logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Gavin Friday - ...
giaa_kavka_zapp...
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

Voor een heerlijke pot onvervalste seventies hard-rock moest je vanavond in Het Koninklijk Circus zijn, een leuke zaal trouwens waarmee Wolfmother frontman en showbeest eerste klas Andrew Stockdale volledig in zijn nopjes was.
We vonden het al doodjammer toen wij zo ongeveer anderhalf jaar geleden vernamen dat Wolfmother er mee zou ophouden. Wij waren des te meer opgewekt toen er nieuwe berichten de ronde deden dat Stockdale gewoon een volledig nieuwe band had samengeraapt en onder de naam Wolfmother verder zou rocken.

Hier vanavond bleek dat de nieuwe jongens zowaar nog meer energie konden opwekken dan Stockdale’s voormalige kompanen. Vooral de bassist/keyboardspeler bleek een halve gek te zijn die zijn orgel zonder enig mededogen fel molesteerde. Bovendien was het afro kapsel van de man zowaar nog imposanter dan dat van Stockdale zelf wat diens rock’n’roll gehalte nog wat meer de hoogte injoeg. Een tweede gitarist hield zich iets meer gedeisd maar zorgde wel voor een sterke onderbouw van Stockdale’s wilde riffs en songs.
Wolfmother vloog er in met “Dimension”, de toon was gezet, het komend anderhalf uur zou het gaspedaal onophoudelijk ingedrukt blijven. Al vroeg in de set blies Stockdale er op fenomenale wijze twee van zijn prijsbeesten door, de geweldige kopstoten “New moon rising” en “Woman” (zie het als Wolfmother’s eigenste “Whole lotta love”) strak na elkaar. Even naar adem happen, was dat, maar neen, geen tijd daarvoor, Wolfmother stoomde onvermoeibaar verder.
Led Zeppelin en Black Sabbath hingen natuurlijk weer gans de avond in de lucht, maar ook de brute power van The White Stripes heeft Wolfmother niet ongemoeid gelaten, het explosieve en mega fantastiche “Apple tree” hiervan als levend bewijs. En dan die stem ! enkel Matthew Bellamy van Muse (nog zo een multitalent) kan met dergelijke hoge vocalen overeind blijven, een ander voorbeeld kennen we niet.
De gloeiend hete songs van ‘Cosmic Egg’ als “California Queen” (Sabbath meets Queens of the stone age), “Phoenix” en “In the castle” barstten van de power en stonden mooi te blinken naast de vroegere mokerslagen als “Colossal” en “White unicorn”.
In de zinderende finale ging het dak er helemaal af met “Vagabond” en het helse “Joker & the thief”, de absolute explosie, hoogtepunt der hoogtepunten.
Amai, mijn oren, wat een geweldige avond.

Setlist : Dimension – Cosmic Egg – California Queen – New moon rising – Woman – White unicorn – Colossal – Apple tree – White feather – Phoenix – 10.000 feet – Pilgrim – Back round – In the castle – Vagabond (bis) – Joker & the thief (bis)

Organisatie: Live Nation

zaterdag 26 december 2009 01:00

Thriller

Tip: beuk eens een deur in met Part Chimp. Hun album ‘Thriller’ is daartoe de perfecte sloophamer. U breekt er meteen best het hele kot mee af, als u dan toch bezig bent, want dit beukt als een dolle bizon die op een dieet staat van adrenalinepillen, red bull, tabasco en speed.
Na ‘The chemistry of common life” van Fucked Up en ‘King of jeans’ van Pissed Jeans is dit al de derde uiterst bronstige en verpulverende plaat die we dit jaar door onze maag gesplitst krijgen. Heerlijke pokkeherrie om buren, schoonmoeders en vervelende huisdieren mee op stang te jagen.
Part Chimp grossiert in een soort stoner rock die, soms tergend traag en slepend als in “Dirty sun” en “Tomorrow midnite”, het bloed van onder je nagels haalt en die hard tegen alle muren inbeukt. Vanaf de overkokende opener “Trad” over het verwoestende “Sweet” (de song is in alle opzichten het tegengestelde van zijn titel) tot de verpletterende finale “Starpiss” moet alles er aan geloven wat ‘Thriller’ op zijn pad tegenkomt.
Tamelijk verpletterend plaatje, niet om aan te horen voor de ene, geniale gekte volgens een ander. Geweldig overdonderende heavy shit volgens ons. Een mokerslag.

