logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Gavin Friday - ...
The Wolf Banes ...
Geert Huys

Geert Huys

Steve Wynn & Piv Huvluv - Gitaren, vinyl & comedy op heilige grond
Steve Wynn & Piv Huvluv
Kerk Dikkele
Dikkele

De pastoor van Dikkele mag zich met recht en rede een tevreden man noemen. Bijna niemand van zijn beminde parochianen kan zich immers nog de tijd herinneren dat de kerk van het pittoreske Oostvlaamse dorpje op de rand van de Vlaamse Ardennen nog afgeladen vol zat. Toegegeven, de predikanten van dienst waren dan ook niet van de minste. De Amerikaanse singer-songwriter en Paisley Underground veteraan Steve Wynn werd er namelijk gekoppeld aan de Westvlaamse stand-up comedian Piv Huvluv. Op het eerste zicht een eigenaardige combinatie, ware het niet dat beide heren een uitgesproken voorliefde voor gitaren, vinyl en comedy delen, en ze elk op hun eigen manier een publiek kunnen laten balanceren tussen een ingehouden adem en een bulderlach.
De ‘When You Smile’ tour van het duo langs diverse muziekcafés en parochiale centra te lande werd eind vorig jaar voortijdig afgebroken toen Wynn halsoverkop huiswaarts moest keren om zijn stervende vader te bezoeken. Afgelopen week keerde de Amerikaan terug naar Vlaanderen om de eerder afgelaste shows in Deinze, Oostende en Dikkele alsnog aan zijn CV toe te voegen.

De kerk van het spaarzaam verlichte Dikkele lokaliseren zonder GPS bleek echt geen sinecure, waardoor ondergetekende zich maar net op tijd naast de biechtstoel kon installeren om Wynn heel ingetogen te zien openen met “Follow Me”. Deze verstilde parel uit het beide twintig jaar oude album ‘Fluorescent’ kreeg het publiek meteen muisstil, een ervaring die in de meeste concertzalen tegenwoordig eerder uitzondering dan regel is.
Of het nu een rocktempel, een café, een huiskamer of een kerk betreft, overal lijkt de Amerikaan zich meteen thuis te voelen en graait hij vol enthousiast in zijn indrukwekkende back catalogue. In het eerste deel van de set noteerden we o.a. een fel “Southern California Line” en ingetogen versies van “Here On Earth As Well” en “Love Me Anyway”. Tijdens de Dream Syndicate evergreen “Days Of Wine And Roses” schakelde Wynn plots een paar versnellingen hoger en bleek stilzitten op die kerkstoel verdomd niet gemakkelijk.
En de humor dan, hoor ik U denken. Wel, dat deel van de avond werd ingeleid toen Wynn eerst een flard van Neil Young’s “Cinnamon Girl” uitprobeerde en zich vervolgens afvroeg hoe dit nummer zou klinken in het gezelschap van Crazy Horse. Dat laatste gezelschap kwam even later ook daadwerkelijk op de proppen, weliswaar in de gedaante van Piv Huvluv die vermomd als een gitaarspelend paard samen met Steve Wynn “Rockin’ In The Free World” inzette. Even later was het terug lachen geblazen toen Huvluv bij zijn Amerikaanse compagnon peilde naar diens kennis over de Belgische muziekgeschiedenis, waarop de laconieke Wynn achtereenvolgens “Dominique”, “Ça Plane Pour Moi” en “I Follow Rivers” probeerde. Alles bleek uiteindelijk een charmant ingestudeerde opwarmer ter inleiding van een vaderlandse muzikale held die het duo elke avond laat opdraven. In Deinze en Oostende passeerden zo al eerder Derek, Bruno Deneckere en Pieter-Jan De Smet de revue. In Dikkele werd Kids-opperhoofd Ludo Mariman vanuit de sacristie te voorschijn getoverd. De imposante  Antwerpenaar schotelde ons een tweetal songs voor, waaronder “It Never Rains” waarmee hij eind jaren ’80 een bescheiden solo succesje scoorde.

Na een pauze van een halfuurtje en een aangenaam toogintermezzo in het legendarische dorpscafé “De Casino” pikte Huvluv de draad terug op met een staaltje van zijn stand-up comedy talent. De rode draad doorheen zijn verhaal bleek een uitgesproken voorliefde voor vinyl: de eerste singles van Boney M., de maandelijkse luistersessies van de jonge Huvluv in platenzaak “De Oostendse Ploate” en zijn toevallige tête-à-tête in die winkel met Marvin Gaye.
Ook Wynn had nog een ijzersterk tweede deel in de vingers. Tot jolijt van de oudere fans zette hij nog een rondje Dream Syndicate in (“Merrittville”) gevolgd door “One By One”, één van de weinig songs van Wynn’s gelegenheidsgroepje Gutterball die tegenwoordig nog zijn solo setlist haalt. Het oord van bezinning waar de Amerikaan in beland was had hem zowaar geïnspireerd tot een profetisch einde. Ergens durven we wedden dat Blind Lemon Jefferson reeds in 1927 door had dat zijn “See That My Grave Is Kept Clean” de meeste spijkers met koppen slaat in een kerk. Op het heiligste plekje van Dikkele kroop Wynn met verve in de huid van de blinde bluesneger en zette hij, deels a capella, een weergaloze versie van dit ultiem slotgebed neer. Ook Huvluv deed vervolgens zijn duit in het blueszakje met de ietwat idiote afsluiter “Trouble In Mind” (aka “The Tupperware Blues”), meteen goed voor het enige dieptepunt van de avond.

Tijdens de bisronde gingen Wynn, Huvluv en Mariman beurtelings aan de slag met het al even toepasselijke “Knocking On Heaven’s Door”, maar iedereen wist dat dit soort avond moest en zou eindigen met een komische noot. Die kwam er ook, met het relaas over de illustere “Bamboo Jack” dat Huvluv en Wynn in respectievelijk het sappig Westvlaams en American English gekscherend voor hun rekening namen.
Zonder het te beseffen hebben Steve en Piv met hun duo experiment misschien wel een nieuwe trend gelanceerd in het zo stilletjes aan verzadigde stand-up comedy landschap. We kunnen er ons wel wat bij voorstellen: Iggy Pop en Freddy De Vadder op één podium, daar moeten gewoon GAS boetes van komen.

Organisatie: Zinmusic

zaterdag 23 februari 2013 01:00

Arno schittert in zijn eigen show of life

Noem om het even welk rock’n’roll cliché, en chanteur de charme Arno heeft het meegemaakt. Wel, op ééntje na dan. Er schuilt immers teveel joie de vivre in de Oostendse Brusselaar om zoals verschillende van zijn Angelsaksische collega’s vroegtijdig onder de zoden te gaan liggen. "We're the best, we're better than the rest, we're ready for the show" klinkt het dan ook strijdvaardig op zijn recentste single “Show Of Life”. Ook op het bijhorende album ‘Future Vintage’ blijft het bijna 64-jarige enfant terrible van het betere chanson opvallend ambitieus. Niet alleen kampeerden hij en zijn compagnon de route Serge Feys in het hippe Bristol voor de laatste opnames van die plaat, tevens werd niemand minder dan de gevierde John Parish (producer van o.a. PJ Harvey, Eels, Sparklehorse en Giant Sand) aangetrokken om achter de mengtafel plaats te nemen.

Arno is en blijft echter een performer die je in levende lijve moet horen en zien. In Gent had men die boodschap alvast goed begrepen, want daar konden Arno en zijn metgezellen afgelopen donderdag rekenen op een uitverkochte Vooruit om een paar van hun nieuwe songs uit te proberen. Opener “We Want More” is zo één van die songs vanop ‘Future Vintage’ die onmiskenbaar de melancholische ondertoon van producer Parish draagt. Voeg daarbij een schuimbekkende Arno die nonchalant in zijn wilde grijze haren knijpt en danst als een gecastreerde stier, en je beseft al gauw dat dit optreden een grand cru wordt.
Een opvallend strak eerste concertkwartier werd volmaakt met een aantal oudjes. Op “Fantastique” kon de bluesman in Arno zich een eerste keer uitleven op harmonica, en ook de T.C. Matic evergreen “Que Pasa” blijft ruim drie decennia na datum  even onheilspellend als bezwerend nazinderen. Wanneer Arno zich gaandeweg ontpopt tot een would-be stand-up comedian enkel gewapend met wat aangebrande onderbroekenhumor, een politieke sneer links en rechts en een mondje Gents steekt hij het publiek pas echt in zijn broekzak.
Muzikaal zoekt en vindt hij daarbij de juiste contrasten tussen zacht en hard, en tussen uitbundigheid en introvertie. Zo wordt het nieuwe nummer “I Don’t Believe” laconiek opgedragen aan Bart De Wever, wat in een socialistisch bolwerk als Gent maar wat graag op massaal hoongelach werd onthaald. En passant laten Arno en zijn uitstekende band met gitarist Filip Wauters voorop de kans niet liggen om met een smerige grotestadsblues kraker als “Meet The Freaks” spreekwoordelijk de vloer aan te vegen met stadiumacts als The Black Keys en The White Stripes.
Dat de wilde jaren van muzikale en andere omzwervingen tussen pakweg Montreal via Parijs naar Brussel en omgekeerd hun tol beginnen eisen behoeft geen betoog. Om van de nood dan maar een deugd te maken grijpt Arno regelmatig naar een stoel om de De Grote Emoties te vertolken, maar nooit zonder
een lach en een traan. “Lola, etc...” wordt opgedragen aan zijn ‘mémé met de dikke tetten’, zijn onvoorwaardelijke liefde voor de heimat ‘aan het zeitje’ zit helemaal vervat in Léo Ferré’s “Comme à Ostende”, en uiteraard is er die ultieme tearjerker “Les Yeux de ma Mère” die zelfs gerenommeerde ijskonijnen als Jan Becaus en Ivan De Vadder een traantje doen wegpinken.
Het enige minpunt aan een optreden van Arno is dat iedereen intussen weet welke oudjes de sjofele troubadour in het losse zwarte pak zal opdisselen tijdens la grande finale. Daar tegenover staat dat T.C. Matic één van de strafste groepen ooit was die dit landje heeft gebaard, waardoor “With You”, “Oh La La La” en “Putain Putain” wel voor eeuwig en altijd als een soort heilige drievuldigheid van Arno’s muzikale erfenis, en bij uitbreiding ons cultureel erfgoed, zullen aanzien worden.
De enige bisronde had alvast één grote verrassing in petto. “Les Filles du Bord de Mer” werd (althans voorlopig) afgevoerd ten voordele van een leuke ska versie van “Vive ma Liberté” en de clowneske act met de cymbalen tijdens de aangebrande reggae deun “Bathroom Singer”. Het waren de luchtige afsluiters van bijna twee uur cultureel verantwoord topentertainment door een rasperformer die tot ver over de landsgrenzen heen zijn gelijke niet kent.

