logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Deadletter-2026...
Stereolab
Geert Huys

Geert Huys

 Groep van het moment? Debuut van het jaar? Belachelijkste groepsnaam ooit? Sinds het verschijnen van hun titelloze debuut heeft het New Yorkse gezelschap The Pains Of Being Pure At Heart de afgelopen maanden als geen andere groep de aandacht opgeëist in het indie landschap. TPOBPAH dankt deze hype in de eerste plaats aan zijn onweerstaanbare sound die popinvloeden verraadt van Lush, The Go-Betweens en Belle & Sebastian, maar evenzeer refereert aan My Bloody Valentine en Ride wiens shoegaze sound momenteel aan een ware revival toe is. Net zoals stadsgenoten Vampire Weekend heeft dit piepjonge viertal dus flink gegrasduind in het muzikale erfgoed van de afgelopen twee decennia, om uiteindelijk op de proppen te komen met een uiterst catchy debuut dat allerminst als een flauwe herhalingsoefening aanvoelt. Zoals het elke hippe jonge band uit The Big Apple betaamt waagt nu ook TPOBPAH zich aan de oversteek naar het Europese continent. Voor hun eerste optreden op Europese bodem werden tafels en stoelen aan de kant geschoven in de Bar van een bloedhete Trix Club.

Onder het motto ‘less is more’ begaven de youngsters van TPOBPAH zich naar het podium voor een live set die welgeteld 35 minuten zou duren. Leuk detail: ook hun eerder dit jaar verschenen debuut klokt netjes af op 35’! Opener “Doing All The Things That Wouldn’t Make Your Parents Proud” uit de moeilijk vindbare debuut EP bevat alle ingrediënten van een klassiek TPOBPAH nummer: dromerige vocals van frontman Kip Berman die mijmert over de pijnen der adolescentie, en snedige hooks afgewisseld met minitueus afgemeten fuzz injecties. Het publiek reageerde pas echt enthousiast bij het herkennen van het incestieuze “This Love Is Fucking Right!” en de nieuwe single “Young Adult Friction”; het zijn beiden tijdloze popsongs die imponeren door hun compactheid, ontdaan van alle onnodige franjes, en compromisloos gespeeld door een voor de gelegenheid tot vijftal uitgebreide band.
De jonge snaken hadden ondanks hun wat onwennige uitstraling het publiek dan wel duidelijk op hun hand, toch slopen hier en daar wat onbezonnen schoonheidfoutjes in de set. Zo waren de vocale bijdragen van toetseniste Peggy Wang-East nagenoeg onhoorbaar, en toonde zanger/gitarist Berman zich van zijn minst toonvaste kant wanneer de reverb van zijn microfoon plots werd uitgeschakeld. Hierdoor ging “Come Saturday”, het absolute prijsbeest uit TPOBPAH’s debuut, jammerlijk de mist in. De groep herpakte zich evenwel snel met het aan The Go-Betweens schatplichtige “The Tenure Itch” en de college radio classic “Everything With You”, en besloot met het nummer waarnaar de band is vernoemd, “The Pains Of Being Pure At Heart”. Na een goed half uur hapte de groep even naar adem op het Trix balkon en keerde spoorslags terug voor de enige encore “Hey Paul”.

De aanwezigen kregen afgelopen maandagavond voor een toegangsprijs van een luttele 5 EURO (!?) meer dan waar voor hun geld; ondanks de vocale beperkingen en een zichtbaar gebrek aan podium présence mistte deze beloftevolle indie band zijn Europese podiumdebuut niet. Laat ons hopen dat de groep snel verlost raakt van haar groeipijnen, maar daarentegen nog eventjes mag vertoeven in de schemerzone tussen teenangst en adolescentie waar ze comfortabel aan een resem nieuwe fuzzpop juweeltjes kunnen sleutelen.

Organisatie: Trix, Antwerpen

Wie even Googled naar The Notwist komt naast de gelijknamige Duitse groep bijna even snel uit bij een resem andere muzikale projecten waarbij de broertjes Markus en Micha Acher afgelopen jaren hun artistieke ei kwijt konden. Bands als Lali Puna, Tied & Tickled Trio, Ms. John Soda, Console, Couch en 13 & God mogen dan al hun sporen hebben verdiend in de zogenaamde Weilheim scene (genoemd naar de thuisbasis van de Achers), het blijven illustere onbekenden in vergelijking met The Notwist. Het is dus niet te verwonderen dat omwille van hun drukke bezigheden met deze nevenprojecten de Achers slechts sporadisch een album uitbrengen onder de groepsnaam The Notwist; hun jongste werkstuk, ‘The Devil, You + Me’, werd vorig jaar zonder veel tromgeroffel op de wereld losgelaten, maar leverde de groep toch een plaats op als één van de headliners van het tiendaagse Domino festival in de AB.

Het imago van frontman Markus Acher vloekt op zowat alle vlakken met dat van de archetypische Duitser: hij neuzelt en fluistert, reageert verlegen op applaus en heeft al helemaal geen boodschap aan bindteksten. Verder dan de openingszin “Hello, we are The Notwist ... and this is our music” kwam Acher niet, maar zoals de man zelf aangaf is het de groep vooral te doen om hun muzikale prestaties. Het vijftal koos hierbij van meet af aan voor een ongewoon harde aanpak, waardoor de kenmerkende mix van melancholische indierock, subtiele electronica en knetterende samples bij aanvang van de set wat verloren ging. Zo kende het anders zo rustig voortkabbelend meesterwerkje “Pick up the Phone” een prettig overstuurde finale, drongen de bastonen tijdens “Where in This World” ongewoon brutaal door tot in de onderbuik, en verloor de groep zichzelf even in onnodig noise experiment tijdens een lang uitgesponnen “This Room”.
Acher & co namen na deze blitsstart even later gelukkig wat gas terug met het intieme “Sleep” en met een volledig omgebouwde versie van “Neon Golden”, het titelnummer van hun doorbraak album uit 2002. Gebruik makend van spaarzame gitaren, krakende samples en aritmische percussie mondde dit nummer uit in een verslavende repetitieve groove die ons prompt deed denken aan het meest toegankelijke werk van zielsgenoten Neu en Can. De groep maakte vervolgens een feilloos bruggetje naar “Pilot”, dat in vergelijking met de studioversie opnieuw volledig werd verknipt, in het midden een dub injectie kreeg en na een zoveelste tempowisseling vervolgens uitgroeide tot een groovy climax. Het breekbare titelnummer uit het jongste album, “The Devil, You + Me”, zorgde voor een intimistisch slot van de eerste concerthelft.
Ietwat onwennig doch duidelijk dankbaar door de massale publieksrespons keerde de groep tot tweemaal terug voor een bisronde. Hierbij kregen de iets oudere fans eindelijk ook iets te horen uit ‘Shrink’, het album waarmee The Notwist in 1998 definitief evolueerde van illustere Dinosaur Jr. adepten tot de nieuwe helden van de Duitse indierock. Naast het obligate “Chemicals” werd ook het openingsnummer uit dit album, “Day 7”, op herkenningsapplaus onthaald.

