logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

L7
Viagra Boys
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Dark Thoughts + Slovenians – Ramonescore

Met Dark Thoughts en Slovenians mocht The Pit's twee groepen verwelkomen die meermaals benadrukten hoe bijzonder ze het vonden om op deze legendarische plek te mogen spelen.
Terwijl ik me gelukkig mocht prijzen dat ik opnieuw twee uitstekende bands had ontdekt in mijn favoriete punkhol.

Bij een vluchtige check-up vooraf had ik Slovenians, die ondanks haar naam gewoon uit Brussel kwam, bij de hardcore gecatalogiseerd en dat is niet meteen een genre waar ik veel mee heb. Die definiëring leek toch wat voorbarig want als dit al hardcore was, dan toch een behoorlijk atypische vorm ervan. Zo liet de gitaar van Felix Provost zich alvast niet in dat keurslijf wringen en dwaalde geregeld af richting ouwerwetse hardrock. Samen met de bas van Guillaume Triplet en de drums van Laurent Joye smeedde ze explosieve punk die verrassend wendbaar uit de hoek kwam.
Maar het echte uithangbord van Slovenians was zonder twijfel zanger Logan Bronson. Met zijn getatoeëerde gezicht en zijn expressieve mimiek leek hij wel een droevige clown. Dat, terwijl zijn zang al even plastisch klonk. Het gebruikelijke zielloze geschreeuw maakte hier plaats voor levendige zang die voortdurend nieuwe, avontuurlijke oorden verkende.
Naast duidelijke rapinvloeden hoorde ik een breed spectrum aan stijlen die me zowel aan Jello Biafra, John Wright (No Means No) als Alex Harvey deed denken.
Ook de nummers zelf hadden geen gebrek aan variatie. De meeste waren geplukt uit hun kersverse plaat ‘Birds of Disgrace’ maar ook ouder werk zoals het Franstalige "Mobilehome" werd niet geschuwd.
Slovenians ontpopte zich tot een bijzonder aangename verrassing.

Dark Thoughts is een trio uit Philadelphia dat al ruim tien jaar aan de weg timmert en inmiddels vier platen op haar naam heeft staan. Toch had ik er nooit eerder van gehoord wat achteraf toch wel zonde bleek. Hun laatste plaat ‘Highway to the End’ uit 2025 duurt amper 16 minuten en hun set in The Pit's zal daar niet veel bovenuit zijn gekomen.
Maar die korte set was wel bijzonder intens met een reeks energieke nummers die nooit veel langer dan een minuut duurden. Dark Thoughts zweert bij het "snel, sneller, snelst"-principe en daar blijkt zowaar een term voor te bestaan: ramonescore.
Dat leverde pittige, melodieuze nummers op die voorbij waren voor je het wist. Daniel Cox op drums, de flegmatieke Amy Opsasnick op bas en zanger Jim Shomo op scheurende gitaar ontketenden een kleine, plaatselijke tornado die de aanwezigen maar al te graag trotseerden. Net toen de nummers wat te inwisselbaar dreigden te worden, schudden ze "With you" uit hun mouw. Geen T.C. Matic-cover, maar wel een perfecte oefening in de quiet-loud-dynamiek waarbij het gaspedaal even werd gelost en de heilige tweeminutengrens eraan moest geloven. Het bewees dat Dark Thoughts meer in haar mars had dan de gemiddelde punkband. 
Na het laatste nummer bleven de drie wat bedremmeld op het podium achter. Ik vermoed dat Dark Thoughts niet het soort band is dat aan bisnummers doet. Maar in The Pit's moet je na het optreden eerst een weg door het publiek banen om van het podium af te komen. Dus kozen ze eieren voor hun geld en smeten er nog een Ramones/Chris Montez-cover tegenaan: "Let's Dance".
De avondklok werd niet gehaald, maar achteraf zag ik niets dan tevreden grijnzende gezichten. Meer moest dat blijkbaar niet zijn.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Leffingeleuren 2026 – Ontdekkingsfestival bij uitstek, Muzikale odyssee rond de kerktoren
Leffingeleuren 2026
Festivaldorp
Leffinge
2026-09-11 t-m 2026-09-13
Ollie Nollet

Dit was de vijftigste editie van Leffingeleuren en dat mocht gevierd worden, maar veel verschil met vorige edities heb ik toch niet gemerkt. Tenzij misschien aan de merchandisestand, waar een dikke turf met de veelzeggende titel ‘Mirakel in Leffinge: vijftig jaar Leffingeleuren’ lag. Een heuse aanrader, trouwens.
Leffingeleuren bleek, zoals we de laatste jaren gewend zijn, een lappendeken van muzikale genres, waarin talloze onbekende en minder bekende groepen hun opwachting maakten. Pendelen tussen maar liefst vier podia: Zaal, Apollo, Café en Busker Stage. Op zaterdag kwam daar zelfs nog een vijfde podium bij in de Kerk. Een odyssee, rond die kerk trouwens, waarbij je van de ene verrassing in de andere viel en voortdurend groepen ontdekte waarvan je het bestaan niet eens kon vermoeden.
Een waar paradijs voor muziekliefhebbers zonder oogkleppen. Zelfs de weergoden durfden geen roet in het eten gooien en lieten de voorspelde regen voor zondagnamiddag al in de voormiddag vallen.
Kortom, het werd een meer dan geslaagde jubileumeditie. Voor de lijstjesfetisjisten: mijn top 3: 1. Glyders 2. Milkweed 3. Golomb

dag 1 – vrijdag 11 september 2026
Mijn parcours begon in de Apollo met Ak' Chamel, The Givers Of Illness, een in lompen gehuld en met indrukwekkende maskers getooid drietal uit Houston, Texas. Het werd meteen de meest geschifte set van het hele festival. Hun motto luidt: 'postkoloniaal cultureel kannibalisme uit de vierde wereld'.
Drie postapocalyptische figuren brachten aanvankelijk sjamanistische gezangen, met enkel tribale drums als begeleiding. De toevoeging van een basgitaar en een vreemde twaalfsnarige gitaar, die op een bouzouki leek, maakte hun lo-fi rituele folk wat toegankelijker. Meteen schoof het geluid wat meer op richting rock, terwijl er ook Oosterse elementen en invloeden uit de desert blues opdoken. Misschien wel het mooiste en zeker het intrigerendste wat ik op vrijdag zag.

Meteen daarna zag ik in het Café opnieuw een vreemde stam aan het werk: Why The Eye?, een drietal uit Brussel. Hun laatste plaat,’Inspirex’ uit 2024, verscheen bij EXAG' Records en dat volstond om mijn nieuwsgierigheid te wekken. De drie verschenen in koksjassen, met schrikbarende maskers op het hoofd en met schreeuwende piepkippen in de hand, ten tonele. Hun instrumentarium bestond uit een arsenaal aan aftandse elektronica, wat cassettespelers en een koebel.
Een berg aan materiaal en een wirwar aan kabels zorgden voor een verrassend primitief geluid dat ik zou omschrijven als prehistorische techno met wat punkinvloeden. De zang bleek het heikele punt, wat misschien verklaarde waarom Damien Magnette geregeld door een telefoon zong. Niet meteen mijn ding, toch vond ik dit een best genietbare set.

Squid was op vrijdag de grootste naam op de affiche. Ik zag het vijftal uit Brighton in 2019 al eens op Leffingeleuren. Toen konden ze me vooral in de eerste helft van hun set, waarin ze behoorlijk snedig en punk klonken, mijn hart verwarmen. Dit keer bleef ik er ijskoud bij. Als dit postpunk moest voorstellen, vraag ik me toch af waar de punk gebleven was. Dit was gesofisticeerde artrock waar misschien wel iets té veel over was nagedacht.
Het leek erop alsof Squid heel graag Radiohead wilde zijn, en daar zat ik echt niet op te wachten. Maar velen dachten daar duidelijk anders over, getuige de goed gevulde volle zaal.

BIG WETT (uit Melbourne) stond niet op mijn planning maar enkele kenners sleurden me mee naar de Apollo waar het podium volledig leeg bleek. Toen verscheen een bijzonder schaars geklede blonde dame met een zonnebril op het podium. Heel even waande ik me in Het Witte Paard in Blankenberge, tot al snel bleek dat het om iets grootsers ging. Vol zelfvertrouwen werkte BIG WETT zich in het zweet tijdens een wervelende show vol sletterige danspasjes en suggestieve bewegingen. Op een gegeven moment verscheen ze zelfs met een voorbinddildo, die ze alle kanten op liet wapperen. Titels als "69", "Eat My Ass" en "Number 1 Pussy" lieten weinig aan de verbeelding over. 'Ass' en 'pussy' waren trouwens de twee meest voorkomende woorden in de steevast provocerende lyrics.
Muzikaal hield BIG WETT het midden tussen belegen seventiesdisco, Eurovisie songfestival-camp en vluchtige electropop. Alles stond op tape en live zingen deed ze nauwelijks maar dat verhinderde niet dat het publiek massaal uit zijn dak ging.
Als muziekliefhebber had ik hier niets aan, dacht ik na afloop, terwijl ik toch maar snel het kwijl uit mijn mondhoeken veegde.£

De laatste band die ik vrijdag zag was The Moonlandingz uit Sheffield. De groep heeft enkele leden van Fat White Family in haar rangen, al had ik, als ik ze zo bezig zag, eerder op Village People gegokt. De irritante zang van Johnny Rocket, gecombineerd met hun veel te bombastische glampop, joeg me al snel de zaal uit. Vrijdag bleek een dag om snel te vergeten. Dat risico loop je nu eenmaal op een ontdekkingsfestival, maar het moois dat we op zaterdag en zondag voorgeschoteld kregen, maakte dat ruimschoots goed.

dag 2 – zaterdag 12 september 2026
Zaterdag kwam ik fris en monter aan in de Apollo en zo klonk DUG eigenlijk ook. DUG is een duo uit Dublin dat bestaat uit de Schot Lorkin O'Reilly (akoestische gitaar/ resonator gitaar) en de Amerikaan Johnny Pickett (banjo). Om hun sound wat voller te laten klinken gebruikten ze een porchboard, zowat het equivalent van een basdrum, en een voettamboerijn, twee attributen uit hun buskerverleden.
Amerikaanse folk werd afgewisseld met Ierse folk die telkens verrassend fris en beklijvend klonk. Pickett bleek over een gezonde dosis humor te beschikken en maakte zich vrolijk over de wat absurde situatie: bier drinken in de basisschool, die als backstage fungeerde, en vervolgens ook nog in de kerk.
Voor alle duidelijkheid: dat laatste was een privilege voor de artiesten die er optraden. Toen hij ook nog het publiek leerde dansen in een grote cirkel sloeg de balans definitief door richting amusement. De dansers hadden wellicht de tijd van hun leven maar de muziek verloor meteen ook een flink deel van haar spanningskracht.

Vervolgens zag ik Ugly in de Zaal, een bont gezelschap uit Cambridge dat zich intussen in Londen heeft genesteld. Met zijn zessen serveerden ze een spitante mix van janglepop en artrock. Vooral de meerstemmigheid, die vaak jazzy aandeed, bleek een bepalende factor. Soms had het de complexe hoekigheid van Dirty Projectors, maar wild werd ik er niet van.

Toen Golomb vorig jaar ‘The Beat Goes O’ uitbracht op het gerenommeerde No Quarter uit Philadelphia ging er bij mij meteen een belletje rinkelen. De verwachtingen waren hoog maar het powertrio uit Columbus, Ohio loste ze volledig in.
Het echtpaar Mickey en Xenia Shuman, respectievelijk op gitaar en bas, produceerden samen met drummer Hawken Holm luide, fysieke rock die toch verrassend teder aanvoelde. De gitaar klonk geen moment minder dan indrukwekkend, maar ook de harmonieën tussen Mickey en Xenia spraken tot de verbeelding.
Ze worden vaak vergeleken met The Velvet Underground en dat bleek volkomen terecht: net zo ingetogen als compromisloos. Ze creëerden een perfect uitgebalanceerde sound, waar ze zich gelukkig niet krampachtig aan vastklampten. Plots dook er zelfs even een dubritme op. Met Golomb kon ik meteen een eerste hoogtepunt noteren.

Renny Conti was opnieuw zo'n naam waarvan je je afvroeg waarom we daar niet eerder van hadden gehoord. Deze singer-songwriter uit Brooklyn leek wel een gevestigde waarde.
Met een uitstekende band aan zijn zijde bracht hij gelaagde indiepop met lichte folkneigingen. Zijn relaxte zang deed me meteen denken aan Elliott Smith, al klonk hij een stuk minder donker. De songs werden veelal gedragen door een slepende gitaar, maar waren net iets te zacht van textuur en te eenvormig om me volledig over de streep te trekken.