zaterdag 26 december 2009 01:00

Them Crooked Vultures

Drie heren met een roemrijk rockverleden die samen een plaatje maken, dat doet algauw de term supergroep oplaaien. Vooral als het gaat om Josh Homme, John Paul Jones en Dave Grohl. Volgens ons is dit echter vooral Josh Homme’s album. Want, lets face it, de creatieve breinen in Led Zeppelin waren Page en Plant, en niet John Paul Jones. En in Dave Grohl herkennen we vooral een fenomenaal drummer en niet echt een begenadigd songschrijver (de echt goede songs van Foo Fighters kunnen wij op één hand tellen, en we hebben dan nog een vinger verloren bij ons laatste ontmoeting met de cirkelzaag).
Them Crooked Vultures is dus des te meer Homme’s project met een sound die je vooral in de buurt van zijn Queens Of The Stone Age moet gaan zoeken, inclusief vlijmscherpe riffs en potige (hard-) rocksongs zoals een kokend heet “New fang” of een stomend “Dead end friends”. Homme’s werk van de laatste maanden is ook nog vlotjes aanwezig, zo is “Elephants” een fantastisch gelaagde song waarin duidelijk nog wat overblijfselen van zijn avontuurtje met Arctic Monkeys te bespeuren zijn.
Het grote geschiedenisboek der rockgrootheden is eveneens niet dichtgelaten. De psychedelische inslag en het hoge stemmetje dat Homme er in opvoert doen het knappe “Scumbag blues” neigen naar Cream in hun beste periode. Het dichtst in de beurt van Led Zeppelin komt het trio bij “Reptiles”, maar voor de rest horen we weinig invloeden van bassist Jones’ voormalig bandje.
Bij “Bandoliers” zou je gaan zweren dat Homme in het spoor is gaan treden van zijn maatje Mark Lanegan ten tijde van diens Screaming Trees en de lome riff van “Warsaw of the first breath you take” grijpt terug naar het onvolprezen Kyuss, Homme’s formidabele eerste groep.
Homme heeft er dus wel duidelijk een gediversifieerd album van gemaakt, doch eentje naar zijn normen, een rockplaat pur sang met hier en daar een fijn zijstapje, net als bij QOTSA dus.
Met een andere drummer en bassist had alles volgens ons niet echt gek veel anders geklonken, wij hebben zo de indruk dat Dave Grohl en John Paul Jones immers niet zo erg hun stempel gedrukt hebben op dit plaatje. Maar dat ze dat live des te meer zullen doen, daar zijn we dan wel zeker van, want Grohl op drums is een werkelijke belevenis. We hebben hem al eerder fabuleus aan het werk gezien bij, jawel, Queens Of The Stone Age. Niet toevallig, zeker ? Helaas hebben we de man nooit zien uitfreaken bij het geweldige Nirvana, een trauma voor de rest van ons leven.
Them Crooked Vultures wordt dus ongetwijfeld een veel gevraagde band voor het komende festivalseizoen en met die ene plaat kunnen ze een duivelse pot rock’n’roll serveren.
Conclusie, Queens Of The Stone Age … euh sorry, Them Crooked Vultures hebben een ferme rockplaat gemaakt die zich op een podium ongetwijfeld nog veel vetter zal tonen.

donderdag 03 december 2009 01:00

I’m going away

The Fiery Furnaces hebben het deze keer wat eenvoudiger en iets rustiger aangepakt. Voorheen propten ze met graagte 56 ideeën in één song, hier beperkten ze zich meestal maar tot een drietal per stuk. ‘I’m going away’ klinkt dan ook een flink stuk minder nerveus dan zijn voorgangers. Een mens kan dit exemplaar makkelijk in één ruk uitzitten zonder dat ie van ’t kastje naar de muur geslingerd wordt om uiteindelijk compleet zotgedraaid of verdwaasd achter te blijven (de vorige ‘Widow city’ was om te zeggen zo een plaatje waar wij compleet hyper van werden, maar wel een kanjer van een schijf).
The Fiery Furnaces zijn na al die jaren ook al een serieus eind van de Velvet Underground verwijderd. Misschien herinnert u zich nog het prachtige debuutplaat ‘Gallowsbird Bark’ die compleet van de velvets doordrongen was, op ‘I’m going away’ is daar niets meer van te horen. De seventies zijn wel aan bod, deze keer, en dit vooral in de prettige gitaar- en orgelsolootjes van Matt Friedberger. Zusje Eleanor knoopt daar weer die frisse vocals en vreemde teksten aan met een geslaagd, zij het ietwat minder bizar, album als gevolg. Rustiger, vooral dat.
U hoeft echter nog niet te denken dat The Fiery Funaces de nieuwe Yes of -godbetert- Coldplay zijn geworden, hun songs (hier ook vrij kort volgens hun doen) zijn immers in al hun creativiteit nog steeds lekker tegendraads en eisen nog altijd de nodige moeite bij de beluistering. Wees gerust, de hitparade lonkt echt nog niet.

