logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Deadletter-2026...
Hooverphonic
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

Een avondje ’Extremely Raw Power’
Vooraleer de levende legende kwam aantreden mocht het Franse publiek kennis maken met de crème van de Belgische rock.
Frankrijk was onder de indruk van de sherpe en luide hard rock van Triggerfinger. Potig en loeihard beukte Triggerfinger de stomende riffs in de Fransen hun hersenpan, Ruben Block ging bovenop de verstekers staan om afsluiter “On my knees” af te vuren, dit kon qua rock’n’roll gehalte nogal tellen.

En dat de vettigste garage rock dezer dagen ook uit België komt, weten de Fransen nu ook. The Black Box Revelation wisten de zaal stevig op te hitsen met hun rauwe rock’n’roll.
Wij denken niet echt dat Iggy er wakker zal van gelegen hebben, maar zijn publiek kon nooit beter opgewarmd geraken dan met het geluid van deze Vlaamse kwade honden.

Wij zullen Iggy Pop eeuwig dankbaar zijn dat hij na het jammerlijke overlijden van Ron Asheton een telefoontje pleegde naar James Williamson en vroeg om The Stooges verder in leven te houden. Williamson moest nog niet te lang nadenken en haalde prompt zijn gitaar van onder het stof. Drummer Scott Asheton en bassist Mike Watt (ook een legendarische naam voor wie enigszins een beetje thuis is in de alternatieve scène) waren nog aan boord, dus The Stooges konden weer op de rails gezet worden.

In ’73 werd James Williamson voor de eerste keer aan de haak geslagen, toen om de The Stooges hun derde klassieker op rij ‘Raw Power’ in te blikken. Nog nooit werd een album beter omschreven door zijn eigen titel.
Anno 2010 is de live uitvoering van dit monument nog even rauw, intens, vuil, gortig en smerig als destijds. Quasi de volledige plaat werd er gewelddadig doorgeramd met een volop ontketende Iggy aan het roer. Het onvermijdelijk stuiterende “I wanna be your dog” was bij wijze van uitzondering de enige overblijver uit de pré Raw Power periode. Verder werden we aangenaam verrast door ronkende uitvoeringen van “Johanna”, “Kill City” en “Beyond the law”, vergeten parels uit ‘Kill City’, de ietwat uit het oog verloren schitterende plaat die Pop en Williamson in ’77 maakten. En wat te denken van het geile en vuile “Open up and bleed”, dat in een oerversie ook staat te pronken op de rommelige live plaat ‘Metallic KO’ ?
Dat Iggy de enige echte ‘godfather’ van de punk is, stampte hij er hier nog maar eens in met kolkende punksongs als “I got a right”, “Raw power”, “Death trip” en “Search and destroy”. De zwaar ontvlambare en gemene slepers “Penetration”, “I need somedoby” en “Gimme Danger” waren vuiler en dreigender dan ooit.
Op geen enkel moment misten wij de nochtans beestig goede songs van de eerst twee Stooges platen, en al zeer zeker niet het puike post Stooges werk. Dus dat wil wat zeggen. Iggy’s bedoeling vanavond was duidelijk : Give those motherfuckers some raw power !

Beste mensen, het beest Iggy Pop was alweer fenomenaal, extatisch, overdonderend, explosief en verpletterend.
Wij weten niet wat u gaat doen op uw zestigste, maar als het maar een greintje in de buurt komt van wat deze halve gek op een podium weet te presteren, dan bent u nog geen klein beetje prettig gestoord.
Tot slot geven wij u nog een naam en een datum, doe er iets mee : Rock Zottegem, 9 juli !!

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

maandag 12 april 2010 02:00

Karma To Burn - Als een wilde bizon

Na 9 jaren van stilte volgend op hun magnum opus ‘Almost heathen’ is Karma To Burn terug met een vers album ‘Appalachian Incantation’. Het concept is hetzelfde gebleven, titelloze instrumentale heavy rocksongs ergens tussen Sabbath en Kyuss. Niet bepaald een formule om miljoenen platen mee te slijten, maar toch heeft KTB in al die jaren een trouwe horde fans bijeen verzameld. Ook in België, zo blijkt, want Het Depot is toch voor meer van de helft volgelopen voor deze niet voor de hand liggende metal groep.

