Raut Oak Fest 2026 - Festival met het mooiste podiumdecor
Raut Oak Fest 2026
2026-07-10 t-m 2026-07-12
Riegsee (Beieren)
… Als we de divorce-party van organisator Christian, waarop ook een band optrad en waarmee alles begon, buiten beschouwing laten, was dit de elfde editie van Raut Oak Fest. Meteen ook de tiende keer dat James Leg afzakte naar het Beierse Riegsee, dat deel uitmaakt van de Landkreis Garmisch-Partenkirchen, vooral bekend van het schansspringen op nieuwjaarsdag. De Duitse organisatoren wisten James Leg immers te strikken op het Deep Blues Festival in Clarksdale (Mississippi) met de belofte dat hij voortaan op elke editie van hun festival welkom zou zijn. Die belofte werd nagekomen en mocht uiteraard gevierd worden. Maar daarover later meer.
Raut Oak Fest is een DIY-festival zonder sponsors die de beste undergroundbands uit de blues, garagerock, psychedelica en aanverwante genres naar zijn feeërieke locatie weet te lokken. Een podium met de monumentale Alpen als decor: daar raak je nooit op uitgekeken. Het weer bleek geen spelbreker: de gevreesde hitte bleef grotendeels uit. En als het dan toch te warm werd kon men steeds verkoeling zoeken onder de imposante eik in het midden van de festivalweide.
vrijdag 10 juli 2026
Gewalt, een trio uit Berlijn, mocht de spits afbijten. Zanger-gitarist Patrick Wagner vertelde dat hij zichzelf ooit beloofd had nooit bij daglicht te spelen maar dat hij voor Raut Oak met plezier - en inmiddels al voor de tweede keer - een uitzondering maakte. Of zijn electro noise-rock in het duister echt beter tot zijn recht zou komen, valt nog maar te bezien. Het visuele plaatje - Wagner geflankeerd door twee bevallige dames op gitaar en bas - mocht er zeker zijn, maar de muziek werd te vaak gebruuskeerd door 'industrial' geweld om me uit de schaduw van de eik te lokken, terwijl de drumcomputer het afstandelijk gevoel alleen maar versterkte.
Karkara, een trio uit Toulouse, wist me een stuk meer te bekoren. Karkara mag dan in het Tunesisch voor punks of slackers staan, muzikaal leek het trio zich toch in een andere wereld te bevinden. Zanger Karim Rihani, gehuld in een Daniel Johnston-t-shirt, liet tijdens de instrumentale opener meteen horen dat hij een begenadigd gitarist is. Dit was werkelijk begeesterende psychedelica. Van zodra de zang erbij kwam boog het geluid langzaam richting stoner. En dat bleek niet altijd een even gelukkige keuze. Maar de drive bleef onverminderd aanwezig, terwijl de sporadische Moog-interventies van Hugo Olive best wel smaakvol waren. Jammer dat de nummers wat te lang werden uitgesponnen - typisch stoner, zeker? - maar tijdens de subtielere passages was Karkara zeker meer dan genietbaar.
pôt-pot, zonder hoofdletter geschreven, is een Iers-Portugees quintet dat zich gretig wentelt in de psychedelica. Het leek een onwaarschijnlijke combinatie maar het werkte wonderwel. En er waren nog meer onwaarschijnlijkheden. Zo bespeelde Elaine Malone het harmonium, een instrument dat me nogal onhandig lijkt en waarvan de klank al snel zou kunnen gaan vervelen. Zo niet hier: het nestelde zich gracieus in de stuwende krautrockgrooves. Instrumentaal was deze hypnotiserende psychedelica werkelijk weergaloos, maar helaas wist de zang dat niveau nooit te evenaren. Vooral toen drummer Mark Waldron-Hyden zijn lyrics afstandelijk begon te declameren, verdween de magie. Toch bleef dit een mooie set en kan ik hun debuut "Warsaw 480km", gemasterd door de alomtegenwoordige Mickey Young, aanbevelen.