De knetterende beats van “Consequence” sloten na bijna twee uur de negende dag van het festival af met de hoofdletter D. De ‘D’ van de grensverleggende en gedurfde DOMINO affiche, de ‘D’ van de fluwelen Ayco DUYSTER die in de foyer mooie maar vooral duystere plaatjes draaide, en de ‘D’ van ‘The DEVIL, You + Me’ die alledrie een gezegende bron van inspiratie vormen voor de unieke doch onvoorspelbare live reputatie van The Notwist.
Tot op  het Cactusfestival deze zomer zondag 12 juli!

Neem gerust een kijkje naar de pics onder live foto’s

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel (ikv Dominofestival 2009)

Het is een ongeschreven wet in de muziekgeschiedenis: trends komen en gaan, de ene revival volgt de andere op, maar allen zijn ze van relatief korte duur en doorgaans overleven enkel de bands van het eerste uur. Pakweg vijf jaar terug waren de sympathieke Schotten van Franz Ferdinand bijna in hun eentje verantwoordelijk voor een hernieuwde interesse in de new wave en punkfunk van eind jaren ’70/begin jaren ’80. Na hun inmiddels klassieke titelloze debuut (’04) volgde al snel de fraaie doch minder bewierookte opvolger ‘You Could Have it so Much Better’ (’05). Terwijl volgelingen als Kaiser Chiefs en Bloc Party aan de lopende band nieuwe nummers brouwen blonk Franz Ferdinand de jongste jaren echter vooral uit in afwezigheid.
Onder hooggespannen verwachtingen verscheen dit voorjaar dan eindelijk de zogenaamde ‘moeilijke derde’: zou Franz Ferdinand definitief opteren voor een imago als feel-good singles band of werd dit het album van de radicale stijlverandering? Bij beluistering van ‘Tonight: Franz Ferdinand’ blijkt dat de waarheid ergens in het midden ligt: de groep heeft een arsenaal synths laten aanrukken wat hier en daar heeft geleid tot voorzichtig experiment, maar zoals voorheen blijven de songs catchy as hell. Het publiek lijkt de band alvast niet vergeten getuige de resem uitverkochte shows die de vier Glaswegians de jongste weken langs Europese steden afwerken. Afgelopen maandag stond Franz Ferdinand na jaren afwezigheid nog eens oog-in-oog met hun Franse fanlegioen in een tot de nok gevulde l’Aéronef.

De band mag dan al worden vereenzelvigd met de popwave scene uit de donkere 80ies, toch zijn muzikale zwaarmoedigheid en teksten-met-een-boodschap aan de Schotse meisjesidolen nooit echt besteed geweest. Franz Ferdinand is immers één van de weinige gitaarbands die het publiek kost wat kost aan het dansen wil krijgen, wat meteen ook lukte met de veilige opener “Do You Want To” en de huidige single “No You Girls”. Frontman Alex Kapranos en de zijnen hadden duidelijk zin in een stomend feestje waarbij nummers uit ‘Tonight: Franz Ferdinand’ in een verschroeiend hoog tempo werden afgewisseld met materiaal uit de eerste twee albums. De aanstekelijke mix van vrolijke gitaren en spaarzame synths tijdens de nieuwe nummers “Twilight Omens”, “Turn it on” en “Bite Hard” miste zijn effect niet: zonder dat de groep daar veel moeite moest voor doen werd het publiek spontaan meegesleurd door Franz Ferdinand’s heropgefriste groovy sound, en hier en daar spotten wij zelfs een eenzame skydiver.
Tussendoor werd gretig teruggegrepen naar ouder werk. Uit het vorige album herkenden we enkel “Walk Away” en “The Fallen”, maar het gros van de oudjes bleek afkomstig uit het titelloze debuut: “Auf Achse”, “The Dark of the Matinee”, “Take Me Out”, “40’” en “Michael”.
Zoals het elk geslaagd feestje past moet muziek primeren over woorden, en dat had de groep duidelijk goed begrepen. Kapranos & co bezondigden zich niet aan opjuttende taal of overbodige bindteksten, en konden hierdoor een strak tempo aanhouden doorheen de set. Elk feestje mag overigens ook al eens een buitensporigheid kennen; na een set van 12 puntige en meezingbare popsongs gooide de groep eensklaps het roer om tijdens “Lucid Dreams”. Dit nummer is met voorsprong het meest experimentele en atypische nummer uit de gehele Franz Ferdinand catalogus en mondde live uit in een minutenlange electrotrip waar Kapranos en gitarist McCarthy lekker loos konden gaan op een batterij analoge synths. Zowaar een mooie apotheose om een toen al geslaagde live come-back mee af te sluiten.
In de enige bisronde volgden nog het zeer hippe “Ulysses” en “What She Came For” uit het recente album en met het onvermijdelijke “This Fire” stak de groep l’Aéronef voor de laatste keer die avond in lichterlaaie.

Zou het dan toch geen toeval geweest zijn dat vlak na het aanfloepen van de zaallichten ook het brandalarm spontaan van zich deed horen? Kapranos sloot af met de sympathieke groet “We are Franz Ferdinand, vous êtes Lille!”. Hij, de groep en het publiek zijn bij deze gerustgesteld en gewaarschuwd: Franz Ferdinand is terug van weggeweest en dat zal menig festivalganger deze zomer geweten hebben!