Einde jaren tachtig en begin jaren negentig waren wij volledig weg van baanbrekende bands als Pixies en Living Colour. Beide groepen maakten in het toen nog alternatieve circuit furore met enkele essentiële platen en verdwenen dan even snel als ze gekomen waren.
Vandaag worden we overstelpt van reünies en zowel Pixies als Living Colour zijn terug op tournee. Legt u ons nu maar eens uit waarom The Pixies Vorst Nationaal uitverkopen en Living Colour voor ocharme 200 mensen in de Vaartkapoen staat te spelen. Wij snappen er niks van.

Een jaar geleden zagen wij Living Colour al eens aan het werk in de Brusselse Botanique, toen voor iets meer volk, en eerlijkheidshalve dienen we er aan toe te voegen dat het concert van toen iets meer memorabel was. En wel hierom :
Vanavond in de Vk* speelde Living Colour in het eerste deel van de set lekker strak, hard en snedig, ondermeer met uitmuntende buffelstoten als “Ignorance is bliss”, “Go away” en “Elvis is dead”. Tot daar geen probleem dus, maar halverwege de set werd de veer gebroken met een overbodige drumsolo (dat Will Calhoun kan drummen wisten we al, hij hoefde zich helemaal niet zo uit te sloven om ons daarvan te overtuigen), waarna het toch wel een beetje te lang duurde vooraleer de heren terug goed op dreef kwamen. Met knappe uitvoeringen van loepzuivere popsongs als “Bi” en “Glamour boys” was immers al wat gas teruggenomen en daartussenin had Living Colour ook behoorlijk wat nieuw werk gebracht uit hun nieuwste ‘The chair in the doorway’. En dat is nu niet bepaald een onvergetelijk album, ook al kwamen de songs er live sterker door dan de wat kleurloze versies op het album (kleurloos, inderdaad, een beetje een pijnlijke omschrijving voor een band die zich Living Colour noemt). Het vuur bleef dus een beetje te lang weg en de boel ontplofte maar echt opnieuw met “Cult of personality”, nog steeds de beste Living Colour song, zeker live. Dit was echter al het laatste nummer, wij zaten dus tevergeefs nog te wachten op “Love rears its ugly haed” en “Nothingmen”.

Toch hebben we genoten van deze klasbakken, want dat zijn het alleszins. Bij Vernon Reid kon, met uitzondering van de laatste song, er niet echt een lachje af (slecht geslapen waarschijnlijk) maar zijn verbluffende gitaarspel bleef intact. Doug Wimbish viel op met een euh… gitaarsolo op zijn bass (dan nog midden in het publiek) en zanger Corey Glover heeft nog steeds die soulvolle stem. Er waren dus nog genoeg momenten om van te smullen en daarom begrijpen wij echt niet waarom hier zo weinig volk op af kwam.

