Wij zijn nu al een tijdje zoet met met ‘I want my crown : The anthology 1973-1980’, het ultieme overzicht van het eerste decennium van Kevin Coyne’s carrière, verzameld in 4 CD’s oftewel 76 tracks, alstublieft. Bijna allemaal eigen materiaal trouwens, een zeldzame cover van John Lee Hooker niet nagelaten.
Het is een beetje met het schaamrood op de wangen dat wij deze compilatie tot ons nemen, de man heeft immers in 2004 op 60 jarige leeftijd al het loodje gelegd, en wij vinden het nu doodjammer dat we de muziek van deze zwaar onderschatte singer/songwriter niet tijdens zijn leven van naderbij verkend hebben. Het miskend genie Coyne is overigens nooit echt een bestseller geweest, hij is helemaal niet rijk geworden van zijn muziek en, niet te vergeten, van zijn kunst (de man was tevens een fervent dichter en kunstschilder en maakte niet zelden zijn eigen hoesontwerpen). Zijn rijkdom zat duidelijk in zijn werk, niet in zijn portefeuille.
Ook leuk om weten : Kevin Coyne werd ooit gevraagd om de plaats in te nemen van de morsdode Jim Morrison bij The Doors. Hij bedankte vriendelijk, zijn uitleg achteraf : “I didn’t like the leather trousers” .
Tot op heden vond je enkel ‘Marjory Razorblade’ in onze cd collectie, een meesterwerk uit ’73 met daarop zijn enige hit “Marlene” (uiteraard hier ook van de partij), wij schamen ons nog geen klein beetje. De welgekomen nieuwe compilatie is dus onze kans (en ook de uwe) om, helaas postuum, nog één en ander goed te maken. En voor die enkele fans die alles al hadden (bestaan ze echt ?): cd nr 4 bestaat voornamelijk uit onuitgegeven en zeer energieke live opnames waarin Coyne de blues en de rock’n’roll naarstig bedrijft, dus ook zij mogen dit werk aanschaffen.
We ontdekken op ‘I want my crown’ het ene na het andere pareltje. En we gaan die pareltjes niet verklappen zie, want wij vinden dat u ze nu maar zelf eens moet opsporen. U zal daarvoor beloond worden met een rijkdom aan songs, ruwe diamantjes waarvan u niet wist dat ze bestonden.
Kevin Coyne’s roots liggen duidelijk in de blues, maar hij weet ook raad met pure rock’n’roll, glamrock, soul, folk, jazz en zelfs een verdwaalde streep oerpunk. Hij doet dat allemaal op zijn eigen manier en vaak ook in boeiende vertelstijl, met die typische scherpe stem die zich ergens schuil houdt tussen Screamin’ Jay Hawkins, Captain Beefheart, David Thomas (Pere Ubu), Ozzy Osbourne en een verkouden berggeit. Een unieke stem dus die vaak doordrongen is van felle emoties en rauwe agressie (en helaas ook van de drank, Coyne mocht zichzelf na jarenlang geflirt met allerhande soorten vochtige substanties een heuse alcoholist noemen). Drankorgel of niet, hij kan als geen ander volledig opgaan in zijn grillige, rauwe en vaak naakte songs (denk bij wijze van voorbeeld aan jonge zot Joe Cocker die met de nodige spasmen zichzelf destijds in Woodstock een weg baande doorheen “With a little help from my friends”). Coyne liet zich ook steeds omringen door talentrijke muzikanten, onder wie ene Andy Summers die in een later leven bij het bescheiden groepje The Police zijn heil ging zoeken en daarbij een decadent meervoud verdiende van zijn oorspronkelijke karige loontje. Maar hoe goed die muzikanten ook klinken, in quasi alle songs is het Kevin Coyne zelf die de aandacht naar zich toe trekt en de rest mee op sleeptouw neemt in zijn eigen unieke universum.
‘I want my crown’ is een mooie staalkaart van de veelzijdigheid van Kevin Coyne’s muziek, variërend van primitieve rock’n’roll naar mooie intimiteit tot soms experimentele gekte. Een prachtig overzicht van een bewogen carrière ver weg van de glitter en glamour.
Dit is nota bene nog maar een overzicht tot 1980, daarna heeft ie nog zo een vijftiental platen gemaakt. Werk aan de winkel.