Opwarmer van dienst was het Berlijnse trio Kissogramdat behoorlijk wat publieksrespons kond losweken dankzij hun catchy songs waar ritmische gitaren in duel gingen met analoge synths. Waar hebben we dat nog gehoord? Juist: zie hierboven. Franz Ferdinand had als voorprogramma een band geprogrammeerd wiens sound mooi aansloot bij hun eigen opgefriste geluid. Enkel tijdens de laatste nummers kon het jonge trio afstand nemen van Kapranos & co toen ze mooie dingen deden met Wagneriaanse symfo, Kraftwerk-on-speed en weerbarstige gitaren. Een band die we gerust nog wel eens willen terugzien; hoe ver ligt Berlijn trouwens verwijderd van Kiewit?

Neem gerust een kijkje naar de pics van hun optreden in de AB, Brussel onder live foto's

Organisatie: FLP (ism Aéronef), Lille

zaterdag 08 december 2018 10:11

Geen sleet op 30 jaar Buzzcocks

Samen The Ramones en The Undertones vormen de Buzzcocks de heilige drievuldigheid van de pretentieloze poppunk: korte puntige songs gebaseerd op onweerstaanbare hooks en teksten over adolescentie en onbereikbare liefdes. Het absolute gloriemoment van deze ongemeen invloedrijke band valt te situeren eind jaren ’70, toen vier lads uit Manchester in amper twee jaar tijd vier monumentale albums inblikten: het messcherpe rechtoe-rechtaan debuut ‘Another Music in a Different Kitchen’ (’78), de meer gelaagde melodieuze opvolger ‘Love Bites’ (’78), het van teenangst doortrokken ‘A Different Kind of Tension’ (’79) en de indrukwekkende verzameling non-album singles ‘Singles Going Steady’ (’79). Eind vorig jaar werden de eerste drie uit dit rijtje in een opgefriste versie opnieuw uitgebracht, en om de release van deze 30-jarige jubileumedities ook live wat luister bij te zetten doorkruisen onze favoriete punkrockers momenteel verschillende Europese landen in kader van hun toepasselijk getitelde ‘Another Bites’ tour. De Buzzcocks staken afgelopen weekend het kanaal over voor twee clubconcerten te Leuven en Gent, waar volgens het intussen beproefde ‘rewind’ recept de eerste twee albums integraal zouden worden voorgesteld.

Na ruim drie decennia mogen originele leden Pete ‘Homosapien’ Shelley en Steve Diggle dan wel flink wat wilde haren zijn kwijtgespeeld, vanaf de onweerstaanbare opener “Fast Cars” lieten de heren er geen twijfel over bestaan dat deze avond meer zou worden dan louter a trip down memory lane. De zaal is halfvol gelopen met dertigers en veertigers die, al dan niet getooid in Ramones, Clash of Vice Squad T-shirts, goedkeurend toezien hoe de groep in ijl tempo de songs uit hun debuut de zaal invuren. Vanaf “Love Battery” zit de vlam er voor het eerst goed in: spontaan worden de eerste pogobewegingen ingezet, een kwak bier vliegt door het luchtruim om vervolgens een zachte landing te maken in de décollete van de verontwaardigde juffrouw naast mij, en tussen de nummers door wordt steeds harder om “Orgasm Addict” verzocht. Yep, that’s the spirit, en de Buzzcocks genieten zichtbaar van dit schouwspel! Frontman Shelley mag dan al ogen als een gezapige grandaddy, toch heeft de tijd weinig vat gehad op zijn neurotische stem. In zijn geest moet punk niet noodzakelijk smerig en slordig klinken, getuige de glasheldere melodieën die menige Buzzcocks classic typeren. Gitarist Diggle lijkt dan weer de tegenpool van Shelley: hij spuwt vrolijk in het rond, lijkt zich meer te concentreren op de eerste rijen van het publiek dan op zijn maats, plukt aan de gitaarsnaren als was hij het jongere broertje van Pete Townshend, en brabbelt zijn ongezouten mening tussen de nummers door. De jachtige Shelley/Diggle composities worden anno 2009 live voortgestuwd door de veel jongere en dus uitstekend geoliede ritmetandem Tony Barker (bas) en Danny Farrant (drums). Op “Moving Away From the Pulsebeat” ontpopte laatstgenoemde zich als een repetitieve drummachine die Animal uit de Muppets zo het nakijken geeft. Het ultrakorte “Boredom”, eigenlijk een verknipte versie van “Fast Cars”, besloot het eerste deel van de set.
Shelley & co deden de geschiedenis alle eer aan door in hun setlist dezelfde volgorde als op de originele platen aan te houden, en dus openden “Real World” en “Ever Fallen in Love” uit ‘Love Bites’ het tweede deel van de set. Dit laatste nummer is inmiddels uitgegroeid tot een punk evergreen, en is tot vervelends toe ook zowat de enige Buzzcocks gem die tot het grote publiek is doorgedrongen. Verschillende andere nummers uit hun tweede album moeten hiervoor echter nauwelijks onderdoen, “Nostalgia” en “Sixteen Again” kun je zelfs radiovriendelijk noemen. Tijdens de afsluitende instrumental “Late for the Train” verlieten de bandleden één voor één het podium en kon de overgebleven Farrant nog eens lekker loos gaan op zijn drumvellen.
Na twee integrale albums in een dik uur kreeg het publiek als toemaatje nog eens de bijna volledige ‘Singles Going Steady’ compilatie geserveerd. Na het obligate en luidkeels meegeschreeuwde “Orgasm Addict” volgde een reeks indrukwekkende non-album singles uit de periode ‘77-‘79: “Whatever Happened To?”, “What Do I Get”, “Love You More”, “Promises”, “Everybody’s Happy Nowadays” en “Oh Shit!”. Diggle besloot met “Harmony In My Head” een set van 32 nummers (!?) in goed anderhalf uur. Net zoals The Stranglers een week terug in de Handelsbeurs bewezen de Buzzcocks hier met overschot van gelijk dat groepen van de eerste punkgeneratie hun vershouddatum bijlange nog niet zijn overschreden. Overjaarse fans en sympathisanten van het genre kunnen dus tegenwoordig zonder schaamte of schroom terug hun “Punk’s not dead” shirt uit de kast te halen...