Aanvankelijk stond Sjock 50 op de planning en was ik absoluut niet van plan om naar Riegsee af te zakken. Tot ik plots Daughter of the Vine in de line-up van Raut Oak zag opduiken. Die naam alleen volstond om me te doen besluiten de trip van 950 km naar Riegsee te maken. Veel keuze had ik trouwens niet: dit was hun enige optreden in Europa. Heel wat wenkbrauwengefrons opgemerkt toen ik dit aan vrienden probeerde uit te leggen. Ook op het festival zelf leek niemand deze band uit Cambridge, Massachusetts te kennen, behalve Christian van Raut Oak, die hen speciaal voor de gelegenheid liet overvliegen. Toch prijkte hun debuut "Mystic Valley PKWY" helemaal bovenaan mijn eindejaarslijstje van 2024. Daughter of the Vine is de nieuwe band van Margaret Garrett, frontvrouw van het onsterfelijke Mr. Airplane Man. De overige groepsleden zijn zanger-gitarist Gregory Porter (The Concerns), bassist Chris Lohring en drummer Kurt Davis (The Konks en in een ver verleden ooit zanger bij Bullet LaVolta).
Met die nieuwe groep kiest Margaret resoluut voor de psychedelica, maar voor wie haar soloalbum "Live at the Charles River Museum of Industry" heeft gehoord komt die keuze allerminst uit de lucht komt vallen.
Daughter of the Vine begon meteen met een van hun beste nummers: "Camera", afkomstig van de EP "Sonic Projection", die helaas alleen digitaal verkrijgbaar is. De bedwelmende gitaren en zoemende bas creëerden een hypnotiserende groove die me naar een transcendente wereld voerde. De angelieke zang van Margaret versterkte dat gevoel alleen maar. Soms wat zweverig maar met net genoeg ballen om mijn rock-'n-rollhart niet te schofferen. Niets dan hoogtepunten, maar toch wil ik er twee uitlichten. "Cosmic eye" met heerlijk repetitieve gitaren die een paar keer loos mochten gaan, en "Meant to be high", dat eindigde in een uitbundig gezongen "Glory, glory (Lay My Burden Down)". Plots werd ik echter bruusk uit mijn trance gewekt toen de stroom uitviel. Kurt Davis bleef nog minutenlang doordrummen, terwijl Margaret van de gelegenheid gebruik maakte om wat te mediteren.
Na een vrij lange stroompanne kon de band uiteindelijk toch nog afsluiten met het stevige "Object/Actor". Hoewel ik hier mateloos van genoten had, bleef ik toch met het gevoel zitten dat dit beter tot zijn recht zou komen in de intimiteit van een kleine club.
Dat we met Daughter Of The Vine het beste van Raut Oak '26 hadden gezien leek toen al buiten elke discussie te staan. Maar die mening moest ik meteen herzien, want The Schizophonics speelden alle concurrentie op een hoopje. Wat een explosie van energie! Het trio uit San Diego kwam zo mogelijk nog wilder voor de dag dan een week eerder in de 4AD. In een wervelende set, die heel toepasselijk begon met Rufus Thomas' "Tiger Man", werden meteen alle remmen losgegooid. De onwaarschijnlijke capriolen van frontman Pat Beers trokken het publiek als een magneet naar voren, waarna hij zich roekeloos in de menigte wierp en eigenhandig een moshpit ontketende. De voortdurend buitelende en onvermoeibaar in de spagaat duikende Beers leek de ultieme belichaming van rock-'n-roll. Achter hem hadden drumster Lety Beers en bassiste Sarah Linton duidelijk de tijd van hun leven terwijl ze de motor van de onstuitbare drive vormden. De ongebruikelijke mix van authentieke rock-'n-roll en vuige Detroit-protopunk, gekruid met een vleugje Jimi Hendrix en wat soulinvloeden, was simpelweg onweerstaanbaar. Achteraf bleek Pat Beers de minzaamheid zelve. Breed lachend poseerde hij geduldig met zowat iedereen voor een selfie.
Pretty Lightning, een duo uit het Duitse Saarbrücken wist me in 2020 aangenaam te verrassen met "Jangle Bowls", een album waarop broeierige zuiderse blues en psychedelische rock elkaar moeiteloos vinden. Intussen is er een derde man aan boord gehesen en is ook muzikaal het een en ander veranderd. De laatste plaat, "Night wobble", die ze hier kwamen voorstellen is volledig instrumentaal en heeft nog maar weinig gemeen met de plaat waarmee ik hen leerde kennen. De podiumopstelling, waarbij bassist en gitarist op een stoel vlak voor het drumstel tegenover elkaar zaten en elkaar in de ogen keken, zorgde voor een intieme sfeer. Ook muzikaal hielden ze het intiem maar hun stoffige mix van spaghettiwestern scores en trippy psychedelica zorgde voor net iets te weinig rimpelingen. Dit was niet het Pretty Lightning waar ik naar had uitgekeken.
