zoek artikels

Volg ons!

Facebook Instagram Youtube Myspace Myspace

Se connecter

Onze partners

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte door je te abonneren op onze nieuwsbrief !
Please wait
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Jayke Orvis and The Bullshit Brothers - Stringband houdt de erfenis van de country pioniers levend
Jayke Orvis And The Bullshit Brothers
Cowboy Up
Waardamme

Een afgeladen Cowboy Up voor deze underground country held, Jayke Orvis, en daar zal zijn doortocht op Muddy Roots Europe vorig jaar niet vreemd aan zijn.

Dit matinee-concert begon nogal verwarrend toen er een breed glimlachende kerel het podium opstapte, een tamboerijn rond zijn voet gespte en er op zijn eentje aan begon. Menige wenkbrauwen werden gefronst want nergens was er een voorprogramma aangekondigd en de man liet op geen enkel moment weten wie hij was. Toen ik het hem achteraf vroeg,  antwoordde hij doodleuk ‘Allisson’ (Santos) waarmee ik geen stap verder was , want dat was enkel zijn geboortenaam. Uiteindelijk bleek dat we Big Bull & His Selfish Band, een dark billy one-man-band uit Brazilië, gezien hadden. Uitermate sympathieke gast die ons jammer genoeg de beperkingen van een one-man-band niet kon laten vergeten. Zijn gitaarspel kon me nog enigszins bekoren maar zijn nochtans behoorlijk rauwe maar tevens expressieloze strot begon al snel te vervelen.

Jayke Orvis (Milwaukee, Wisconsin) heeft als stichtend lid van .357 String Band en als huidig lid van The Goddamn Gallows een degelijke staat van dienst terwijl hij met ‘It’s all been said’ (2010) en ‘Bless this mess’ (2017), twee uitstekende platen onder eigen naam uitbracht. Orvis heeft intussen ook zijn eigen groep, The Broken Band, waarin klinkende namen als James Hunnicutt en Liz Sloan (Bob Wayne), maar dat illustere gezelschap was er niet bij in Waardamme. In plaats daarvan The Bullshit Brothers, een internationaal stel met de Braziliaan Ronaldo Nicolaico op staande bas, de Fin Markus Lervik op akoestische gitaar en Steve Kilcrease aka Clyde Mcgee uit Colorado op banjo.
Een volgetatoeëerde (mag je waarschijnlijk letterlijk nemen want toen hij na het optreden even zijn muts afzette bleek ook zijn schedel niet gespaard van de inkt) Jayke Orvis (op mandoline) zag er met zijn lip piercings misschien wat vervaarlijk uit. Toch bleek dit een innemende, warme mens met een onmiskenbaar groot charisma die de Cowboy Up zonder moeite meteen inpalmde.
De vier uitstekende muzikanten brachten heerlijke roots country waarvan de inspiratie terugging tot in de jaren ‘40. We hoorden een drietal covers: “Bound to ride” van The Stanley Brothers, “Kaw-liga” van de onvermijdelijke Hank Williams en het wat recentere “Pick up the steam” van The Weary Boys. Het eigen werk sloot qua stijl nagenoeg naadloos aan bij die drie nummers. Mooi uitgewerkte mid-tempo country songs werden afgewisseld met vlammende instrumentals waarin het tempo telkens, tot grote vreugde van de meute, ferm opgedreven werd. Jayke Orvis voelde zich hier duidelijk in zijn sas en maakte er op het eind nog een feestje van door eerst zijn tourmanager en daarna vriend Allisson Santos mee op het podium te vragen. Zong die eerste nog gewoon wat mee dan mocht Santos twee nummers lang de staande bas overnemen waarbij hij iedereen onverhoeds verraste met een verbluffende solo.
Het enige wat men Jayke Orvis zou kunnen aanwrijven is dat hij nogal braaf klonk. Van zo’n figuur zou je kunnen verwachten dat hij zijn muziek infecteert met een dosis punk maar dat gebeurde hier niet. In plaats daarvan probeerde hij de erfenis van de country pioniers levend te houden door hun sound zo dicht mogelijk te benaderen en daar kon ik allerminst rouwig om zijn.