Een stevige bak teringherrie was daarna meer dan welkom. En die kreeg ik van Concrete Vehicles, een vijfkoppig monster uit Vancouver. Voorheen gingen ze nog door het leven als Computer, maar om juridische redenen moesten ze die naam laten vallen. Lang zullen ze er wellicht niet om getreurd hebben.
Hun mix van hardcore en noiserock klonk behoorlijk fucked up, zowel letterlijk als met een knipoog naar de band uit Toronto. Opvallend waren de wildeman achter de toetsen en de sax, die voor wat verlichting in de chaos zorgde. De zang van Ben Lock bleef beperkt tot monotoon geschreeuw en daar heb ik het altijd moeilijk mee.

Daarna brak in de Zaal het moment van de waarheid aan. Glyders uit Chicago was zonder twijfel de groep waar ik het meest naar uitkeek. Ik was al helemaal in de ban van hun twee platen, ‘Maria’s Hunt’ en ‘Forever’, maar live bleek de band nu - ik wik mijn woorden - minstens vijf keer straffer.
Nochtans leek er niet veel te gebeuren op dat grote podium. Statischer kon een band nauwelijks zijn. De drummer slaagde er zelfs in om tijdens het hele optreden geen enkele gezichtsspier te laten bewegen. Glyders moest het dus enkel van de muziek hebben en die had duidelijk geen ornamenten nodig.
De band trapte meteen af met hun beste nummer: "Super Glyde", dat kon bogen op enkele onverwachte tempowisselingen. Hun muziek liet zich omschrijven als cosmic rock die bij momenten behoorlijk groovy uit de hoek kwam. Soms meende ik zelfs een psychedelische versie van JJ Cale te horen.
Centraal stond de Spartaanse, strak maar toch ook warm klinkende gitaar van zanger Joshua Condon. Zonder één overbodige noot bleef ze messcherp klinken, terwijl de solo's telkens weer wonderbaarlijke excursies werden. De diep rollende bas van Eliza Weber en de stoïcijns roffelende drums van Joe Seger zorgden voor aanstekelijke ritmes en een gemoedelijke drive. Soms werd het zelfs wat funky, terwijl country op andere momenten als inspiratiebron opdook.
Maar bovenal had Glyders een volstrekt eigen geluid waar ik maar geen genoeg van kreeg. Blijkbaar was dit al hun tweede Europese tour van het jaar. Hopelijk volgt er snel nog eentje.

Het contrast kon nauwelijks groter zijn: na de euforie bij Glyders werd ik meteen ondergedompeld in de mystieke sfeer van Maya Ongaku. Maya Ongaku is een drietal uit het Japanse Fujisawa dat ons kwam verblijden met dromerige, suggestieve soundscapes.
Ambient zou je het zeker kunnen noemen, maar gelukkig bleef de band met beide voeten stevig op de grond. Gitarist Tsutomu Sonoda zorgde af en toe voor wat omfloerste zang, maar het was vooral Shoei Ikeda die aan de synths de toon zette. De elektronica moest geregeld het veld ruimen voor een saxofoon en zelfs een keer voor een dwarsfluit.
Toch leek de bedwelmende sound voortdurend uit een verre uithoek van de kosmos te komen. Het deed me mijmeren over Tangerine Dream, iets wat me al zeer lang niet meer was overkomen.
Erg behapbaar was het niet, maar Maya Ongaku kreeg het resterende deel van het publiek toch aan het deinen.

En dan was er ook nog Duyster Live, een festival in het festival, waarin Ayco Duyster en Eppo Janssen enkele akoestische bands in de Kerk voorstelden.
Grootste naam daar was Scott McCloud ft. Simon Lenski. Scott McCloud zag ik lang geleden verschillende keren aan het werk met bands als Girls Against Boys, Paramount Styles en New Wet Kojak. Intussen heeft deze Amerikaan Wenen als uitvalsbasis en nam hij zijn eerste soloplaat op in Athene. Die kwam hij samen met cellist Simon Lenski (DAAU) voorstellen in Leffinge. Christel Mignolet van de Brusselse groep Sweet Jane, die onaangekondigd opdook, mocht voor de tweede stem zorgen.
Samen brachten ze een reeks minimalistische, ingetogen songs waarin McCloud meermaals terugblikte op zijn verleden. Als slotakkoord haalde hij nog een paar oude nummers boven, waaronder "Amsterdam again" van Girls Against Boys. Wereldschokkend was het geenszins, maar ik was al lang blij Scott McCloud nog eens terug te zien.

Met Allah-Las had Leffingeleuren een groep met een gevaarlijke naam op de affiche staan. In 2017 werd in Rotterdam een optreden van deze band vlak voor aanvang afgelast na een waarschuwing van de Spaanse autoriteiten voor een dodelijke aanslag. In Leffinge was er gelukkig geen vuiltje aan de lucht en kon Allah-Las, versterkt met een extra toetsenist en percussionist, gewoon zijn ding doen.
De groep uit Los Angeles heeft een stevige live-reputatie, waar ik zelf ooit getuige van was, en toch was ik er niet helemaal gerust op. Dat kwam door de pas verschenen nieuwe plaat, ‘Sirenas’, die op zijn zachtst gezegd nogal vreemd klinkt. Op deze volledig instrumentale plaat lijkt Allah-Las terug te grijpen naar de exotica uit de jaren 50 en 60, terwijl de geest van Joe Meek nooit ver weg lijkt. Gelukkig bleef het aantal nummers uit "Sirenas" beperkt tot twee zodat we volop konden genieten van de stemmenpracht, waar Allah-Las toch om bekendstaat.
De erg laidback gebrachte songs dreven op aanstekelijke grooves waar je niet anders dan vrolijk van kon worden. Ook dit bleek een erg statisch optreden. Buiten een gitaarwissel tussen bassist en gitarist halverwege de set viel er op het podium weinig te noteren. Maar de muziek, met nummers als "Busman's holiday", stond als een huis, al was het misschien soms net iets te relaxed.

Honk, dat in het Café mocht optreden, bleek te bestaan uit een stel geschifte individuen uit Manchester. Zanger Chip Smitten had een indrukwekkende knevel onder de neus en leek wel een rebelse Jon Lord. De bijzonder komische drummer leek dan weer op Benny Hill. Het bleek om een invaller te gaan die voor het eerst met Honk optrad. Meteen rekruteren zou ik zeggen...
Ze zagen er niet alleen geschift uit, zo klonken ze ook. Zelf noemen ze hun muziek trashcan country, vrij vertaald: scheve country. De immer heerlijke klinkende lapsteel zorgde voor een onmiskenbaar country-element. Voor de rest klonk het vooral rommelig en chaotisch, maar tegelijkertijd ook bijzonder fascinerend. Hun wankelende country, gekruid met een schotje punk, deed onvermijdelijk aan Country Teasers denken. En nu die laatsten niets meer van zich laten horen, is een band als Honk meer dan welkom.

dag 3 – zondag 13 september 2026
Zondag leek te beginnen met een anachronisme. Shallowater, een trio uit Houston, Texas, katapulteerde ons meedogenloos terug naar de jaren 90. Die minimalistische, traag voortschrijdende nummers die uiteindelijk uitmonden in een orkaan van gitaargeweld waren toen schering en inslag. Een techniek die vooral bij slowcorebands in zwang was. Hier waren die uitbarstingen best pittig, maar de aanloop was toch telkens net iets te langdradig.
Na twee ellenlange nummers gooide Shallowater plots, en totaal onverwacht, het roer om. De twee resterende nummers door woestijnzand getaande rock, waarbij vooral het laatste, "Angels", sterk aan Neil Young & Crazy Horse deed denken, zowel qua zang als gitaar. Het was meteen ook één van de mooiste nummers die ik tijdens deze editie van Leffingeleuren heb gehoord.

Lothario uit Naarm/Melbourne wordt gewoonlijk omschreven als een garagepunk- of DIY-punkband maar dat klopte slechts ten dele. De band opende furieus met zangeres Annaliese Redlich, die krijste als Poly Styrene van X-Ray Specs. Jammer genoeg bleek hun beste kruid meteen verschoten. Af en toe dook er nog een zweem van een doeltreffend punknummer op, maar meestal verzandde Lothario in gewone harde rock, soms op het banale af. Toch bleef ik genieten van het gitaarwerk van Elsa Birrell, hoewel dat weinig uitstaans had met punk.

Het Londense duo Milkweed wordt weleens omschreven als een onzichtbare band. Persfoto's met herkenbare gezichten zijn er niet en hun namen blijven beperkt tot G en R. Het past natuurlijk perfect bij hun muziek die op zijn zachtst gezegd nogal vreemd klinkt. De twee zaten aan een gigantische tafel vol elektronica, en dat is zelden een goed teken. Daarnaast speelde R banjo terwijl G af en toe een gitaar ter hand nam, maar zich vooral bezighield met cassettes en ook de zang voor haar rekening nam.
Het optreden begon met het geluid van krijsende meeuwen en eindigde met mekkerende geiten. Daartussen werden we meegenomen op een hallucinante trip door de donkerste tijden van de geschiedenis. De muziek - als het al muziek was - kon je nog het best omschrijven als horrorfolk. Lo-fi, compromisloos en verwrongen, niets was wat het leek. Korrelige, vage geluiden op tape die niet zelden bleven haperen, monotone, krakende spoken word en een onconventionele banjo waren enkele van de ingrediënten.
Toegankelijk was het allerminst. De Apollo liep dan ook behoorlijk leeg maar wie bleef en er voor openstond maakte een onvergetelijk optreden mee. Wel miste ik hier de mooie zang van hun platen, ‘Remscéla’ en ‘Folklore 1979’; die kwam hier nauwelijks aan bod. Desondanks vond ik Milkweed het absolute hoogtepunt op zondag!

Prewn is het alter ego van Izzy Hagerup, een zangeres die opgroeide in Northampton, Massachusetts maar intussen gesetteld is in Los Angeles. Geruggensteund door een uitstekende band bracht Prewn knap gezongen songs, waar ik het evenwel warm noch koud van kreeg. Ze wordt soms vergeleken met PJ Harvey, maar dat lijkt me toch wat te veel eer. Daarvoor is haar slaapkamerpop wat te vrijblijvend en dat is nu net het laatste wat je van PJ Harvey kunt zeggen. Maar misschien was ik er gewoon niet klaar voor, net na die grensverleggende set van Milkweed.

Het komt maar zelden voor dat ik een groep pas ontdek bij hun zevende plaat. Toch gebeurde het eerder dit jaar, toen ik ‘Singin' to an Empty Chair’ van het vanuit Chicago afkomstige Ratboys te horen kreeg. Een mooie plaat die me nieuwsgierig maakte naar wat de inmiddels vijftien jaar actieve band er live van zou bakken.
Ratboys nam een vliegende start met het okselfrisse "Open Up", tevens de opener van die laatste plaat. Ik viel als een blok voor de hoge, heldere zang van de ontwapenende Julia Steiner, die er met haar geel-zwarte muts schattig uitzag. Maar ook gitarist Dave Sagan, eveneens getooid met een muts, maakte met zijn levendige, twangy gitaarspel minstens evenveel indruk. Wat klonk dit sprankelend, als een pas geopend blikje frisdrank.
Jammer genoeg verdween ook bij Ratboys na een tijdje de bruis. Niet dat hun indierock plots ondermaats klonk, maar het overrompelende effect was er niet meer bij. Met "Look To" en "Alien With a Sleep Mask" vonden ze gelukkig hun tweede adem, twee afsluiters die bewezen dat Ratboys ook vroeger al sterke nummers schreef.
Net iets te weinig variatie om van een echt hoogtepunt te kunnen spreken.

Daarna werd het tijd om de hype van het moment te gaan checken: Man/Woman/Chainsaw, een zeskoppig gezelschap uit Londen met wortels in de befaamde Windmill-scene. Sommige media hadden de lat alvast hoog gelegd: Man/Woman/Chainsaw zou er in Leffingeleuren met kop en schouders bovenuit steken. Maar dat ballonnetje werd al snel doorprikt. Ok, de groep zag er beeldig en kleurrijk uit en het gebruik van een viool zorgde voor een verfrissende toets maar verder was het echt wel zoeken naar wat Man/Woman/Chainsaw nu zo uniek maakt. Dit was doordeweekse indiepop, met nu en dan een poging om wat arty te klinken. Een Flying V met een strijkstok bespelen oogt misschien spectaculair maar de meerwaarde ervan hoorde ik helaas niet. Een ontgoocheling.

