logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

woensdag 17 februari 2010 01:00

Zomers enthousiasme in deze koude winterdagen

Xavier Rudd heeft blijkbaar de wat donkere en mysterieuze inslag van zijn vorige plaat ‘Dark shades of blue’ (schitterende plaat trouwens) achter zich gelaten. Zijn volgende ‘Koonyum Sun’ (binnenkort in release) zal zo te horen een stuk vrolijker klinken, want in de AB was het vooral de happy factor die de hoogte in ging. Kon misschien ook geen kwaad in deze gure winterperiode, en dan nog op een dag waarop een twintigtal mensen het leven lieten bij de treinramp in Halle. Xavier Rudd droeg trouwens een song op aan de overledenen en hun nabestaanden, waarvoor alle aanwezigen hem dankbaar waren.

Maar verder wou Rudd vanavond duidelijk de opgewekte toer op en hij had daarvoor met zijn Zuidafrikaanse ritmesectie (de twee ervaren supermuzikanten Tio Molontoa op bass en Andile Nqubezelo op drums en percussie) de ideale band meegebracht. Zij hielden voortdurend de drive erin via opzwepende ritmes en gezwind tromgeroffel. Xavier Rudd liep over van de goesting en toonde een ‘joie de vivr’e die we ook van Manu Chao kennen, hij zette geregeld een indianendansje in waarbij hij de fans op het podium riep om gezellig met hem mee te swingen op de ophitsende jungleritmes.
Wij onthouden toch vooral zijn instrumentale klassestaaltjes op de slide gitaar, niet zelden in combinatie met de aboriginal geluiden die hij uit zijn didgeridoo toverde. Elders haalde hij dan weer een mondharmonica naar boven die hij op de snelle funky ritmes van zijn elektrische gitaar liet meedrijven. Een gedreven multi-instrumentalist dus, en ook wel een goeie zanger, laten we dat niet vergeten.

Zoals gezegd, vanavond lag de klemtoon geheel op fun en optimisme, wat zeer in de smaak viel bij het dolenthousiaste publiek. De nummers werden soms wel wat te lang uitgesponnen, maar niemand die daarover mekkerde, want de spelvreugde maakte alles goed.
De enige vorm van kritiek die wij dan ook willen uiten is dat we ergens toch wel een intiem moment misten, want van zijn platen weten we dat Xavier Rudd hele mooie breekbare liedjes kan schrijven die in de AB schitterden door hun afwezigheid. Maar verder hoort u ons niet morren, de wereld is al triestig genoeg in deze barre winterdagen.

Een zomerse festivalweide lijkt me bijgevolg de aangewezen plaats om dit staaltje nog eens over te doen. Hallo, Schuer.

Organisatie: Live Nation + AB, Brussel

donderdag 28 januari 2010 01:00

The chair in the doorway

Wat ooit een belangrijke band was in de alternatieve scène is nu een quasi vergeten groepje dat moeizaam probeert om terug aan het front te komen met een nieuw album. Helaas zitten daar, ondanks al het moois wat Living Colour in het verleden al gebracht heeft, weinigen op te wachten. Als we er dan bij vertellen dat het vuur, de power en de klasse van ‘Vivid’ (’88) en ‘Time’s up’ (’90) hier maar bij vlagen terug te vinden zijn, dan weet u al hoe laat het is. De levende kleuren zijn wat verbleekt op ‘The chair in the doorway’ en de inspiratie van weleer is voor een groot stuk weggeëbd. Hier en daar komt Living Colour nog wel eens venijnig uit de hoek, maar die momenten zijn te schaars. “Bless those” is zo een kloeke song die volledig onze goedkeuring wegdraagt, ook “Decadence” is een verbeten rocker, maar naar betere songs is het verder toch wel zoeken. Verdienstelijke pogingen als opener “Burned bridges” en het felle “Out of my mind” komen ook nog ergens in de buurt van een geslaagde song, maar dan is het vet van de soep. Alhoewel, met de hidden track “Asshole” mogen ze op het eind toch nog even schitteren : fijne riff, Glover en Reid goed op dreef, lekker rollend nummertje.
De mooie soulvolle stem van Corey Glover is wel immer present en ook het virtuoze gitaarwerk van Vernon Reid komt geregeld de kop opsteken, doch te weinig naar onze goesting. Die dingen zijn ze dus niet verleerd, maar er staan niet echt onvergetelijke dingen op ‘The chair in the doorway’. Wat we horen klinkt allemaal wel onderhoudend en soms wel stevig, maar niets blijft echt hangen, en dat is de zwakte van deze nieuwe plaat. Beetje jammer toch, want ze kunnen het nog, dit hebben we in den lijve ondervonden in de Vk* (eind 2009) en vooral bij hun onvergetelijke vlammend concertje in de Botanique in 2008.