Organisatie: Vk*, Sint-Jans Molenbeek

donderdag 26 november 2009 01:00

Embryonic

De weirdo’s van Flaming Lips hebben hun recentste album opgenomen op Mars en hebben daar overvloedig aan de paddestoelen gezeten. Het resultaat is even vreemd als wonderlijk. Zelfs voor een band die van geschifte muziek zijn handelsmerk gemaakt heeft, is dit nog een op zijn minst gezegd buitengewone plaat geworden. Maar het mag dan al een ongewoon album zijn, het ding werkt enorm verslavend. Wayne Coyne, die zich hier ontpopt als de muzikale bastaardzoon van Syd Barret en Captain Beefheart, gaat weer volledig zijn eigen weg en begeeft zich op paden waar nog nooit iemand gekomen is, of ’t moeten dan toch buitenaardse wezens geweest zijn. Coyne gaat meermaals aan het zweven in zijn songs die doorspekt zijn van allerhande spacy vreemde geluidjes, bliepjes en Tarzan kreten. Wat hij hier allemaal staat te verkondigen, weet hij waarschijnlijk zelf niet goed meer, maar het resultaat is even geflipt als boeiend. Traditionele nummers met een kop, een staart en middenrif zijn ver te zoeken, meezingbare refreintjes zijn al helemaal niet te vinden.
Openers “Convinced of the hex” en “The sparrow looks up at the machine” komen nog het dichtst in de buurt van een laat ons zeggen traditionele songstructuur. Het zijn twee fantastische ongeslepen diamanten.
De overige songs mogen lekker piepen, kraken en heerlijk ontsporen, doch ze klinken vooral magisch en avontuurlijk. Zo is het zweverige “Evil” een spacy pareltje, net als “Powerless” dat ondermeer dankzij een gebroken VU- gitaartje een wondermooi brokje emotie is. De gitaren gaan prettig gestoord de meest vreemde richtingen uit in het instrumentale“Aquarius sabotage” en “The Ego’s last stand”, en ook de keyboards hebben aan de acid gezeten in “Worm mountain” en “The Impulse”. De ganse plaat is eigenlijk één buitenaardse trip.
‘Embryonic’ is juist daarom zo goed, omdat je duidelijk hoort dat Flaming Lips hier volkomen hun eigenzinnige goesting gedaan hebben. Ook de productie is rauw en heel open, wat doet blijken dat er niet echt een buitenstaander aan dit kunstwerkje heeft gesleuteld. Was ook absoluut niet nodig.
Het album duurt dik 70 minuten, dus als u eens voor een goed uur van deze aardbol wil verdwijnen, treedt dan binnen in de geestesverruimende wondere wereld van Flaming Lips.

donderdag 19 november 2009 01:00

Exploding head

Alles komt terug. Zo ook de shoegaze, u weet wel, het stofzuigergeluid geboren eind jaren tachtig / begin jaren negentig bij bands als Jesus and The Mary Chain, My Bloody Valentine, Ride en Swervedriver. De hedendaagse volgelingen heten BRMC, Amusement Parks On Fire of recenter The Big Pink en deze A Place To Bury Strangers. ‘Exploding heads’ is een hechte en verduiveld sterke plaat. Onder een wall van noise, feedback en distortion zitten uiterst knappe songs verdoken.
De stofzuigers schieten venijnig snel uit de startblokken met “It is nothing”, hiermee is de toon gezet voor een snerpend en stevig album. In “In your heart” is een eighties gitaar geslopen, precies afkomstig van een verdwaalde Bauhaus plaat. “Lost feeling” is een geweldige brok noise en shoegaze, een soort Jesus and The Mary Chain in overdrive. “Deadbeat” opent misleidend met een B 52’s gitaarloopje en gaat dan onherroepelijk aan het scheuren. Het knappe voortrollende “Keep slipping away” had van The Stone Roses kunnen zijn en op het machtige “Ego death” wordt het pad van Jesus And The Mary Chain wel heel nadrukkelijk gevolgd, maar ’t is een duivelse song. “Smile when you smile” begeeft zich ergens tussen Britpop en stonerrock met een gevaarlijk psychedelisch randje, de macho’s van Monster Magnet zouden ook zoiets uit hun mouw durven schudden. Vanaf “Everything always goes wrong” zit A Place To Bury Strangers weer volop in de eighties, alsof Joy Division en Sisters of Mercy hier door de shoegaze mangel worden gedraaid en “Exploding head” is zelfs gebouwd op een Cure basloopje. Het moordende sluitstuk “I lived my life to live in the shadow of your heart” vat alles nog eens goed samen, de song zet furieus en gedreven aan en eindigt in een overweldigende partij noise.
Splijtende plaat. En nu even onze oren laten uitspuiten.