Ondergetekende arriveerde net in tijd om het tweede voorprogramma nog mee te pikken. In het kielzog van The Van Jets en Black Box Revelation blijken The Curvy Cuties Fanclub verknocht aan stevige rock’n’roll overgoten met een ouderwets doch pittig bluesrock sausje. Niettegenstaande dit piepjonge trio (gemiddelde leeftijd 18 jaar) vorig jaar als overwinnaar van De Beloften uit de bus kwam beschikken deze kerels nog niet over voldoende beklijvende songs om meteen als een grote belofte te worden bestempeld. De groep, onder aanvoering van een zingende drummer, opende nochtans prima met een handvol strakke uppercuts, maar ging daarna stevig de mist in tijdens een aantal onnodig melige tearjerkers. Mijn voorlopige proclamatie luidt dan ook: grote onderscheiding voor speelplezier en podium presence, 2de zit voor inspiratie.

PS Wie nu al (terecht overigens) spijt heeft de ‘Another Bites’ doortocht van de Buzzcocks te hebben gemist ... of gewoonweg de live sfeer vanuit een luie zetel wil opsnuiven zonder het gevaar alcoholische dranken over zich heen te krijgen: de integrale live set van hun optreden in de Amsterdamse Paradiso is te zien via
http://www.fabchannel.com/nl/buzzcocks_concert/2009-02-06

Organisatie: Democrazy, Gent

Afgelopen zaterdag kreeg het 4AD publiek een unieke affiche voorgeschoteld. Als hoofdact stond de Nederlandse woordenkunstenaar Eric De Jong aka Spinvis geprogrammeerd. Spinvis liet pas na 40 levensjaren een eerste album op de Lage Landen los, en is inmiddels uitgegroeid tot één van de meest markante figuren uit de Nederpop scene. Hij toert momenteel langs het Vlaamse clubcircuit met als support de amper 16 lentes tellende Rock Rally finalist Jasper Erckens. De zonderlinge laatbloeier versus het vroegrijpe jonkie: een unieke muzikale combinatie op de planken van een goed gevulde 4AD te Diksmuide.

Wie het arsenaal aan instrumenten op het podium zag staan kon moeilijk vatten dat Spinvis wel degelijk solo zou aantreden. Ofwel zou er alsnog een begeleidingsgroep vanachter de gordijnen worden getoverd, ofwel zou Spinvis zich ontpoppen als een multi-instrumentalist die bovendien handig gebruik maakt van de nieuwste generatie digitale podiumsnufjes. Het bleek uiteindelijk de laatste optie te zijn: het begrip ‘solo act’ werd door De Jong immers ter plaatse van een nieuwe definitie voorzien door diverse live ingespeelde stukjes op te nemen, en laagje na laagje te arrangeren tot een volwaardige ritmesectie. Op de planeet Spinvis zijn echter drie dimensies aanwezig, dus naast geluid voorzag De Jong zijn samplekleinkunst tevens van woord en beeld. De visuele dimensie werd ingevuld door ook een gezicht te plakken op de leden van zijn denkbeeldige begeleidingsgroep via drie smalle videoschermen achteraan het podium. De unieke woordenkunst, tenslotte, vormt het sluitstuk van elke Spinvis compositie. De Jong observeert en registreert alledaagse gebeurtenissen, en vertaalt ze op onnavolgbare wijze naar een schijnbaar onsamenhangende beeldspraak.

Het publiek werd door een innemende De Jong meteen in het Spinvis universum geprojecteerd met ”Kindje van God”, een unieke remake van Maria’s onbevlekte ontvangenis. Of het nu ging over de stalker in elk van ons (“Het Voordeel van Video”), het gevoel van onverschilligheid in een wereld vol geweld (“Ik Wil Alleen Maar Zwemmen”), de scherpe observaties tijdens een schijnbaar doodgewone zomerdag (“Wespen op de Appeltaart”) of levenslange herinneringen aan Utrecht (“Voor ik Vergeet”), keer op keer wist de innemende noorderbuur op een geheel eigen manier cynisme aan melancholie te koppelen.
Na een indrukwekkende reeks radiohits tijdens het eerste deel van de set en een uitgebreide rookpauze trok Spinvis voor het vervolg van de set eerder de kaart van het donkere sentiment. Met minder gekende nummers als “De Ogen van de Bruid”, “Ik Ben je Man” en “Ronny Gaat naar Huis” wist hij niettemin moeiteloos de aandacht van het beleefde publiek te behouden. Het aan The Notwist refererende electropoppareltje “(Kus me dan en) Bijt Mijn Tong Af” besloot een bevreemdende trip heen en terug naar het Spinvis universum.

Jasper Erckens mocht zoals gezegd de avond openen. De stem van deze sympathieke krullebol werd reeds meermaals vergeleken met deze van Scott Matthews, Damien Rice, Nick Drake en de jonge Jeff Buckley. Tijdens de korte live set kwamen de invloeden van elk van deze muzikale helden hier en daar inderdaad om de hoek kijken. We onthouden vooral een doorleefde versie van de obligate Gnarls Barkley cover en Rendez-Vous classic “Crazy” en de knappe nieuwe single “Waiting Like a Dog”. Beide nummers zullen ongetwijfeld op Erckens’ volgende maand te verschijnen debuutalbum prijken. De hoge aaibaarheidsfactor van Erckens doet vermoeden dat U daar binnenkort in De Rode Loper meer zal over vernemen...

Organisatie: 4AD, Dikslmuide

Het Amerikaanse viertal Death Cab For Cutie tekent voor één van de meest onwaarschijnlijke succesverhalen uit de kroniek van de indierock. Na drie puike maar in Europa verder weinig opgemerkte albums treedt de groep in 2003 via de grote poort binnen in de emopop arena met het intussen klassieke ‘Transatlanticism’. Bij het verschijnen van opvolger ‘Plans’ wordt de groep massaal omhelsd door een breed poppubliek, maar verliest tegelijkertijd wat aan street credibility bij de fans van het eerste uur wegens een te gladde afwerking van hun integere popsongs. Dit voorjaar revancheerde DCFC zich na een lange rustperiode met het intrigerende ‘Narrow Stairs’, zonder meer het meest gevarieerde album van de groep en een ernstige kandidaat voor de top 10 van diverse eindejaarslijstjes. Na een geslaagde doortocht langs het Openluchttheater deze zomer ging DCFC afgelopen weekend de uitdaging aan om hun breekbare pop ook in de Hallen van Schaarbeek te laten weerklinken.