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

75 Dollar Bill is een duo uit New York, actief sinds 2012 en bestaande uit gitarist Che Chen en percussionist Rick Brown. De twee maakten reeds drie platen en evenveel cassettes maar het is pas sinds hun laatste dat ik ze ken. ‘I was real’ is een dubbel lp en behoort wat mij betreft tot het beste van afgelopen jaar. Er doen nogal wat gasten (bas, saxen, violen, gitaren,..) mee op die plaat en ik vroeg me vooraf toch af of ze het met zijn tweeën wel zouden redden. Tot mijn verrassing doemde er nog een derde muzikant op: de Berlijner Andrew Lafkas, een contrabassist die ook op de plaat meespeelde.
Na Margaret Airplaneman en een herboren James Leg was het voor de derde keer op korte tijd een schot in de roos voor deze kleine koffiebar. Hoewel deze noot toch iets harder om kraken was. Vier nummers van om en bij de twintig minuten en volledig instrumentaal maar wie wat moeite deed kon niet anders dan bedwelmd raken door dit onorthodoxe drietal. Moeilijk te situeren: was dit jazz, wereldmuziek, drone gebaseerde muziek of gewoonweg blues? Ik hou het bij experimentele blues.
De nummers begonnen meestal met allerhande belletjes of vreemde fluiten waarna Rick Brown op zijn triplex box (waarop hij ook zat) de Afrikaans of Oosters geïnspireerde ritmes langzaam liet evolueren. Hierbij werd hij in de rug gesteund door de staande bas terwijl Chen wat experimenteerde met drones op zijn twaalfsnarige gitaar. Telkens een boeiende maar wat moeilijk te behappen aanloop naar het moment waarop onmiskenbare bluespatronen in het spel van Chen slopen.
Hedendaagse blues is meestal strontvervelend maar dit was van een totaal andere orde. Chen, zelf met Taiwanese roots, zocht de oorsprong van de blues op in Mauretanië. Daar volgde hij gitaarles bij Jheich Ould Chighaly wiens vrouw, Noura Mint Seymali, misschien gekend is bij wereldmuziek liefhebbers. Zij toerde alleszins reeds door Europa. Zelf doet Che nogal bescheiden over zijn gitaartechniek maar wat hij in Mechelen liet horen was toch vrij indrukwekkend. Opzwepende en tevens hypnotiserende Tourareg blues zoals ik ze nooit eerder hoorde.
Deze complexe lange nummers hadden gekunsteld en stroef kunnen overkomen maar daar was hier helemaal geen sprake van. De deels geïmproviseerde muziek van 75 Dollar Bill kende een onwaarschijnlijk natuurlijk aanvoelende flow.

Organisatie: Kaffee-Ine, Mechelen

dinsdag 10 december 2019 18:45

Boris - Met (eenzame) hoogtes en laagtes

Boris - Met (eenzame) hoogtes en laagtes
Boris + Arabrot
4AD
Diksmuide

Toen mij in laatste instantie gevraagd werd iets te schrijven over Boris besloot ik de avond voor het concert het werk van de groep uit Tokyo, die ik tot dan slechts vaag kende, wat eigen te maken. Dat bleek makkelijker gezegd dan gedaan want de groep, actief sinds 1996, maakte maar liefst 25 volwaardige albums en daarnaast nog eens 13 samenwerkingsplaten waarvoor ze onder meer met Keiji Haino, Sunn O))) en Merzbow in zee gingen. Bovendien probeert het trio zich voor iedere plaat een nieuwe stijl aan te meten. Toch wist één LP in deze uit de voegen gebarsten discografie meteen mijn aandacht te trekken. ‘Akuma No Uto’, oorspronkelijk uit 2003 maar dit jaar nog heruitgebracht door Third Man Records, waarvan de cover bij wijze van eerbetoon, gekopieerd werd van Nick Drake’s “Bryter Layter”. Naar verluidt zou de plaat ook precies even lang duren als die klassieker van de veel te vroeg overleden Britse bard maar verder houden alle vergelijkingen op.

En dan was er nog de eerste band van de avond, Arabrot, die ook al heel wat jaren (18) op de teller staan heeft. De groep uit het Noorse Haugesund, waar ook The Low Frequency In Stereo vandaan komt, is met zo’n 15 platen (EP’s en LP’s dooreen) al bijna even productief als Boris. Momenteel is zanger-gitarist Kjetil Nernes het enige lid van Arabrot. In de loop der jaren verlieten de drie andere originele leden één voor één de groep en werden blijkbaar nooit vervangen. De namen van Nernes’ vier begeleiders moet ik u dan ook schuldig blijven.
Nernes leek wel weggelopen uit ‘A Clockwork Orange’ en schuwde de grote gebaren niet. Zo poseerde hij meermaals met zijn gitaar alsof het een geweer was. Het showelement had hij alvast onder de knie maar muzikaal kon hij me tijdens die twee eerste nummers toch niet raken. Dit leek een tot mislukken gedoemd huwelijk tussen postpunk en metal. Onverwacht werd het toch even grappig toen het einde van “The horns of the devil grow” plots verdacht veel gelijkenissen met “Child in time” vertoonde. Voor het derde nummer gooide de boomlange Noor het over een geheel andere boeg met een meeslepende uitvoering van Nina Simone’s “Sinnerman”, een nummer dat de 4AD habitués wellicht ook kennen van Black Diamond Heavies. Vanaf dit moment kon ik me beter vinden in de erg gevarieerde muziek van Arabrot al bleef ik het moeilijk hebben die ‘hete aardappel in de keel’ zang. Het laatste nummer was er één van epische proporties dat begon met de gemanipuleerde zang van de toetseniste en verder een erg vreemde maar wel spannende opbouw kende waarbij halfweg de helft van de muzikanten reeds de coulissen mochten opzoeken. Prachtig slot van een wat wisselvallige set.