zaterdag 11 juli 2026
De keuze voor The Jackson Pollock als bandnaam leek me toch iets te prestigieus. De manier waarop het duo uit Bologna muziek maakt vertoont misschien gelijkenissen met de werkwijze van de Amerikaanse kunstschilder, het eindresultaat allerminst. Veelbelovend aangekondigd als rauw en luid. Dat was het zeker, maar ook erg rudimentair en onbeholpen. Drumster Emily oogde niet alleen spectaculair, ze klonk ook zo. Haar zang daarentegen klonk schril en weinig toonvast. Dat hoefde op zich geen hinderpaal te zijn, gitarist Davide bleek dat helaas wel. Voortdurend met zijn rug naar het publiek gekeerd bleef hij zielloos op zijn gitaar rammen. Ik hou absoluut van primitieve muziek maar ook daar zijn grenzen aan.
Het was nog vroeg op de middag, maar met The Reverend Beat-Man & Milan Slick uit het Zwitserse Bern kende Raut Oak op zaterdag al een eerste hoogtepunt. De koning van de bluestrash, die al sinds 1986 de podia teistert, heeft in Milan Slick een jonge zielsverwant gevonden. Het bleek een gouden combinatie en ik meen zelfs dat ik The Beat-Man nooit eerder zo sterk bezig zag. Net als de Reverend zelf combineerde Milan Slick drums met gitaar, die hij te gepasten tijde inruilde voor een orgel. Milan, die met zijn gitaar uitgebreid tussen het publiek zwierf, tilde met zijn interventies de primitieve blues naar een hoger plan. De Reverend brulde zijn als vanouds provocerende lyrics met een bijzonder rauwe strot, waarmee hij een enkele keer zelfs in de buurt van de Tuvaanse keelzang kwam. Daarbij mocht een sneer naar de AfD niet ontbreken. Hoewel hij even van zijn stoeltje donderde bewees Reverend Beat-Man dankzij Milan Slick een nieuwe adem te hebben gevonden.
Hoewel ik hun net verschenen nieuwe plaat "Van Jams Vol.1" wat vind tegenvallen, heb ik met volle teugen genoten van The Hooten Hallers. Het trio uit Columbia, Missouri maakte zich er gelukkig niet van af met een voorstelling van die nieuwe plaat, maar putte uit een mooie selectie van hun inmiddels zeven albums tellende repertoire. De set werd feestelijk geopend met "Life during wartime" van Talking Heads, een cover die ze zich moeiteloos eigen maakten. The Hooten Hallers toonden eigenlijk twee gezichten. Wanneer gitarist John Randall de zang voor zijn rekening nam, bevond de band zich op een vreemd kruispunt tussen glamrock en rootsrock. Terwijl de falset van drummer Andy Rehm de groep feilloos richting soul loodste, zoals bleek uit zijn schitterende cover van "The Rubberband Man" van The Spinners. Maar het geheime wapen van The Hooten Hallers blijft de baritonsaxofoon van Kellie Everett. Zij zorgt ervoor dat de groep net iets unieker klinkt dan het legioen aan rootsrock- en americanabands.
En dan werd het tijd voor een terugkerend fenomeen op Raut Oak: James Leg, organ grinder from Chattanooga, Tennessee! Dit was al de tiende keer dat hij er mocht optreden en dat mocht zeker niet onopgemerkt voorbijgaan. Maar eerst bracht hij nog een gewone set. Al is 'gewoon' bij James Leg natuurlijk een relatief begrip. De man schreeuwde naar goede gewoonte weer de ziel uit zijn lijf met een stem die ondanks die immense rasp steeds soulvoller lijkt te klinken. Daarbij haalde hij vingervlug uit op zijn overstuurde Fender Rhodes, terwijl pompende bastoetsen voor een onweerstaanbare groove zorgden. Het uitermate explosieve drumwerk van Marlon Saquet uit Straatsburg vormde de kers op de taart van dit begeesterende spektakel. Die onwaarschijnlijke mix van gospel, soul, blues en rock-'n-roll blijft zonder meer uniek, terwijl ook de stilaan vertrouwde covers, "A forest" (The Cure) en "Can't stop thinking about it" (The Dirtbombs), tot de verbeelding blijven spreken. Met de stralende zon intussen pal in het gezicht sloot James Leg een alweer beklijvende set af met de ultieme Black Diamond Heavies-song "Fever in my blood".
Mooi, al begin ik stilaan wel te snakken naar nieuw werk. Achteraf beloofde hij nogmaals werk te zullen maken van een nieuwe plaat. Ik ben benieuwd of er eindelijk eens iets van in huis zal komen.