DCFC’s nieuwe single “No Sunlight” wordt momenteel grijs gedraaid op StuBru en Radio 1, maar dat bleek niet voldoende om de Hallen volledig te laten vollopen voor het Amerikaanse viertal. De set werd op gang getrokken door een aantal oudere songs, waarbij vooral “The New Year” uit ‘Transatlanticism’ op herkenningsapplaus werd onthaald. Met de ogen dicht verschilden de virtuoze live uitvoeringen nauwelijks van de studioversies, waardoor de groep aanvankelijk toch wat bezieling miste. Bovendien beschikt het viertal in de persoon van de studentikoze Ben Gibbard niet echt over een podiumbeest als frontman, maar het moet gezegd zijn, wat een prachtige stem heeft die kerel! Bij sommige nummers zoals hun grootste radiohit “Soul Meets Body” deden Gibbard’s vocals zelfs heel even denken aan de virtuoze stembanden van Yes icoon Jon Anderson.
Het duurde even vooraleer het nieuwe werk aan bod kwam, maar met “No Sunlight” en “Grapevine Fires” werden meteen twee prijsnummers uit ‘Narrow Stairs’ geserveerd. Gibbard schakelde over op akoestische gitaar voor de zeemzoete meezinger “I Will Follow You in the Dark” uit ‘Plans’, meteen goed voor het kampvuurmoment van de avond. De groep gunde de tienerhartjes op de eerste rij echter geen tweede pleziertje en vervolgde onmiddellijk met de single “I Will Possess Your Heart”, met voorsprong het meest monumentale nummer uit de DCFC catalogus. Op gang getrokken door de strakke ritmesectie Nickolas Harmer (bas) en Michael Schorr (drums) en vervolgens ingekleurd door gitaarecho’s en een spaarzaam pianoriedeltje werd de dreigende sfeer in de schijnbaar eindeloze intro van het nummer meesterlijk opgebouwd. Het nummer leek bevrijdend te werken voor de tot dan toe wat te perfect klinkende groep, want nummers zoals “Cath”, “Long Division” en het oudje “The Sound of Settling” kreeg nu wel het live gevoel mee en getuigden van zichtbaar spelplezier. De remmen werden zowaar volledig los gegooid tijdens “Bixby Canyon Bridge”, de epische opener van ‘Narrow Stairs’ en een waardige afsluiter van de set.
Gibbard & co plezierden tijdens de bisronde vooreerst de die-hard fans van het eerste uur met “Champagne From a Paper Cup” uit hun debuut ‘Something About Airplanes’ (’98). Na een bloedmooie versie van “Title and Registration” gokte ondergetekende op het titelnummer uit ‘Transatlanticism’ als finale encore. De gebeden werden verhoord, alleen spijtig dat ik geen geld had ingezet…

DCFC maakte afgelopen zaterdag een moeilijke evenwichtsoefening tussen virtuositeit en spontaniteit. Toegegeven, de Hallen van Schaarbeek kunnen onvoldoende instaan voor de intieme sfeer waarin Death Cab’s breekbare emopop het best tot zijn recht komt, maar uiteindelijk slaagde de groep er toch in om de juiste harmonie te vinden tussen perfectie en bezieling.

Fotoshoots: zie live foto's

Organisatie: Live Nation

zaterdag 04 oktober 2008 03:00

‘Steve Wynn goes classic’

Paisley Underground legende Steve Wynn doet het de jongste tijd met zowat iedereen. In het drinkebroersproject Danny & Dusty vergezelt hij de flamboyante Dan Stuart (Green on Red), met Paco Loco (Australian Blonde) vormt hij het vooralsnog onbekende Smack Dab, en met Scott McCaughey (The Minus Five) en Peter Buck (R.E.M.) deelt hij een levenslange obsessie voor baseball wat eerder dit jaar resulteerde in de eerste muzikale worp van The Baseball Project. Waar en met wie Wynn ook lijkt te vertoeven, keer op keer leiden zijn avonturen tot tijdloze nummers. Voor zijn recentste opus ‘Crossing Dragon Bridge’ ruilde Wynn zijn vertrouwde New Yorkse flat in voor een kamertje nabij de studio van Walkabouts-opperhoofd Chris Eckman in het Sloveense Ljubljana, om ter plekke een dozijn nieuwe nummers uit zijn mouw te schudden. Eckman vertrok vervolgens met de akoestische opnames richting Praag alwaar strijkers en occasioneel zelfs een vrouwenkoor werden toegevoegd, en ziedaar, Wynn’s meest introverte en melancholische album in jaren was geboren. Hoe dat alles live moest klinken ging ondergetekende graag persoonlijk verifiëren in de AB tijdens zijn enige Belgische passage deze herfst.

Als betrof het een geroutineerde maestro stelde Wynn bij aanvang van het optreden en met gepaste trots zijn Dragon Bridge Orchestra voor aan een amper half volgelopen AB Club. Naast vaste levensgezellin Linda Pitmon op drums maken verder ook Chris Eckman, orgelvirtuoos Chris Cacavas (Green on Red), bassist Eric Van Loo (Blue Guitars) en de illustere Braziliaans-Italiaanse violist Rodrigo D'Erasmo de dienst uit in dit gelegenheidsensemble. Met een kleine knipoog naar Queen werd de set geopend met “Slovenian Rhapsody I”, op de voet gevolgd door “Bring the Magic”, de eerste single “Manhattan Fault Line” en “God Doesn’t Like it”, allen uit het nieuwe album. De sfeer zat er van meet af aan in door het speelplezier dat vooral Wynn en D'Erasmo uitstraalden tijdens hun wat ongewone doch zeer begeesterende gitaar-viool duels. Eckman van zijn kant, die eerder op de avond het voorprogramma had verzorgd, lijkt de introverte tegenpool van de immer guitige Wynn en koos duidelijk voor een eerder serene rol op de achtergrond. Voorafgaand aan het oudje “Here on Earth as Well” kroop Wynn heel even in de huid van een opjuttende gospelpredikant en liet enkele enthousiaste toehoorders naar hartelust hallelujah’s scanderen. Op deze manier leidde hij het uitgelaten publiek naar onuitgegeven symfonische uitvoeringen van het Byrds-achtige “Tears Won’t Help” uit zijn solo-debuut ‘Kerosine Man’ (’90) en het meeslepende “The Deep End”, het onbetwiste hoogtepunt uit Wynn’s vorig solo album ‘...Tick…Tick…Tick’ (’06).
Op D'Erasmo na mocht het voltallige Dragon Bridge Orchestra even rusten tijdens “Punching Holes in the Sky”, een bloedmooi staaltje melancholie over de vergankelijkheid van de mens die zo leek weggeplukt uit de Nick Drake catalogus. Eckman & co mochten vervolgens terug aantreden tijdens een cover versie van “She Came”, oorspronkelijk van de (althans in onze contreien) illustere Sloveense singer-songwriter Tomas Pengov, op de voet gevolgd door het dronkemanslied “Wait Until You Get to Know Me”. De talrijke dertigers en veertigers onder het publiek werden tegen het eind van de set op hun wenken bediend toen Wynn een aantal onvermijdelijke Dream Syndicate klassiekers boven haalde. Het onverslijtbare “That’s What You Always Say” (’82) kreeg een speels vioolarrangement aangemeten dat wondermooi contrasteerde met Wynn’s jachtige gitaarspel. Tegen het einde van “The Medicine Show” (’84) waande het publiek zich heel even het zesde lid van de Dragon Bridge Orchestra en improviseerde ter plekke een eigen acapella versie van dit nummer. Wynn & co besloten de set zoals die begonnen was; alle bandleden verzamelden vooraan het podium op één rij voor een acoustische versie van “Slovenian Rhapsody II”.