Vervolgens overdonderde Cowboyy, een trio uit het Britse Portsmouth, ons met een immense muur van geluid. Aanvankelijk zag ik door de bomen het bos niet meer, dit klonk wel heel eendimensionaal. Bovendien was hun mix van post-hardcore en mathrock niet bepaald iets waar ik op zat te wachten. Maar gaandeweg ontdekte ik in het geraas ongewone groove- en tempowisselingen, die het geheel toch naar een hoger plan tilden. Verder ontpopte Stanley Powell zich plots tot een fantastische gitarist met een spectaculaire stijl. Die ongebruikelijke gitaarlijnen waren niet altijd even raak, maar bleven wel intrigeren.
Het zwakke punt van Cowboyy was de praatzang van Powell, die totaal niet in het plaatje paste.

Op plaat kon Ghostwoman me nog niet volledig overtuigen, maar op het grootste podium van Leffingeleuren lukte dat wél. Het Canadees-Belgische duo, met zanger/gitarist Evan Uschenko en drumster Ille van Dessel, bracht een sobere maar erg gesmaakte set.
Ondanks de beperkte middelen klonk het geluid indrukwekkend, grotendeels dankzij de gitaar van Uschenko. Want de drums van van Dessel waren niet bepaald spectaculair, wel heel adequaat. Ghostwoman bracht franjeloze psychrock met een uitgesproken garagerockaanpak waarbij de gruizige gitaar alle ruimte kreeg. Nadat ik eerder in de aanhef van een nummer al enkele Pink Floyd-noten meende te herkennen, kon Uschenko het niet laten om ons ook de intro en het eerste couplet van "Wish You Were Here" voor de voeten te gooien. Meer dan een onderhoudend tussendoortje was het niet en als Uschenko al zijn mosterd bij Pink Floyd haalde dan toch bij de acht jaar jongere versie.
Ghostwoman bleek onverwacht een van de hoogtepunten op zondag.

In tegenstelling tot vorig jaar viel er tijdens deze jubileumeditie weinig onvervalste punk te beleven. Ook Sex Mask uit Melbourne bracht geen punk maar kreeg het publiek wel aan het kolken. Dat lag niet zozeer aan de muziek, die ik eerder als new wave zou omschrijven, maar aan zanger Wry Gray, die zich ontpopte tot een ware volksmenner. Halverwege de set riep hij om Brad Pitt, waarop een rapper het podium opstormde. Het hek was nu helemaal van de dam. Samen wisten ze het publiek nog verder op te zwepen terwijl de mix van new wave en rap voor een explosieve cocktail zorgde. Zo smolten mijn aanvankelijke reserves helemaal weg. 

Intussen begon de vermoeidheid zijn tol te eisen, waardoor ik maar een beperkt deel van het optreden van Maria Iskariot meepikte. Het viertal uit Gent stond nog steeds garant voor wilde, frisse, Nederlandstalige punk die zijn gelijke niet kent. De volledig vrouwelijke frontlinie blijft opvallen omdat het helaas nog steeds een zeldzaamheid is. En dan was er uiteraard nog de charismatische, ongetemde Helena Cazaerck, een frontvrouw die iedere band zich zou wensen. Ook hier wist ze het publiek bij de show te betrekken door tijdens de Gorki-cover mensen uit te pikken en hen "Dat vind ik lekker" in de micro te laten zingen. Deze keer stond ik gelukkig ver genoeg om de dans te ontspringen.

TVOD uit Brooklyn bleek de ideale afsluiter van de feestelijkheden in de Apollo. Het was de laatste show van hun tour en het zeskoppige gezelschap was dan ook vastberaden er een feestje van te maken. Hoewel ik een sterk vermoeden heb dat ze dat altijd willen. Zanger Tyler Wright slaagde erin om ‘Leffinge’ perfect uit te spreken en maakte er prompt zijn stopwoordje van. Hij vloog er meteen vol in en liet al snel zijn microfoonstandaard, voor hem duidelijk een overbodig attribuut, in het publiek verdwijnen.
TVOD ontketende één grote explosie van energie die meteen oversloeg op het publiek. Hun sound bleek een mix van post- en poppunk die opgejut werd door infectieuze dancebeats. De twee gitaren, synths, bas en drums creëerden een muur van geluid die gelukkig voldoende ademruimte liet. Toch was het Tyler Wright die voortdurend de show stal en al gauw boven de hoofden van het publiek zweefde.
Naast veel werk uit hun debuut liet TVOD ook een vijftal nummers uit hun nieuwe plaat ‘The Farm’, die in oktober verschijnt, op ons los.
"What time is it?" riep Wright waarop massaal "Party Time" werd geschreeuwd. Het gelijknamige nummer vormde samen met "Alien" het slotakkoord van een wervelende set.

Daarna bleef er nog één naam over. Model/Actriz, dat onlangs Boston voor Brooklyn ruilde, mocht definitief een punt zetten achter deze vijftigste editie van Leffingeleuren.
Na Man/Woman/Chaisaw, dat eerder op de dag hopeloos de mist inging, kregen we opnieuw een hype voor de kiezen. Model/Actriz bracht het er beter van af, maar dat was vooral te danken aan één man: zanger Cole Haden. Als een ware diva verscheen hij met een netje over het hoofd op het podium, wat een mooi contrast vormde met zijn pornosnor. Al vlug verdween hij in het publiek, waar hij menig jongeman een aanzoek deed en uiteindelijk zowat de helft van de set zou doorbrengen. De momenten waarop hij wél op het podium stond leverde hij een theatrale performance af waar je je ogen nauwelijks van kon afhouden. En de muziek? Daar had ik op zijn zachtst gezegd toch wat bedenkingen bij. Ik hoorde schurende industrial rock/pop waarbij ik me afvroeg of het publiek zonder de show van Haden even enthousiast zou hebben gedeind.
Haden zelf leek wel te willen croonen, maar deed dat op een verhakkelde manier. Op plaat zou ik hier nooit naar luisteren maar live viel de balans uiteindelijk positief uit. Model/Actriz bleek een waardige afsluiter van een geslaagde jubileumeditie.

Aftermovie LL 2026 Aftermovie LL2026

Volgende editie 10 sept - 12 sept 2027 

Neem gerust een kijkje naar de pics @Kristof Acke
https://www.musiczine.net/index.php/nl/component/phocagallery/category/10273-leffingeleuren-2026?Itemid=0
Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge  

dinsdag 08 september 2026 12:24

Oil City Band - Dr. Feelgood tribute

Oil City Band - Dr. Feelgood tribute

Nadat Oil City Band eerder dit jaar een optreden in de Boegie Woegie in laatste instantie had moeten afzeggen, stond de groep dit keer wél op het podium. Plaats van het gebeuren was BARTje Tverzet, een zomerbar op de LandMarck site in Kortrijk. Het was er best gezellig, maar toch vond ik het niet meteen de meest geschikte plek voor de vuige pubrock van Dr. Feelgood. Die associeer ik eerder met donkere, rokerige kroegen die stinken naar zweet en verschaald bier. Maar ik ga niet klagen: de lucht was er gezond, de muziek heerlijk en we kregen er ook nog een gratis koekje bij.

Oil City Band is een Frans Belgische groep uit de omgeving van Kortrijk. De drummer bleek geen onbekende: Rik Masselis, die ooit de vellen roerde bij P.I.G.Z. en Definitivos, twee legendarische namen uit de Belgische punkgeschiedenis. Oil City Band is een pure tributeband, een concept waar ik normaal gezien met een wijde boog omheen loop. Maar wanneer het om een relatief kleine band, zonder echte hits, als Dr. Feelgood gaat maak ik graag een uitzondering.
Ik had bovendien ook heel wat lovende commentaren over ze opgevangen, en daar bleek geen woord van gelogen. De zanger had de juiste gemene snauw in zijn stem en leek bovendien zelfs fysiek op Lee Brilleaux. De gitaar klonk nochtans messcherp maar kwam toch niet in de buurt van de exceptionele stijl van Wilko Johnson. Maar dat is geen verwijt: ook Wilko's opvolgers bij Dr. Feelgood geraakten daar nooit.
De setlist putte uit de eerste zeven jaar van Dr. Feelgood en bevatte zelfs een deep cut: de Fats Domino-cover "My Girl Josephine" die alleen op de boxset  ‘All Through The City’ staat. Het werk van na 1982 liet Oil City Band wijselijk links liggen. Een mooie en gedurfde keuze, waarbij gekendere nummers als "Milk And Alcohol" of "Back In The Night" werden overgeslagen.
Soms moest een nummer twee keer worden ingezet en bij "Drives Me Wild" raakten de zanger en de gitarist het aanvankelijk niet eens over hoe die gitaar nu precies moest klinken. Gebrek aan optredens wellicht, maar het maakte niets uit: de sfeer werd er alleen maar ongedwongener door.
Oil City Band bleef het erg strak houden en had enkele topnummers achter de hand gehouden voor een zinderende finale. Die begon met "She Does It Right", mijn favoriete Dr. Feelgood-song die ze alle eer aan deden met een vlijmende gitaar die door merg en been sneed.
Nog maar nauwelijks bekomen van "She Does It Right", kregen we meteen een nieuwe oplawaai met "Roxette" en "You Shouldn't Call The Doctor (If You Can't Afford The Bills)". Het geroep om een bisnummer bleef eerder beperkt, maar met die magere opkomst - het was nochtans gratis - was dat niet echt verwonderlijk. Toch kwamen ze nog eens terug en trakteerden ons royaal op twee covers die ook op het repertoire van Dr. Feelgood stonden. Eerst was er de Leiber-Stoller-song "I'm A Hog For You", die The Coasters in 1959 als eersten op plaat zetten.
Om vervolgens af te sluiten met het intussen stilaan platgecoverde "Route 66", tot groot jolijt van de kerel in een Route 66-T-shirt.
Achteraf vroeg ik me af of de huidige Dr. Feelgood - de band bestaat nog altijd, zij het zonder originele leden - het even goed zou doen.

Organisatie: BARTje Tverzet, Kortrijk

Badlands 2026 – Take the trip - Toody Cole overtreft alle verwachtingen
Badlands 2026
Lottum
2026-08-21 t-m 2026-08-23
Nederland
Ollie Nollet

Badlands is een driedaags festival in Lottum, een dorpje in Nederlands Limburg, waar muziek en een liefde voor oude motoren hand in hand gaan. Wat meteen opviel, was de piekfijne organisatie. Nergens wachtrijen, veel oog voor de aankleding en randanimatie, onberispelijk en in ruime mate aanwezig sanitair dat er na drie dagen nog smetteloos bij stond.
En dat alles tegen zeer democratische prijzen! En het programma? Mooi, maar niet van die aard om er een verre verplaatsing voor te maken. Maar met Toody Cole hadden de organisatoren onverwacht een vette vis aan de haak waardoor Badlands plots heel interessant werd. Toody Cole stond al op mijn planning voor de Vera in Groningen maar Lottum ligt een pak dichter bij huis, waardoor de keuze snel gemaakt was.

dag 3 - Badlands 2026 – zondag 23 augustus 2026
De eerste band die ik op Badlands zag, was Drum&Beeker, een duo uit het nabijgelegen Venlo. Garageblues met gitaar en drums, gezongen in het plaatselijke dialect, die wel heel sterk lonkte naar The Bonnevilles. Het had zeker wat, maar zelfs op dit piepkleine podium kwamen ze niet helemaal tot hun recht, of misschien speelde het felle daglicht hen wel parten.

Jenny Don't and The Spurs waren tijdens deze Europese tour mee in de slipstream van Toody Cole. De twee leden van Toody's band maken immers ook deel uit van The Spurs. Mooi meegenomen, want Jenny Don't and The Spurs moeten zowat mijn favoriete countryband van de laatste jaren zijn.
Het was nog vroeg op de middag en de grote tent was verre van vol maar één erg geïnteresseerde toeschouwer hadden ze alvast: Toody. Af en toe lastiggevallen door een stel opdringerige bezoekers die zonder veel omhaal met haar op de foto wilden, volgde ze het hele optreden vanaf de eerste rij. En hoewel het ook voor haar zeker niet de eerste keer geweest zal zijn, leek ze net als ik behoorlijk onder de indruk.
The Spurs opende hun set traditiegetrouw met een instrumentale intro, gedistilleerd uit ‘Bones in the sand’, die naadloos overging in "Flying High". Zo werd het meteen genieten van de heerlijk galmende gitaar van Christopher March, waarin ik de geesten van Link Wray en Duane Eddy meende te ontwaren.
Het is precies die bedachtzame rock-'n-rollaanpak van March, in combinatie met de engelachtige countryzang van Jenny Don't, die de groep boven het omvangrijke peloton countrybands doet uitstijgen. Verder gaf bassist Kelly Halliburton, niet vies van een rock-n-rollpose meer of minder, het geheel een vettig garagerandje terwijl de wat onopvallende Buddy Weeks achter de drums voor een onstuitbare drive zorgde. Het duurde misschien even, maar de immer breed glimlachende Jenny Don't wist de sfeer uiteindelijk tot het kookpunt te brengen. Dat was meteen het sein voor enkele Hollandse meiden om onder het goedkeurend oog van Toody hun beste line-dancepasjes te demonstreren.
Intussen volgden de hoogtepunten elkaar in snel tempo op, waaronder het hartverscheurende "Unlucky Love" en het door een Bo Diddley-beat aangedreven "My Baby's Gone".
Dit was de derde keer dat ik deze groep uit Portland, Oregon aan het werk zag en opnieuw werd ik genadeloos overrompeld. Hoewel het - ik durf het bijna niet te schrijven - misschien toch stilaan tijd wordt om de set met enkele nieuwe nummers op te frissen.