donderdag 28 januari 2010 01:00

Beak

Portishead producer en multi instrumentalist Geoff Barrow heeft onder de naam BEAK> een raar, donker, minimalistisch en tamelijk onheilspellend plaatje gemaakt die niks te maken heeft met hetgeen hij doorgaans met zijn reguliere band doet. We merken raakpunten met duistere eighties wave, Suicide, krautrock, een beetje dub en een lap Mogwai. Zelfs de donderwolken van Sunn O))) komen ons voor de verdoemde geest.
De plaat is quasi volledig instrumentaal en zit vol met stoorzenders, laaggestemde gitaren en depressieve synthesizers. Heel zelden hoor je op de achtergrond wat verdwaalde vocals die ook al helemaal niet de bedoeling hebben om het boeltje op te vrolijken. Een grimmig en onderkoeld sfeertje wordt hier verwekt maar de plaat werkt wel verslavend en is nogal bedwelmend voor de geest.
Interessant werkstukje, doch iets voor geoefende oren. Om de donkere winterdagen nog net iets meer te verduisteren.

Voor een heerlijke pot onvervalste seventies hard-rock moest je vanavond in Het Koninklijk Circus zijn, een leuke zaal trouwens waarmee Wolfmother frontman en showbeest eerste klas Andrew Stockdale volledig in zijn nopjes was.
We vonden het al doodjammer toen wij zo ongeveer anderhalf jaar geleden vernamen dat Wolfmother er mee zou ophouden. Wij waren des te meer opgewekt toen er nieuwe berichten de ronde deden dat Stockdale gewoon een volledig nieuwe band had samengeraapt en onder de naam Wolfmother verder zou rocken.

Hier vanavond bleek dat de nieuwe jongens zowaar nog meer energie konden opwekken dan Stockdale’s voormalige kompanen. Vooral de bassist/keyboardspeler bleek een halve gek te zijn die zijn orgel zonder enig mededogen fel molesteerde. Bovendien was het afro kapsel van de man zowaar nog imposanter dan dat van Stockdale zelf wat diens rock’n’roll gehalte nog wat meer de hoogte injoeg. Een tweede gitarist hield zich iets meer gedeisd maar zorgde wel voor een sterke onderbouw van Stockdale’s wilde riffs en songs.
Wolfmother vloog er in met “Dimension”, de toon was gezet, het komend anderhalf uur zou het gaspedaal onophoudelijk ingedrukt blijven. Al vroeg in de set blies Stockdale er op fenomenale wijze twee van zijn prijsbeesten door, de geweldige kopstoten “New moon rising” en “Woman” (zie het als Wolfmother’s eigenste “Whole lotta love”) strak na elkaar. Even naar adem happen, was dat, maar neen, geen tijd daarvoor, Wolfmother stoomde onvermoeibaar verder.
Led Zeppelin en Black Sabbath hingen natuurlijk weer gans de avond in de lucht, maar ook de brute power van The White Stripes heeft Wolfmother niet ongemoeid gelaten, het explosieve en mega fantastiche “Apple tree” hiervan als levend bewijs. En dan die stem ! enkel Matthew Bellamy van Muse (nog zo een multitalent) kan met dergelijke hoge vocalen overeind blijven, een ander voorbeeld kennen we niet.
De gloeiend hete songs van ‘Cosmic Egg’ als “California Queen” (Sabbath meets Queens of the stone age), “Phoenix” en “In the castle” barstten van de power en stonden mooi te blinken naast de vroegere mokerslagen als “Colossal” en “White unicorn”.
In de zinderende finale ging het dak er helemaal af met “Vagabond” en het helse “Joker & the thief”, de absolute explosie, hoogtepunt der hoogtepunten.
Amai, mijn oren, wat een geweldige avond.