Wie het luidst een verzoeknummer richting podium kon schreeuwen werd tijdens de bisronde prompt op zijn wenken bediend. Deze maal viel de eer te beurt aan een beklijvende uitvoering van “Silence is Your Only Friend” uit Wynn’s vierde solo album ‘Melting in the Dark’ (’96) en een mooi opbouwende versie van de Dream Syndicate evergreen “Boston”. Een strak en opzwepend “Amphetamine”, gedragen door Wynn’s simpele levenswijsheid ‘I’m gonna live until the day I die’, vormde de slotsom van ‘s mans zoveelste triomfantelijke halte langs het Vlaamse clubcircuit. Na goed een kwarteeuw blinkt Steve Wynn dus nog steeds uit door zijn aanstekelijk enthousiasme en muzikaal vakmanschap, voorwaar een zeldzame combinatie in het vaak duffe en ééntonige singer-songwriter landschap.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Elk einde is een nieuw begin. Althans, dat moeten Jaz Coleman en zijn voormalige Killing Joke kornuiten vorig jaar hebben gedacht op de begrafenis van hun voormalige bassist Paul Raven. Samen met Raven werden ook een aantal oude vetes en meningsverschillen begraven, bandleden van het eerste uur Paul Ferguson (drums) en Martin ‘Youth’ Glover (bas) keerden terug op het oude nest, en als eerbetoon aan hun overleden makker werden prompt plannen gesmeed voor een tournee voorafgaand aan de komende release van een nieuw album in de originele bezetting. Een korte concertenreeks brengt de groep langs 11 steden tussen Tokyo en New York, waarbij telkens twee avonden op rij volgens de ‘rewind’ formule een aantal van hun klassieke albums integraal worden voorgesteld. Het is dan ook een understatement van formaat om te stellen dat ondergetekende reeds maanden reikhalzend uit keek naar de set die afgelopen maandagavond op het programma stond. Want geef toe, wanneer op één avond met ‘Killing Joke’ en ‘What’s THIS for…!’ twee van de meest invloedrijke albums van de 80ies de revue passeren lijkt een muzikaal orgasme wel heel erg dichtbij…

Frontman Jaz Coleman, die alleen al omwille van de overdadige eyeliner veel weg had van een vogelverschrikker aan de vooravond van Halloween, begroette het AB publiek met samengevouwen handen en slenterde voorzichtig naar het midden van het podium als betrof het een hogepriester die het altaar opzocht voor wat een occulte misviering zou worden. Dit alles bleek de perfecte inleider voor de resonerende synth intro van “Requiem” (niet toevallig ‘hymne aan de doden’), het onnavolgbare openingsnummer uit het titelloze Killing Joke debuut (’80). Wat volgde uit dit album was bepaald indrukwekkend te noemen: de opzwepende drive van het onverslijtbare “Wardance”, de pastorale pracht van “Tomorrow’s World”, de strakke punkwave van “Complications” en de unieke crossover van metal en funk in het instrumentale “Bloodsport”. Gitarist Kevin ‘Geordie’ Walker kneep deze vroege 80ies klassiekers nonchalant en met schijnbaar gemak uit zijn gitaar, maar het was vooral de bezwerende grafstem van Coleman die de originele Killing Joke sound hier deed herleven.
Op het tweede Killing Joke album ‘What’s THIS for…!’ (’81) bleek het groepsgeluid duidelijk geëvolueerd; de ritmesectie kreeg een meer prominente rol toebedeeld waardoor de nummers meer repetitief en hypnotiserend gingen klinken. Live bleek nog maar eens waarom het meer dan stevige openingsnummer “The Fall of Because” door velen als prototype voor de latere industrial metal van Ministry, Prong, NIN en Young Gods wordt beschouwd. De tribal drums van Ferguson op “Tension” en “Follow the Leaders” drongen diep door tot in de onderbuik, maar even goed werd het publiek meegesleurd door Coleman’s panische angstgevoelens tijdens “Unspeakable”, “Madness” en “Who Told You How?”. Als een vreemde eend in de bijt tussen al dit klassiek werk uit de begindagen van Killing Joke dook plots “Eighties” in de setlist op, een bijna vergeten single uit ’84 wiens memorabele baslijn een decennium later ongevraagd werd geleend door Nirvana’s Chris Novoselic voor de wereldhit “Come as You Are”.
Persoonlijke favoriet “The Wait” uit het debuutalbum werd opgespaard tot het einde van Killing Joke’s flashback naar de gitzwarte 80ies, dus moest de groep echt wel een verdomd goede reden vinden om aan hun meer dan geslaagde eerste avond in de AB een bisronde te breien. De plots heel serene Coleman vond die ook tijdens wat hij aankondigde als ‘a moment of reflection’ voor zijn overleden vriend en strijdmakker Paul Raven. Verrassing alom toen de groep vervolgens als eerbetoon aan Raven “Love Like Blood” inzette, zondermeer hun grootste commercieel succes dat de laatste jaren echter angstvallig uit de setlist werd geweerd. Met “Change”, het meer dan puike B-kantje van “Requiem”, goten Coleman & co het laatste restje olie op het muzikale hellevuur.