Boris had alvast de juiste vintage apparatuur meegebracht : Orange en Sunn. Samen met de indrukwekkende gong achter het drumstel zorgde dat voor een erg mooi decor. De drie leden (een man, een vrouw en een wezen dat het midden hield tussen de twee) zagen er precies uit als op de promofoto. Hier was duidelijk over nagedacht. Ook de dubbele gitaar (bas en gitaar in één) van Takeshi Ohtani paste wellicht in dat plaatje. Veel bas hebben we trouwens niet gehoord, meestal hielden ze het bij twee, weliswaar dikwijls laaggestemde, gitaren. Het oogde dus mooi en indrukwekkend maar het openingsnummer, “Away from you”, waarin Boris blijkbaar dreampop wou introduceren, kon enkel mijn tenen laten krullen. Dit sloeg nergens op en het tweede nummer bracht al niet veel beterschap en was eigenlijk in hetzelfde bedje ziek. Boris probeerde iets anders en daar kan ik in feite alleen maar blij om zijn, helaas was het resultaat ondermaats.
Boris is op zijn best wanneer ze zich vergrijpen aan trage doommetal en er gelijkenissen met Sun O))) opduiken en die momenten kwamen er gelukkig ook in Diksmuide. Kern van het probleem was dat de groep hun laatste plaat, ‘Love & Evol’, kwam voorstellen (één van de weinige punten waarbij Boris niet verschilt met een doorsnee groep) en dat is jammer genoeg één van hun mindere en dan druk ik me nog zacht uit.
Nu was het verre van allemaal kommer en kwel en hoorden we wel degelijk schitterende nummers zoals “Boris”, een cover van de Melvins, waarin ze destijds hun groepsnaam vonden. Ik mag ook niet alle nieuwe nummers naar de prullenbak verwijzen. Zo klonk het spookachtige “Shadow of skull” bijzonder groots terwijl we tijdens de mindere momenten nog steeds konden genieten van de elementaire gitaar van de immer fascinerende Wata.
Uiteindelijk werd ik dan toch nog finaal omvergeblazen door een waanzinnige bisronde, op gang getrokken door de uitzinnige gongslagen van Atsuo Mizuno waarmee het ontploffende “Akuma no uta” (van dat “Nick Drake” album) werd ingeleid. Ongetwijfeld hét moment van de avond alhoewel het daarop volgende “Farewell”, uit hun succesrijkste plaat ‘Pink’, er ook mocht zijn. Wat minder explosief maar met die jankende zang minstens even beklijvend.
Een set met (eenzame) hoogtes en laagtes.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

dinsdag 03 december 2019 13:24

The Low Anthem - Live-meerwaarde bleef uit

De tijd dat ik mijn kot uitkwam voor, wat ik maar als ‘indie folk’ zal omschrijven, met groepen als Iron And Wine, Other Lives, M. Ward, Great Lake Swimmers, Bon Iver, Okkervil River of Bright Eyes ligt ook al weer een poosje achter me. De meeste van die groepen zijn het spoor bijster geraakt terwijl de grootverdieners, zoals een Mumford & Sons, me helemaal van het genre lieten vervreemden. Maar nu kwam The Low Anthem het tienjarig bestaan van hun pièce de résistance, ‘Oh my God, Charlie Darwin’, vieren en dat kon ik toch niet aan me voorbij laten gaan hoewel ik me afvroeg of het wel een goed teken was als een groep één van hun oude platen na amper tien jaar opnieuw komt voorstellen met een integrale uitvoering.

Om het wat intiemer te maken werd het podium dit keer niet gebruikt om mocht de groep op de grond vlak voor de tribune met zitplaatsen zijn intrek nemen. Ideaal was het misschien niet maar het kwam de sfeer zeker ten goede.
The Low Anthem had zelf het voorprogramma meegebracht: Futur Primitif, nom de plume van Daniel Lefkowitz uit Strasburg, Virginia. De vreemde schrijfwijze van Futur Primitif kwam er wellicht om verwarring met gelijknamige boeken, platen en groepen te vermijden. De man speelde enkele jaren in hun beginperiode bij The Low Anthem maar heeft zelf intussen reeds een viertal obscure albums uitgebracht. Zijn laatste, die enkel digitaal verkrijgbaar is, heet ‘Neil’ en is een eerbetoon aan Neil Armstrong en het Apollo programma in het algemeen. De eerste vijf songs kwamen uit dat album maar echt wild werd ik er niet van. Zijn stem klonk nogal dun terwijl zijn akoestische gitaar het al even sober hield. Om de sound toch iets te verrijken duikelde hij enkele keren een mondharmonica op en zette hij wat effecten op zijn stem. Vooral dat laatste hielp wel en toen hij zich dan toch plots aan een uptempo nummer waagde doken zowaar The Everly Brothers in mijn gedachten op.