Kosten noch moeite werden gespaard om de tiende passage van James Leg op Raut Oak de nodige glans te geven. Voor deze bijzondere gelegenheid werd een unieke set in elkaar gesleuteld, 'James Leg & Special Guests', met enkele gastartiesten die speciaal hiervoor naar Riegsee afreisden. Het oogde vooraf behoorlijk indrukwekkend, maar veel vertrouwen had ik er toch niet in. De ervaring leert me dat dit soort toestanden maar al te vaak verzanden in oeverloze, vervelende jams. Maar dat gebeurde hier nu eens niet: van de eerste tot de laatste seconde bleef het genieten geblazen. James Leg liet zich duidelijk geen tweede keer verrassen door de zon en verscheen dit keer gewapend met hoed en zonnebril op het podium.
De eerste gasten waren Catl., een duo uit Toronto bestaande uit Jamie Fleming (gitaar, zang) en Sarah Kirkpatrick (drums, zang). Zij brachten bijzonder energieke garageblues die, in combinatie met het bezielde pianospel van James Leg, me meermaals deed denken aan "Exile on Main St.", het onaantastbare meesterwerk van The Rolling Stones. De vergelijking lijkt misschien hoog gegrepen maar wat Catl. hier neerpootte, soms met wat extra steun van Andrew 'Bonneville' McGibbon (gitaar) en CW Ayon (mondharmonica), zorgde voortdurend voor gensters. Daarna mochten The Hooten Hallers, die eerder op de dag met hun eigen set al behoorlijk wat indruk hadden gemaakt, opdraven.
Het trio stelde zich volledig ten dienste van James Leg en blies daarbij twee lang niet meer gehoorde Black Diamond Heavies-nummers nieuw leven in. Onze jubilaris haalde vocaal nog eens alles uit de kast tijdens het stemmige "Bidin' my time" en het uitzinnige "Take a ride", oorspronkelijk van T-Model Ford.
Dat ook The Bonnevilles van de partij waren mag geen verrassing heten. Het duo uit Belfast steekt zijn bewondering voor James Leg immers niet onder stoelen of banken. Gitarist Andrew McGibbon en drummer Chris McMullan, beiden in een onberispelijk wit hemd, vlogen er zoals verwacht dolenthousiast in. Samen met een zichtbaar genietende James Leg en een zich bescheiden opstellende Pedro De Dios, gitarist van Guadalupe Plata, ramden ze zich door een reeks behoorlijk beukende nummers. The Bonnevilles brachten elektriserende garageblues met een hoog punkgehalte: het Noord-Ierse antwoord op Left Lane Cruiser als het ware. Deze uitputtingsslag eindigde uiteindelijk met iedereen samen op het podium, met uitzondering van een paar drummers die het veld moesten ruimen voor Marlon Saquet. Veel finesse hoefde je van zo'n bende niet te verwachten, maar het door James Leg gebrulde "Fire and Brimstone" (Link Wray) bleek een fraaie apotheose van deze feestelijke set.
Na dat intense geweld had ik even moeite om me op te laden voor de volgende band. Die band was Guadalupe Plata, een duo uit het Andalusische Úbedo met zes titelloze platen op het actief. Een gevestigde waarde bovendien, die hier al verschillende keren mocht aantreden. Zanger-gitarist Pedro De Dios en drummer Carlos Jimena gaven de blues een geheel eigen invulling. Rauw en onconventioneel, maar tegelijk ook ingetogen met wat psych- en surfinvloeden. Hierbij kregen ze soms de hulp van een tweede zanger, nauwelijks zichtbaar vanuit mijn positie, die met zijn bijdrage een vleugje flamenco toevoegde. Bekendste nummer was zonder twijfel de traditional "El cóndor pasa". Soms dreigde het wat te veel te gaan kabbelen maar gelukkig werd die grens nooit echt overschreden.