Het nog lichtjes nasmeulend publiek werd bij het aanfloepen van de zaallichten ietwat brutaal uit Killing Joke’s teletijdsmachine geslingerd. Door hun onvoorwaardelijke inzet tijdens dit soort trips tussen hemel en hel dwingt de groep na drie decennia duidelijk nog steeds tonnen respect af. We kunnen onze nieuwsgierigheid naar het volgende muzikale inferno op het komende album nauwelijks in bedwang houden!

Organisatie: AB, Brussel

Het begrip ‘levende legende’ wordt door rockjournalisten te pas en te onpas wel eens gebruikt om de muzikale impact van zijn of haar favoriete band of artiest te beklemtonen. Doorgaans betreft het hier muzikale pioniers op gezegende leeftijd, eigenzinnig artistiek talent met een bewogen levenswandel of performers die ondanks matig commercieel succes en sporadische live optredens toch een ware cult status hebben verworven. De Canadese dichter en maestro Leonard Cohen beantwoordt aan zowat elk van deze definities, en wordt samen met Bob Dylan tot één van de meest invloedrijke singer-songwriters uit de vorige eeuw gerekend. Van Cale tot Cave en van U2 tot Sisters of Mercy, allen hebben ze hun bewondering voor de mens en de artiest in Cohen nooit onder stoelen of banken gestoken. Bij zijn terugkeer uit een Zenboeddhistisch klooster in ’99, en een matige muzikale come-back met het album ‘Ten New Songs’ twee jaar later, werd Cohen persoonlijk geconfronteerd met de inhaligheid van de mensheid, een thema dat notabene in verschillende van zijn songs wel eens opduikt. Wanneer blijkt dat een voormalige manager diens zuurverdiende pensioenkas vakkundig heeft leeggeplunderd moet de oude grijze vos tegen wil en dank terug op zoek naar een plaats onder de spotlights. Cohen brengt voor het eerst in meer dan 20 jaar een poëziebundel uit, ‘Book of Longing’, waaruit gedichten later op muziek worden gezet door Philip Glass. Hierdoor wordt zijn eerlange kandidatuur voor een plaats in de Rock and Roll Hall of Fame in maart van dit jaar eindelijk realiteit, en breekt hij bovendien met zijn oude voornemen om nooit meer op te treden door zowaar op wereldtournee te vertrekken. Het serene middeleeuwse kader van het reeds maanden op voorhand uitverkochte Minnewaterpark vormde afgelopen donderdag, aan de vooravond van het Cactus festival, een ideaal decor voor de Belgische halte op Cohen’s (laatste?) Europese doortocht.

Onder het toeziend oog van een hoofdzakelijk grijzend/grijs en kalend/kaal publiek werd de set afgetrapt met twee klassiekers uit Cohen’s poppy en toegankelijk 80ies oeuvre, “Dance Me to the End of Love” en “Ain’t no Cure for Love”. Wel ja, aftrappen is misschien niet de juiste omschrijving voor de tengere gentleman die in zwart maatpak en kenmerkende hoed voorzichtig over het podium schoof en uiterst dankbaar elk applaus in ontvangst nam. De ‘spoken words’ van de intussen 73-jarige troubadour klonken echter even donker, broos en gebiedend als op plaat, en ook diens zeer gedisciplineerde en uitstekend musicerende begeleidingsgroep eiste doorheen gans de set een hoofdrol op. Cohen bood tijdens de lange nummers dan ook ruimschoots de tijd aan klassemuzikanten zoals Neil Larsen (keyboard en orgel) en Dino Soldo (saxofoon) om afwisselend een solo te scoren. Vocaal werd de grijze vos bijgestaan door zijn co-writer Sharon Robinson, een imposante leading lady die vooral in de meer recente minimale softsoul nummers zoals “In My Secret Life” uit ‘Ten New Songs’ bewees over een indrukwekkend koppel stembanden te beschikken.
De fundamenten van Cohen’s muzikale reputatie werden in de late 60ies en vroege 70ies gelegd, en het mag dan ook geen wonder heten dat klassiekers als “Bird on a Wire” (‘69) en “Who by the Fire” (‘74) op het meeste herkenningsapplaus werden onthaald. In tegenstelling tot het eerder serene eerste deel van de set maakte een goed geluimde Cohen na de pauze ruimte voor enige humor tijdens het lang uitgesponnen “Tower of Song”, en bovenal, voor meer wereldsongs uit zijn eerste albums. Tijdens het onvolprezen duo “Suzanne” en “Hallejulah” daalde een bijna ijselijke stilte neer over het Minnewaterpark; het 8000-man sterke publiek verstilde wanneer de oude meester tijdens deze nummers dramatiek en melancholie op onnavolgbare wijze met elkaar verzoende. Enkel die ene “Bird in a tree” verscholen in de kruin van het Minnewaterpark stoorde zich hier niet aan, wat de soundtrack bij deze surrealistische zonsondergang compleet maakte. Melig werd het echter nooit, want Cohen zou Cohen niet zijn als hij tussendoor met het zowaar bijna opgewekte “Democracy (is Coming to the USA)” zachtaardig doch trefzeker uithaalde naar Bush & co. De tweede generatie Cohen adepten leerden de Canadese bard vooral kennen via de commerciële voltreffer ‘I’m Your Man’ (’88), en in de setlist doken maar liefst zes nummers uit dat album op. De grootmeester nam een eerste keer afscheid met het titelnummer en het orkestrale “Take This Waltz” waarop menig koppel uit het publiek een walsje uitprobeerde.
Innemend en dankbaar verscheen Cohen opnieuw op het podium om zijn ‘best of’ set gewoonweg verder te zetten. Decennia na hun release blijken “So Long Marianne” (’68) en “First We Take Manhattan” (’88) te zijn uitgegroeid tot evergreens uit het tijdloze oeuvre van de Canadese maestro, meezingbare lappen poëzie die verschillende generaties liefhebbers van Het Grote Lied aanspreken. De folkie in Cohen, inclusief akoustische gitaar, kreeg vervolgens de hoofdrol tijdens het donkere “Sisters of Mercy”, en wat ons betrof was “Closing Time” een ideale afsluiter geweest van een set die, zonder echt lyrisch te worden, gerust als begeesterend kan worden omschreven. De oude meester had het tijdens de uitgebreide bisronde echter meer dan duidelijk naar zijn zin en declameerde vervolgens ook nog “I Tried to Leave You” uit ‘New Skin for the Old Ceremony’ (’74), waarmee hij leek aan te geven oprecht spijt te hebben om van het enthousiaste publiek afscheid te moeten nemen.