‘Oh my God, Charlie Darwin’ vond ik destijds een erg mooie plaat maar het meesterwerk waarvoor ze doorgaans versleten wordt , heb ik er nooit in gezien. Maar die status kon ze eventueel nog verwerven nu The Low Anthem (uit Providence, Rhode Island) ze integraal ging uitvoeren maar dat is dus niet gebeurd. De songs mochten er nog steeds zijn maar de meerwaarde, die je live toch verwacht, was er nooit bij.
Het optreden zat simpel in elkaar: eerst werd kant één gespeeld, daarna enkele nieuwere nummers om te eindigen met kant twee. De start was veelbelovend met “To Ohio” maar dat is dan ook het beste nummer van de plaat. Wat volgde , bleef mooi maar ik had voortdurend het gevoel dat het iets meer mocht zijn.
Er was wel een verzachtende omstandigheid: bassist en medeoprichter, Jeff Prystowsky, was er niet bij. Dus moesten we verder met Ben Knox Miller (zang, gitaar), Florence Wallis (violin) en Bryan Minto (mondharmonica) terwijl Miller en Wallis ook al eens achter het orgel plaats namen. Toch nog volk genoeg om er iets heel moois van te maken maar de drie wilden het iets té verstild doen en dat dat ook nog eens moest gebeuren in het halfduister  was ook geen echte hulp. Niet dat hun eigengereide mix van ouderwetse folk, breekbare country, seculiere gospel en lo-fi pop plots aan klasse had ingeboet, het bezorgde me alleen niet de euforie waarop ik gehoopt had. Zo was een nummer als “Music Box” (niet meer dan wat de titel laat vermoeden: wat gefoefel met een muziekdoosje) zeker leuk maar of dit nu bijdroeg tot het meesterwerk dat we verondersteld waren te horen? T
oen  virtuoos Bryan Minto met veel misbaar een andere mondharmonica uit zijn indrukwekkende verzameling griste , dacht ik even ‘nu gaat het gebeuren’ maar ook dat nieuwe exemplaar diende enkel om wat, weliswaar subtiele, accenten te boetseren. Het bleef wel altijd geraffineerd en vooral ook stil. Zo konden de piepende pedalen van het orgel zelfs als wat storend worden ervaren. Toen de laatste noten uitstierven , floepten de lichten meteen aan net zoals de pickupnaald na de laatste groeven omhoog wipt.

Het was alsof we een mooie plaat gehoord hadden maar daarmee was mijn honger toch niet gestild.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

woensdag 04 december 2019 13:12

De Lorians - Pataphysical music

De Lorians - Pataphysical music
Turpentine Valley + De Lorians
Pit’s
Kortrijk

Verrassend hoge opkomst op een maandagavond maar daar zal de komst van de eerste band, Turpentine Valley uit Zulte, wel voor iets tussen gezeten hebben. Het drietal kwam hun gloednieuwe debuutlelpee, ‘Etch’ (uit op Dunk!Records), voorstellen. Volledig instrumentale post-metal: hoge verwachtingen had ik niet maar dit klonk verrassend toegankelijk en was zeker niet zwaar op de maag liggend, iets waar zoveel groepen in deze sector aan lijden. Gitaar, bas en drums zorgden voor die typische ‘post’ sound maar de bijwijlen erg melodieuze gitaar van Kristof Balduyk wist toch het nodige verschil te maken. Niet altijd even geïnspireerd maar ik liet me toch gewillig mee glijden in deze onstuitbare maalstroom van Turpentine Valley.