Ook op zijn stilaan gezegende leeftijd schiet Arno’s kleintje nog redelijk verre. Precisie is hierbij niet aan de orde, wel de impact op de lachspieren en het gemoed.

Neem gerust een kijkje naar de pics van de Arno clubtour totnutoe (eind 2012 – 2013)
http://www.musiczine.net/nl/fotos/arno-23-02-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/arno-30-01-2013/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/arno-20-12-2012/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/arno-3-12-2012/ 

Deze recensie is opgedragen aan Peter ‘Jim’ Impe (1970-2008).
We’ll keep the flame alive!

Organisatie: Live Nation

Wie de Westvlaamse muziekscene een beetje kent en/of zich al graag eens in een gitzwarte  vleermuis outfit op een new wave party aldaar laat zien kent ongetwijfeld concertorganisator Bernd Baeckelandt. Terwijl de as van wijlen The Steeple (Waregem) en het Shadowplay Festival (Waregem en Kortijk) nog ergens ligt na te smeulen vindt de man zichzelf opnieuw uit als bezieler van de nieuwe Club Bizarre in Dentergem.

Afgelopen vrijdag stond daar het semi-legendarische new wave combo Spear Of Destiny op de planken. De groep heeft in Vlaanderen maar weinig aanhang verzameld, in tegenstelling tot thuisland England waar het gezelschap tijdens de eerste helft van de 80ies in één adem werd genoemd met Echo & The Bunnymen en The Cult. Ondanks zijn tanende gezondheid wil de charismatische frontman Kirk Brandon zijn oude band op de sporen houden, ook al moeten hij en zijn maats daarvoor half Europa rondtrekken in een veel te klein minibusje.

Voor het exclusieve Belgische optreden wist Spear Of Destiny niet meer dan een 30-tal fans en nieuwsgierigen naar Dentergem te lokken, maar het viertal leek daar ogenschijnlijk niet al te veel erg in te hebben. Met de vette groove van “The Wheel” werd een soort best-of set ingezet die vooral werd opgehangen aan de eerste drie platen ‘Grapes Of Wrath’ (‘83), ‘One Eyed Jacks’ (‘84) en ‘World Service’ (‘85). Voor de sax en klarinet die Spear Of Destiny’s kruisbestuiving tussen donkere postpunk en vlijmscherpe soulpop destijds uniek maakten was klaarblijkelijk geen plaats meer in de minibus. Hierdoor misten sommige nummers wel de subtiliteit van weleer, maar zelfs in een uitgeklede versie bleven klassiekers als “Liberator” en “Rainmaker” na al die decennia toch moeiteloos overeind. Het feit dat Kirk Brandon voor deze zoveelste reïncarnatie van Spear Of Destiny een pak uitstekende muzikanten rond zich heeft verzameld is daar wellicht niet vreemd aan. Op bas herkenden we trouwens Craig Adams, een veteraan uit de gothrock scene die ooit op de loonlijst stond bij o.a. The Sisters Of Mercy, The Mission en The Cult.
We mogen dan al fan zijn van de hartepijn die Brandon als een voleerde drama queen nog steeds van zich afschreeuwt, toch moeten we vaststellen dat niet alle nummers uit de Spear Of Destiny catalogus de tand des tijds heelhuids hebben doorstaan. “Never Take Me Alive” en “Micky” maken anno 2013 geen enkele impact meer en hengelden wel erg overtuigend naar het etiket ‘overbodig’. Net toen we dachten dat de set hierdoor wat de verkeerde richting uitging waagde de groep zich aan Joy Division’s “Transmission”. Een iconisch nummer waar je als groep beter van af blijft, maar als generatiegenoot van Ian Curtis slaagde Kirk Brandon er toch in om deze uber-classic geloofwaardig neer te zetten. Het werd alleen maar beter toen Brandon vervolgens ook in zijn eigen punkverleden als frontman van het kortlevende en politiek incorrecte Theatre Of Hate ging grasduinen. Twee B-kantjes uit de beperkte discografie van die groep, het felle “Legion” en een ongemeen strak “Propaganda”, sloten de set af met een onverwachte adrenaline stoot.
Ondanks het feit dat een deel van het publiek intussen al andere oorden had opgezocht vonden Brandon & co nog de energie en goesting voor een encore. Niets dan respect hiervoor, zeker toen ze besloten om Theatre Of Hate's “Do You Believe In The Westworld” op te disselen.

Wat eerder op de avond begon als een pint zonder kraag eindigde uiteindelijk als een glaasje bruisende cava. Met volgende keer wat meer volk naast en desnoods aan den toog zien we Club Bizarre wel tot een blijvertje uitgroeien. En dat jullie verslaggever ter plaatse voortaan met de fiets naar een optreden kan is op zich natuurlijk mooi meegenomen.

Organisatie: Club Bizarre

Liefhebbers van slowcore en americana kennen Mark Eitzel al sinds medio jaren ‘80 als de enigmatische frontman van het onwaarschijnlijk miskende American Music Club, een groep waarvan overigens niemand ons momenteel kan verzekeren of ie nog bestaat of niet. Sinds de eerste split van deze band in '95 heeft de Amerikaanse chroniqueur ook in zijn eentje een niet onaardige cult aanhang verzameld, o.a. dankzij een stuk of tien indringende solo albums.
Wie de getormenteerde wereld van Eitzel binnenstapt houdt best enige dosissen prozac binnen handbereik; bij het doorgronden van ‘s mans van tristesse en weltsmersch doorwrongen liedjes loop je zo tegen een depressie aan, maar toch is Eitzel geen treurwilg van het zuiverste soort. Aan alles wat hij op plaat zet is immers een ferme scheut cynisme en zelfspot toegevoegd, waardoor je de Amerikaan en zijn muziek niet altijd au sérieux moet nemen en op den duur zelfs nog amusant gaat vinden.

Amper een 50-tal liefhebbers van het betere levenslied vonden afgelopen zondagavond een sneeuwvrije route naar de Balzaal van de Gentse Vooruit om Mark Eitzel’s Warm Gentle Rain aan het werk te zien. De bijna 54-jarige Amerikaan liet zijn nieuwe groep bij aanvang nog even sudderen in de coulissen, en trapte in zijn dooie eentje af met “Western Sky”. Eitzel blikte deze parel 25 jaar geleden in met zijn makkers van American Music Club ten tijde van hun eerste opus magnum ‘California’. Achteraf zou trouwens blijken dat meer dan de helft van de avond was gestoffeerd met songs van Eitzel’s vorige groep; met “What Holds The World Together” (‘94), “Apology For An Accident” (‘93), “Firefly” (‘88), “Patriot’s Heart” (‘04) en “Outside This Bar” (‘87) werd een ferme brok Amerikaanse slowcore geschiedenis opgediept die het songschrijverstalent van Eitzel nog maar eens dik in de vitriool zette.
Met zijn slordige baard, versleten zwart fluwelen vest en wollen muts cultiveert Eitzel maar wat graag het imago van de intellectuele loser die de blutsen in de American Dream als onuitputtelijke inspiratiebron aanziet.
Als het over klappen incasseren gaat kan de Amerikaan overigens ook zelf getuigen als ervaringsdeskundige. Een levenslange liefde voor Koning Alcohol en een lange revalidatie na een hartaanval in 2011 lijken op zijn door merg en been snijdende croonerstem echter maar weinig vat te hebben gehad. Zijn drie muzikale makkers op keyboards, standup bas en drums zorgden bovendien voor een soort late night jazz sfeertje waarin Eitzel’s hoogste en laagste noten zich kiplekker voelden. Waarschijnlijk bij wijze van zelftherapie moest de getormenteerde Amerikaan tussen de nummers door altijd wel even iets kwijt. Of het nu ging over zichzelf, zijn ex-lieven of de vriendinnen van zijn ex-lieven, de laconieke Eitzel bleef de cynische one-liners maar onhandig uit zijn mouw schudden.

