele seconden dreven Von Cramon en Johnson het tempo weer onverbiddelijk de hoogte in. Gelukkig zorgde de wat ruimtelijk klinkende leadgitaar van Brett Whittlesey, die af en toe klonk als Duane Eddy na een wel erg slechte trip, voor de nodige verlichting. Het volk wist het best te smaken en de bierfonteinen konden dan ook niet uitblijven.
Tussen het opspattende schuim ontwaarde ik nog een vuile versie van The Gun Club’s “Sex beat”, die enkele aanwezigen zowaar een delirium bezorgde.
Net toen ik dacht dat het niet kon volgde er dan toch een tragere song. En wat voor één! “Black lodge” kon zich meten met het beste van de Black Lips.
Na een stormachtige set kwamen er nog twee korte bisnummers waaronder “Today your love, tomorrow the world” van de onvermijdelijke Ramones.
Paint Fumes zorgden nog eens voor een ouderwetse voltreffer in de Pit’s.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

maandag 07 mei 2018 02:00

Metz + guests - Vive La Jungle

Metz + guests - Vive La Jungle
Metz, La Jungle, Moaning, Teen Creeps, Budget Trash
De Zwerver (zaal + café)
Leffinge
2018-05-05
Ollie Nollet

Het was een hele boterham die we voorgeschoteld kregen in de Zwerver. Vijf groepen op één avond. Het lijkt veel maar met twee podia bleek het best haalbaar en waanden we ons bijwijlen op een festival.

Moaning, een drietal uit Los Angeles, werd als eerste voor de leeuwen gegooid. De groep bracht onlangs een plaat uit op SubPop (waar ook Metz onderdak vond) en hoewel de gloriedagen van dat label allang geschiedenis zijn , schept dat nog altijd enige verwachtingen. Moaning begon niet onaardig maar al vlug vervielen ze in stereotiepe postpunk met donkere, zeurende zang. Nog een geluk dat de gitaar van Sean Solomon iets luchtiger klonk. Dit was de laatste dag van een lange, slopende tour en soms leek het erop alsof dat zijn tol had geëist. En toch kon het ook anders. Zoals tijdens het voorlaatste nummer toen Solomon bewees echt te kunnen zingen of de brok pure gitaarrock waarmee afgesloten werd.

Het was al een tijdje geleden dat ik Budget Trash uit Brugge nog aan het werk gezien had. Intussen legden ze een mooi parcours af in Humo’s Rock Rally, waarvan ze zelfs de finale bereikten. Of het daar iets mee te maken heeft , weet ik niet maar de vier begonnen in ieder geval met een drietal lichtvoetige, radiovriendelijke indierocksongs. Niet slecht maar geef mij toch maar hetgeen volgde: een versnelling hoger trappende, vrolijk makende garagerock. De zanger bleek behoorlijk flegmatiek terwijl de onbevangen inzet van de rest erg enthousiasmerend werkte.

Opnieuw naar de zaal dan voor La Jungle. Telkens ik dit duo uit Mons terug zie , lijken ze een stuk volgroeider geworden. De twee brouwen nog steeds een onwaarschijnlijke mix van rock-‘n-roll, techno, krautrock en psychedelica waarvan de details alsmaar beter kloppen. Terwijl de sensationele drummer, Rémy Venant, een atletische prestatie neerzet , zwiert Mathieu Flasse er ogenschijnlijk banale loops, wat goedkope Casioriedels en enkele vette gitaarriffs over heen met als resultaat een hallucinerende roetsjbaan waaraan niet te ontsnappen valt.
Na een ware uitputtingsslag wordt de roep om een bis handig ontweken door een speelgoedversie van “Wake me up before you go-go” door de boxen te laten jagen. De jongens van La Jungle blijven er erg bescheiden bij, toch was dit internationale klasse.

Een cadeau was het zeker niet om net na La Jungle te moeten spelen. Toch wist het Gentse Teen Creeps, die een bescheiden hype veroorzaakten met hun debuut ‘Birthmarks’, het publiek vlot voor zich te winnen. Hun sound klonk gebraakt en gespogen No Age, iets wat ze trouwens niet ontkennen want “Teen creeps” is ook de titel van een nummer van die Amerikaanse noisepunk band.
Het recept is bekend: schreeuwende vocals, een muur van scheurende gitaren en een wild meppende drummer. Nu laat ik me hier graag door omver blazen, toch vond ik het iets teveel van hetzelfde hebben. Al goed dat er een paar keer wat gas werd teruggenomen waarbij dan telkens Dinosaur Jr. in de verte opdook.