Daarna was ik getuige van een uitzonderlijk fenomeen: een voormalige Londense busker die als one-man-band een intussen volgepakte tent moeiteloos uit haar dak liet gaan. Cam Cole verontschuldigde zich omdat hij geen Nederlands sprak, maar zei er meteen bij dat hij een taal sprak die we wél zouden verstaan: die van de blues en rock-'n-roll. En of de meute dat verstond!
Cam Cole, getooid met een kleurrijke hoge hoed en een jasje dat hij bij Sergeant Pepper's Lonely Hearts Club Band leek te hebben geleend, werd meteen als een ware held ontvangen. Gezeten op wat wel een troon leek, met een gigantisch 'spinning wheel' als decor, produceerde hij in zijn eentje een verrassend volle sound. Daarvoor maakte hij gebruik van drie gitaren, waaronder een Mule Resonator Guitar, en een footdrumkit. Dat laatste bestond uit een basdrum, snare, cymbaal, tamboerijn, koebel en nog een ondefinieerbaar ding.
Een massieve muur van geluid vormde het karkas van zijn primitieve trashbluesnummers. Telkens hij zo'n nummer inzette, dacht ik: 'wow, dit wordt fantastisch!' maar even snel als ze kwam, verdween de euforie weer. De songs hadden te weinig om het lijf en zelfs die indrukwekkende sound miste het nodige reliëf. Het publiek trok zich daar duidelijk niets van aan en ging uitzinnig te keer.

Dead Moon is zonder twijfel een van de beste groepen die de undergroundrock-'n-roll ooit heeft voortgebracht. De groep was actief tussen 1987 en 2006, maar er volgden nog enkele reünieconcerten vanaf 2014. In 2017 viel het doek definitief toen frontman Fred Cole stierf aan kanker. Een jaar eerder was drummer Andrew Loomis hem al voorgegaan, eveneens ten gevolge van kanker. Bassiste Toody Cole, die op het moment van Fred's overlijden precies vijftig jaar met hem getrouwd was, besloot in 2023 totaal onverwacht met een eigen band de erfenis van Dead Moon nieuw leven in te blazen. Na een eerdere tour vorig jaar door Australië en Nieuw-Zeeland, was dit jaar Europa aan de beurt, met Badlands als een van haar haltes. Mijn verwachtingen waren hooggespannen maar ik had toch ook de nodige reserves. Ten tijde van Dead Moon zong Toody ook steevast een paar nummers waarbij ze telkens liet horen dat zingen niet haar sterkste kant was. Nu zou ze dus alle nummers zingen en ik kan u meteen vertellen dat ze dat tegen alle verwachtingen in bijzonder voortreffelijk deed. 77 is ze ondertussen, maar daar was eigenlijk niets van te merken. Een enkele keer leek ze wat last van haar vingers te hebben, maar dat belette haar geenszins om heftig aan de bassnaren te plukken.
Met opener "Walking on my grave" kwam de set meteen op kruissnelheid. Wat volgde was een gelukzalig makend feest van herkenning dat alle mooie herinneringen weer naar boven bracht. "Dagger Moon", "Going South", "Fire in the Western World", "Johnny's got a gun"... Stuk voor stuk briljanten die ik veel te lang had moeten missen.
Daartussen ontwaarde ik ook twee nummers die niet van Dead Moon waren. Eerst was er "Caroline" van Pierced Arrows, de groep van Fred en Toody na Dead Moon. En even later volgde "You must be a witch", een nummer uit 1968 van The Lollipop Shoppe, een vroegere groep van Fred Cole, dat ook te vinden is op de legendarische Nuggets-verzamelaar die door Lenny Kaye werd samengesteld.
En dan had ik het nog niet eens over 'her band'. Op drums de immer enthousiaste Kelly Halliburton, die uiteraard het klappen van de zweep kent: hij was immers ook drummer bij Pierced Arrows. En dan was er nog Christopher March, die ook hier weer schitterde op gitaar, net als bij Jenny Don't. Hij deed gelukkig geen krampachtige poging om de scheurende gitaar van Fred Cole te imiteren, maar bleef gewoon trouw aan zijn eigen stijl en dat bleek zonder twijfel de beste keuze.
Intussen bereikte de feeststemming haar toppunt toen er gratis bier aan de eerste rijen werd uitgedeeld. Of het daaraan lag weet ik niet, maar even later barstte een moshpit in alle hevigheid los.
Met "Dead Moon Night" kwam er een einde aan een set die veel te vlug voorbijgevlogen was. Een bis kon uiteraard niet uitblijven en met "54/40 or fight" gingen nog eens alle vuisten de lucht in. Wat ben ik blij dat ik dit nog mocht meemaken.
Setlist Toody Cole and Her Band @ Badlands 23-08-2026
1 Walking on my grave 2 Caroline 3 Dagger moon 4 Psychodelic nightmare 5 Going south 6 All sold out 7 You must be a witch 8 Claim to fame 9 Fire in the western world 10 Running out of time 11 I hate the blues 12 Diamonds in the rough 13 Johnny’s got a gun 14 Clouds of dawn 15 It’s O.K. 16 Dead Moon night 17 54/40 or fight


Na dit verpletterende optreden had ik gerust naar huis kunnen gaan - tenslotte was het hiervoor dat ik gekomen was - maar gelukkig deed ik dat niet en ontdekte ik nog twee uitstekende Nederlandse bands.
De eerste was Eyesores, een trio uit Harderwijk dat eerder dit jaar debuteerde met ‘They want to see you fall’. Eyesore betekent zoveel als 'doorn in het oog': iets dat zo lelijk is dat het pijn doet aan de ogen. Maar dat was Eyesores allerminst.
Integendeel, ik kon mijn ogen niet van hen afhouden. De drie jongemannen brachten met veel branie en lef een luide mix van garagepunk, noise en grunge. ‘De Nederlandse SEXTC’, fluisterde iemand me in het oor, en daar had hij zeker een punt. Datzelfde tomeloze en ongegeneerde enthousiasme, diezelfde vette, smerige riffs en zelfs het podium, waarop ze stonden, bracht me terug naar de Busker Stage op Leffingeleuren waar ik voor het eerst SEXTC zag. En net als toen hoorde ik ook hier minstens één nummer dat schatplichtig leek aan Nirvana.
Het plein voor het podium muteerde dan ook snel tot een gigantische moshpit. Bovendien kwam Jochem Lambert af en toe vanachter zijn drumstel tevoorschijn om met wilde gesticulaties nog wat olie op het vuur te gooien. Samen met zanger-gitarist Justin Ruitenschild en bassist Lars van den Bogaard beleefde hij duidelijk de tijd van zijn leven. Dat was voor mij niet veel anders, en het was tegelijk ook een geruststelling dat jongeren zich nog aan dit soort muziek willen vergrijpen.

Mooon, een trio uit Aarle-Rixtel, een dorp in Noord-Brabant, blijkt een gevestigde waarde in de Nederlandse undergroundscene. Ik had er eerlijk gezegd nog nooit van gehoord. Sinds Badlands is dat definitief verleden tijd want Mooon maakte er behoorlijk wat indruk.
Vanaf de eerste noten had deze groep me bij de lurven. Alles, maar dan ook alles, ademde bij Mooon de sixties. Met een kapsel en kledij waar duidelijk veel tijd aan was besteed leek bassist Tom de Jong zo uit een beatbandje uit het midden de jaren zestig te zijn gestapt. Broer Gijs (drums) en neef Timo van Lierop (zang/gitaar) zagen er op hun beurt uit alsof ze pas Woodstock hadden meegemaakt.
Ook muzikaal lagen de invloeden uit het gouden tijdperk van de muziek er vingerdik op. Die psychedelische gitaar, die infectieuze beat en die wonderlijke samenzang: ik kreeg er maar geen genoeg van. Het deed me voortdurend aan The Byrds denken, altijd al een van mijn favoriete sixtiesgroepen.
Ieder nummer leek wel een cover, maar was het nooit. Riffs en melodieën werden met veel respect gerecycleerd. Soms iets te expliciet: zo leek "She makes me feel" wel heel erg op "Psychotic reaction" van Count Five. Nummers als "Alcohol" en "Mary you wanna" waren zo aanstekelijk dat het leek alsof ze altijd al hadden bestaan.
Uiteindelijk kregen we met de slotsong dan toch een echte cover: "Kick out the jams" van MC5. Een atypische keuze eigenlijk, maar het werd dan ook gezongen door een gastzanger. En zo kom ik bij het heikele punt: waarom Mooon niet de volle vijf sterren binnenhaalde. De band tackelde gewoon zichzelf door bij ieder nummer iets speciaal te willen doen. Het werd voortdurend een komen en gaan van gastmuzikanten, allen nobele onbekenden voor me. Maar zelfs dat vonden ze niet genoeg. Het spektakel begon eigenlijk al voor het optreden, toen de drummer op een motorfiets het podium opreed. Tijdens het tweede nummer liet een roadie (?) zich op een surfplank boven de hoofden van het publiek ronddragen. Even later rolde voor "Too cool for school" een koortje op een podiumkar het podium op. Halverwege de set werd zelfs een heus kanon bovengehaald. Die werd met vier grote fietspompen onder druk gezet, waarna er een lading t-shirts de zaal in werd geschoten. En zo kan ik nog even doorgaan. Het was er gewoon over terwijl hun muziek alleen al ruim voldoende was om er een geweldig feest van te maken.
Toch bleef het een mooi orgelpunt van een op alle vlakken geslaagde festivaldag.

Organisatie: Badlands

Excelsior Rocks! 2026 – Geslaagde eerste editie!
Excelsior Rocks! 2026
Place Cardinal Mercier
Jette
2026-08-22
Ollie Nollet

Het zijn barre tijden om een nieuw festival te starten. De lange lijst vergunningen en regels lijkt een onoverkomelijke hindernis. Toch bundelden twee cafés aan het Kardinaal Mercierplein in Jette de krachten om samen een eerste editie van Excelsior Rocks! op poten te zetten. Nu zijn beide cafés niet helemaal onbeslagen in het organiseren van optredens. Vooral het Excelsior Stam Cool Café mocht al heel wat mooie namen verwelkomen, onder wie The Briefs en The Morlocks, terwijl ook het Welkom Café al enkele buitenlandse groepen een podium gaf.
Qua opkomst was Excelsior Rocks! alvast een succes. Nu maar hopen dat ook het financiële plaatje klopt, want het festival was volledig gratis. Het deed me wat denken aan de begindagen van het Binic Folks Blues Festival, waar men ook met een gratis formule kleine groepen uit de garagerock en punk aan een groter publiek presenteerde. In Jette was het toch net iets kleinschaliger: één dag, één podium en zeven groepen waarvan ik er vijf aan het werk zag.

De eerste band die ik zag, was MFC Chicken, een kwartet uit Londen dat al sinds 2010 actief is. Na vijf platen op Dirty Water Records verscheen hun nieuwste worp, ‘Milk Chicken’, op het Spaanse Folc Records. Met hun vieren, allen keurig in het pak en met een strikje, leken ze wel drie generaties te overspannen. Bassist Zig Criscuolo en gitarist Dan Criscuolo, die je ook zou kunnen kennen van The Fuzillis, waren vader en zoon terwijl drummer Ravi Low-Beer met gemak de opa van Dan had kunnen zijn.
De vier brachten bijzonder aanstekelijke no nonsense rock-'n-roll met de heerlijke sax van Spencer Evoy als drijvende kracht. Evoy was een frontman naar mijn hart die naast de sax ook de zang voor zijn rekening nam en tussendoor nog geregeld de tijd vond om zijn haar in de juiste plooi te kammen.
Opvallend veel nummers gingen over kippen waarvan ik er zowaar eentje herkende: "Chicken Shack Boogie" van Amos Milburn. Dit was retro rock-'n-roll, met zoveel panache gebracht zodat het nooit oubollig aanvoelde. Hier ging een onvermoede energie van uit die deed denken aan Barrence Whitfield, met wie ze trouwens hebben samengewerkt. De danspasjes waren wellicht wat keuriger dan bij die laatste, maar de bassist en de saxofonist waren toch niet te beroerd om zich even tussen het publiek te mengen.