Met de steun van een vriend die het grote lot had gewonnen nam Eitzel vorig jaar met het indringende ‘Don’t Be A Stranger’ sinds lang nog eens een album op in een professionele studio met een stel gerenomeerde studiomuzikanten én met muzikale vrienden Pete Thomas (Elvis Costello & The Attractions) en American Music Club gitarist Vudi. In de Vooruit plukten Eitzel & co daar een trits nummers uit, te beginnen met het o zo typerende openingsnummer “I Love You But You’re Dead”. Het kon zo mogelijk nog ironischer met het autobiografische “Oh Mercy”, waarin Eitzel het gevecht met de eenzaamheid aangaat door zich ongevraagd op allerlei feestjes uit te nodigen om er vervolgens te eindigen als partycrasher; of ongemeen grappig met “Costume Characters Face Dangers In The Workplace”, wat zou geïnspireerd zijn door de toenemende agressie op kostuumacteurs in Amerikaanse Disney parken.
Het profetische “We All Have To Find Our Own Way Out” leek ons eigenlijk wel de perfecte afsluiter van een avond vol filosofische levenswijsheden, maar het publiek vroeg en kreeg hun favoriete antiheld (na een borrel?) toch nog's terug op de planken voor twee would-be classics uit het American Music Club canon. “Blue and Grey Shirt”, oorspronkelijk een  hartverscheurend relaas over een aan AIDS overleden vriend,  werd wat knullig opgedragen aan wijlen Eitzel’s  moeder; het was echter vooral met “Decibels And The Little Pills” uit ‘The Golden Age’ (‘08) waarmee de Amerikaan het publiek met een lach en een traan de vriesnacht instuurde.

Aan de vooravond van Blue Monday, volgens de populaire overlevering de meest depri dag van het jaar, was het heerlijk vertoeven in het aanstekelijke gezelschap van een beautiful loser als Mark Eitzel. Toen de volgende morgen mijn weer eens veel te late trein volgepropt zat met ugly winners kon dan ook werkelijk niemand de cynische lach op mijn smoelwerk plaatsen. Je bent bedankt, Mr. Eitzel

Organisatie: Democrazy, Gent  

maandag 17 december 2012 01:00

Mission Of Burma - more than accomplished


We zijn Moby best wel erkentelijk voor een hoop toffe dansdeuntjes, maar ook in de annalen van de indierock geschiedenis heeft hij middels zijn remake van “That’s When I Reach For My Revolver” een spoor van betekenis achter gelaten. Zijn versie haalde in ’96 zowaar de UK charts, en liet meteen een nieuwe generatie alternativo’s kennis maken met de originele uitvoerders Mission Of Burma.
In de prille 80ies was dit postpunk gezelschap wereldberoemd in en rond Boston omwille van hun intense live shows, maar platen verkopen deden ze daarentegen niet of nauwelijks. Al vlug bleek dat de Amerikanen hun tijd te ver vooruit waren, en toen hardnekkige tinnitus werd vastgesteld bij zanger/gitarist Roger Miller leek het in ’83 al meteen over en uit voor Mission Of Burma. Het mag dan ook een medisch wonder heten dat Miller en zijn maats twee decennia later de draad terug oppakten, en sindsdien een stuk of vier puike albums hebben afgeleverd. Afgelopen zomer verscheen hun jongste worp ‘Unsound’, meteen reden genoeg voor de overjaarse indiehelden om in een veel te klein busje veel te kleine zaaltjes langsheen het Europese clubcircuit af te schuimen.

De 4AD muziekclub mag best trots zijn dat Mission Of Burma voor een exclusief Belgisch optreden uitgerekend naar Diksmuide kwam afgezakt. De drie oorspronkelijke leden trapten met veel goesting en de nodige portie nonchalance de set op gang met een beperkte bloemlezing uit hun recentste albums. Openers “Good Cheer” en “2wice”, respectievelijk uit ‘The Sound The Speed The Light’ (‘09) en ‘The Obliterati’ (‘06), blonken al meteen uit door het soort strakke rommeligheid waar pakweg Guided By Voices zijn hand niet voor omdraait.
De grondvesten van de 4AD moesten hierbij wel al meteen de nodige decibels slikken, maar Roger Miller lijkt wat dat betreft alvast een pak wijzer geworden. Zo staat Miller tegenwoordig vooral naast en niet voor zijn versterker van jetje te geven, en staat er tussen hem en de drumvellen van Peter Prescott een plexiglas scherm opgesteld die de grootste klappen moest incasseren. Zowel Miller, Prescott als bassist Clint Conley namen afwisselend de vocals voor hun rekening, en alhoewel niet alles even toonvast klonk ging er toch een zekere charme van uit.
Ook anno 2012 sijpelt de hoekige ritmiek van Gang Of Four en de artpunk van Wire nog steeds duidelijk door in de sound van Mission Of Burma. De Amerikanen voegen er echter nog een flinke dosis noise aan toe, en hebben net als tijdens hun hoogdagen een vierde groepslid achter de mengtafel staan die allerhande tapes en loops manipuleert. De plaats van de oorspronkelijke manipulator Martin Swope is intussen ingenomen door Bob Weston, tevens actief bij Shellac en Volcano Suns. Het laten uitdeinen van gitaren tot monotone drones of het saboteren van vocals tot cartoonachtige heliumstemmetjes: Weston deed het allemaal en kwam er nog mee weg ook. Deze en andere grapjes maakten de bijwijlen furieuze postpunk uiteindelijk toch redelijk verteerbaar en onderhielden de ontspannen sfeer gedurende gans de set.
Voor de fans van het eerste uur werd het pas echt genieten toen de groep haar essentiële platen begon aan te boren. Uit de debuut EP ‘Signals, Calls And Marches’ (‘81), verplicht voer voor al wie beweert iets met postpunk te hebben, werden het melodieuze “Red” en het splinterbommetje “This Is Not A Photograph” geplukt. Op het eerste full album ‘Vs.’ (‘82) werd de teneur ineens een stuk grimmiger. Ook in de 4AD behoorde het van die plaat getrokken “That’s How I Escaped My Certain Fate” tot één van de meest intense en noisy momenten van de avond.
Haar eigen geschiedenis indachtig sloot Mission Of Burma het eerste deel van de set af met de single die 32 jaar het vuur aan de lont stak. Op de B-kant de arty uppercut “Max Ernst”, op de A-kant de onsterfelijke punk evergreen “Academy Fight Song” die in een betere wereld minstens evenveel draaibeurten verdient als pakweg “Teenage Kicks” of “Ever Fallen In Love”.

Groep en publiek wisten van geen ophouden wat resulteerde in twee korte bisrondes met vooral wat recenter werk. Als ultieme uitsmijter kwam het trio ineens op de proppen met een flard “Youth Of America” van de onvolprezen Wipers, tijds- en genregenoten van Mission Of Burma die er een al minstens even legendarische status op nahouden.
De muzikale blauwdruk van Mission Of Burma heeft ontegensprekelijk erg diepe sporen nagelaten in het Amerikaanse indierock landschap. Van Hüsker Dü tot Big Black, en van R.E.M. tot Nirvana, allen hebben ze ooit de loftrompet afgestoken over hun helden uit Boston. En ja, zelfs zonder “That’s When I Reach For My Revolver” op de setlist was deze zaterdagavond in de 4AD er alweer één om in te kaderen.

Opwarmers van dienst Movoco kregen eerder op de avond al de handjes van Mission Of Burma op elkaar. Een appreciatie die kan tellen voor dit jonge trio uit Nieuwpoort dat sinds hun gouden plak op de ‘Verse Vis’ competitie van muziekclub De Zwerver gestaag aan de weg timmert. Met hun strakke postpunk en coldwave aangelengd met een ferme scheut shoegaze resideert de groep in hetzelfde straatje als pakweg Swervedriver en vroege Ride. De Wablief?! tent op Pukkelpop als volgende halte op het parcours van Movoco? Het zou mooi en verdiend zijn.

Organisatie: 4ad, Diksmuide

 

Het is stilletjesaan weer lijstjestijd, dus zijn we alvast zo vrij om in de categorie ‘comeback van het jaar’ The Jon Spencer Blues Explosion met vette stip te nomineren. Ruim acht jaar sinds het ongemeen groovy ‘Damage’ heeft dit New Yorkse powertrio eindelijk nog eens een nieuwe plaat in elkaar gebokst. De jongste jaren sleet opperbrulboei Jon Spencer zijn dagen als de helft van het rockabilly tussendoortje Heavy Trash, maar voor al wie dat toch wat te propertjes vond kan met gerust gemoed ‘Meat + Bone’ in huis halen. Zelfs de titel van JSBE’s jongste worp is wat dat betreft veelzeggend. Spencer en zijn twee maats grossieren net als tijdens hun hoogdagen immers nog steeds in rauwe compromisloze trashblues die brutaal zijn weg zoekt tot diep in de onderbuik.