De zanger van Metz (Toronto), Alex Edkins, leek sprekend op de slager uit mijn straat. Aan een rock-‘n-roll imago heeft hij duidelijk geen boodschap. Pas wanneer hij de eerste noten op zijn gitaar aanslaat , komt de ware aard van he beestje boven en die blijkt vrij furieus te zijn. Dit Canadese trio grossiert in ziedende noisepunk/hardcore met gebalde nummers die telkens als mokerslagen in het gezicht aankwamen. De driftige gitaar van Edkins, de donderende drumsalvo’s van Hayden Menzies en de steeds prominent aanwezige bas (jammer van dat storende geknetter) van Chris Slorach schiepen een heerlijk brutaliserende sound die na een tijdje toch wat voorspelbaar klonk.
Net toen ik dacht dat ik het wel gezien had zette de band “Kicking a can of worms” in: een nummer dat begint met een ellenlange drone op gitaar om vervolgens via een schitterende spanningsopbouw in volle glorie open te barsten. De songs die volgden kenden dan plots toch nog de broodnodige variatie zodat ik me opnieuw volledig met Metz kon verzoenen.

Neem gerust een kijkje naar de pics van hun set tijdens Les Nuits Bota 2018 (Metz), de dag voordien
http://www.musiczine.net/nl/fotos/metz-04-05-2018/
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Trapper Schoepp - Verrassend hoog rock-‘n-rollgehalte
Trapper Schoepp
café de Zwerver
Leffinge
2018-04-12
Ollie Nollet

Nadat ik Trapper Schoepp (Milwaukee, Wisconsin) een paar jaar geleden solo en akoestisch aan het werk had gezien in het voorprogramma van Jesse Malin, toen ook in De Zwerver, had ik geen vermoeden tot wat hij met band in staat was en dat bleek behoorlijk wat.
Schoepp begon de set op elektrische gitaar met een rits vintage rock-‘n-roll georiënteerde songs waarvan de meeste geplukt waren uit zijn recente EP, ‘Bay Beach Amusement Park’, een heus conceptplaatje rond het gelijknamige pretpark, dat deze zomer 125 kaarsjes mag uitblazen. We kregen een eerste hoogtepunt met “Zippin Pippin”, wat staat voor een historische houten achtbaan waarop Elvis een ganse nacht doorbracht, acht dagen voor hij stierf.
Toen hij zijn elektrische gitaar ruilde voor een akoestische kregen we de Trapper Schoepp te horen zoals we die kenden van zijn vroeger werk. Folk en americana gegoten in knappe verhalende songs, want naast een begenadigde zanger bleek hij ook een geboren verhalenverteller te zijn. En zo kwamen we bij bij mijn enige herkenningsmoment van het optreden : het verhaal waarin hij kennismaakte met de bekrompen achterdochtigheid van de West-Vlaamse dorpeling. Toen hij twee jaar geleden in de plaatselijke supermarkt van Leffinge wat etenswaren ging kopen besefte hij, toen hij wou afrekenen, dat hij geen geld bij zich had. Waarna hij zei dat hij er vlug ging halen maar dat maakte weinig indruk op de kassierster , die blijkbaar de Engelste taal niet machtig was en er verscheen zowaar een dreigende slager met het mes in de hand. Toen hij uiteindelijk de tourbus terug bereikte bleek dat de politie hem al aan het zoeken was. De rode hoed die hij toen droeg durft hij onder geen beding nog op te zetten in Leffinge. De vorige keer ook al gehoord maar de man vertelt het zo sappig dat dit nooit kan vervelen. Misschien moet hij er eens een song aan wijden.
“On, Wisconsin”, een ode aan zijn thuisstaat, bleek dan weer te bestaan uit enkele onuitgegeven verzen van Bob Dylan uit 1961, die plots op een veiling waren opgedoken, waar hij een refrein aan breide en van muziek voorzag. Nadat we al een flard “Hungry heart” (Bruce Springsteen) hadden gehoord (tijdens één van de mindere nummers overigens) volgde een eerste echte en ook gesmaakte cover met Neil Young’s “Helpless”. Waarna het tijd werd om opnieuw elektrisch te gaan en de groep, met onder andere broer Tanner op bas, zich plots de jonge Stones waanden. Van een slotoffensief gesproken...
Nu was het hek helemaal van de dam en kregen we spetterende rock-‘n-roll gekruid met enkele geweldige covers zoals “Hound Dog” (Big Mama Thornton) en “Highway 61 revisited” (Bob Dylan). Tijdens de fenomenale afsluiter, “Ramblin’ gamblin’ man” (Bob Seger) liet Schoepp het podiumbeest in zich helemaal los om zich op de toog te wagen.
Na een marathonset (ruim anderhalf uur) kwam hij toch nog één keer terug om samen met zijn broer “Bye bye love” van The Everly Brothers als ultieme uitsmijter te serveren.

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Pagina 6 van 15
FaLang translation system by Faboba