Karma To Burn raast als een wilde bizon doorheen Leuven. Hun songs zijn rauwe mokerslagen die met brute power inbeuken op de zaal. Het draait allemaal om dreunende en vette riffs (geen solo’s !) met een cruciale rol voor bassist Richard Mullins, die steeds in ware Kim Clijsters spreidstand, met zijn spitse basslijnen de totaalsound van Karma To Burn een enorme boost geeft. Gitarist William Mecum ramt splijtende heavy en stoner- riffs uit zijn instrument en drummer Rob Oswald heeft blijkbaar ook al een vergevorderd stadium van razernij overschreden. Een geweldig trio dus, met een monstersound als gevolg. Vrij indrukwekkend toch hoe een band zonder ook maar één woord te zingen geen seconde weet te vervelen.

In al die tijd dat KTB op non actief stond heeft Mullins trouwens de band Year Long Disaster in het leven geroepen, een band waarmee hij hier zelf voor het voorprogramma zorgt. Bij YLD wordt er wel gezongen en dit nota bene door zanger gitarist Daniel Davis, zoon van Dave Davies van The Kinks. De man zijn strot, en ook het volledige geluid trouwens, doet ons nog het meest denken aan Wolfmother. Enig minpuntje, de zang komt er maar flauwtjes door, alsof de microfoon van dienst weet dat hij een Karma To Burn avond tegemoet gaat en hij dan ook niet bijster veel zal moeten presteren. Toch weet YLD met een weliswaar te korte set te overtuigen. De groep heeft overigens een puik album uit, het heet ‘Black Magic : All mysteries Revealed’, maar U moet liefhebber zijn van Zep, Sabbath en Purple om te kunnen volgen.

Fijne avond. Wij vragen ons wel af hoeveel man (of misschien liever vrouwen) er nodig zijn om bassist Richard Mullins zijn benen na het optreden terug dicht te krijgen.

Organisatie: Depot, Leuven

donderdag 08 april 2010 02:00

Monitor

Als Bruce Springsteen wat meer aan de Guinness zou zitten en zijn inmiddels seniele E Street Band zou vervangen door een bende jonge punks, dan zou het resultaat waarschijnlijk klinken als deze nieuwe plaat van Titus Andronicus. De band zit mee in het clubje van The Hold Steady en The Gaslight Anthem, ook twee frisse rockgroepen die de energie van Springsteen overgenomen hebben maar niet de pathos.
Daar waar de debuutplaat ‘The airing of grievances’ nog een rauwe punk kopstoot was, is ‘Monitor’ een stuk breder en ambitieuzer opgevat. Die gasten hebben er geen probleem mee om strijkers, blazers, fiddles, een piano en zelfs een doedelzak (jawel, een doedelzak!) in hun powervolle sound binnen te loodsen (The Pogues en Flogging Molly hangen geregeld in de buurt) en de nummers stijgen in een viertal gevallen boven de zeven minuten uit. Afsluiter “The battle of Hampton Roads” steekt hierin met zijn volle 14 minuten de hoofdvogel af, en ’t is een verdomde motherfucker van een song. Vaak wordt het geweer in één en dezelfde song van schouder gewisseld, in “A pot in which to piss” en “Four score and seven” (allebei kanjers van meer dan zeven minuten) levert dit telkens een knap staaltje strijdlustige, gebalde en emotievolle rock op. Punk en dramatiek gaan hand in hand bij Titus Andronicus, en dat is maar weinig bands gegeven. We vinden er toch wel eentje, The Replacements, de vergelijkingen met Paul Westerberg’s groep zijn dan ook niet uit de lucht gegrepen.
Qua strijdvaardige punk menen wij ook een snuif Stiff Little Fingers te herkennen. U merkt het, ’t zijn alleen maar goeie dingen die ons voor de geest komen. Geweldige plaat.