De Lorians uit Tokyo was niet meteen een groep die je in de Pit’s verwacht. De vijf maken naar eigen zeggen ‘pataphysical music’. Ik geloof ze graag want patafysica is een absurdistische parodie op de moderne wetenschap terwijl die term ook door Soft Machine gebruikt werd op hun tweede plaat. En die groep was ongetwijfeld een bron van inspiratie voor deze Japanners. We hoorden een (ook al volledig instrumentale) mix van jazz-fusion en progrock waarbij ik moest denken aan Magma, Mahavishnu Orchestra en vooral Frank Zappa. De invloeden van die laatste waren dermate groot dat we bij het nummer “A ship of mental-health” eigenlijk van plagiaat (“Lumpy gravy”) mogen spreken. Ook het ‘dirigeren’ van de band door gitarist Soya Nogami was volledig afgekeken van de oppersnor. Mij niet gelaten want dit was een verrekt leuke set gebracht door vijf jonge uitmuntende muzikanten (gitaar, bas, drums, toetsen en sax) die elk voldoende ruimte kregen om hun kunnen te etaleren en dat zonder terug te vallen op ellendige solo’s.
Voor hetzelfde geld was dit een pot onverteerbare herrie maar de jongens van De Lorians wisten alles perfect te doseren en saxofonist en bandleider Takefumi Ishida smokkelde er, onder andere via Pikachu, de nodige gekte in.
Niet alle overgangen verliepen even vloeiend en enige communicatie met het publiek had best gemogen maar dat neemt niet weg dat ik De Lorians zeker nog eens terug wil zien.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Opwarmer van dienst was Whorses, een viermanscollectief uit Kortrijk aangevoerd door de enthousiasmerende Harry Descamps, zoon van Dick (Ugly Papas, Id!ots,...) en zelf ook gekend van The Lumbers en Gèsman. Whorses viel moeilijk te situeren: noiserock, dat zeker, maar voorts hoorde ik ook krautrock, sludge en zelfs dreampop invloeden. Niet alle keuzes waren even gelukkig maar dankzij die gedurfde variatie bleef het ten minste boeien tot het einde met als constante de immer splijtende gitaren. Harry Descamps bleek een bijzonder gedreven frontman, geboren om op een podium te staan. De passie voor zijn muziek straalde van hem af al bleef het moeilijk om voor een ‘leeg gat’ te spelen. De opkomst was niet bijster groot en de aanwezigen hadden zich dan nog zo ver mogelijk teruggetrokken. Nochtans waren de reacties behoorlijk uitbundig maar de schroom om wat dichter bij het podium te komen was weer onoverkomelijk. Nadat enkele pogingen om het volk dichter te lokken mislukten sprong Descamps dan maar zelf van het podium, met wat feedback als gevolg, om zo de afstand wat te overbruggen. Dat getuigde van een juiste instelling en de nodige dosis lef die de set nog een extra impuls gaf. Whorses, een naam om te onthouden.

The Cutthroat Brothers, met als uitvalsbasis Tacoma, Washington (stad waar ook The Sonics vandaan komen), worden wel eens de Sweeney Todds van de punk genoemd. Nu is Sweeney Todd mij eigenlijk niet bekend maar wat opzoekingswerk leerde me dat Todd ‘the demon barber of Fleet Street’ is, een filmpersonage gecreëerd door Tim Burton. Dat terwijl onze broertjes in het echte leven beiden kapper zijn die ook al eens roekeloos durven omgaan met het scheermes als ik zo hun, met bloed bespatte, shirts bekijk.
The Cutthroat Brothers traden aan in de meest elementaire opstelling: gitaar en drums. Ik hou er zeker van hoewel het zijn beperkingen kent. Jason Cutthroat, die er met zijn priemende ogen veel gevaarlijker uitzag dan hij klonk, ging echter nog een stapje verder door enkel slide gitaar te spelen. Dat terwijl zijn dreinerige stem ook al niet bijster expressief was waardoor ik in het begin wat om mijn honger bleef zitten. Dit klonk me toch wat te mager maar gaandeweg wisten de twee, die ons voortdurend bedankten of uitnodigden om samen bier te drinken, mijn hart toch voor zich te winnen. Daar zorgde in de eerste plaats Donny Paycheck voor, een bijzonder explosieve drummer die niet voor niets vele jaren de vellen roerde bij Zeke, de punkrockband uit Seattle waarmee hij maar liefst elf albums opnam. Verder raakte ik ook steeds meer geïntrigeerd door hun muziek: een mix van no nonsense rock-‘n-roll en uitgebeende glamrock met af en toe een scheut grunge.
Zelfs de stem bleef niet langer een obstakel vormen. In enkele trage nummers klonk Jason zelfs als een aan lager wal geraakte Elvis en daar kon ik alleen maar blij van worden. De Brothers kwamen steeds beter op dreef (daar kon zelfs een stroompanne waarbij de lichten uitvielen niets aan veranderen) en ze hadden er zo te zien tijdens dit laatste optreden van hun tour ongelofelijk veel zin in. Dat werkte natuurlijk erg aanstekelijk maar ook de nummers zelf leken steeds beter te worden. Zo had “Candy Cane” wel een hit uit een ver verleden kunnen zijn. Helemaal op het einde lieten ze die korte, strakke songs voor wat ze waren om wat te experimenteren door The Gun Club aan Bo Diddley te koppelen. Uiteindelijk werden we finaal gevloerd door een moordende versie van “I wanna be your dog” (The Stooges) waarin de gitaar van Jason Cutthroat dan toch plots gruizig kon klinken, wat eigenlijk al veel eerder had gemogen.

Een prijs voor originaliteit zullen ze nooit winnen en de groep die de tegenwoordig zieltogende garagerock weer op de kaart zal zetten zijn ze ook al niet maar voor een avondje pretentieloze rock-n-roll waarbij het met een pintje in de knuist goed shaken was waren we bij deze kappers wel aan het juiste adres.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