De presentator, een lokale komiek die niet onverdienstelijk bleek in het droogworstenwerpen, wist ons te vertellen dat Little Steven (Van Zandt) hen ooit tot nummer één-garagerockband uitriep. Nu vermoed ik toch dat Little Steven er minstens eentje te veel op had toen hij die uitspraak over Muck and The Mires deed.
De acht platen die de band uit Boston, Massachusetts uitbracht, zijn bezwaarlijk meesterwerken te noemen en ook de laatste EP, ‘The Ghost of Roky Erickson’ valt ondanks zijn fraaie titel wat licht uit. Nu zijn dit soort groepen doorgaans beter live dan op vinyl maar aanvankelijk viel ook dat wat tegen. Hun retro powerpop in een garagejasje bleef in het begin wat steken in een troebele brei.
Nu hoeft garagerock voor mij zeker niet perfect te klinken maar hier vielen er nauwelijks nummers te ontwaren die die naam waardig waren. Nochtans ontbrak het de vier, die zich in identieke outfits hadden gehesen, allerminst aan enthousiasme. Maar met "Love Potion No.9", een cover van The Clovers, kwam plots de kentering. Eindelijk werd de juiste balans gevonden en kon ik ten volle genieten van hun ongecompliceerde songs. Ook hun uitstapje naar de Mersey Beat met "It's gonna be alright" van Gerry and The Pacemakers was een voltreffer.
Met het slotoffensief ging ik uiteindelijk helemaal overstag. Eerst was er het vrij stevige "I'm your man" dat leadgitarist Pedro Mire zong en dat geplukt werd uit het repertoire van zijn andere groep, de Ape Hangers. Maar het mooiste werd tot het laatst bewaard: "Commando", een onweerstaanbare Ramones-cover.

Les Rencards was de groep waar ik het meest naar uitkeek en ze maakten die verwachtingen meer dan waar. Les Rencards is een internationale groep uit Barcelona met vier uitgesproken persoonlijkheden. De Barcelonese zangeres Merli Marlowe is zonder twijfel de blikvanger van het gezelschap. Ze leek wel een jonge, en vooral sexyer, versie van Nana Mouskouri. Ze zingt in het Frans omdat ze als cineaste gefascineerd is door de Nouvelle Vague. Dat Frans leerde ze tijdens haar studies in Brussel.
Op het podium ontpopte ze zich meteen tot een onvervalste vamp. Haar hese stem bleek niet altijd even toonvast maar dat maakte haar zang alleen maar zwoeler. Samen met haar drie kompanen bracht ze een intrigerende mix van yé-yé en sixties garagerock. Kronkelend rond haar microfoonstandaard of zich een weg dansend door het publiek zoog ze voortdurend alle aandacht naar zich toe. Maar ook de drie andere muzikanten verdienden minstens evenveel aandacht. Marc Argenter, duidelijk de chouchou van Merli, bleef me verbazen met inventief gitaarwerk. De Braziliaan Gabriel de Camargo was al even imponerend op bas en mocht bovendien twee nummers in het Portugees zingen, die zeker niet van de minste waren. Ten slotte was er nog Ian Kay,de jonge Fransman van Armeense afkomst achter het drumstel. Ook hij bleek behoorlijk creatief: tijdens het prijsnummer "Mon ami" gebruikte hij zowaar een bierflesje als percussie-instrument. Ook hij mocht even iets zingen en deed dat met verve, in een nummer dat heel sterk aan Them deed denken. Dat hoeft niet te verbazen: hij brengt platen uit onder zijn eigen naam en is daarnaast zanger-gitarist bij The Cavemen V en The Missing Souls.
Les Rencards sloten hun indrukwekkende set af met "Ton rencard", waarin Merli nog eens alles uit de kast haalde om het publiek op te hitsen.

Daarna was het tijd voor onze nationale trots, The Kids. Intussen was het plein volledig volgelopen. Kwamen die echt allemaal voor The Kids of waren er velen die dit gratis festival enkel 's avonds wilden meemaken? Veel maakt het niet uit: The Kids speelden gewoon een verpletterende set. Ik zag ze eerder dit jaar al in De Zwerver, in het kader van hun vijftigjarig jubileum. Ook toen was ik behoorlijk onder de indruk, maar wat ik hier meemaakte, lag toch nog enkele niveaus hoger. Nochtans was de setlist nagenoeg identiek en zullen ze in Leffinge ongetwijfeld evenzeer het beste van zichzelf gegeven hebben. Maar hier in Jette hing een magie in de lucht die zich rationeel niet liet verklaren.
Vanaf het eerste nummer "No Work" sloeg de vonk over op het publiek. Wat volgde leek een resem onbetaalbare hits waarop het deinende publiek bijzonder warm reageerde. "On s'amuse!" riep gitarist Luc van de Poel in zijn beste Frans. Met zijn 73 is hij de nestor van de groep, maar toch leek hij veruit de energiekste van het stel. Of Ludo Mariman het besefte, weet ik niet, maar hij zong hier "Fascist Cops" in de schaduw van het plaatselijke politiekantoor.
Het was de aanloop naar een zinderende finale met "Do You Love the Nazis" als apotheose. Uiteraard kon een bisnummer niet uitblijven. "If the Kids Are United" van Sham 69 liet de moshpit ontploffen, waarna een stormloop op het podium volgde. Zo te zien begint het leven pas bij 70.

Opvallend veel mensen droegen een t-shirt van The Molotovs, terwijl de groep mij totaal onbekend was. Wat speurwerk leerde me dat The Molotovs een Londense groep zijn met broer en zus Mathew (zang/gitaar) en Issey (bas) Cartlidge als spilfiguren. Echt wild werd ik niet van hun dit jaar verschenen debuut ‘Wasted on Youth’, maar de groep zou met zo'n 600 optredens achter de kiezen vooral live een openbaring zijn. Samen met drummer Noah Riley wisten broer en zus het publiek vanaf de eerste noten in te palmen. Het oogde ook vrij spectaculair met Issey Cartlidge die als een krolse kat in jarretelles over het podium denderde. Mathew Cartlidge zag er niet alleen uit als een jonge Paul Weller, zo klonk hij ook. Diezelfde mix van mod en new wave, alleen ontbrak het hem aan de sterke songs van Weller.
Visueel bleef het tot de verbeelding spreken maar muzikaal gleed het te ver af richting mainstream-Britpop waardoor ik voortijdig afhaakte.

Toch was deze eerste editie van Excelsior Rocks! een schot in de roos, al waren er nog enkele werkpuntjes. Zo bleek de toog, toch een belangrijke bron van inkomsten voor een gratis festival, veel te klein om alle dorstigen te laven. Maar voor de rest niets dan lof!

Organisatie: Excelsior Stam Cool Café + Welkom Café, Jette ikv Excelsior Rocks!

zaterdag 08 augustus 2026 15:13

Gee Tee + Clamm - Punk in twee gedaantes

Gee Tee + Clamm - Punk in twee gedaantes

Een verrassend hoge opkomst voor twee groepen, Gee Tee en Clamm, die toch niet bepaald bekendstaan als grote publiekstrekkers. Nu was deze affiche met twee groepen uit de bloeiende Australische punkscene, waarvan de wegen toevallig in Diksmuide kruisten, een mooie double bill.
Maar anderzijds was het ook gewoon een weekdag, met temperaturen die eerder uitnodigden om de voeten onder tafel te schuiven op een zonnig terrasje. Dat er dan toch zoveel volk de weg vond naar een donkere concertzaal sterkt mijn overtuiging dat er nog altijd behoefte is aan echte, levende muziek.

Telkens ik Clamm, een trio uit Naarm/ Melbourne, zie, hebben ze een andere bassist bij. De eerste keer, op Leffingeleuren in 2022, was Maisie Everett de bassiste, die toen al Luke Scott verving. Toen Everett definitief voor de Belair Lip Bombs koos, werd zij op haar beurt vervangen door Stella Rennex.
Maar toen ik de band in 2023 in De Kreun zag, werd haar plaats ingenomen door Alan Jones. Dit keer was Stella Rennex er wel bij en, toeval of niet, raakte ik, na die eerder teleurstellende passage in De Kreun, opnieuw helemaal in de ban van Clamm. Hoewel ik moet toegeven dat het even zijn tijd nodig had.
Clamm is nu niet meteen de feestband die je vanaf de eerste noten omver blaast maar gaandeweg raakte ik toch steeds meer gebiologeerd door hun intrigerende muziek. De set werd aangesneden met het nagelnieuwe "Swept up", een traag en onheilspellend nummer waarin zanger-gitarist Jack Summers de lyrics monotoon opdreunde. Echt punk kon je het niet noemen en dat gold eigenlijk voor de hele set, die voornamelijk putte uit de laatste plaat, ‘Serious acts’ en het voor oktober aangekondigde ‘And in glue’. Wat was het dan wel? Gemakshalve etiketteer ik het dan maar als postpunk, wat nogal grijs klinkt terwijl Clamm dat allerminst was. De eerlijke nummers werden met de nodige boosheid gebracht en pittig gekruid met een gitaar die niet zelden als stoorzender fungeerde. Vooral die dissonante gitaar bleef fascineren, wat het des te onbegrijpelijker maakte dat ze aanvankelijk zo ver in de mix zat.
Af en toe liet Jack Summers de snaren voor wat ze waren en tikte hij met een mij onbekend plastic voorwerp op de reeds flink gehavende body van zijn instrument. Gelukkig bracht de immer heerlijke bas van Stella Rennex wat melodische verlichting in de chaos. Samen met de voortreffelijk roffelende Miles Harding vormde ze een stevig houvast in de overstuurde herrie.
Het was precies die unieke combinatie van rauwe, onvoorspelbare energie en verfijnde melodische kracht die Clamm opnieuw onweerstaanbaar maakte.

Dat we met Gee Tee, een vijftal uit Sydney, ander vlees in de (punk)kuip hadden, werd meteen duidelijk. Waar bij Clamm de danslustigen pas tijdens de laatste nummers uit hun sloffen schoten, barstte de moshpit hier al tijdens de eerste noten van het openingsnummer, "Man to Ape", los.
Gee Tee wist in 2022 hun album ‘Goodnight Neanderthal’ uit te brengen op het Amerikaanse Goner Records, het label uit Memphis dat nog steeds hoog staat aangeschreven in underground kringen. Dat schept verwachtingen.
Dat hun volgende plaat ‘Prehistoric chrome’, een soort compilatie met nummers uit een bijna vergeten verleden én de verre toekomst, bij het veel bescheidener Nailbiter Records verscheen, kon daar niets aan veranderen.
Die verwachtingen werden vorig jaar al ruimschoots ingelost op Leffingeleuren en ook nu stelde het bonte gezelschap niet teleur. Zanger Kel Mason liep er in zijn wollen vestje en met een over zijn hoofd getrokken skimuts bij als een bultenaar uit een of andere fantasyfilm. Erg genuanceerd klonk zijn snauwende zang niet, maar dat kon de pret niet drukken.
Naast hem ontworstelde Ishka Edmeades, ook gekend als Tee Vee Repairmann, de ene na de andere pretentieloze maar daarom niet minder aanstekelijke lick aan zijn gitaar. De derde spilfiguur in de band is zonder twijfel Michael Barker, die we ook kennen van 1-800 Mickey. Zijn altijd gesmaakte gitaarbijdragen wisselde hij af met het wel erg doordringend geluid van een speelgoedorgeltje. Dat laatste klonk zeker goedkoop net als de nummers zelf trouwens, die nooit boven de twee minuten afklokten.
Nee, ingenieuze composities hebben we niet gehoord, maar sinds de Ramones weten we dat dat eigenlijk niet hoeft.
Gee Tee toonden zich meesters in lofi punk - eggpunk, zo je wil - waarin instinct het altijd haalde van perfectie. Nummers als "Pigs in the pit", "Mutate 2 Survive" of "Grease Rot Chemical" klonken steeds ruw en ongepolijst en vormden zo de perfecte brandstof voor een almaar uitzinniger wordende moshpit.
Meer moest dat eigenlijk niet zijn.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Soledad Brothers - Alsof ze nooit zijn weggeweest ...