donderdag 08 april 2010 02:00

The open road

Met de regelmaat van de klok maakt goeie ouwe songsmid John Hiatt (58 is ie ondertussen al) zo om de twee jaar een nieuwe plaat. De laatste jaren waren zijn werkstukjes zeer degelijk, doch niet onvergetelijk. Voor de betere Hiatt platen moeten we toch al terug naar de periode 1983 tot 1993 (‘Riding with the king’ tot ‘Perfectly good guitar’ en alles wat daar tussenin zat), maar zijn nieuwe komt weer aardig in de buurt.
Met ‘The open road’ betreedt hij geregeld de paden van de blues en dat ligt hem. Het levert een werkelijk schitterende bluessong als “Like a freigth train” op, een nummer waarop hij de eenzame hoogten haalt van het absolute meesterwerk ‘Bring the family’.
Met Doug Lancio heeft Hiatt een knappe gitarist in huis die aardig overweg kan met de slide gitaar en hiermee behoorlijk zijn stempel drukt op de hele plaat. Fijne rockers als “My baby” en “What kind of man” worden op die manier door een bedrijvige Lancio lekker voort gestuwd.
Rustiger gaat het er aan toe in de onvermijdelijke typische Hiatt ballads “Homeland” en “Fireball roberts”, zeer herkenbaar maar ook heel mooi.
‘The Open Road’ is gewoon een oerdegelijk John Hiatt album geworden , wat wil zeggen dat er aan de hoge verwachtingen voldaan is en dat springerige Arctic Monkeys of Yeah Yeah Yeahs fans het ding niet echt zullen aanschaffen. John Hiatt is immers zo hip als een baal stro.

Dat de muziek van Tom McRae meestal geassocieerd wordt met weemoed en duisternis weet hij zelf maar al te goed. Hij speelde hier ludiek op in door onbeschaamd grapjes te maken over zijn zwarte imago en zijn deprimerende liedjes. Dat hij veel meer in zijn mars heeft dan alleen maar droevige liedjes maken kwam hij vanavond duidelijk maken in Tourcoing. Het optreden blonk immers uit in afwisseling en variatie. De singer-songwriter had hiervoor een knappe selectie songs uitgeplozen. Een perfect samengestelde setlist, noemen wij dat.

Tom McRae wist heel intieme momenten sterk af te wisselen met meer bezwerende songs waarin zijn omvangrijke band (maar liefst met zijn vijven stonden ze hem bij) een knappe hoofdrol speelde. De band ging subtiel maar furieus tekeer in opzwepende tracks als “Me and Stenton”, “Please” en een verbluffend “Silent boulevard” waarin gitarist Brian Wright (die ook al met een akoestische set voor een gepast en fijn voorprogramma had gezorgd) zijn elektrische gitaar graag deed spetteren. Daarnaast kon de groep zich ook subliem inhouden in dienst van hemelsmooie songs als “Ghost of a shark” (uitmuntend), “American spirit” (prachtig met dat zalvend elektrisch gitaartje), “The summer of John Wayne” en  “Out of the walls” (pijnlijk mooi). Een paar keer deed Mc Rae het helemaal in zijn eentje met (voor ons althans) kippenvel als gevolg, zo opende hij trouwens het concert met een aangrijpend en integer “Alphabet of hurricanes”.
De bijzonder knappe nieuwe plaat ‘The alphabet of hurricanes’ (die overigens beter wordt bij elke beluistering) was terecht vertegenwoordigd met een zestal songs, en dan heeft hij er nog een paar van de betere achterwege gelaten (tevergeefs zaten wij te wachten op het fraaie “Won’t lie”). Uiteraard werd ook zijn onvolprezen debuutplaat uit 2000 niet ongemoeid gelaten met de 18 karaat diamantjes “End of the world news” en “A and B song”, en als absolute prijsbeest een uitgelaten “The boy with the bubblegun” helemaal op het einde. Opvallend ook dat McRae een viertal songs uit ‘Just like blood’ (2003) terug boven haalde. Tot op vandaag vonden wij dat zijn minste plaat maar we moeten die dringend eens opnieuw aanpakken want uit het oog verloren parels als “Walking 2 Hawai” en “Ghost of a shark” waren namelijk adembenemend en “Karaoke soul” en “Human remains” werden door de voortreffelijke groep met verve nieuw leven ingeblazen.