vrijdag 27 november 2009 01:00

Virtuoze powerblues - Joe Bonamassa

Als Joe Bonamassa de laatste jaren alom geprezen wordt om zijn supertalent, dan gaat het duidelijk niet om zijn songschrijverschap, maar wel om zijn virtuoze gitaarspel. Zijn songs zijn gebouwd op de aloude vaste structuren die al sinds mensenheugenis vastliggen in de wereld van de bluesrock, maar de man onderscheidt zich door zijn indrukwekkende gitaarspel. De sublieme gitarist refereert vooral naar blanke grote voorbeelden als Jimmy Page, Rorry Gallagher en Stevie Ray Vaughan, van de authentieke zwarte blues heeft hij veel minder kaas gegeten.
Op Bonamassa’s platen vinden we dus niet echt onvergetelijke songs terug, maar voelen we wel in de uitvoering ervan de klasse van het schijfje druipen. De coverkeuze is vaak verassend maar al even vaak een beetje ongelukkig, zo verbrandt Bonamassa zich op zijn laatste plaat aan “Stop” van Sam Brown, “Feeling good” (onsterfelijk gemaakt door Nina Simone) en “Jockey Full of Bourbon” (Tom Waits coveren is altijd riskant, nog nooit heeft iemand een Waits song beter gebracht dan the man himself).

Gelukkig voor ons heeft JB de vermelde coverversies vanavond wijselijk links laten liggen, hij speelde wel het reeds platgecoverde “Further on up the road” maar zijn versie mocht er best wezen.
Bonamassa en zijn puike band begonnen de set meteen met de twee sterkste songs van het laatste album ‘The Ballad of John Henry’, namelijk de titelsong en een snedig en scherp “Last kiss”. Hiermee bewees JB meteen een artiest te zijn die je best live aanschouwt (een virtuoze gitarist op een podium aan het werk zien heeft toch altijd iets meer dan gewoon thuis naar een plaatje te luisteren dat overstroomt van de solo’s). Het was een lust voor oog en oor om die kerel met volle overgave op zijn instrument te zien loos gaan. Bonamassa soleerde er op los, al dan niet met bijhorende smoelentrekkerij, beheerste alle mogelijke truukjes van het genre en kon werkelijk geen enkele keer op een foutje of een scheve noot betrapt worden. Overdaad, zegt u ? Bwah, wie geen liefhebber is van een waterval aan gitaarsolo’s had ook geen reden om hier te zijn.
Bonamassa schakelde geregeld over van stevige rockers als “Bridge to better days” naar powerbluesballads als “So many roads” en een heel mooi en lang uitgesponnen “Sloe Gin”.
Een echte demonstratie was “Woke up dreaming”, in zijn eentje en op akoestische gitaar schakelde Bonamassa in die ene song met branie over van snelle boogie naar blues naar zonnige Spaanse oorden en castagnetten.
En van een goeie coverkeuze gesproken : Om te eindigen trakteerde hij ons op een lange en felle versie van “Just got paid” (tijdloze ZZ TOP klassieker) met daarin op geniale wijze een flinke scheut “Dazed and confused” van Led Zeppelin verwerkt. Een stevig hoogtepunt van een toch wel hoogstaand concert.

Liefhebbers van elektrische powerblues hadden hier een vette kluif aan, fans van meer authentieke blues waren vorige week beter af geweest met Seasick Steve. Wij hebben beiden gezien en vonden het vooral een interessant contrast. Waarom niet beiden op één affiche ?

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Greenhouse Talent, Gent ism AB, Brussel

Het trio A Place To Bury Strangers meende waarschijnlijk dat een vorm van ‘je m’en foutisme’ bij hun muziek hoort en legde dan ook de volgens hen nodige dosis arrogantie aan de dag door hun communicatie met het publiek volledig tot nul te herleiden. Geen woord kregen we, geen simpele hello of thank you. Gewoon opkomen, amper een uurtje spelen, en zonder commentaar terug weg, geen bis of wat dan ook. U mag het arrogant vinden, zij vinden het ongetwijfeld cool, want ze hebben het vroeger hun grote voorbeelden Jesus And The Mary Chain ook zien doen en die waren extremely cool, niet ?

Snoeihard en pokkeluid ramde APTBS hun noise en shoegaze vanaf een quasi onbelicht en in rook gehuld podium door de zaal. Enkel een zuinige schijnwerper richtte een dreigend wit, geel of rood licht de zaal in.
Nu goed, deze opzet paste eigenlijk wel bij hun sound, een wervelwind van donkere en wilde gitaarerupties en loden bastonen onder weinig verstaanbare duistere vocals. Voor wie een beetje vertrouwd was met ‘Exploding head’, het pas verschenen nieuwe album, waren er wel wat herkenbare momenten en sterke songs doorheen de noise te bespeuren. De plaat werd er dan ook bijna volledig doorgeramd via een onophoudelijke geluidsmuur met een duurtijd van 50 minuten en dat was het. Net als op het album werd er afgesloten met “I lived my life to stand in the shadow of your heart” dat uitmondde in een pijngrensoverschrijdende gitaarherrie.