Soledad Brothers zag in 1998 het levenslicht in Maumee, een stadje vlakbij Toledo in de Amerikaanse staat Ohio. De groepsnaam is ontleend aan de Soledad Brothers: drie veroordeelde leden van de militante Black Panther Party die opgesloten zaten in de Soledad-gevangenis in Californië.
Soledad Brothers bestond uit zanger-gitarist Johnny Walker, drummer Ben Swank (beiden afkomstig uit Henry And June) en saxofonist-gitarist Brian Olive, die eerder deel uitmaakte van The Greenhornes. Hun titelloze debuut uit 2000 werd geproduceerd door Jack White. Ook Meg White, die destijds een relatie had met Brian Olive, werd in de credits vermeld. De samenwerking was wederzijds: Johnny Walker speelde op enkele nummers van het debuutalbum van The White Stripes, terwijl hij Jack White naar verluidt slidegitaar leerde spelen.
Toch bouwden de Soledad Brothers vooral live een stevige reputatie op, waarvan ik talloze keren getuige was. Even leek een doorbraak in de maak. De derde plaat, ‘Voice Of Treason’, verscheen bij majorlabel, Polydor, waarna de band plots mocht aantreden op grote festivals als Cactus, Dour en Pukkelpop. Het sprookje kwam evenwel abrupt ten einde, amper enkele weken na het verschijnen van het vierde album, ‘The Hardest Walk’, in 2006.
Johnny Walker probeerde het nadien nog met Cut In The Hill Gang en All-Seeing Eyes, dat nog steeds actief is, maar geen van beide bands kon tippen aan de Soledad Brothers. Brian Olive bracht in 2009 nog een soloalbum uit, terwijl Ben Swank samen met Jack White en Ben Blackwell, drummer bij The Dirtbombs, Third Man Records oprichtte.

Na een eerdere mislukte poging wist Johnny Walker de Soledad Brothers dit jaar dan toch opnieuw bij elkaar te fluiten. Er volgde een korte tournee door Engeland en Frankrijk met gelukkig ook één Belgisch optreden, dankzij de alerte concertorganisator 4AD.
De Soledad Brothers hadden een loodzware rit achter de rug vanuit het Bretoense Binic, waar ze hadden opgetreden op het befaamde Binic Folks Blues Festival. Maar eenmaal op het podium was van vermoeidheid nauwelijks iets te merken. Een zichtbaar ouder geworden en wat zwaardere Johnny Walker vloog er meteen weer met dezelfde passie als vroeger in. Zijn danspasjes waren misschien wat stroever, maar het vuur was allerminst gedoofd. Ook Brian Olive, op wie de jaren nauwelijks vat leken te hebben gehad, had er duidelijk schik in. Drummer Ben Swank leek van zijn kant soms op de toppen van zijn tenen te moeten lopen en had blijkbaar wat last van die twintig jaar inactiviteit.
Een setlist was er niet maar de meeste nummers herkende ik meteen, hoewel het al vele jaren geleden was dat ik nog een Soledad Brothers-plaat had opgelegd. Het begon meteen straf met "Handle song", een nummer van hun debuutalbum, misschien wel hun beste plaat, die tijdens het optreden ruim aan bod kwam.
Al heel vroeg in de set losten ze "Cage That Tiger", een uiterst catchy nummer dat in een rechtvaardigere wereld altijd een hit zou zijn geworden. De Soledad Brothers slaagden er als geen ander in de blues te laten swingen. Objectief bekeken kun je dit als bluesrock bestempelen. Maar dit stond mijlenver af van wat andere groepen uit dit inmiddels wat beschimmeld genre brengen. Garageblues dekt de lading wellicht beter maar schiet nog altijd tekort om die verbazingwekkende, genre-overstijgende souplesse, die de band altijd heeft gehad, te vatten.
Intussen bleven ze de parels aaneenrijgen: "Teenage heart attack", "Jack on fire", een eerste The Gun Club cover, en lovesong "Rock me slow" waarin Johnny Walker kazoo leek te spelen zonder er een in handen te hebben.
Of wat te denken van de bijzonder aanstekelijke, volledig hertimmerde versie van Big Joe Williams' "Break 'Em On Down", die tegelijk woest en wendbaar klonk.
Voor de laatste drie nummers ruilde Brian Olive zijn gitaar in voor een saxofoon, het startschot voor een zinderende finale die begon met een door furieuze saxstoten opgejaagd "Goin' Back To Memphis". Daarop volgde "Gimmie Back My Wig" van Hound Dog Taylor, een nummer dat ik de laatste tijd opvallend vaak heb gehoord, vooral in de versie van GA-20, die het op elk optreden speelt. Maar deze heerlijke uitvoering, met saxofoon, moest zeker niet onderdoen voor de nijdige gitaarinterpretatie van de band uit Boston.
De Soledad Brothers sloten af met een van hun allereerste nummers: "Gospel according to John" dat ontaardde in een orgie van feedback.
Lang moesten we niet om een bis schreeuwen, want Ben Swank vertikte het om van het podium te stappen en bleef gewoon achter zijn drumstel zitten. Niet getreurd want het toetje bleek weergaloos: een met withete gitaren gelardeerde versie van "Preachin' The Blues (Up Jumped The Devil)" van Robert Johnson, gebracht in de furieuze interpretatie van The Gun Club.
Een spetterend orgelpunt van een magnifieke set waarin de Soledad Brothers bewezen dat ze na een hiatus van twintig jaar niets aan frisheid hadden ingeboet. Ware het niet dat mijn knieën hun beste tijd hebben gehad, ik zou het team van de 4AD ervoor op blote knieën bedanken. 

Organisatie: 4ad, Diksmuide

donderdag 23 juli 2026 21:59

Cosmic Psychos - No-nonsense pubpunkrock

Cosmic Psychos - No-nonsense pubpunkrock

Het was toch even schrikken toen ik in Kortrijk aankwam want ik kon al van ver de muziek horen bonken. Het festijn was duidelijk al volop aan de gang. Nadat ik me niet zonder enige moeite naar binnen had gewrongen kon ik tot mijn grote opluchting vaststellen dat niet Cosmic Psychos verantwoordelijk was voor de geluidsterreur.
Wat klonk dit ontieglijk luid! Nadat mijn oren zich enigszins aan het volume hadden aangepast, hoorde ik een bijzonder hechte sound met een ongelooflijk strakke drive. Vertwijfeld begon ik me af te vragen wie ik hier eigenlijk voor me had.

Ik had geen weet van een voorprogramma, maar de heren van Cosmic Psychos waren blijkbaar zo galant er zelf eentje mee te brengen. Het bleek te gaan om Lunatic, een kwartet oudere jongeren uit Melbourne met drie platen op het conto.
Centraal vooraan op het podium stond een bijzonder gevaarlijk ogende bassist, iemand die zonder auditie een rol in een horrorfilm zou krijgen. Met zijn staalharde tronie leek hij het lachen al jaren verleerd. Gelukkig zagen de kompanen van Liam Kennealy, - zo bleek de man te heten - er een pak minder angstaanjagend uit. De mannen brachten fuzzgedreven rock met een bulldozergehalte dat niet moest onderdoen voor dat van Cosmic Psychos. Vooral de ineenstrengelende gitaren van zanger Pugs Lyngcoln en Dick Straight sloegen voortdurend gensters waar ik maar geen genoeg van kon krijgen. Dat de zang wat minder uit de verf kwam nam ik er graag bij. Hoewel ze me voldoende murw gebeukt hadden, vond ik het toch jammer dat ik hun entree had gemist.

Hoewel ik Cosmic Psychos eerder dit jaar in een propvolle De Casino in Sint-Niklaas (capaciteit: 650) had gezien, wilde ik ze absoluut nog eens terugzien in The Pit's.
Lees gerust Cosmic Psychos - Compromisloze bulldozerpunk
Als een band met die faam zelf vraagt om nog eens in dat punkhol genaamd The Pit's (capaciteit: 80) te mogen spelen, dan wil ik daar maar al te graag bij zijn. Zevenentwintig jaar geleden stonden ze er voor het eerst op het podium en volgens zanger-bassist Ross Knight was er sindsdien niets veranderd, iets wat hij alleen maar goed vond. Wij ook, trouwens. Sinds drummer Dean Muller na een schouderoperatie de band verliet, is Cosmic Psychos feitelijk een duo. Aanvankelijk nam BC van Dune Rats zijn plaats in maar sinds deze tour wordt die rol vervuld door Dan Peters, een oude vriend van Ross Knight. Peters was heel even drummer bij Nirvana voordat Dave Grohl zijn plaats overnam en drumt al sinds de oprichting bij Mudhoney. Veel verschil in stijl met BC was er niet, al klonk Dan Peters misschien net iets speelser.
Voor de rest bleef alles bij het oude met een setlist die op twee nummers na - "Custom Credit" en "Back In Town" - niet afweek van die in De Casino.
No-nonsense pubpunkrock zonder enige concessies die uiteraard perfect tot zijn recht kwam in The Pit's. Urgent is het misschien niet meer maar het blijft een zorgvuldig te koesteren relikwie. En het blijft altijd even leuk om mee te maken. Hoe gitarist Mad Macka tijdens het traditionele slotnummer "David Lee Roth" zijn Marcelleke uittrekt om zijn indrukwekkende bierpens op en neer te laten deinen, blijft onbetaalbaar.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

Raut Oak Fest 2026 - Festival met het mooiste podiumdecor
Raut Oak Fest 2026
2026-07-10 t-m 2026-07-12
Riegsee (Beieren)

… Als we de divorce-party van organisator Christian, waarop ook een band optrad en waarmee alles begon, buiten beschouwing laten, was dit de elfde editie van Raut Oak Fest. Meteen ook de tiende keer dat James Leg afzakte naar het Beierse Riegsee, dat deel uitmaakt van de Landkreis Garmisch-Partenkirchen, vooral bekend van het schansspringen op nieuwjaarsdag. De Duitse organisatoren wisten James Leg immers te strikken op het Deep Blues Festival in Clarksdale (Mississippi) met de belofte dat hij voortaan op elke editie van hun festival welkom zou zijn. Die belofte werd nagekomen en mocht uiteraard gevierd worden. Maar daarover later meer.
Raut Oak Fest is een DIY-festival zonder sponsors die de beste undergroundbands uit de blues, garagerock, psychedelica en aanverwante genres naar zijn feeërieke locatie weet te lokken. Een podium met de monumentale Alpen als decor: daar raak je nooit op uitgekeken. Het weer bleek geen spelbreker: de gevreesde hitte bleef grotendeels uit. En als het dan toch te warm werd kon men steeds verkoeling zoeken onder de imposante eik in het midden van de festivalweide.

vrijdag 10 juli 2026
Gewalt, een trio uit Berlijn, mocht de spits afbijten. Zanger-gitarist Patrick Wagner vertelde dat hij zichzelf ooit beloofd had nooit bij daglicht te spelen maar dat hij voor Raut Oak met plezier - en inmiddels al voor de tweede keer - een uitzondering maakte. Of zijn electro noise-rock in het duister echt beter tot zijn recht zou komen, valt nog maar te bezien. Het visuele plaatje - Wagner geflankeerd door twee bevallige dames op gitaar en bas - mocht er zeker zijn, maar de muziek werd te vaak gebruuskeerd door 'industrial' geweld om me uit de schaduw van de eik te lokken, terwijl de drumcomputer het afstandelijk gevoel alleen maar versterkte.

Karkara, een trio uit Toulouse, wist me een stuk meer te bekoren. Karkara mag dan in het Tunesisch voor punks of slackers staan, muzikaal leek het trio zich toch in een andere wereld te bevinden. Zanger Karim Rihani, gehuld in een Daniel Johnston-t-shirt, liet tijdens de instrumentale opener meteen horen dat hij een begenadigd gitarist is. Dit was werkelijk begeesterende psychedelica. Van zodra de zang erbij kwam boog het geluid langzaam richting stoner. En dat bleek niet altijd een even gelukkige keuze. Maar de drive bleef onverminderd aanwezig, terwijl de sporadische Moog-interventies van Hugo Olive best wel smaakvol waren. Jammer dat de nummers wat te lang werden uitgesponnen - typisch stoner, zeker? - maar tijdens de subtielere passages was Karkara zeker meer dan genietbaar.

pôt-pot, zonder hoofdletter geschreven, is een Iers-Portugees quintet dat zich gretig wentelt in de psychedelica. Het leek een onwaarschijnlijke combinatie maar het werkte wonderwel. En er waren nog meer onwaarschijnlijkheden. Zo bespeelde Elaine Malone het harmonium, een instrument dat me nogal onhandig lijkt en waarvan de klank al snel zou kunnen gaan vervelen. Zo niet hier: het nestelde zich gracieus in de stuwende krautrockgrooves. Instrumentaal was deze hypnotiserende psychedelica werkelijk weergaloos, maar helaas wist de zang dat niveau nooit te evenaren. Vooral toen drummer Mark Waldron-Hyden zijn lyrics afstandelijk begon te declameren, verdween de magie. Toch bleef dit een mooie set en kan ik hun debuut "Warsaw 480km", gemasterd door de alomtegenwoordige Mickey Young, aanbevelen.