De vorige keer dat we Tom McRae in dezelfde zaal aan het werk zagen ging het er met zijn compacte begeleidingsband iets soberder aan toe. Nu was het geluid wat voller en rijker dankzij de uitmuntende muzikanten. Aan beide concerten zullen wij echter even mooie herinneringen overhouden.

Organisatie: Agauchedelalune, Lille ism Grand Mix, Tourcoing

donderdag 01 april 2010 02:00

Moon landing

Met Madrugada zal het nu wel echt gedaan zijn. Na het plotse overlijden van gitarist Robert Buras toerde de band nog even met een vervanger om de knappe plaat ‘Madrugada’ van 2008 te promoten, maar daarna viel het doek definitief over de band.
Zanger Sivert Hoyem startte hierop een nieuwe band en zette de teller terug op nul. Hij had eerder al twee solo platen gemaakt, doch deze bleken geen onvergetelijke werkstukjes te zijn, zeer zeker niet in vergelijking met de voortreffelijke albums van Madrugada. De huidige nieuwe plaat komt toch al wat beter voor de dag, het is er eentje waarop Sivert Hoyem duidelijk ander horizonten opzoekt, zodanig dat hij niet eeuwig blijft opgescheept zitten met het Madrugada spook. Van bij de eerste noten van de fraaie opener “Belorado” zou je denken dat je naar The Who aan het luisteren bent, alsof Hoyem er meteen paal en perk wil aan stellen dat hij wel eens wat anders wil. Dingen als “Lost at sea” en “Empty house” neigen naar REM en de geest van Jim Morrison waart rond in ”Shadows high Meseta”, mede dankzij een steeds heter wordende gitaarrif één van de hoogtepunten van deze plaat. Nog een favoriet is de knappe sleper “Sister sonic blue” waarin de duistere sporen van Hoyem’s oorspronkelijke band wel terug opduiken.
De algemene teneur op ‘Moon landing’ is opgewekter, minder donker en de sound gaat meer richting classic poprock. Toch is het nog altijd heel herkenbaar en dat heeft natuurlijk alles te maken met die warme melancholische stem, Hoyem’s belangrijkste troef, zo blijkt ook nu weer.