Setlist : Dimension – Cosmic Egg – California Queen – New moon rising – Woman – White unicorn – Colossal – Apple tree – White feather – Phoenix – 10.000 feet – Pilgrim – Back round – In the castle – Vagabond (bis) – Joker & the thief (bis)

Organisatie: Live Nation

zaterdag 26 december 2009 01:00

Thriller

Tip: beuk eens een deur in met Part Chimp. Hun album ‘Thriller’ is daartoe de perfecte sloophamer. U breekt er meteen best het hele kot mee af, als u dan toch bezig bent, want dit beukt als een dolle bizon die op een dieet staat van adrenalinepillen, red bull, tabasco en speed.
Na ‘The chemistry of common life” van Fucked Up en ‘King of jeans’ van Pissed Jeans is dit al de derde uiterst bronstige en verpulverende plaat die we dit jaar door onze maag gesplitst krijgen. Heerlijke pokkeherrie om buren, schoonmoeders en vervelende huisdieren mee op stang te jagen.
Part Chimp grossiert in een soort stoner rock die, soms tergend traag en slepend als in “Dirty sun” en “Tomorrow midnite”, het bloed van onder je nagels haalt en die hard tegen alle muren inbeukt. Vanaf de overkokende opener “Trad” over het verwoestende “Sweet” (de song is in alle opzichten het tegengestelde van zijn titel) tot de verpletterende finale “Starpiss” moet alles er aan geloven wat ‘Thriller’ op zijn pad tegenkomt.
Tamelijk verpletterend plaatje, niet om aan te horen voor de ene, geniale gekte volgens een ander. Geweldig overdonderende heavy shit volgens ons. Een mokerslag.

zaterdag 26 december 2009 01:00

Them Crooked Vultures

Drie heren met een roemrijk rockverleden die samen een plaatje maken, dat doet algauw de term supergroep oplaaien. Vooral als het gaat om Josh Homme, John Paul Jones en Dave Grohl. Volgens ons is dit echter vooral Josh Homme’s album. Want, lets face it, de creatieve breinen in Led Zeppelin waren Page en Plant, en niet John Paul Jones. En in Dave Grohl herkennen we vooral een fenomenaal drummer en niet echt een begenadigd songschrijver (de echt goede songs van Foo Fighters kunnen wij op één hand tellen, en we hebben dan nog een vinger verloren bij ons laatste ontmoeting met de cirkelzaag).
Them Crooked Vultures is dus des te meer Homme’s project met een sound die je vooral in de buurt van zijn Queens Of The Stone Age moet gaan zoeken, inclusief vlijmscherpe riffs en potige (hard-) rocksongs zoals een kokend heet “New fang” of een stomend “Dead end friends”. Homme’s werk van de laatste maanden is ook nog vlotjes aanwezig, zo is “Elephants” een fantastisch gelaagde song waarin duidelijk nog wat overblijfselen van zijn avontuurtje met Arctic Monkeys te bespeuren zijn.
Het grote geschiedenisboek der rockgrootheden is eveneens niet dichtgelaten. De psychedelische inslag en het hoge stemmetje dat Homme er in opvoert doen het knappe “Scumbag blues” neigen naar Cream in hun beste periode. Het dichtst in de beurt van Led Zeppelin komt het trio bij “Reptiles”, maar voor de rest horen we weinig invloeden van bassist Jones’ voormalig bandje.
Bij “Bandoliers” zou je gaan zweren dat Homme in het spoor is gaan treden van zijn maatje Mark Lanegan ten tijde van diens Screaming Trees en de lome riff van “Warsaw of the first breath you take” grijpt terug naar het onvolprezen Kyuss, Homme’s formidabele eerste groep.
Homme heeft er dus wel duidelijk een gediversifieerd album van gemaakt, doch eentje naar zijn normen, een rockplaat pur sang met hier en daar een fijn zijstapje, net als bij QOTSA dus.
Met een andere drummer en bassist had alles volgens ons niet echt gek veel anders geklonken, wij hebben zo de indruk dat Dave Grohl en John Paul Jones immers niet zo erg hun stempel gedrukt hebben op dit plaatje. Maar dat ze dat live des te meer zullen doen, daar zijn we dan wel zeker van, want Grohl op drums is een werkelijke belevenis. We hebben hem al eerder fabuleus aan het werk gezien bij, jawel, Queens Of The Stone Age. Niet toevallig, zeker ? Helaas hebben we de man nooit zien uitfreaken bij het geweldige Nirvana, een trauma voor de rest van ons leven.
Them Crooked Vultures wordt dus ongetwijfeld een veel gevraagde band voor het komende festivalseizoen en met die ene plaat kunnen ze een duivelse pot rock’n’roll serveren.
Conclusie, Queens Of The Stone Age … euh sorry, Them Crooked Vultures hebben een ferme rockplaat gemaakt die zich op een podium ongetwijfeld nog veel vetter zal tonen.