Hoeveel van hun platen je ook in huis hebt, JSBE is bovenal een berucht gezelschap dat je in levende lijve moet zien, voelen en ruiken. In de AB roken we aanvankelijk vooral het stresszweet van de PA man die de rommelige aanzet van het trio niet onmiddellijk onder controle kreeg. Een paar reverb frequency correcties later viel alles uiteindelijk toch in de juiste groove en was er voor de rest van de avond echter geen houden meer aan.
Spencer reeg de rock’n’roll clichés op de gekende manier aan elkaar met de vitaliteit van James Brown, de howl van Jerry Lee Lewis en de brutaliteit van Iggy Pop. Hoezeer de ranke Amerikaan ook de aandacht van de bloedrode spotlights opeiste, anno 2012 valt of staat JSBE’s muzikale formule nog steeds met het extra snarenwerk van Judah Bauer en de strakke backbeat van Russell Simins. Voor de niet-ingewijden, aan een bassist hebben deze Amerikanen al ruim 20 jaar lang geen enkele boodschap. Met z’n drieën bezetten de heren overigens amper één derde van het AB podium, maar dat belette hen niet om de 100 dB limiet met twee vingers in de neus aan hun dirty boots te lappen.
Ook voor de recensenten van dienst werd de doortocht van Spencer & co een ferme kluif. Oude en nieuwe songs werden met de nodige pek en veren overgoten en vervolgens aan een danig hels tempo geserveerd dat het herkennen van individuele nummers geen sinecure bleek. In de diverse trashy bluesmedleys vielen met “Dang” en “Sweat” alvast twee withete klassiekers uit JSBE’s grootste creatieve triomf ‘Orange’ (‘94) te ontwaren. Uit diezelfde plaat werd ook het funky “Bellbottoms” ingezet, maar veel verder dan een intro teaser kwam het trio niet.
Op die manier werden wel meer oude krakers in een verkapte of ingekorte versie naadloos aan nieuwe nummers geplakt. Uit de jongste ‘Meat + Bone’ onthouden we vooral de vuige stamper “Bag of Bones”, vettig ingekleurd door Judah Bauer op bluesharp, en de free download single “Black Mold” die maar wat graag de weg wou wijzen naar de volgende schijf van Iggy & The Stooges.

Nadat het eerste concertuur werd besloten met een verplicht rondje feedback vrije stijl kwamen Spencer & co tijdens de uitgebreide bisronde zo mogelijk nog straffer uit de hoek. Ergens hierboven knikte Adam Yauch aka MCA goedkeurend het hoofd toen een grondig verbouwde interpretatie van de Beastie Boys evergreen “She’s On It” als eerste uit de boxen knalde. Ook bij de funky garageblues van “2 Kindsa Love” was het amper mogelijk om hoofd en ledematen stil te houden. Judah Bauer mocht tijdens “Fuck Shit Up” éénmalig achter de microfoon plaatsnemen waardoor Spencer beide handen vrij had om zijn bluesduivels te ontbinden. Met een weerzinwekkende herkansing voor “Bellbottoms”, dit keer wel in een min of meer volledige versie, liet JSBE het publiek ietwat verweesd achter.
Het duurde dus wel even vooraleer die adrenaline niveaus terug hun normale peil hadden bereikt en het rugzweet langzaam begon op te drogen, maar de conclusie van de avond liet minder snel op zich wachten.
Natuurlijk hebben Jack White, The Black Keys & co bestaansreden te over, maar voor the raw deal moet je tot nader order nog steeds bij de originele bluestrashers van JSBE zijn.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/jon-spencer-blues-explosion-11-12-2012/  
http://www.musiczine.net/nl/fotos/sha-la-lee-s-11-12-2012/

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

donderdag 22 november 2012 01:00

We are Motörhead and we play rock’n’roll

Lemmy Kilmister heeft binnenkort 67 lentes op de teller staan, dus is de tijd meer dan rijp om een wijd verspreid misverstand de wereld uit te helpen vooraleer deze zware jongen er definitief het loodje bij neerlegt. Tegen wil en dank wordt zijn Motörhead sinds eind jaren ’70 immers versleten voor één van de meest prototypische heavy metalbands, terwijl in werkelijkheid Lemmy & co zweren bij authentieke rock’n’roll die met de sneltreinvaart van de Ramones en de zompige bluesfeel van ZZ Top tussen de ribben wordt gespietst. Ook al is de formule van hun asskicking drug-fueled rock intussen genoegzaam bekend en worden hun platen de jongste decennia steeds meer inwisselbaar, op het podium is en blijft Motörhead een begrip.

Wanneer je een concertzaal met een behoorlijke staat van dienst als de Brielpoort in Deinze opnieuw op de kaart wil zetten met een muzikale knaller dan is dit Engelse powertrio zonder enige twijfel de juiste groep op de juiste plaats. En knallen deed het. De brutale openers “I Know How To Die”, “Damage Case” en “Stay Clean” boden al meteen een fraaie staalkaart van Lemmy’s way of life. Poeders en pillen waren er al bij de vleet toen hij als jonkie spacerock geschiedenis schreef met Hawkwind, later maakten whisky en slechte vrouwen het plaatje compleet. De motherfucker attitude stroomt niet alleen door elke ader in zijn korte lijf, ook de fotogenieke combinatie van walrussnor, bakkebaarden, cowboyhoed, Iron Cross en zwarte denim vest maken dat hij er uitziet als de ultieme belichaming van de stoere biker met de schorre stem.
De groep imponeerde echter niet enkel in decibels en snelheid, maar ook in het feit dat hun set toch vrij afwisselend was samengebokst. Uiteraard verzekeren Lemmy & co zich al sinds jaar en dag van succes door het beste uit ‘Overkill’ (‘79) en ‘Ace Of Spades’ (‘80) boven te halen. Tussendoor de Sturm und Drang anthems uit deze essentiële platen werd het publiek toch ook wat ademruimte gegund met ‘rustiger’ spul zoals de extreem smerige bluesslepers “Metropolis” en “You Better Run”. Zoals het elke rockgroep met een 70ies verleden overigens betaamt is het niet meer dan normaal dat ook Motörhead zich bezondigde aan soleermomenten voor gitarist Phillip Campbell en drummer Mikkey Dee. Het gaf Lemmy tot tweemaal toe de gelegenheid om backstage het peil van zijn voorraad Jack Daniels te checken en een lokale schone een tong te draaien.
Het massaal aanwezige legioen zwart lederen jekkers kreeg in de tot de nok gevulde Brielpoort een korte maar krachtige uppercut als finale. Het obligate maar onverslijtbare “Ace Of Spades” haalde de meest gevaarlijke gebaren boven in de rolstoelpatiënten die op een apart podium even uit de bol konden gaan. Even hartverwarmend was ook de stomende versie van Thin Lizzy’s “Are You Ready”, door Lemmy himself opgedragen aan diens veel te vroeg gesneuvelde drinkebroer Phil Lynott. Het genadeschot werd gegeven met “Overkill”, één van de weinige nummers uit de Motörhead catalogus die vlotjes de kaap van de 5 minuten haalt en aan een onwaarschijnlijk tempo hoofd en ledematen een beurt geeft.

Uit de brede grijns op zijn bejaard smoelwerk viel af te leiden dat ook Lemmy er een meer dan geslaagde avond had opzitten. Of hij ooit een flinke kluif wordt voor de geriatrie laten we nu eventjes in het midden. Zolang hij op deze manier blijft flirten met zijn houdbaarheidsdatum verdient Mr. Kilmister tot nader order alle respect. Of om R.J. Dio zaliger te citeren: Long live rock’n’roll!


Eerder op de avond pikten we nog een streepje Anthrax mee, één van de twee opwarmers van dienst die de zaal al vroeg zo goed als vol deed lopen. Het New Yorkse kwartet behoort tot één van de absolute pioniers van de trashmetal, en greep logischerwijs dan ook bijna uitsluitend naar hun glorieuze mid-80ies tot early 90ies periode terug. Ook al zijn we geen zelfverklaarde fan van het genre, op veilige afstand van het podium en dicht bij de toog ging die speedrock versie van Joe Jackson’s “Got The Time” er toch maar lekker in.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/motorhead-20-11-2012/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/anthrax-20-11-2012/

Organisatie: Live Nation

Met classic rock millionsellers als ‘Fly Like An Eagle’ (‘76) en ‘Book Of Dreams’ (’77) heeft Stevie ‘Guitar’ Miller zich dan wel van een stevig pensioentje verzekerd, toch lijkt de inmiddels 69 lentes tellende Amerikaan nog bijlange niet uitverteld. Na een lange radiostilte verschenen afgelopen jaren immers twee nieuwe albums waarop de kwieke Miller met ongeziene spontaniteit en virtuositeit teruggrijpt naar de bluesroots die hij als kleine Texaanse uk persoonlijk kreeg ingelepeld van ondermeer Les Paul en Muddy Waters.