Aanvankelijk stond Sjock 50 op de planning en was ik absoluut niet van plan om naar Riegsee af te zakken. Tot ik plots Daughter of the Vine in de line-up van Raut Oak zag opduiken. Die naam alleen volstond om me te doen besluiten de trip van 950 km naar Riegsee te maken. Veel keuze had ik trouwens niet: dit was hun enige optreden in Europa. Heel wat wenkbrauwengefrons opgemerkt toen ik dit aan vrienden probeerde uit te leggen. Ook op het festival zelf leek niemand deze band uit Cambridge, Massachusetts te kennen, behalve Christian van Raut Oak, die hen speciaal voor de gelegenheid liet overvliegen. Toch prijkte hun debuut "Mystic Valley PKWY" helemaal bovenaan mijn eindejaarslijstje van 2024. Daughter of the Vine is de nieuwe band van Margaret Garrett, frontvrouw van het onsterfelijke Mr. Airplane Man. De overige groepsleden zijn zanger-gitarist Gregory Porter (The Concerns), bassist Chris Lohring en drummer Kurt Davis (The Konks en in een ver verleden ooit zanger bij Bullet LaVolta).
Met die nieuwe groep kiest Margaret resoluut voor de psychedelica, maar voor wie haar soloalbum "Live at the Charles River Museum of Industry" heeft gehoord komt die keuze allerminst uit de lucht komt vallen.
Daughter of the Vine begon meteen met een van hun beste nummers: "Camera", afkomstig van de EP "Sonic Projection", die helaas alleen digitaal verkrijgbaar is. De bedwelmende gitaren en zoemende bas creëerden een hypnotiserende groove die me naar een transcendente wereld voerde. De angelieke zang van Margaret versterkte dat gevoel alleen maar. Soms wat zweverig maar met net genoeg ballen om mijn rock-'n-rollhart niet te schofferen. Niets dan hoogtepunten, maar toch wil ik er twee uitlichten. "Cosmic eye" met heerlijk repetitieve gitaren die een paar keer loos mochten gaan, en "Meant to be high", dat eindigde in een uitbundig gezongen "Glory, glory (Lay My Burden Down)". Plots werd ik echter bruusk uit mijn trance gewekt toen de stroom uitviel. Kurt Davis bleef nog minutenlang doordrummen, terwijl Margaret van de gelegenheid gebruik maakte om wat te mediteren.
Na een vrij lange stroompanne kon de band uiteindelijk toch nog afsluiten met het stevige "Object/Actor". Hoewel ik hier mateloos van genoten had, bleef ik toch met het gevoel zitten dat dit beter tot zijn recht zou komen in de intimiteit van een kleine club.

Dat we met Daughter Of The Vine het beste van Raut Oak '26 hadden gezien leek toen al buiten elke discussie te staan. Maar die mening moest ik meteen herzien, want The Schizophonics speelden alle concurrentie op een hoopje. Wat een explosie van energie! Het trio uit San Diego kwam zo mogelijk nog wilder voor de dag dan een week eerder in de 4AD. In een wervelende set, die heel toepasselijk begon met Rufus Thomas' "Tiger Man", werden meteen alle remmen losgegooid. De onwaarschijnlijke capriolen van frontman Pat Beers trokken het publiek als een magneet naar voren, waarna hij zich roekeloos in de menigte wierp en eigenhandig een moshpit ontketende. De voortdurend buitelende en onvermoeibaar in de spagaat duikende Beers leek de ultieme belichaming van rock-'n-roll. Achter hem hadden drumster Lety Beers en bassiste Sarah Linton duidelijk de tijd van hun leven terwijl ze de motor van de onstuitbare drive vormden. De ongebruikelijke mix van authentieke rock-'n-roll en vuige Detroit-protopunk, gekruid met een vleugje Jimi Hendrix en wat soulinvloeden, was simpelweg onweerstaanbaar. Achteraf bleek Pat Beers de minzaamheid zelve. Breed lachend poseerde hij geduldig met zowat iedereen voor een selfie.

Pretty Lightning, een duo uit het Duitse Saarbrücken wist me in 2020 aangenaam te verrassen met "Jangle Bowls", een album waarop broeierige zuiderse blues en psychedelische rock elkaar moeiteloos vinden. Intussen is er een derde man aan boord gehesen en is ook muzikaal het een en ander veranderd. De laatste plaat, "Night wobble", die ze hier kwamen voorstellen is volledig instrumentaal en heeft nog maar weinig gemeen met de plaat waarmee ik hen leerde kennen. De podiumopstelling, waarbij bassist en gitarist op een stoel vlak voor het drumstel tegenover elkaar zaten en elkaar in de ogen keken, zorgde voor een intieme sfeer. Ook muzikaal hielden ze het intiem maar hun stoffige mix van spaghettiwestern scores en trippy psychedelica zorgde voor net iets te weinig rimpelingen. Dit was niet het Pretty Lightning waar ik naar had uitgekeken.

zaterdag 11 juli 2026
De keuze voor The Jackson Pollock als bandnaam leek me toch iets te prestigieus. De manier waarop het duo uit Bologna muziek maakt vertoont misschien gelijkenissen met de werkwijze van de Amerikaanse kunstschilder, het eindresultaat allerminst. Veelbelovend aangekondigd als rauw en luid. Dat was het zeker, maar ook erg rudimentair en onbeholpen. Drumster Emily oogde niet alleen spectaculair, ze klonk ook zo. Haar zang daarentegen klonk schril en weinig toonvast. Dat hoefde op zich geen hinderpaal te zijn, gitarist Davide bleek dat helaas wel. Voortdurend met zijn rug naar het publiek gekeerd bleef hij zielloos op zijn gitaar rammen. Ik hou absoluut van primitieve muziek maar ook daar zijn grenzen aan.

Het was nog vroeg op de middag, maar met The Reverend Beat-Man & Milan Slick uit het Zwitserse Bern kende Raut Oak op zaterdag al een eerste hoogtepunt. De koning van de bluestrash, die al sinds 1986 de podia teistert, heeft in Milan Slick een jonge zielsverwant gevonden. Het bleek een gouden combinatie en ik meen zelfs dat ik The Beat-Man nooit eerder zo sterk bezig zag. Net als de Reverend zelf combineerde Milan Slick drums met gitaar, die hij te gepasten tijde inruilde voor een orgel. Milan, die met zijn gitaar uitgebreid tussen het publiek zwierf, tilde met zijn interventies de primitieve blues naar een hoger plan. De Reverend brulde zijn als vanouds provocerende lyrics met een bijzonder rauwe strot, waarmee hij een enkele keer zelfs in de buurt van de Tuvaanse keelzang kwam. Daarbij mocht een sneer naar de AfD niet ontbreken. Hoewel hij even van zijn stoeltje donderde bewees Reverend Beat-Man dankzij Milan Slick een nieuwe adem te hebben gevonden.

Hoewel ik hun net verschenen nieuwe plaat "Van Jams Vol.1" wat vind tegenvallen, heb ik met volle teugen genoten van The Hooten Hallers. Het trio uit Columbia, Missouri maakte zich er gelukkig niet van af met een voorstelling van die nieuwe plaat, maar putte uit een mooie selectie van hun inmiddels zeven albums tellende repertoire. De set werd feestelijk geopend met "Life during wartime" van Talking Heads, een cover die ze zich moeiteloos eigen maakten. The Hooten Hallers toonden eigenlijk twee gezichten. Wanneer gitarist John Randall de zang voor zijn rekening nam, bevond de band zich op een vreemd kruispunt tussen glamrock en rootsrock. Terwijl de falset van drummer Andy Rehm de groep feilloos richting soul loodste, zoals bleek uit zijn schitterende cover van "The Rubberband Man" van The Spinners. Maar het geheime wapen van The Hooten Hallers blijft de baritonsaxofoon van Kellie Everett. Zij zorgt ervoor dat de groep net iets unieker klinkt dan het legioen aan rootsrock- en americanabands.

En dan werd het tijd voor een terugkerend fenomeen op Raut Oak: James Leg, organ grinder from Chattanooga, Tennessee! Dit was al de tiende keer dat hij er mocht optreden en dat mocht zeker niet onopgemerkt voorbijgaan. Maar eerst bracht hij nog een gewone set. Al is 'gewoon' bij James Leg natuurlijk een relatief begrip. De man schreeuwde naar goede gewoonte weer de ziel uit zijn lijf met een stem die ondanks die immense rasp steeds soulvoller lijkt te klinken. Daarbij haalde hij vingervlug uit op zijn overstuurde Fender Rhodes, terwijl pompende bastoetsen voor een onweerstaanbare groove zorgden. Het uitermate explosieve drumwerk van Marlon Saquet uit Straatsburg vormde de kers op de taart van dit begeesterende spektakel. Die onwaarschijnlijke mix van gospel, soul, blues en rock-'n-roll blijft zonder meer uniek, terwijl ook de stilaan vertrouwde covers, "A forest" (The Cure) en "Can't stop thinking about it" (The Dirtbombs), tot de verbeelding blijven spreken. Met de stralende zon intussen pal in het gezicht sloot James Leg een alweer beklijvende set af met de ultieme Black Diamond Heavies-song "Fever in my blood".
Mooi, al begin ik stilaan wel te snakken naar nieuw werk. Achteraf beloofde hij nogmaals werk te zullen maken van een nieuwe plaat. Ik ben benieuwd of er eindelijk eens iets van in huis zal komen.

Kosten noch moeite werden gespaard om de tiende passage van James Leg op Raut Oak de nodige glans te geven. Voor deze bijzondere gelegenheid werd een unieke set in elkaar gesleuteld, 'James Leg & Special Guests', met enkele gastartiesten die speciaal hiervoor naar Riegsee afreisden. Het oogde vooraf behoorlijk indrukwekkend, maar veel vertrouwen had ik er toch niet in. De ervaring leert me dat dit soort toestanden maar al te vaak verzanden in oeverloze, vervelende jams. Maar dat gebeurde hier nu eens niet: van de eerste tot de laatste seconde bleef het genieten geblazen. James Leg liet zich duidelijk geen tweede keer verrassen door de zon en verscheen dit keer gewapend met hoed en zonnebril op het podium.
De eerste gasten waren Catl., een duo uit Toronto bestaande uit Jamie Fleming (gitaar, zang) en Sarah Kirkpatrick (drums, zang). Zij brachten bijzonder energieke garageblues die, in combinatie met het bezielde pianospel van James Leg, me meermaals deed denken aan "Exile on Main St.", het onaantastbare meesterwerk van The Rolling Stones. De vergelijking lijkt misschien hoog gegrepen maar wat Catl. hier neerpootte, soms met wat extra steun van Andrew 'Bonneville' McGibbon (gitaar) en CW Ayon (mondharmonica), zorgde voortdurend voor gensters. Daarna mochten The Hooten Hallers, die eerder op de dag met hun eigen set al behoorlijk wat indruk hadden gemaakt, opdraven.
Het trio stelde zich volledig ten dienste van James Leg en blies daarbij twee lang niet meer gehoorde Black Diamond Heavies-nummers nieuw leven in. Onze jubilaris haalde vocaal nog eens alles uit de kast tijdens het stemmige "Bidin' my time" en het uitzinnige "Take a ride", oorspronkelijk van T-Model Ford.
Dat ook The Bonnevilles van de partij waren mag geen verrassing heten. Het duo uit Belfast steekt zijn bewondering voor James Leg immers niet onder stoelen of banken. Gitarist Andrew McGibbon en drummer Chris McMullan, beiden in een onberispelijk wit hemd, vlogen er zoals verwacht dolenthousiast in. Samen met een zichtbaar genietende James Leg en een zich bescheiden opstellende Pedro De Dios, gitarist van Guadalupe Plata, ramden ze zich door een reeks behoorlijk beukende nummers. The Bonnevilles brachten elektriserende garageblues met een hoog punkgehalte: het Noord-Ierse antwoord op Left Lane Cruiser als het ware. Deze uitputtingsslag eindigde uiteindelijk met iedereen samen op het podium, met uitzondering van een paar drummers die het veld moesten ruimen voor Marlon Saquet. Veel finesse hoefde je van zo'n bende niet te verwachten, maar het door James Leg gebrulde "Fire and Brimstone" (Link Wray) bleek een fraaie apotheose van deze feestelijke set.