Intussen was het middernacht en weigerden mijn leden verder dienst, waardoor ik Katharr, een instrumentaal duo uit München, miste.
zondag 12 juli 2026
Zondagmiddag raakte ik verzeild in een diepgaand gesprek met de artiest voor wie ik naar Riegsee was gekomen, waardoor ik de eerste groep miste. Nochtans had ik Dead Wolf, een trio uit het Duitse Rosenheim, met dikke stift aangekruist. Helaas heb ik hun optreden enkel op de achtergrond gehoord. Hun muziek wordt omschreven als heavy garage blues maar ik hoorde toch vooral de rauwe, primitieve blues die in de jaren negentig op Fat Possum furore maakte. En laat dat nu net de blues zijn waar ik het meest op verlekkerd ben. Ik kan dan ook alleen maar hopen dat Dead Wolf ooit nog eens in mijn contreien optreedt
Er was op zondag met onder meer CW Ayon, die twee jaar geleden nog zijn kat stuurde, heel wat blues te beleven. CW Ayon, die voor de helft Cherokee-bloed door de aderen heeft stromen, komt uit Las Cruces, New Mexico. Hij leerde gitaar spelen van zijn vrouw, een geschoolde muzikante, en nadat hij wat had aangemodderd in verschillende bandjes, trekt hij als one-man-band de wereld rond. Zichzelf begeleidend op gitaar en drums bracht hij een ontwapenende vorm van blues die zo uit de Fat Possum-catalogus had kunnen komen. Mooi, maar na een tijdje loerde de eenvormigheid toch om de hoek. Gelukkig dook gitarist Ben Todd van Lonesome Shack plots op, wat die pijn enigszins verzachtte.
The Hobknobs Is het nieuwe bandje van Arie van Vliet, voormalig frontman bij het Rotterdamse Lewsberg, een groep die ik echt wel kon smaken. Dit keer probeert hij het als duo, samen met zangeres Yaël Dekker van The Klittens uit Amsterdam. Op Raut Oak kregen ze evenwel versterking van bassiste Katja Kahana, eveneens afkomstig van The Klittens. Van Vliet heeft het juk van The Velvet Underground, waarmee Lewsberg voortdurend werd vergeleken, van zich afgeworpen. Dit klonk beduidend lichter en balanceerde ergens tussen Young Marble Giants en The Moldy Peaches. De wat afstandelijke praatzang van van Vliet contrasteerde fel met de zonnigere keelgeluiden van Dekker, maar het werkte wonderwel. De muziek leek soms kinderlijk eenvoudig en dat gold evenzeer voor de manier waarop ze gebracht werd. Zo stond de percussie op afzonderlijke cassettes, die na elk nummer moesten worden verwisseld. Ondanks die minimalistische aanpak bezweek ik voor de wankele charme van The Hobknobs en ik was zeker niet de enige want de band werd tot tweemaal toe teruggeroepen.
De leden van Lonesome Shack komen uit alle windstreken van de VS: Californië, New York en Seattle, zo vertelde zanger-gitarist Ben Todd. Dat hij zelf tegenwoordig in Londen woont, vergat hij gemakshalve. Todd ontpopte zich als een meesterlijke fingerpicker terwijl drummer Kristian Garrard en bassist Luke Bergman met evenveel klasse hun rol vervulden. Lonesome Shack joeg eerst de volledige nieuwe plaat "The Dance" erdoor, vooraleer zich aan het oudere werk te wagen. Niet dat dat veel uitmaakte, want veel verschil tussen oud en nieuw was er niet. Ben Todd klonk nog steeds als een veredelde versie van Junior Kimbrough, en dat is zeker niet pejoratief bedoeld. Hij mist wat van de rauwheid van die oude bluesheld maar zijn vreemde verfijning kan evenzeer hypnotiserend werken. Toch vond ik het een schitterende set, al had wat meer variatie zeker geen kwaad gekund.
Het was het tweede jaar op rij dat The Dharma Chain, een Australisch kwartet dat Byron Bay achter zich liet voor Berlijn, op Raut Oak te gast was. Dat zal wellicht geen toeval zijn, want de band viel duidelijk in de smaak bij het publiek. Op Bandcamp wordt hun muziek omschreven als een mix van shoegaze, postpunk en garagerock. Ik hoorde vooral psychrock en neo-psychedelica met af en toe zelfs een vleugje jaren '70 spacerock. De omfloerste zang van Amanda McGrath riep herinneringen op aan Tess Parks terwijl de groots galmende gitaren zo van The Brian Jonestown Massacre hadden kunnen komen, een band waarmee Parks trouwens een band heeft.
Op hun sterkste momenten klonk The Dharma Chain ronduit meeslepend en betoverend. Helaas gooiden de industriële synths van Benjamin Rompotis soms roet in het eten waardoor het geheel onnodig bombastisch begon te klinken. Gelukkig bleef de schade beperkt en bleek The Dharma Chain een waardige afsluiter van een mooi en aantrekkelijk festival.
Ik ben nu al benieuwd wat organisator Christian volgend jaar weer uit zijn hoed zal toveren.
Organisatie: Raut Oak Fest