vrijdag 15 november 2019 23:04

Guitar Wolf - Dementerende rock-‘n-roll

Guitar Wolf zag in ‘87 het levenslicht in Tokyo maar het was pas in de jaren ‘90 dat de wereld, dankzij een zetje in de rug van Eric Oblivian, met hen kennismaakte. Sindsdien bleef de groep onverminderd touren en platen maken (zo’n 17) en werd zo één van de zeldzame overlevers van de garagerock-revival van toen.
Elke zichzelf respecterende rock-‘n-roll liefhebber zou ze minstens één keer gezien moeten hebben! En hoewel hun interessantste platen, ‘Missile me!’ uit ‘95 en ‘Jet Generation’ uit ‘99, thuis op het schap staan , slaagde ik erin om ze telkens te missen.
Ook dit keer had ik minstens drie redenen om verstek te laten gaan maar besloot uiteindelijk toch dat alles moest wijken en ik heb het me geen seconde beklaagd. Extra argument om door te zetten was de plaats van het gebeuren. Magasin 4 had een dag later ook gekund maar de l’Imposture in Lille, een café niet groter dan de Pit’s, leek me ideaal, temeer daar Guitar Wolf er vorig jaar ook al mocht opdraven. Altijd een goed teken als een groep mag terugkomen!
Net vooraleer de groep verscheen ging Malik, de sympathieke baas van het pand, even voor het podium postvatten om ook de laatste twijfelaars naar voren te wenken. Nadat bassist Gotz en drummer Toru hun instrumenten even gewelddadig beproefd hadden, alsof ze leken te solliciteren bij een jazzrockband, kapten de drie theatraal een volle pint binnen waarna het feestje definitief kon losbarsten.
Guitar Wolf bracht een smeuige mix van dementerende rock-‘-roll, garagerock, noise en seventies punk waarin ik echo’s van zowel The Ramones, Link Wray als de Oblivians hoorde. Zelf noemen ze het ‘jet rock-‘n-roll’ waarbij jet niet staat voor Joan Jett, zoals sommigen beweren, maar voor het harde geluid van een ‘jet plane’. Wat dat harde betreft viel het beslist mee. Luid was het zeker , maar niet té.
Japanners hebben al eens de neiging om te overdrijven maar hier bleek alles (volume, distortion, chaos,..) perfect gedoseerd. Bij een naam als Guitar Wolf zou je misschien exuberante gitaarpartijen verwachten, niets daarvan. Integendeel, de techniek van Seiji was zelfs eerder beperkt maar bij dit soort herrie is dat eerder een zegen dan een handicap.
De set zat clever in elkaar met af en toe een cover (“Gimme some lovin’” (Spencer Davis Group), “Summertime blues” (Eddie Cochran/ Blue Cheer)) om de ambiance kolkend te houden. Halverwege ging de bassist zelfs wat crowdsurfen waarbij hij even aan de airco (?) ging hangen en een daaraan gemonteerde beamer net niet naar beneden stuikte. Alle drie volledig in het zwarte leer en met zonnebril leken ze afstandelijk maar ook dat was slechts schijn. Seiji zocht geregeld contact met het publiek , alleen zorgde zijn zwaar geaccentueerde Engels voor een erg moeizame communicatie. De setlist mee grissen was trouwens zinloos of je moest de Japanse taal machtig zijn.
Na een gebalde set waarin ze ongetwijfeld iedereen over de streep trokken , kwamen ze nog eens terug voor drie bisnummers om er met “I saw her standing there” van The Beatles er een punt achter te zetten. Schitterend optreden en zo kocht ik warempel na precies twintig jaar nog eens een Guitar Wolf plaat: ‘Love & Jett’, uit op Third Man Records.

Organisatie: Imposture, Lille

Mijn verwachtingen hiervoor waren niet al te hoog gespannen en dat kwam niet eens omdat Miles de zoon is van Rick, frontman van het door mij nog altijd onbegrepen Cheap Trick, maar eerder omdat ik voorheen nog nooit iets van deze band uit Rockford, Illinois gehoord had. Nochtans brachten ze reeds drie platen uit op Rotown Records (niet te verwarren met de gelijknamige platenzaak of concertzaal uit Rotterdam). Maar dat is, op zijn zachtst gezegd, een nogal obscuur label (buiten die 3 platen vond ik er niets anders) dat bovendien enige tijd geleden over de kop ging zodat Nielsen zijn laatste lp, ‘Ohbahoy’, dan maar in eigen beheer uitbracht.
Muziek waar niemand op zit te wachten? Bij het eerste nummer viel dat alvast best mee: een lap zalige countrysoul zoals ik die in tijden niet meer gehoord had. Miles Nielsen, zelf op elektrische en een paar keer op akoestische gitaar, had met The Rusted Hearts een uitstekende band meegebracht waarin Adam Plamann (toetsen, baritonsax en klarinet (!)) voor de verfrissende noot zorgde. Een stevige, roots georiënteerde sound, meer dan behoorlijke songs en de uitstekende zang deed me meermaals aan Hollis Brown, die hier een vijftal jaar geleden een memorabele set speelde, denken. Zelfs in het erg trage “Ghosts”, een nummer waar ene Pablo Escobar voor de inspiratie zorgde, bleef de band moeiteloos overeind. Intussen had Nielsen zich tot een aangename praatvaar ontpopt maar dat keerde zich na een tijdje tegen hem. Hij bleef immers maar doorleuteren over zijn Oostendse tourmanager, blijkbaar een gekend figuur hier maar daar had ik hoegenaamd geen boodschap aan.
Ook muzikaal durfde het nu al eens wat minder te worden. Een paar nummers waarvan de samenzang sterk aan The Beatles (in hun mindere momenten dan, die ook zij zeker kenden) deed denken klonken wat melig en de laatste twee nummers, weliswaar met een paar mooie solo’s, waren veel te lang uitgesponnen, iets waaraan hij zich voordien nooit had bezondigd.