Wie de man tegenwoordig live aan het werk ziet wordt getrakteerd op een genereuze set waar interpretaties van blues standards netjes worden afgewisseld met een ferme graai uit zijn indrukwekkende lijst poprock classics. Tot die laatste categorie behoren “Jungle Love” en “Take The Money And Run”, de twee opwarmers van dienst waarmee de zeskoppige Steve Miller Band de talrijk opgekomen veertigers en vijftigers in de vlotjes uitverkochte AB welkom heette. Tijdens “Abracadabra” kreeg de bejaarde rocker een tekstvel voor de neus gepland, maar desondanks leek het nummer hem vocaal wat te ontglippen. Het zou achteraf gezien het enige schoonheidsfoutje blijken in een set die verbluffend vitaal en nergens gedateerd klonk.
Met het aan ZZ Top schatplichtige “The Stake” en het funky “Mercury Blues” ontplooide Miller zich vervolgens als een doorleefde bluesgitarist waar Blues Peer een moord zou voor begaan. Het geheime wapen van de Steve Miller Band anno 2012 is echter de 72-jarige soulman Sonny Charles. Deze voormalig frontman van het bij ons minder bekende 60ies r&b combo Checkmates, Ltd. mocht met volle overtuiging originals van Bobby ‘Blue’ Bland  en Otis Rush nieuw leven inblazen, en fungeerde tijdens de rest van de set als een volleerd publieksanimator.
Naar aanleiding van de recente reissue van diens eerste platen ging Miller ook erg diep in zijn eigen back-catalogue grasduinen. De Amerikaan refereerde met enig cynisch leedvermaak naar zijn eerste stappen in de muziek business waar hij door zijn toenmalig label Capitol al vlug als een artistieke melkkoe werd aanzien. Miller en zijn maats vonden het toen dan ook niet meer dan normaal om vier albums in te blikken op amper twee jaar tijd. Uit die tijd stamt ook “Kow Kow”, een bijzonder aanstekelijk psychic bluespareltje dat in een betere wereld tot het collectief geheugen zou behoren.
Zoals het een echt 70ies icoon op leeftijd betaamt stond de even minzame als goedlachse Miller ineens ook eventjes moederziel alleen en enkel gewapend met een acoustische gitaar op het podium. Met uitgeklede versies van “Wild Mountain Honey” en de grappige niemendalletjes “Gangster Of Love” en “Dance, Dance, Dance” bewees hij eens te meer een neus te hebben voor perfecte popliedjes die in om het even welke vorm met sprekend gemak overeind blijven.
De grand final van de avond werd ingeleid door het instrumentale “Space Intro” dat naadloos overging in “Fly Like An Eagle”, één van de onbetwiste signature songs van de Steve Miller Band die hier een uitgesponnen funky spaceblues versie meekreeg dankzij de virtuoze orgelexploten van ‘choral master’ Joseph Wooten. De classic rock radio staples “Jet Airliner” en “Rock’N Me” maakten het feest der herkenning compleet.

De kaap van de twee uur werd netjes gehaald toen Miller en zijn vijf maats het funky “Swingtown”, “Space Cowboy” en het even onvermijdelijke als redelijk overbodige “The Joker” als encores serveerden. Toeval of niet, maar laat die twee laatste nu net de populairste nicknames zijn die Miller al een paar decennia lang achtervolgen. De kwieke veteraan ziet er ongetwijfeld de humor van in en geniet met volle teugen van de hernieuwde aandacht. Festivals zoals Blues Peer zijn nu aan zet om daar binnenkort een vervolg aan te breien.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/steve-miller-23-10-2012/

Organisatie: Live Nation ism Ancienne Belgique, Brussel

Pukkelpop 2012 thru the eyes & ears of Geert Huys
Pukkelpop 2012
Geert Huys

“Damn it’s hot up here!”, “Is het daar ook zo warm?”, “Where we come from, we’re not used to this heat”... de stuk of 200 bands en artiesten die afgelopen weekend de Pukkelpop affiche kleurden blonken niet meteen uit in originele bindteksten, maar des te meer in respect en enthousiasme om deze hoogmis van de ‘alternatieve’ muziek na het rampjaar 2011 opnieuw op de kaart te zetten. Hieronder een hoogst persoonlijke impressie van drie dagen muzikaal vertier gedrenkt in stof, zweet en special beers.

DAG 1, donderdag 16 augustus

In een bloedhete en aardig volgelopen Castello viel het Engelse viertal ALT-J (***) een wel bijzonder warme ontvangst te beurt. Hun studentikoze mix van folk en lichtvoetige dubstep-pop maakt van het debuut ‘An Awesome Wave’ één van de opmerkelijkste platen van afgelopen voorjaar. Live klinken deze arty kids als een uitgeklede versie van Mumford & Sons waarin kale folk en knisperende beats in de mix gaan. Iets in ons zegt dat de Castello bij hun volgende doortocht op Pukkelpop een paar maatjes te klein zal zijn.
Hoogtepunten: “Tessellate”; “Dissolve Me”

Weinig volk vervolgens in de Wablief?! tent voor de doortocht van MAD ABOUT MOUNTAINS (***). Deze band is het nieuwe speeltje van Piet De Pessemier, die we horen te kennen als voormalige sidekick van Stijn Meuris in Monza maar vooral als frontman van Krakow. Een streepje early Neil Young of een portie Gram Parsons gaan er bij ons altijd wel in, dus konden we de verstilde Americana van dit introverte kwartet wel smaken. De band had wat meer mogen flirten met de 100 dB geluidslimiet, maar al bij al toch een aangenaam zoethoudertje in afwachting van de volgende worp van Krakow.
Hoogtepunt: “The Way It Will Be” (Gillian Welch cover)

Sympathieke kerels zijn het, THE HORRORS (****), om net als Foo Fighters hun afgelaste optreden van 2011 een jaartje later te komen goedmaken . Echter, eens de vijf Londenaren het podium van de Marquee betraden overheersten dramatiek en Weltschmerz. De tristesse was af te lezen van het gezicht van oppervleermuis Faris Badwan die met een lege blik het publiek bestudeert. De groep forceerde vorig jaar een kleine doorbraak met hun derde album ‘Skying’, maar concentreerde zich op Pukkelpop toch maar wijselijk op hun voorlopig opus magnum ‘Primary Colours’. Heerlijk toch, van die groepen die een zonnige festivaldag vakkundig komen verpesten met hun zwartgallige deuntjes.
Hoogtepunten: “Mirror’s Image”; “I Can See Through You”; “Still Life”; “Sea Within A Sea”

Samen met M.I.A. dingt Santi White aka SANTIGOLD (**) al een paar jaar naar de titel van alternative queen of pop. Op de Main Stage stond inderdaad een goed geoliede op-en-top Amerikaanse act: verkleedpartijen allerhande, overbodige danseressen die nieuwe standjes uitprobeerden met paraplu’s en koffers, en een collectief orgasme voor een selecte schare fans die eventjes de bühne op mocht. Helaas haalden de doelloos afgevuurde beats en diepe bassen het van de fraaie popnummers die deze Amerikaanse griet ondertussen op haar kerfstok heeft. Tussenstand M.I.A. - Santigold: 1-0
Hoogtepunt
: “Disparate Youth”

Met een opwindende mix van vrolijk knetterende beats en verdraaide indiegitaren deden de vier kerels van het Schots-Engels-Ierse gezelschap DJANGO DJANGO (***) probleemloos de Club uitpuilen. Hun set leek eigenlijk wel één lange aanloop naar de onwaarschijnlijke voorjaarshit “Default” die de veerkracht van de plankenvloer in de tent voor een eerste maal op de proef stelde. Wie hun debuutalbum in huis heeft weet dat de heren bij momenten nog wat te arty farty klinken, maar live wist de groep daar probleemloos bovenuit te stijgen door de speelse percussie en de sterke vocal harmonies. Pukkelpop was het eerste Belgische festival waar Django Django mocht aantreden, maar naar verluid steekt er al een nieuw contractje in de achterzak van Herman Schueremans.
Hoogtepunten
: “Waveforms”; “Default”

Het leven kan verkeren: een goed half jaar terug werd BLOC PARTY (****) nog klinisch dood verklaard, maar in Kiewit herrezen Kele Okereke & co wonderbaarlijk als één van de headliners op de Main Stage. Bovendien komt er weldra, na vier jaar relatieve radiostilte, nog eens een nieuw studioalbum van de groep uit. De lange sabbatical lijkt de band deugd te hebben gedaan: Kele oogt scherp en bedelt uitdrukkelijk om publieksaandacht, terwijl de rest van zijn maats er als vanouds een hels tempo op na houden. Het viertal lijkt zijn reputatie als strakke rockband terug te willen opeisen, en heeft daartoe de goedkope beats uit het verleden grotendeels overboord gegooid. Bloc Party is back in town, maar voor hoelang durft deze keer niemand te voorspellen.
Hoogtepunten: “So Here We Are”; “Team A”; “Helicopter”

De prijs voor ‘Het Snoepje van de Eerste Pukkelpop Dag’ ging met stip naar LIANNE LA HAVAS (***). Haar folky soulpop met echo’s van Corinne Bailey Rae en Norah Jones ging er zo net voor zonsondergang bijzonder vlotjes in. La Havas heeft de looks, de stem en kan bovendien een aardig stukje gitaar spelen. Met zo’n CV zou ze als totaal overgekwalificeerd uit elke talentenjacht worden geweerd, de Club tent sloot deze BBC’s Sound of 2012 genomineerde daarentegen maar al te graag in de armen.
Hoogtepunten: “Is Your Love Big Enough?”; “Forget”; “No Room For Doubt”