Na dat intense geweld had ik even moeite om me op te laden voor de volgende band. Die band was Guadalupe Plata, een duo uit het Andalusische Úbedo met zes titelloze platen op het actief. Een gevestigde waarde bovendien, die hier al verschillende keren mocht aantreden. Zanger-gitarist Pedro De Dios en drummer Carlos Jimena gaven de blues een geheel eigen invulling. Rauw en onconventioneel, maar tegelijk ook ingetogen met wat psych- en surfinvloeden. Hierbij kregen ze soms de hulp van een tweede zanger, nauwelijks zichtbaar vanuit mijn positie, die met zijn bijdrage een vleugje flamenco toevoegde. Bekendste nummer was zonder twijfel de traditional "El cóndor pasa". Soms dreigde het wat te veel te gaan kabbelen maar gelukkig werd die grens nooit echt overschreden.

Intussen was het middernacht en weigerden mijn leden verder dienst, waardoor ik Katharr, een instrumentaal duo uit München, miste.

zondag 12 juli 2026
Zondagmiddag raakte ik verzeild in een diepgaand gesprek met de artiest voor wie ik naar Riegsee was gekomen, waardoor ik de eerste groep miste. Nochtans had ik Dead Wolf, een trio uit het Duitse Rosenheim, met dikke stift aangekruist. Helaas heb ik hun optreden enkel op de achtergrond gehoord. Hun muziek wordt omschreven als heavy garage blues maar ik hoorde toch vooral de rauwe, primitieve blues die in de jaren negentig op Fat Possum furore maakte. En laat dat nu net de blues zijn waar ik het meest op verlekkerd ben. Ik kan dan ook alleen maar hopen dat Dead Wolf ooit nog eens in mijn contreien optreedt

Er was op zondag met onder meer CW Ayon, die twee jaar geleden nog zijn kat stuurde, heel wat blues te beleven. CW Ayon, die voor de helft Cherokee-bloed door de aderen heeft stromen, komt uit Las Cruces, New Mexico. Hij leerde gitaar spelen van zijn vrouw, een geschoolde muzikante, en nadat hij wat had aangemodderd in verschillende bandjes, trekt hij als one-man-band de wereld rond. Zichzelf begeleidend op gitaar en drums bracht hij een ontwapenende vorm van blues die zo uit de Fat Possum-catalogus had kunnen komen. Mooi, maar na een tijdje loerde de eenvormigheid toch om de hoek. Gelukkig dook gitarist Ben Todd van Lonesome Shack plots op, wat die pijn enigszins verzachtte.

The Hobknobs Is het nieuwe bandje van Arie van Vliet, voormalig frontman bij het Rotterdamse Lewsberg, een groep die ik echt wel kon smaken. Dit keer probeert hij het als duo, samen met zangeres Yaël Dekker van The Klittens uit Amsterdam. Op Raut Oak kregen ze evenwel versterking van bassiste Katja Kahana, eveneens afkomstig van The Klittens. Van Vliet heeft het juk van The Velvet Underground, waarmee Lewsberg voortdurend werd vergeleken, van zich afgeworpen. Dit klonk beduidend lichter en balanceerde ergens tussen Young Marble Giants en The Moldy Peaches. De wat afstandelijke praatzang van van Vliet contrasteerde fel met de zonnigere keelgeluiden van Dekker, maar het werkte wonderwel. De muziek leek soms kinderlijk eenvoudig en dat gold evenzeer voor de manier waarop ze gebracht werd. Zo stond de percussie op afzonderlijke cassettes, die na elk nummer moesten worden verwisseld. Ondanks die minimalistische aanpak bezweek ik voor de wankele charme van The Hobknobs en ik was zeker niet de enige want de band werd tot tweemaal toe teruggeroepen.

De leden van Lonesome Shack komen uit alle windstreken van de VS: Californië, New York en Seattle, zo vertelde zanger-gitarist Ben Todd. Dat hij zelf tegenwoordig in Londen woont, vergat hij gemakshalve. Todd ontpopte zich als een meesterlijke fingerpicker terwijl drummer Kristian Garrard en bassist Luke Bergman met evenveel klasse hun rol vervulden. Lonesome Shack joeg eerst de volledige nieuwe plaat "The Dance" erdoor, vooraleer zich aan het oudere werk te wagen. Niet dat dat veel uitmaakte, want veel verschil tussen oud en nieuw was er niet. Ben Todd klonk nog steeds als een veredelde versie van Junior Kimbrough, en dat is zeker niet pejoratief bedoeld. Hij mist wat van de rauwheid van die oude bluesheld maar zijn vreemde verfijning kan evenzeer hypnotiserend werken. Toch vond ik het een schitterende set, al had wat meer variatie zeker geen kwaad gekund.

Het was het tweede jaar op rij dat The Dharma Chain, een Australisch kwartet dat Byron Bay achter zich liet voor Berlijn, op Raut Oak te gast was. Dat zal wellicht geen toeval zijn, want de band viel duidelijk in de smaak bij het publiek. Op Bandcamp wordt hun muziek omschreven als een mix van shoegaze, postpunk en garagerock. Ik hoorde vooral psychrock en neo-psychedelica met af en toe zelfs een vleugje jaren '70 spacerock. De omfloerste zang van Amanda McGrath riep herinneringen op aan Tess Parks terwijl de groots galmende gitaren zo van The Brian Jonestown Massacre hadden kunnen komen, een band waarmee Parks trouwens een band heeft.
Op hun sterkste momenten klonk The Dharma Chain ronduit meeslepend en betoverend. Helaas gooiden de industriële synths van Benjamin Rompotis soms roet in het eten waardoor het geheel onnodig bombastisch begon te klinken. Gelukkig bleef de schade beperkt en bleek The Dharma Chain een waardige afsluiter van een mooi en aantrekkelijk festival.

Ik ben nu al benieuwd wat organisator Christian volgend jaar weer uit zijn hoed zal toveren.

Organisatie: Raut Oak Fest

The Schizophonics - Waanzinnige rock-'n-roll

Het festivalseizoen mag dan al begonnen zijn, de 4AD blijft deze zomer stevig verder programmeren. Na het wegvallen van het gratis cultuurfestival Stad Onderstroom kwam er ruimte vrij en die werd gevuld met een reeks concerten waaronder enkele bijzonder interessante namen.
The Schizophonics mochten die reeks op gang trappen. Veel volk wist de groep niet naar de nochtans heerlijk koele zaal te lokken, maar wie erbij was, zal dit optreden nog lang heugen.

Opener van dienst was Yack, een exponent van Trans4muziq, een Europees project van 4AD en Les 4Écluses waarbij beide clubs een band begeleiden via een coachingstraject en wat speelkansen. Volgens de aankondiging brengt het viertal uit Duinkerke atypische progressieve rock. Wat dat dan ook precies mocht betekenen, het stond in ieder geval haaks op dat wat we van The Schizophonics mochten verwachten. Volgens sommige kenners is het enige positieve aan progrock dat het de geboorte van de punk als tegenreactie heeft uitgelokt. Zover zou ik het nu ook weer niet willen drijven. Zelf was ik in mijn prille tienerjaren ook even in de ban van progressieve rock maar al snel besefte ik dat rock-'n-roll veel meer mijn ding was. Toch was ik benieuwd of Yack mooie herinneringen aan die kortstondige liefde voor het genre weer tot leven kon wekken.
Dat viel met "Celui dont l'armée est affligée (aka Achille)" aanvankelijk behoorlijk tegen. Technisch viel er ongetwijfeld weinig op aan te merken maar het klonk toch vooral voorspelbaar. Van het aangekondigde ‘atypische’ was in geen velden of wegen sprake. Zo bleef het verder kabbelen zonder echt onaangenaam te worden, tot het vierde nummer me plots bij mijn nekvel greep.
In een lange compositie slaagde Yack er plots wél in een spanningsveld te creëren. Dit vindingrijke nummer dat minutenlang bleef fascineren deed me zelfs denken aan hedendaagse 'kosmische' groepen als Elkhorn. Na die tour de force kon Yack niet helemaal op dat elan verder borduren maar hun volledig instrumentale rock kreeg vanaf dan wel wat meer weerhaakjes. Het was vooral gitarist Xavier Muller die het laken naar zich toe trok, al klonk ook toetsenist Charles Fuchet bij momenten inventief, zeker wanneer hij zich even niet Keith Emerson waande. Verder bestond het kwartet uit François Morlot op een soms volvet klinkende bas en drummer Jérôme Coppens.
Veel potten zal Yack wellicht niet breken maar het mag op zich al een prestatie heten dat de band de handen van de aanwezige rock-'n-roll-fanaten toch vlot op elkaar kreeg.

Na hun fenomenale optreden in Café De Zwerver prijkten The Schizophonics vorig jaar helemaal bovenaan mijn eindejaarslijstje. Toch was ik er niet helemaal gerust op. Zou dit ook in een zaal werken of was het verrassingseffect na een tweede keer misschien verdwenen? Die twijfels werden meteen van tafel geveegd.
Pat Beers deed ons meteen vergeten dat we ons in een iets te ruim uitgevallen zaal bevonden terwijl zijn podiumpresence me opnieuw de adem benam. Bovendien bleek de setlist, voor zover die er al was, grondig hertekend met heel wat nummers uit de nieuwe plaat die binnen twee maanden zou uitkomen.
Als rock-'n-rollliefhebber kon ik meteen mijn hart ophalen want het trio uit San Diego trapte de set af met een furieuze versie van "Tiger man". Oorspronkelijk een nummer van Rufus Thomas, maar The Schizophonics haalden hun mosterd bij Elvis Presleys legendarische '68 Comeback Special. De song lijkt Pat Beers trouwens op het lijf geschreven: "I'm the king of the jungle, I'm the tiger man..." Al na dertig seconden ging hij door zijn knieën. Nauwelijks enkele tellen later drukte hij zijn gitaar in de handen van iemand uit het publiek waarna hij enkele sierlijke pirouettes draaide. Dit bleek slechts het voorspel van een fysieke uitputtingsslag waarin de spagaten en saltos elkaar meedogenloos opvolgden en Beers als een wervelwind over het podium én door de zaal raasde. Waar een normaal mens dit hooguit één nummer zou volhouden ging Beers er een hele show lang onverstoorbaar mee door. Nog opmerkelijker is dat hij tijdens al die acrobatische capriolen gewoon gitaar blijft spelen. Meestal zelfs met één hand, hoog op de gitaarhals, terwijl hij zijn instrument ook nog eens met diezelfde hand vasthoudt. Ooit zag hij Jimi Hendrix met één hand soleren tijdens "Wild Thing" op het Monterey Pop Festival. Dat moment vond hij zo indrukwekkend dat hij er uiteindelijk zijn handelsmerk van maakte. Intussen is zijn acrobatische speelstijl zodanig geëvolueerd dat hij Jimi Hendrix op dat vlak zelfs naar de kroon steekt.
Ook muzikaal blijft Hendrix een grote invloed, naast de hitsige funk van James Brown en de rauwe protopunk van MC5 en The Stooges. De gitaar klonk venijnig scherp en leek geregeld te verzuipen in feedback, terwijl de zang hijgerig klonk alsof Beers voortdurend op zijn adem trapte. Je zou voor minder, natuurlijk. Met al die fysieke krachttoeren leek het soms een kwestie van tijd voor hij uit de bocht zou gaan, maar zover kwam het uiteindelijk niet. Hij werd dan ook stevig in het gareel gehouden door een bijzonder gretig doordenderende ritmesectie: vrouwlief Lety op drums en de ravissante Sarah Linton (ex Death Valley Girls) op bas, die net de geneugten van een Picon had ontdekt.
Veel songs, op de nieuwe single "Dirt Dog" na, heb ik niet herkend. Vermoedelijk kregen we heel wat nieuw materiaal te horen en dat belooft alvast veel goeds voor de nieuwe plaat. Eindigen deden ze zoals ze begonnen: met een zinderende lap rock-'n-roll, waarin meermaals "shake, shake, shake" weerklonk en die zo uit de koker van Little Richard of Jerry Lee Lewis leek te komen.
Met zo'n slot had ik zonder meer vrede kunnen nemen, maar de batterijen van Pat Beers bleken nog lang niet leeg. Er volgde een geweldige bis waarin nog één keer alles uit de kast werd gehaald. Dit keer kregen we een echte cover van Little Richard: "Bama Lama, Bama Lou" waarin ook flarden James Brown ("Papa's got a brand new bag") en MC5 verweven zaten.
Het werd de ultieme apotheose van een waanzinnige set van één van de hardst werkende rock-'n-roll bands.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

Pagina 1 van 27