donderdag 03 december 2009 01:00

I’m going away

The Fiery Furnaces hebben het deze keer wat eenvoudiger en iets rustiger aangepakt. Voorheen propten ze met graagte 56 ideeën in één song, hier beperkten ze zich meestal maar tot een drietal per stuk. ‘I’m going away’ klinkt dan ook een flink stuk minder nerveus dan zijn voorgangers. Een mens kan dit exemplaar makkelijk in één ruk uitzitten zonder dat ie van ’t kastje naar de muur geslingerd wordt om uiteindelijk compleet zotgedraaid of verdwaasd achter te blijven (de vorige ‘Widow city’ was om te zeggen zo een plaatje waar wij compleet hyper van werden, maar wel een kanjer van een schijf).
The Fiery Furnaces zijn na al die jaren ook al een serieus eind van de Velvet Underground verwijderd. Misschien herinnert u zich nog het prachtige debuutplaat ‘Gallowsbird Bark’ die compleet van de velvets doordrongen was, op ‘I’m going away’ is daar niets meer van te horen. De seventies zijn wel aan bod, deze keer, en dit vooral in de prettige gitaar- en orgelsolootjes van Matt Friedberger. Zusje Eleanor knoopt daar weer die frisse vocals en vreemde teksten aan met een geslaagd, zij het ietwat minder bizar, album als gevolg. Rustiger, vooral dat.
U hoeft echter nog niet te denken dat The Fiery Funaces de nieuwe Yes of -godbetert- Coldplay zijn geworden, hun songs (hier ook vrij kort volgens hun doen) zijn immers in al hun creativiteit nog steeds lekker tegendraads en eisen nog altijd de nodige moeite bij de beluistering. Wees gerust, de hitparade lonkt echt nog niet.

Einde jaren tachtig en begin jaren negentig waren wij volledig weg van baanbrekende bands als Pixies en Living Colour. Beide groepen maakten in het toen nog alternatieve circuit furore met enkele essentiële platen en verdwenen dan even snel als ze gekomen waren.
Vandaag worden we overstelpt van reünies en zowel Pixies als Living Colour zijn terug op tournee. Legt u ons nu maar eens uit waarom The Pixies Vorst Nationaal uitverkopen en Living Colour voor ocharme 200 mensen in de Vaartkapoen staat te spelen. Wij snappen er niks van.

Een jaar geleden zagen wij Living Colour al eens aan het werk in de Brusselse Botanique, toen voor iets meer volk, en eerlijkheidshalve dienen we er aan toe te voegen dat het concert van toen iets meer memorabel was. En wel hierom :
Vanavond in de Vk* speelde Living Colour in het eerste deel van de set lekker strak, hard en snedig, ondermeer met uitmuntende buffelstoten als “Ignorance is bliss”, “Go away” en “Elvis is dead”. Tot daar geen probleem dus, maar halverwege de set werd de veer gebroken met een overbodige drumsolo (dat Will Calhoun kan drummen wisten we al, hij hoefde zich helemaal niet zo uit te sloven om ons daarvan te overtuigen), waarna het toch wel een beetje te lang duurde vooraleer de heren terug goed op dreef kwamen. Met knappe uitvoeringen van loepzuivere popsongs als “Bi” en “Glamour boys” was immers al wat gas teruggenomen en daartussenin had Living Colour ook behoorlijk wat nieuw werk gebracht uit hun nieuwste ‘The chair in the doorway’. En dat is nu niet bepaald een onvergetelijk album, ook al kwamen de songs er live sterker door dan de wat kleurloze versies op het album (kleurloos, inderdaad, een beetje een pijnlijke omschrijving voor een band die zich Living Colour noemt). Het vuur bleef dus een beetje te lang weg en de boel ontplofte maar echt opnieuw met “Cult of personality”, nog steeds de beste Living Colour song, zeker live. Dit was echter al het laatste nummer, wij zaten dus tevergeefs nog te wachten op “Love rears its ugly haed” en “Nothingmen”.

Toch hebben we genoten van deze klasbakken, want dat zijn het alleszins. Bij Vernon Reid kon, met uitzondering van de laatste song, er niet echt een lachje af (slecht geslapen waarschijnlijk) maar zijn verbluffende gitaarspel bleef intact. Doug Wimbish viel op met een euh… gitaarsolo op zijn bass (dan nog midden in het publiek) en zanger Corey Glover heeft nog steeds die soulvolle stem. Er waren dus nog genoeg momenten om van te smullen en daarom begrijpen wij echt niet waarom hier zo weinig volk op af kwam.