Vooraf werd BJÖRK (***) als een eerder gewaagde headliner op de Main Stage aanzien, en de IJslandse bosfee had een voortreffelijke show in petto om die verwachtingen moeiteloos in te lossen. Vergezeld van een ruim 10-koppig engelenkoor, dat naast louter vocale ook flink wat choreografische hoogstandjes had ingestudeerd, loodste de inmiddels 46 lentes tellende zangeres het publiek door haar unieke droomwereld. De ene keer bezwerend en etherisch begeleid door indrukwekkende visuals met Moeder Natuur in de hoofdrol, de andere keer eigenzinnig en strijdvaardig waar stuiterende beats en tribal techno over de hoofden van heel wat verbaasde festivalgangers heen vlogen. Hadden we medelijden met al wie te vroeg op post was voor de doortocht van Netsky? Bijlange niet!
Hoogtepunten: “Hunter”; “Jóga”; “Declare Independence”

Van meet af aan bleek de meerstemmige huiskamerpop van FEIST (**) in de Marquee een geval van ongelukkige casting. We zien de samenstellers van het Cactusfestival of Festival Dranouter gewillig een ledemaat naar keuze afstaan om deze Canadese op hun affiche te krijgen, maar voor het Pukkelpop publiek werkte de Feist formule gewoonweg niet. Ja, zelfs niet toen het origineel van “The Limit To Your Love” voorbij kabbelde. Niet getreurd, Chokri, zet hier volgend jaar gewoon Broken Social Scene waarmee Feist in 2002 de indiemijlpaal ‘You Forgot It In People” opnam, en we verscheuren al die dreigbrieven.
Hoogtepunt: “How Come You Never Go There”

Toegegeven, de fut was er bij ons al een beetje uit even voorbij één uur ’s nachts, maar voor de MARK LANEGAN BAND (****) is dit wel hét tijdstip bij uitstek om hun gitzwarte blues te orakelen. Vergezeld van enkel maar Belgische muzikanten, met snarengeselaar Steven Janssens (o.a. Daan) en Creature With The Atom Brain opperhoofd Aldo Struyf in een gedeelde hoofdrol, serveerde Lanegan één uur lang niets dan hoogtepunten uit zijn jongste opus magnum ‘Blues Funeral’ afgewisseld met een aantal pareltjes uit diens voorganger ‘Bubblegum’. Vastgeroest aan zijn microfoon standaard wisselde de ranke Amerikaan naar goede gewoonte nauwelijks een woord met het publiek, tot op het moment wanneer hij zijn goede vriend en Afghan Whigs frontman Greg Dulli op het podium mocht begroeten voor het magistrale slotakkoord “Methamphetamine Blues”. Geen enkele witch doctor bedenkt een betere therapie tegen de pijn van het zijn.
Hoogtepunten: “Grey Goes Black”; “Hit The City”; “Wedding Dress”; “The Gravedigger’s Song”; “Methamphetamine Blues”

DAG 2, vrijdag 17 augustus
Wie de drie gitaren op het podium van de Marquee zag blinken van ongeduld kon al een beetje vermoeden dat de doortocht van het uit Atlanta overgevlogen gezelschap O’BROTHER (***) geen gezellig ochtendwandelingetje zou worden. Muzikaal begeven deze heren zich in watertjes die al eerder zijn doorzwommen door o.a. Deftones, Mogwai, Radiohead en Sigur Rós. De combinatie van een imposante wall of sound en de emo-uithalen van frontman Tanner Merritt was nu niet meteen een licht verteerbaar ontbijt te noemen, maar klaarwakker werden we er in ieder geval wel van.
Hoogtepunten: “Sputnik”; “Machines Part II”

“Pukkelpop, dan is het nu tijd voor een muzikale uppercut; geniet van jullie bloedneus, hier zijn BLOOD RED SHOES (***). Alle heruitzendingen van Comedy Casino despijt, de one-liner humor van Luc Janssen is en blijft een gegronde reden om jaarlijks naar de Main Stage van Pukkelpop af te zakken. Voor zover we konden zien kreeg het Engelse noisepop duo overigens geen bloedneuzen maar wel een paar bloedrode schoentjes te zien die een die-hard fan tot bij de camera kreeg. Net als bij pakweg de Ramones zaliger neemt de verwondering bij elke doortocht van Blood Red Shoes op Pukkelpop telkens weer een beetje af. Maar ach, wat zou het. De strakke formule met die punky gitaar en heerlijk stampende drums als ingrediënten is inmiddels gekend, maar na vier edities in Kiewit nog bijlange niet uitgewerkt.
Hoogtepunten: “Don’t Ask”; “I Wish I Was Someone Better”

Razorlight zonder imagoprobleem? The Kooks met ballen? Howler met songs? Er zijn duidelijk meerdere complimentjes te maken aan het adres van OBERHOFER (****). In de Marquee wist deze Amerikaanse band rond de jonge lo-fi held Brad Oberhofer ons te imponeren met een trits catchy, intense maar nooit kleffe indiepop songs. Oberhofer is in eigen land waarschijnlijk net oud genoeg om zelf een pint te bestellen, maar op Pukkelpop gaven hij en zijn kornuiten blijk van gedegen stielkennis. En ja, elke frontman die roekeloos het publiek in duikt en al gitaar spelend de contouren van de tent gaat verkennen kan uiteraard op onze onvoorwaardelijke sympathie rekenen.
Hoogtepunten: “Landline”; “Haus”

Een zanger in zwart maatpak en dito deukhoed op de Main Stage? Dat moet Paul Smith van MAXÏMO PARK (***) zijn, de postpunk band uit Newcastle die in ’05 fenomaal debuteerde met ‘A Certain Trigger’ maar sindsdien hardnekkig op zoek is naar een bestaansreden. Nieuwe songs als “The Undercurrents” zijn verdienstelijk, maar missen ontegensprekelijk de spanning en dynamiek van de beginjaren. Maxïmo Park’s live reputatie is daarentegen in al die jaren alleen maar indrukwekkender geworden. Als gitaarloze frontman had Smith de handen vrij om alle uithoeken van het podium te verkennen, wat bij de heersende temperaturen toch een pak zweet moet hebben opgeleverd in dat maatpak.
Hoogtepunten: “Going Missing”; “Our Velocity”; “Apply Some Pressure”

In de reeks ‘Artists to Watch in 2012’ kregen we in de Club de naar Londen uitgeweken Nieuw-Zeelander WILLY MOON (***) voorgeschoteld, een hyperkinetische kid in strak maatpak die rauwe 50ies rock’n’roll een moderne twist geeft door er moddervette hiphop beats doorheen te halen. Moon klinkt als de ADHD versie van Screamin’ Jay Hawkins, wiens “I Put A Spell On You” in een korte maar krachtige versie trouwens ook op de setlist stond. Eens over de eerste cultuurschok heen kreeg Willy Moon het publiek mooi op zijn hand, het was dan ook niet minder dan doodjammer dat hij en zijn kornuiten er reeds een kwartier voor tijd de brui aan gaven. An artist to watch, yes indeed!
Hoogtepunten: “Sound Of The Radio”; “Yeah Yeah”; “My Girl”

Het Belgisch-Nederlandse heavy bluesrock combo DRIVE LIKE MARIA (****) joeg de temperatuur in de Wablief?! tent vervolgens pijlsnel de hoogte in met een set die zowaar nog intenser, smeriger en strakker klonk dan wat Triggerfinger ons tegenwoordig voorschotelt. Eindelijk ook nog eens een rockband met een prima vrouwelijke gitariste, Nitzan Hoffmann, in de rangen; en het kon niet op, want tijdens de nieuwe single “Howl” verscheen in de persoon van Lara Chedraoui (Intergalactic Lovers) nog meer vrouwelijk schoon op de planken. Drive Like Maria kon afgelopen jaren reeds voorprogramma’s versieren van ZZ Top en AC/DC, maar het lijkt ons enkel een kwestie van geduldig afwachten vooraleer deze indrukwekkende live groep op eigen kracht potten gaat breken.
Hoogtepunten: “Black Horses”; “So”

Door de ogen van Jesse Hughes, de enigmatische frontman van EAGLES OF DEATH METAL (***), is het leven niets meer dan één eindeloos durend rock’n’roll feestje. Conceptalbums, gitaaracrobatiek of wereldverbeterende bindteksten zijn dus niet besteed aan deze Amerikaanse partyband die op de Main Stage alle rock’n’roll clichés op een hoopje gooide en er nog mooi mee weg kwam ook. Dat de songs over zulke diverse onderwerpen handelen als girls, sweethearts, women, ladies, birds, chicks en babes is ons onder de loden zon van Kiewit niet eens opgevallen.
Hoogtepunten: “Cherry Cola”; “Heart On”

Het Engelse powertrio BAND OF SKULLS (**) kwam speciaal uit de States overgevlogen om de temperatuur in de Marquee nog een paar graden te laten stijgen, maar hadden zich achteraf gezien die moeite beter kunnen besparen. Het gezelschap uit Southhampton beschikt zonder twijfel over de juiste looks en killer riffs om hun retro-act geloofwaardig te doen overkomen, alleen ontbraken de songs om de vlam echt in de pan te doen slaan. Meer dan eens leken hun nummers ergens halverwege te stagneren om uiteindelijk te verzanden in een soort zielloze bluesrock waar we het noch warm noch koud van kregen. Graag dus even terug naar dat repetitiekot vooraleer Chokri nog eens een uitnodiging stuurt.
Hoogtepunt: “Death By Diamonds And Pearls”