Conclusie: mits wat stevig snoeiwerk was dit een prima concertje geweest. Nu sleepte het zich na een uur en drie kwartier naar zijn einde.

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge 

Genoemd naar de iconische western van Walter Hill werden The Long Ryders in 1981 door Sid Griffin in Los Angeles opgericht, aanvankelijk nog met Steve Wynn maar die verliet al snel de groep om er zelf één te vormen, The Dream Syndicate. De levensloop van beide bands loopt verrassend parallel: een korte succesperiode in de jaren ‘80 om er al snel mee op te houden (The Long Ryders in 1987, The Dream Syndicate in 1989) om dan veel later met succes terug te keren (The Long Ryders in 2014, The Dream Syndicate in 2012).
The Long Ryders maakten deel uit van de zogenaamde Paisley Underground maar bleek al snel een buitenbeentje te zijn in die beweging. Hun eerste EP ‘10-5-60’ sloot nog aan bij die garageachtige gitaarsound maar daarna werd resoluut voor sterk door country geïnspireerde gitaarrock gekozen waardoor ze door sommigen zelfs als de uitvinders van de americana beschouwd worden. Wat teveel eer misschien, toch zullen groepen als Wilco, The Jayhawks of zelfs Slobberbone niet ontkennen dat ze schatplichtig zijn aan The Long Ryders.

Waar ze tijdens een vorige tournee België nog links lieten liggen wist De Zwerver ze dit keer wel te strikken en daar kunnen we alleen maar heel blij om zijn. The Long Ryders verschenen in een nagenoeg originele opstelling met de twee gitaristen Stephen McCarthy en Sid Griffin plus bassist Tom Stevens. Enkel drummer Greg Sowders was er wegens andere verplichtingen niet bij maar werd uitstekend vervangen door Simon Hancock.
De groep opende stevig met meteen één van hun beste songs: het behoorlijk rockende “Gunslinger man”. Daarna volgde een vrij evenwichtige keuze uit hun vier reguliere studioplaten met net iets meer aandacht voor hun dit jaar verschenen ‘Psychedelic country soul’, die zowaar in de Record One-studio van Dr. Dré werd opgenomen. Die nieuwe nummers zoals “Greenville”, “Molly somebody” of “What the eagle sees” moesten trouwens absoluut niet onderdoen voor het oudere werk. Alleen de Tom Petty cover, “Walls”, vond ik iets minder al zal dat wellicht komen omdat ik nooit een groot fan van de heer Petty geweest ben.
De vier beleefden duidelijk de tijd van hun leven en hoewel een erg spraakzame Sid Griffin zich duidelijk als frontman opwierp was het aandeel van gitarist Stephen McCarthy en bassist Tom Stevens, die één keer zijn bas mocht ruilen voor een gitaar, minstens even groot. Drie volwaardige zangers en een drummer die naarstig meezong maar dan wel zonder micro. Tijdloze muziek die toch wel refereerde naar de hoogtijdagen van de countryrock en dan denk ik niet aan The Eagles maar aan de ware diamanten als The Flying Burrito Brothers, Gram Parsons of Gene Clark. Het was niet zonder trots dat Griffin kon vermelden dat die laatste ooit meezong op hun “Ivory tower”.
Niet alle nummers hadden de tand des tijds even goed doorstaan, toch zakte de groep nooit weg. Integendeel, ik vond ze meermaals veel beter klinken dan op plaat terwijl het slotakkoord die mindere momenten, als die er eigenlijk al geweest waren, helemaal deed vergeten. Eerst nog “Capturing the flag” waarin Griffin zijn Rickenbacker liet rinkelen zoals Roger McGuinn van The Byrds dat zo goed kon om ten slotte te eindigen met die song waar iedereen op zat te wachten: “Looking for Lewis and Clark”.

Pretentieloos maar knap concertje!

Organisatie: VZW De Zwerver - Leffingeleuren, Leffinge

Vooraleer het weerzien zich, na maar liefst vijftien jaar, kon voltrekken werden we nog eerst twee Parijse bands door de strot geramd. Vergeef me de wat oneerbiedige uitdrukking. Ik heb er trouwens alle begrip voor dat men beginnende groepen een kans geeft , maar ik had toch het gevoel dat er genoeg Franse groepen zijn die wat nauwer zouden aansluiten bij dit hoofdprogramma.