Een wel heel kort concertje, niet onvergetelijk maar zeker ook niet slecht, want dit soort lawaai hadden we eigenlijk ook wel verwacht na het beluisteren van ‘Exploding head’, en wij houden nogal van dat plaatje. Wie geen oorbescherming mee had zit nu volgens ons met onherstelbare schade.

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Seasick Steve blijft niet bij de pakken zitten en maakt gretig gebruik van het onverhoopte succes dat hem nu al twee jaar te beurt valt. In februari zagen we hem nog aan het werk in de Brusselse AB in het kader van de promotie van zijn vorig album ‘I started out with nothing and still got most of it left’, een tournee die hem later op het jaar ook naar de grote festivals, waaronder Rock Werchter, zou brengen. Nu is er alweer een nieuwe overigens prima plaat ‘Man from another time’ waarmee Steve terug de hort optrekt.

Blijkbaar is in Frankrijk de hype rond zijn persoontje nog niet zo hoog opgelaaid, te merken aan de eerder matige opkomst in le Grand Mix in Tourcoing. Steve liet het niet aan zijn hart komen, integendeel. Nu hij het gewoon is om voor uitverkochte zalen te spelen, vond hij het toch bijzonder interessant om nog eens als vanouds in een kleinere club, die dan nog maar halfvol was, zijn duivels te ontbinden. Hier kon hij zich tenminste nog eens volledig uitleven en hij maakte dan ook van de gelegenheid gebruik om zich even tussen het publiek te begeven en aldaar een lekker potje boogie te spelen.
Tourcoing ging dan ook volledig door de knieën voor deze onweerstaanbaar sympathieke ouwe man die onwaarschijnlijke klanken haalde uit de meest primitieve gitaren. Nou ja, gitaren, een sigarenkist en een houten plank met maar één snaar zullen we voor ’t gemak ook maar gitaren noemen. Uit dat laatste ding puurde hij trouwens op geniale wijze de uiterst stomende boogie “Diddley Bo”.
Steve had ook twee trouwe vrienden meegebracht. De eerste was een krachtige en bij momenten wilde drummer die de ideale aanvulling was voor diens rauwe sound, de tweede een goeie ouwe fles Jack Daniels. Een mens moet zo zijn vrienden weten te kiezen.
Heerlijk ook hoe Steve zijn bluessongs telkens inleidde met fijne, uit het leven gegrepen, verhalen. Naast een opmerkelijke gitaarspeler (misschien wel beperkt, maar wel uniek) en een begenadigd blueszanger, is hij vooral ook een zeer entertainende storyteller. Zijn verhaal die “Chiggers” aankondigde, een song over ellendige motherfuckers van beestjes die vreselijke jeuk veroorzaken, was verdomd geestig en de song zelf was werkelijk fenomenaal en rolde als de beesten. Ook de boogie krakers “Thunderbird” en “Never go west” rockten als opgefokte dekstieren, maar Steve kwam ook met een paar wondermooie rustpunten op de proppen. Voor het pareltje “Walking man” nodige hij een dame uit om op het podium naast hem van die heerlijke song mee te genieten (de vrouw in kwestie was trouwens speciaal voor Steve helemaal van het verre Newcastle overgekomen) en samen met de wonderlijke verschijning Amy Laverge (ze lurkte eerst even flink aan de whiskey en kwam daarna met een hemelse stem tevoorschijn) speelde hij een bloedmooie versie van de Hank Williams klassieker “I’m so lonesome I could cry”. Prachtig.
Steve eindigde als verwacht zijn set met een spetterend “Dog house boogie” waarbij hij, na een alweer aangrijpend verhaal midden in de song, op het einde gans de zaal aan het zingen kreeg.

Dit was een onvergetelijk concert waarmee een uiterst goedlachse Seasick Steve zich letterlijk terug onder de mensen begaf. Fantastische man.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Pagina 96 van 112