Op de tonen van John Sebastian’s “Welcome Back” sjoffelden de heren van GRANDADDY (*****) sinds veel te lang nog eens een Belgisch podium op voor wat één van de meest memorabele optredens van Pukkelpop 2012 zou worden. Opener “El Caminos In The West” zette meteen de toon voor een beknopte ‘Best of’ set die de massaal toegestroomde dertigers en veertigers in de Marquee op hun wenken bediende. Het ontwapenende speelplezier van de Californiërs en de enthousiaste herkenningskreten bij het publiek zorgden voor een magisch sfeertje dat ook de doorgaans eerder zwijgzame frontman Jason Lytle niet onbewogen liet. De baardemans met de onafscheidelijke baseball pet liet zich op het einde zelfs verleiden tot één van de meest oprechte quotes van de festival driedaagse: “Getting together again after all those years first seemed a horrible idea.
Thank you for proving us wrong!”.
Hoogtepunten: “The Crystal Lake”; “Hewlett’s Daughter”; “AM 180”; “Summer Here Kids”; “He’s Simple, He’s Dumb, He’s The Pilot”

Bericht aan de naarstige timmermannen die zich ontfermen over de plankenvloer van de Marquee tent: na de orkaan genaamd GOOSE (****) is er weer abnormaal veel werk aan de winkel. De Kortrijkzanen lagen dan ook aan de basis van een merkwaardige volksverhuizing: in no time werd de Marquee, doorgaans het uitverkoren terrein voor liefhebbers van het betere gitaarwerk, overspoeld door het vaste publiek van de Dance Hall. Het kostte frontman Mickael Karkousse dan ook geen enkele moeite om het jonge volkje te laten opgaan in de kolkende spiraal van electrohouse en big beats, en even dachten we - met onze excuses voor de ongepaste beeldspraak - dat het dak van een uitpuilende Marquee er af ging. Voor Goose is er maar één horde meer te nemen op Pukkelpop, dat is Luc Janssen van zijn sokken blazen op de Main Stage.
Hoogtepunten: “British Mode”; “Synrise”; “Bring It On”; “Words”; “Everybody”

Zou de groep zonder schermutselingen het einde van de set halen? Welke projectielen zou de immer zelfvoldane Ian Brown naar zijn monkey face geslingerd krijgen? We hadden genoeg pertinente vragen klaar net voor de aftrap van THE STONE ROSES (***) op de Main Stage, maar warempel, geen enkele leverde een leuke anekdote op. Tijdens de Reunion Tour van de herenigde Madchester helden wordt hun even legendarisch als invloedrijk titelloos debuut uit ’89 bijna integraal opgediend, en de heren lijken er nog plezier aan te beleven ook. Minstens even opvallend is de muzikale klasse die John Squire, Mani en Reni uitstralen, al lieten ze het gesoleer bij momenten wel heel breed hangen tijdens ellenlange versies van “Fools Gold” en “Waterfall”. Ook de uiterst goedgeluimde Brown probeerde zijn deel van de aandacht op te eisen door prullaria in het publiek te gooien of voor de camera te stoeien met Kung-fu speeltjes. De Roses stonden er dus, oerdegelijk, zelden indrukwekkend, maar hun bladzijde in de popencyclopedie meer dan waardig.
Hoogtepunten: “I Wanna Be Adored”; “Sally Cinnamon”; “I Am The Resurrection”

Hoe hard Greg Dulli ook zijn best deed om zich van een tweede muzikaal leven te verzekeren met The Twilight Singers of met vriend-voor-het-leven Mark Lanegan als The Gutter Twins, nooit haalde hij dezelfde impact als met THE AFGHAN WHIGS (*****). De triomftocht van de herenigde Whigs in het Koninklijk Circus lijkt de geschiedenis in te gaan als één van de beste Belgische zaaloptredens van 2012, en in de Marquee deed de groep diezelfde tour de force doodgewoon nog eens over. Van de onheilspellende intro van “Crime Scene, Part One” tot de laatste noten van de bezwerende mantra “Into The Floor”, het zeskoppige gezelschap greep ons anderhalf uur bij het nekvel als een bloeddorstige teek. Dulli heeft de nicotine en de booze zo goed als opgegeven waardoor hij nu op alle fronten, van rock’n’roll animal tot crooner, voluit kan gaan. Ergens lazen we ‘Foo Fighters overklassen alles en iedereen’ als slotsom van Pukkelpop 2012. Sorry Dave, maar Greg & co waren jou een stap voor.
Hoogtepunten: “Gentlemen”; “Debonair”; “Fountain And Fairfax”; “66”; “Miles Iz Ded”

DAG 3, zaterdag 18 augustus
Het Londense vijftal DRY THE RIVER (***) omschrijft haar geluid als ‘folky gospel music played by a post-punk band’, meer woorden hadden wij echt niet nodig om na een stevig ontbijtje dus al meteen de Marquee in te duiken. Klinken deze jongelui op hun onlangs verschenen debuutalbum ‘Shallow Bed’ nog als een gotische versie van Mumford and Sons, dan hadden ze in Kiewit beduidend meer decibels in petto. Hun pastorale folkrock werd op dit vroege uur rauw en onversneden opgediend waarin fijnproevers een geslaagde blend van Fleet Foxes en Mogwai konden ontwaren. Mr. Google leerde ons intussen dat Dry The River genomineerd werd voor The Sound of 2012, een eer die ze duidelijk niet gestolen hebben.
Hoogtepunten: “Lion’s Den”; “Shield Your Eyes”

De zon was al verschrikkelijk vroeg van de partij op de Main Stage, maar echt zomeren deed het pas toen het bevallige nepblondje Ritzy Bryan van THE JOY FORMIDABLE (***) ten tonele verscheen. Een paar jaar terug had Bryan ongetwijfeld nog posters van Lush, Slowdive, Ride en Smashing Pumpkins op haar kamer hangen, nu probeert ze samen met haar maats die invloeden in een modern jasje te steken. Het trio uit Noord-Wales twijfelt nog wat teveel tussen zeemzoet en vitriool om ons echt in te pakken, maar is wel reeds Formidabel als festivalact.
Hoogtepunten: “Cradle”; “Whirring”

We gingen vervolgens wat schaduw opzoeken in de Castello bij alweer een band uit Wales, MAN WITHOUT COUNTRY (***). Hun melancholische synths zijn wat blijven steken in de 90ies toen New Order, Saint Etienne en godbetert zelfs Pet Shop Boys hippe bands waren, maar wie een groepje als Hurts wat te stroperig vindt (geen nood, we zijn met velen) kan zijn/haar tijd beter verliezen aan dit fijne gezelschap. Man Without Country is vooralsnog een grote onbekende op de populaire radiogolven, maar bij intimi als Björk, Archive en Band Of Skulls mogen de heren als wederdienst voor hun fijne remixes voortaan op de sofa blijven pitten.
Hoogtepunten: “Puppets”; “Foe”

In de Shelter stond vervolgens nu eens geen punk, hardcore of emo geprogrammeerd, maar wel vuige garagerock en snoeiharde rockabilly van het Londense vijftal THE JIM JONES REVUE (***). Met een beetje verbeelding kan je deze doorleefde rockers als het Engelse spiegelbeeld van The Jon Spencer Blues Explosion beschouwen, maar dan wel één die het aandurft om naast een koppel moddervette gitaren ook een piano het podium op te zeulen. We durven wedden dat Jerry Lee Lewis, Little Richard en Nick Cave goedkeurend knikken wanneer de theatrale frontman Jim Jones als een bezetene over het podium raast. Voor de twijfelaars, haal hun recentste plaat ‘Burning Your House Down’ in huis en geniet van een onvervalst rock’n’roll delirium.
Hoogtepunten: “Dishonest John”; “Shoot First”

In de Club botsten we op DAUGHTER (***), op het eerste zicht de zoveelste act in de reeks meisje-met-gitaar-maar-zonder-lief. Al vlug werd echter duidelijk dat de timide Engelse fee in kwestie, Elena Tonra, geen gratuite riedeltjes maakt à la Amy McDonald. De liedjes van Tonra lijken op het eerste zicht wat futiel, maar het zijn de extra laagjes creepy soundscapes, gitaar echo’s en spaarzame percussie die de voorlopig bescheiden catalogus van Daughter zo bijzonder maken. Hou dit kind ver weg van de manager van The Cranberries en er kunnen nog mooie dingen gebeuren met Daughter.
Hoogtepunten: “Love”; “Youth”

Natuurlijk hadden de 90ies adepten naast Grandaddy en Afghan Whigs maar wat graag Pavement over de vloer gehad in de Marquee, maar met STEPHEN MALKMUS & THE JICKS (***) komt een mens al aardig in de buurt. Malkmus was zoals gewoonlijk zijn nonchalante zelf en liet de spotlights vooral richten op een aantal van zijn Jicks, waaronder drummer Jake Morris die zelfs een nummertje mocht inzingen. Het was best wel een mooie verdienste van Malkmus & co om zonder ook maar één duidelijk aanwijsbaar Pavement moment toch een aantrekkelijke show neer te zetten waarin trouwens een pak nummers uit het jongste album ‘Mirror Traffic’ staken. Een leuker voorprogramma op een festival als dit kon Bob Mould, de volgende in rij op het Marquee podium, zich niet inbeelden.
Hoogtepunten: “Stick Fingers In Love”; “Tune Grief”