Leonard Cohen nam letterlijk en figuurlijk meermaals zijn hoed af voor zijn voortreffelijke band, de dankbare toehoorders en het sfeervolle Brugge. Zelden stond een singer-songwriter dichter bij een festivalpubliek als vanavond, en met een welgemeend “Thank you for keeping my songs alive” was dat ook de grijze vos zelf niet ontgaan. En dan te bedenken dat we deze onvergetelijke momenten allemaal hebben te danken aan een hebberige manager... de cynicus in Cohen kan met een voldaan gevoel op retraite om te genieten van een welverdiend pensioen.

Organisatie Greenhouse Talent Gent ism Cactus Club, Brugge

Aan de vooravond van ‘s lands grootste metal meeting kregen de liefhebbers van het hardere genre met de doortocht van Monster Magnet in de AB een voorproefje van formaat voorgeschoteld. Samen met het intussen legendarische Kyuss behoort dit Amerikaanse gezelschap tot één van de belangrijkste aanstokers van de stonerrock scene die begin jaren ’90 in de schaduw van de grunge een kleine muzikale aardverschuiving veroorzaakte. Na een rits klassieke albums en evenveel slopende wereldtournees werd de kenmerkende mix van slepende Black Sabbath riffs en kosmische Hawkwind psychedelica op de jongste albums echter langzaam maar zeker ingeruild voor een meer rechttoe-rechtaan aanpak, waardoor de groep de laatste jaren wat op de terugweg leek. Het mag tevens een medisch wonder heten dat de imposante frontman en notoir liefhebber van geestverruimende rook- en spuitwaren Dave Wyndorf het tijdelijke inmiddels niet heeft ingeruild voor het eeuwige. Het publiek kon afgelopen woensdag in een net niet tot de nok gevulde AB met eigen ogen aanschouwen dat het Monster Magnet opperhoofd ondanks meerdere powertrips monter en wel op het podium stond en zijn groep feilloos doorheen een meeslepende set loodste.

Monster Magnet’s kleinschalige Europese zomertournee telt slechts een zevental optredens en dient ter promotie van het eind vorig jaar zonder veel pooha verschenen ‘4-Way Diablo’. Voorwaar geen onaardig album, maar qua muzikale impact toch flink wat lichtjaren verwijderd van de sonische meesterwerken ‘Dopes to Infinity’ (’95) en ‘Powertrip’ (’98). De groep koos voor een risicoloze start door met het epische “Dopes to Infinity” en het opzwepende “Crop Circle”, de respectievelijke openingsnummers uit voorgenoemde opussen, het publiek meteen op haar hand te krijgen. Al vroeg in de set werd het kookpunt bereikt bij het inzetten van “Powertrip”, hét Monster Magnet live anthem bij uitstek. Ook ondergetekende, nochtans geen begenadigd brulbeest, kon niet laten om Wyndorf vocaal bij te staan tijdens “I’m not ever gonna work another day in my life! The Gods told me to relax, they say I’m gonna get fixed up right!”. Met de benen in spreidstand en de bezwete gitzwarte haren frontaal wapperend in de ventilatorwind genoot de spacelord zichtbaar van de publieksrespons en bedankte met de obligate “Its’ good to be back” groet. Ter inleiding van “Third Alternative”, een massieve brok stoner psychedelica vanop ‘Dopes to Infinity’ die live gemakkelijk op 10 minuten afklokt, definieerde Wyndorf het begrip ‘cosmic sex’ vanuit zijn persoonlijke leefwereld waarin de oneindigheid van de kosmos en euh.. oneindige sex de man danig blijken te intrigeren. Het publiek knikte alweer goedkeurend en onderging ook deze powertrip met genoegen.
Wie gekomen was om wat nieuwe nummers uit ‘4-Way Diablo’ live te checken kwam echter bedrogen uit. Net zoals het onderschatte ‘God Says No’ (’01) viel ook het jongste album nergens te bespeuren in de setlist, ten voordele van obscuur ouder werk zoals “Zodiac Lung” uit het debuut ‘Spine of God’ (’92) of de minder gekende tracks “The Right Stuff” en “Radiation Day” vanop ‘Monolithic Baby!’ (’04). Gitarist Ed Mundell, naast Wyndorf het enige vaste groepslid, blijkt live keer op keer de muzikale sterkhouder van de band en camoufleerde de soms onvaste vocalen van zijn drug buddy vakkundig met strakke intros en compacte soli. Het grootste deel van het publiek had intussen al lang begrepen dat Monster Magnet gekomen was voor een eigenzinnige ‘best of’ set, dus was het enkel maar een kwestie van geduld vooraleer de sonische gitaargolven van “Negasonic Teenage Warhead” of het groovy ritme van “Spacelord” werden ingezet. Tijdens dit laatste nummer vroeg en kreeg Wyndorf, nonchalant poserend met een joint binnen handbereik, publieksassistentie en werd de frontman herhaaldelijk en tot diens eigen genot uitgescholden voor de onvermijdelijke motherfucker.
De belangrijkste meebrulhits waren na het eerste deel van de set grotendeels opgesoupeerd. Wyndorf & co doken tijdens de enige bisronde in hun eigen donkere verleden en trokken hierbij resoluut de kaart van de lang uitgesponnen psychedelische nummers, vloeistofdia’s en schedelprojecties incluis. Uit de onvolprezen stonerrock classic ‘Superjudge’ (’93) werd naast het titelnummer ook het bezwerende “Cage Around the Sun” opgedoken. Na het stomende “Tractor” werd de set tot genoegen van de fans van het eerste uur besloten met “Spine of God” waarin Wyndorf de AB zowaar eventjes tot ‘centre of the universe’ omtoverde.

Net zoals de grunge beweging lijkt ook de stonerrock langzaam maar zeker op weg om een voorbijgestreefd genre te worden. Gedateerd kan je de live exploten van Monster Magnet echter bezwaarlijk noemen, want daarvoor stralen Wyndorf & co teveel duivelse bezetenheid uit. Hopelijk blijft die ene ‘bad trip’ voor Wyndorf nog een tijdje uit, en beperken de dagelijkse activiteiten van dit rockbeest zich tot het inademen van onschuldige genotsmiddelen en het uitademen van kosmische vibes.

Organisatie: Live Nation

Pagina 16 van 18