Organisatie: Vk*, Sint-Jans Molenbeek

donderdag 26 november 2009 01:00

Embryonic

De weirdo’s van Flaming Lips hebben hun recentste album opgenomen op Mars en hebben daar overvloedig aan de paddestoelen gezeten. Het resultaat is even vreemd als wonderlijk. Zelfs voor een band die van geschifte muziek zijn handelsmerk gemaakt heeft, is dit nog een op zijn minst gezegd buitengewone plaat geworden. Maar het mag dan al een ongewoon album zijn, het ding werkt enorm verslavend. Wayne Coyne, die zich hier ontpopt als de muzikale bastaardzoon van Syd Barret en Captain Beefheart, gaat weer volledig zijn eigen weg en begeeft zich op paden waar nog nooit iemand gekomen is, of ’t moeten dan toch buitenaardse wezens geweest zijn. Coyne gaat meermaals aan het zweven in zijn songs die doorspekt zijn van allerhande spacy vreemde geluidjes, bliepjes en Tarzan kreten. Wat hij hier allemaal staat te verkondigen, weet hij waarschijnlijk zelf niet goed meer, maar het resultaat is even geflipt als boeiend. Traditionele nummers met een kop, een staart en middenrif zijn ver te zoeken, meezingbare refreintjes zijn al helemaal niet te vinden.
Openers “Convinced of the hex” en “The sparrow looks up at the machine” komen nog het dichtst in de buurt van een laat ons zeggen traditionele songstructuur. Het zijn twee fantastische ongeslepen diamanten.
De overige songs mogen lekker piepen, kraken en heerlijk ontsporen, doch ze klinken vooral magisch en avontuurlijk. Zo is het zweverige “Evil” een spacy pareltje, net als “Powerless” dat ondermeer dankzij een gebroken VU- gitaartje een wondermooi brokje emotie is. De gitaren gaan prettig gestoord de meest vreemde richtingen uit in het instrumentale“Aquarius sabotage” en “The Ego’s last stand”, en ook de keyboards hebben aan de acid gezeten in “Worm mountain” en “The Impulse”. De ganse plaat is eigenlijk één buitenaardse trip.
‘Embryonic’ is juist daarom zo goed, omdat je duidelijk hoort dat Flaming Lips hier volkomen hun eigenzinnige goesting gedaan hebben. Ook de productie is rauw en heel open, wat doet blijken dat er niet echt een buitenstaander aan dit kunstwerkje heeft gesleuteld. Was ook absoluut niet nodig.
Het album duurt dik 70 minuten, dus als u eens voor een goed uur van deze aardbol wil verdwijnen, treedt dan binnen in de geestesverruimende wondere wereld van Flaming Lips.

donderdag 19 november 2009 01:00

Exploding head

Alles komt terug. Zo ook de shoegaze, u weet wel, het stofzuigergeluid geboren eind jaren tachtig / begin jaren negentig bij bands als Jesus and The Mary Chain, My Bloody Valentine, Ride en Swervedriver. De hedendaagse volgelingen heten BRMC, Amusement Parks On Fire of recenter The Big Pink en deze A Place To Bury Strangers. ‘Exploding heads’ is een hechte en verduiveld sterke plaat. Onder een wall van noise, feedback en distortion zitten uiterst knappe songs verdoken.
De stofzuigers schieten venijnig snel uit de startblokken met “It is nothing”, hiermee is de toon gezet voor een snerpend en stevig album. In “In your heart” is een eighties gitaar geslopen, precies afkomstig van een verdwaalde Bauhaus plaat. “Lost feeling” is een geweldige brok noise en shoegaze, een soort Jesus and The Mary Chain in overdrive. “Deadbeat” opent misleidend met een B 52’s gitaarloopje en gaat dan onherroepelijk aan het scheuren. Het knappe voortrollende “Keep slipping away” had van The Stone Roses kunnen zijn en op het machtige “Ego death” wordt het pad van Jesus And The Mary Chain wel heel nadrukkelijk gevolgd, maar ’t is een duivelse song. “Smile when you smile” begeeft zich ergens tussen Britpop en stonerrock met een gevaarlijk psychedelisch randje, de macho’s van Monster Magnet zouden ook zoiets uit hun mouw durven schudden. Vanaf “Everything always goes wrong” zit A Place To Bury Strangers weer volop in de eighties, alsof Joy Division en Sisters of Mercy hier door de shoegaze mangel worden gedraaid en “Exploding head” is zelfs gebouwd op een Cure basloopje. Het moordende sluitstuk “I lived my life to live in the shadow of your heart” vat alles nog eens goed samen, de song zet furieus en gedreven aan en eindigt in een overweldigende partij noise.
Splijtende plaat. En nu even onze oren laten uitspuiten.

Pagina 95 van 111