donderdag 01 april 2010 02:00

I want my crown : The Anthology 1973-1980

Wij zijn nu al een tijdje zoet met met ‘I want my crown : The anthology 1973-1980’, het ultieme overzicht van het eerste decennium van Kevin Coyne’s carrière, verzameld in 4 CD’s oftewel 76 tracks, alstublieft. Bijna allemaal eigen materiaal trouwens, een zeldzame cover van John Lee Hooker niet nagelaten.
Het is een beetje met het schaamrood op de wangen dat wij deze compilatie tot ons nemen, de man heeft immers in 2004 op 60 jarige leeftijd al het loodje gelegd, en wij vinden het nu doodjammer dat we de muziek van deze zwaar onderschatte singer/songwriter niet tijdens zijn leven van naderbij verkend hebben. Het miskend genie Coyne is overigens nooit echt een bestseller geweest, hij is helemaal niet rijk geworden van zijn muziek en, niet te vergeten, van zijn kunst (de man was tevens een fervent dichter en kunstschilder en maakte niet zelden zijn eigen hoesontwerpen). Zijn rijkdom zat duidelijk in zijn werk, niet in zijn portefeuille.
Ook leuk om weten : Kevin Coyne werd ooit gevraagd om de plaats in te nemen van de morsdode Jim Morrison bij The Doors. Hij bedankte vriendelijk, zijn uitleg achteraf : “I didn’t like the leather trousers” .
Tot op heden vond je enkel ‘Marjory Razorblade’ in onze cd collectie, een meesterwerk uit ’73 met daarop zijn enige hit “Marlene” (uiteraard hier ook van de partij), wij schamen ons nog geen klein beetje. De welgekomen nieuwe compilatie is dus onze kans (en ook de uwe) om, helaas postuum, nog één en ander goed te maken. En voor die enkele fans die alles al hadden (bestaan ze echt ?): cd nr 4 bestaat voornamelijk uit onuitgegeven en zeer energieke live opnames waarin Coyne de blues en de rock’n’roll naarstig bedrijft, dus ook zij mogen dit werk aanschaffen.
We ontdekken op ‘I want my crown’ het ene na het andere pareltje. En we gaan die pareltjes niet verklappen zie, want wij vinden dat u ze nu maar zelf eens moet opsporen. U zal daarvoor beloond worden met een rijkdom aan songs, ruwe diamantjes waarvan u niet wist dat ze bestonden.
Kevin Coyne’s roots liggen duidelijk in de blues, maar hij weet ook raad met pure rock’n’roll, glamrock, soul, folk, jazz en zelfs een verdwaalde streep oerpunk. Hij doet dat allemaal op zijn eigen manier en vaak ook in boeiende vertelstijl, met die typische scherpe stem die zich ergens schuil houdt tussen Screamin’ Jay Hawkins, Captain Beefheart, David Thomas (Pere Ubu), Ozzy Osbourne en een verkouden berggeit. Een unieke stem dus die vaak doordrongen is van felle emoties en rauwe agressie (en helaas ook van de drank, Coyne mocht zichzelf na jarenlang geflirt met allerhande soorten vochtige substanties een heuse alcoholist noemen). Drankorgel of niet, hij kan als geen ander volledig opgaan in zijn grillige, rauwe en vaak naakte songs (denk bij wijze van voorbeeld aan jonge zot Joe Cocker die met de nodige spasmen zichzelf destijds in Woodstock een weg baande doorheen “With a little help from my friends”). Coyne liet zich ook steeds omringen door talentrijke muzikanten, onder wie ene Andy Summers die in een later leven bij het bescheiden groepje The Police zijn heil ging zoeken en daarbij een decadent meervoud verdiende van zijn oorspronkelijke karige loontje. Maar hoe goed die muzikanten ook klinken, in quasi alle songs is het Kevin Coyne zelf die de aandacht naar zich toe trekt en de rest mee op sleeptouw neemt in zijn eigen unieke universum.
‘I want my crown’ is een mooie staalkaart van de veelzijdigheid van Kevin Coyne’s muziek, variërend van primitieve rock’n’roll naar mooie intimiteit tot soms experimentele gekte. Een prachtig overzicht van een bewogen carrière ver weg van de glitter en glamour.
Dit is nota bene nog maar een overzicht tot 1980, daarna heeft ie nog zo een vijftiental platen gemaakt. Werk aan de winkel.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Coconut

Ook in geen kot onder te brengen, die mafketels van Archie Bronson outfit. Ze wagen het om een dance beat onder hun garage rock te wurmen, of om een New Order gitaar in de psychedelica te loodsen (“Shark’s tooth”), of om opzwepende funk te laten ontsporen tot verwarde noise. ABO is dus een beetje dansbaar geworden, maar het helpt wel als je een paar niet nader omschreven producten genomen hebt. Als het al wat minder dansbaar moet, dan razen ze als een bezeten Hawkwind in strijd met The Horrors (“Wild strawberries” en “Harness”) doorheen uw stereo. Vervolgens komt zowaar LCD Soundsystem om de hoek kijken (“Chunk”) en wordt een zwaar gehavende Beefheart in allerijl naar de spoedafdeling gebracht (“You have a right to a mountain life”). In afsluiter ”Run gospel singer” klinken ze als Arcade Fire nadat die anderhalve dag aan de coke en LSD hebben gezeten.
‘Coconut’ is een kakafonie van stijlen en genres, en toch zit er wel degelijk wat samenhang in dit ding, maar je moet een beetje moeite doen om die te ontdekken. Dit is immers Archie Bronson Outfit.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Sisterworld