In de keuze voor Jack’s On Fire kon ik me nog enigszins vinden. Het viertal rond Vincent Lion en Claudia Singer hinkte wat op twee gedachten. Zanger-gitarist Lion deed hard zijn best om zo Brits mogelijk te klinken en wordt daarbij wel eens vergeleken met Arctic Monkeys maar daar had ik geen boodschap aan. Geef mij maar het zangeresje dat beschikte over een stel wonderlijke stembanden waarmee zij het eerder in de noiserock zocht. Wanneer ze het op een gillen zette , liet ze zelfs een Nele Janssen van Peuk wat verbleken.
Midden in de set hoorde ik onverwacht een vonken slaande versie van “Cherry Bomb”, dat het origineel van The Runaways ruimschoots overtrof en waardoor ik me al opmaakte voor een definitieve kentering. Helaas bleek het nummer dat erop volgde eerder op een afleggertje van The Strokes.

Met Parlor Snakes verscheen er een goed geoliede band op het podium met een onwrikbare sound waar geen millimeter van werd afgeweken en die verdomd goed wist waar ze naartoe wilde, helaas was dat niet mijn favoriete bestemming. Dit leek een kruising tussen glam en powerrock die voor weinig verrassingen zorgde , maar met Eugénie Alquezar hadden ze wel een geweldige frontvrouw in huis. Niet dat ze zo goed kon zingen of een virtuoos was op haar instrument (haar orgeltje deed trouwens meestal dienst als decoratie). Maar aan charisma had ze geen gebrek terwijl ik nooit eerder een zangeres zo gracieus zag dansen als zij en dat op torenhoge stiletto’s. En zo zorgde deze wonderlijke verschijning ervoor dat ik niet vroegtijdig de bar opzocht.

The Detroit Cobras, wie kent ze nog? Tussen 1998 en 2006 maakte deze groep rond zangeres Rachel Nagy en gitariste Mary Ramirez (de lijst met de overige groepsleden is schier eindeloos) vier LP’s en één EP vol obscure covers. Nagy en Ramirez wilden graag een band beginnen maar waren te lui om zelf nummers te schrijven. “Waarom zou je zelf een slechte song maken terwijl er al zoveel goede zijn” en dus keerden ze hun platenkast om.
Na acht jaar bleek die bron uitgeput en verdwenen de Cobras in de anonimiteit. Dus was het maar de vraag wat ze er na al die jaren nog van zouden bakken. Nieuw werk buiten een single op Jack White’s ‘Third Man Records’ is er niet.
Vergeleken met het elegante mirakel van daarnet oogde Rachel Nagy eerder een slons, maar dan wel een heel sympathieke en met tonnen meer (zang)talent. Nagy leek er al eentje op te hebben en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Bij momenten hield ze zich nauwelijks staande, evenwichtsproblemen of straalbezopen? Gelukkig zette dat in ieder geval geen rem op het vocale werk want dat was nog steeds bijzonder indrukwekkend.
“Wie durft er Adele nog een goeie zangeres noemen nadat hij Rachel Nagy gehoord heeft” las ik ergens en daar kan ik me volledig bij aansluiten. Haar uiterlijk was misschien niet zo gracieus meer, haar stem dus te meer. Met een indrukwekkende souplesse reeg ze nonchalant maar altijd soulvol de rock-‘n-roll, rhythm-‘n-blues en soulparels aaneen. Naast haar het eeuwig goedlachse opdondertje, Mary Ramirez, die voortdurend bleef rondhossen. Het valt misschien niet meteen op maar ze is een verrekt goeie gitariste met een perfecte timing.
De rest van de groep (tweede gitaar, bas en drums) zorgde voor de vette en erg aanstekelijke garagesound. Wat was het een feest om al die oude vergeten juweeltjes, niet zelden deels door het publiek meegezongen, terug te horen. “Putty (in your hands)”( The Shirelles, ook gekend van The Yardbirds) , “Cha cha twist” (Connie Francis), de Oblivians klassieker “Bad man” (hier “Bad girl” uiteraard), “Weak spot” (Ruby Johnson) of “Leave my kitten alone” (Little Willie John) voorzien van een heerlijk “Meow”: het waren voortdurend aanslagen op de heupen.
Bij “Ya ya ya (Lookin’ for my baby)” (The Nightriders) beleefde een dame uit het publiek de tijd van haar leven toen ze mocht komen meezingen op het podium. Deze uitbundige nostalgische trip eindigde met het wat forsere “I wanna holler” (Gary U.S. Bonds) waarbij de groepsleden één voor één het podium verlieten met als laatste de drummer.
Er konden nog twee bissen af waarbij Rachel Nagy, vers drankje in de hand, haar hooggehielde laarzen had uitgetrokken en in bontgekleurde sokken verscheen. Teneinde het evenwicht wat beter te kunnen bewaren waarschijnlijk.

Organisatie: 4écluses, Dunkerque

Pagina 1 van 15
FaLang translation system by Faboba