‘Sisterworld’ is vreemd, abstract, grillig, beangstigend, geschift, verward, mysterieus en tegendraads. Kortom, dit is op en top Liars.
Er wordt al enige inspanning gevergd van de luisteraar om de plaat te vatten. Zelfs voor geoefende oren als de onze is de nieuwe Liars op zijn minst gezegd alweer niet simpel. De groep kunnen we zowat in het rijtje gaan plaatsen van King Crimson, Wire, The Residents, Virgin Prunes, Syd Barret en A Certain Ratio. Allemaal eigenzinnige bands die eigenlijk niks met mekaar gemeen hebben, behalve dan dat ze het experiment niet schuwen en in geen enkel vakje zijn onder te brengen.
Liars brengt ritme en melodie in hun songs en breekt die dan abrupt terug af, ze gaan van ingetogen psychedelica naar bruut geweld, of van vernuftige songstructuren naar gestoorde punk en bijtende noise. Ze doen waar ze zin in hebben en sturen hun plaat in alle richtingen, ver weg van de geijkte paden.
Gaat u er gerust even voor zitten en probeer iets aan te vangen met de vreemde en gestoorde songs op ‘Sisterworld’. Wij hebben zo een vermoeden dat u als liefhebber van niet alledaagse muziekjes zal beloond worden eens u zich een beetje heeft kunnen inleven in de geflipte sound van deze rare snuiters.
En als u ons nu even wil gerust laten, want wij hebben hier ook nog serieus ons werk mee. Kom ons binnen zes maanden nog eens vragen wat wij hier van vinden.

donderdag 25 maart 2010 01:00

Halcyon Times

Wij herinneren het ons nog alsof het gisteren was, de uiterst vitale country rock en cowpunk van Jason & The Scorchers’ vlammende debuutplaat ‘Lost and found’ uit 1985. Ook het memorabele en wilde concert in dezelfde periode in de Gentse Vooruit staat met stip in ons geheugen gegrift. Op hun albums na ‘Lost and found’ konden ze dat stomend plaatje misschien niet meer evenaren, maar de cowboys zijn toch flink blijven doorrocken en de lekker hete live plaat ‘Midnight roads & stages seen’ uit ’98 is daar het levende bewijs van.
En kijk nu eens, zie, 25 jaar na ‘Lost and found’ komen de heren met een bronstige plaat op de proppen met de power en energie van weleer, alsof er maar een jaartje tussen zat. Dit is bij wijze van spreken de enige echte opvolger van ‘Lost and found’, een plaat die nu de verwachtingen wel inlost, zelfde stoomkracht, zelfde dynamiek en vooral dezelfde goesting.
De hoofdrollen zijn weer eens weggelegd voor de intact gebleven aanstekelijke vocals van Jason Ringenberg en de immer splijtende gitaaruithalen van Warner Hodges. Wat betreft de andere groepsleden zijn er ondertussen wel al wat personeelswisselingen uitgevoerd, maar het hart en de spirit zijn gebleven.
Vooruit met de geit ! Jason en zijn hitsige bende stormen zich doorheen snelle cowpunk (“Moonshine guy/releasing celtic prisoners”, “Mona Lee”, “Gettin’ nowhere fast” en “We’ve got it goin’ on’), vette hardrock (“Better than this”), snedige rockabilly (“Fear not gear not”) en ronkende country rock (“Land of the free”, “Deep holy water”, “Twang town blues”). Natuurlijk staat er hier ook weer een onvervalste country plakker onbeschaamd te blinken (“Days of wine and roses”), en dan mogen we de knappe akoestische country folk van  “When did it get so easy to liet o me” nog niet vergeten (met Dan Baird als gastzanger).
It’s get good but it don’t get better than this” luidt het in “Better than this”. En dat is er pal op.
Ze zijn het niet verleerd, integendeel, ze hebben het weer helemaal te pakken.

Pagina 93 van 111