Eventjes hadden we gevreesd dat de vederlichte gitaarpop van THE SHINS (***) wat bleekjes zou uitvallen op de Main Stage, maar de Amerikanen hadden voor de gelegenheid toch flink wat decibels bijgestoken met een behoorlijk potige set als resultaat. Op hun bijna-doorbraak plaat ‘Port Of Morrow’ schuwen frontman James Mercer en zijn maats niet langer Het Grote Gebaar en heeft de groep duidelijk aan radiovriendelijkheid gewonnen. De onverbiddelijk brandende middagzon had een groot deel van het publiek echter knockout geslagen, waardoor het verhoopte nationaal zangfeest tijdens “Simple Song” uiteindelijk toch niet door ging.
Hoogtepunten: “Phantom Limb”; “Simple Song”; “The Rifle’s Spiral”; “So Says I”;

De prettig gestoorde nachtegaal met de onafscheidelijke pet PATRICK WATSON (****), die tevens zijn naam ontleent aan de gelijknamige Canadese groep, liet zoals gewoonlijk het publiek met open mond meegenieten van zijn onnavolgbare barokpop die ergens het midden houdt tussen Debussy en Jeff Buckley. Zijn weemoedige falsetstem moest optornen tegen een verzameling instrumenten met een laag rock’n’roll gehalte zoals viool en xylofoon, de songs lijken dan ook eerder te zijn ontstaan in Alice’s Wonderland dan in het weidse Quebec. En opeens was daar het krop-in-de-keel moment van deze dolle driedaagse, toen Watson en zijn makkers dicht tegen elkaar aanschurkten voor een groepsmeditatie. Het begon zachtjes prevelend, ging langzaam over naar fluisterend en eindigde uiteindelijk in één minuut stilte om klokslag 18u10 als eresaluut voor de vijf gevallen muziekmakkers van Pukkelpop 2011. Op de oorverdovende stilte volgde een al even oorverdovend applaus, waarop groep en publiek ietwat stomdronken van emotie hun weg vervolgden.
Hoogtepunten: “Adventures In Your Own Backyard”; “Luscious Life”; “Big Bird In A Small Cage”

Op de Main Stage kwam het Zweedse garagepunk combo THE HIVES (***) andermaal bewijzen dat voorspelbaarheid een onbeschaamde deugd kan zijn. Vijf heren in nagelwitte hemden die zich in het zweet werken met op kop de Jim Carrey van de punkrock Howlin’ Pelle Almqvist, of hoe heerlijk karikaturaal een rockband kan zijn. Of hoe The Hives één van de weinige groepen zijn wiens opruiende en nonsense bindteksten een stuk langer duren dan hun nummers, en elk nieuw album een beetje minder relevant blijkt dan het vorige. Het zal het publiek, ons incluis, allemaal een zorg wezen: The Hives maakten er zoals steeds een compromisloos feestje van en hebben inmiddels voldoende garagerock standards op hun erelijst prijken om Jan Becaus én André Vermeulen terzelfdertijd hun cool te laten verliezen.
Hoogtepunten: “No Pun Intended”; “Hate To Say I Told You So”; “Tick Tick Boom”

Onze eerste kennismaking met THE ANTLERS (***) was toen we het album ‘Hospice’ in handen kregen, een hartverscheurende songcyclus over de onmogelijke liefde tussen een terminale kankerpatiënt en diens verpleegster. Dit trio uit Brooklyn heeft van dit soort zwaarmoedigheid haar handelsmerk gemaakt, en het valt te betwisten of hun muziek wel geschikt is om een festivalpubliek op een zonnige namiddag te entertainen. De Club tent liep echter moeiteloos vol om deze cult groep in wording een begeesterende set te zien geven. De etherische subtiliteiten die hun albums kleuren werden grotendeels ingeruild voor een weidser klankenpalet waarin de ontredderde falset van frontman Peter Silberman heerlijk verstrengeld zat. Nooit gedacht dat we deze emo trip een klein uur lang zouden uitzweten, maar eens ondergedompeld in de weemoed van The Antlers kende de volharding van lichaam en geest duidelijk geen grenzen meer.
Hoogtepunten: “Rolled Together”; “I Don’t Want Love”

Begon de loden zon ook op de Main Stage haar tol te eisen, ligt het helse tempo tijdens hun huidige tour toch wat te hoog, of vonden Dan Auerbach en Patrick Carney een stek als voorprogramma van Foo Fighters toch wat te minnetjes? We hebben er het raden naar, maar feit is dat de nieuwe mega act in wording THE BLACK KEYS (**) te routineus voor de dag kwamen en hun minimale bluesrock zelden een vuist kon maken. Dat Auerbach nauwelijks een woord over de lippen kreeg deed er ook al geen goed aan, en toen tegen het einde van de set de StuBru hits elkaar in ijl tempo opvolgden veerde een deel van de Dave Grohl fans plots toch even recht maar bleek het kalf al verdronken. Het smerige slotakkoord “I Got Mine” betekende een klein eerherstel maar kon een tweede zit voor deze twee blanke bluesrocknegers niet meer afwenden.
Hoogtepunt: “I Got Mine”

De Amerikaanse wereldgroep WILCO (****) die opent voor een amper halfgevulde Marquee leek wat op fictief surrealisme. Net als op Lowlands heet het zwarte beest van Jeff Tweedy & co Dave Grohl, maar uiteindelijk laten toch een pak liefhebbers van progressieve Americana de gelijktijdig geprogrammeerde Foo Fighters links liggen. We zien hoe het zestal uit Chicago gretig opent met het oudje “Misunderstood”, en zich tijdens het daaropvolgend half uur naar een climax toe werkt die uitmondt in een gitaareruptie van snarenwonder Nels Cline tijdens “Impossible Germany”. Daarna ebde de spanning wat weg tijdens een te lange opeenvolging van rustige en minder beklijvende nummers. Met “Heavy Metal Drummer” joegen Tweedy en zijn makkers het tempo terug de hoogte in, even later wordt het publiek  uitgewuifd met het honingzoete “Hummingbird”. De honing heeft echter een bittere nasmaak, want Wilco moet vlug plaats ruimen voor de draaitafels van Dizzee Rascal en dus wordt het verlangen naar bissen niet ingewilligd. Dave en Dizzee, het zullen nooit onze beste maatjes worden.
Hoogtepunten: “The Art Of Almost”; “I Am Trying To Break Your Heart”; “Impossible Germany”; “Handshake Drugs”; “Dawn On Me”

Pukkelpop 2012 kreeg in de Shelter het genadeschot van het onlangs opnieuw verenigde hardcore punk combo REFUSED (****). Na een minutenlange intro van monotone drones viel een nagelwit gordijn plots naar beneden en deelde dit Zweeds dynamiet met “Worms of the Senses/Faculties of the Skull” een eerste gemene kopstoot uit. En het moet gezegd zijn, bijna 15 jaar na het verscheiden van de groep heeft hun maatschappijkritische vitriool nog maar weinig aan zuurtegraad verloren. Uiteraard kon brulboei Dennis Lyxzén niet zonder slag of stoot voorbij gaan aan het ‘Free Pussy Riot’ manifest en kregen hun Russische geestesgenootjes een welgemeend hart onder de riem. Bijtende hardcore, ambient soundscapes, jazzy drumloops en samples gingen allemaal mee in de betonmolen, wat van Refused nog steeds een unieke ervaring in het genre maakt. We gunnen de Zweden veel vermaak in hun tweede leven, ’t is alleen te hopen dat daar niet meteen een ‘Free Refused’ van komt.
Hoogtepunten: “Rather Be Dead”; “Liberation Frequency”; “New Noise”

Chokri & co lanceerden met de simpele doch doeltreffende slogan “So good to see you” Pukkelpop versie 2.0. Of ze daar in slaagden moet iedereen die de afgelopen drie dagen verbrand, bezweet, halfslapend, beneveld, dorstig, giechelend, glimlachend, zingend, huilend, of gewoonweg genietend over het dorre gras van Kiewit strompelde uiteraard voor zichzelf uitmaken. Wat ons betreft, hasta la vista en gedraag jullie een beetje.

Organisatie: Pukkelpop, Hasselt-Kiewit

 Gavin Friday - Thurston Moore – sterke double-bill!
Gavin Friday - Thurston Moore

Een slogan als Niet het grootste festival, wel het langste... suggereert een soort valse bescheidenheid die we niet gewoon zijn van onze Antwerpse vrienden van het Openluchttheater (OLT) Rivierenhof. Wel integendeel, OLT mocht afgelopen woensdag met meer dan gepaste trots de maand augustus aftrappen met twee eigenzinnige iconen uit wat we gemakkelijkshalve de alternatieve muziekgeschiedenis zullen noemen.

THURSTON MOORE (****) mag dan al zijn sporen hebben verdiend als frontman en avant-gardistisch snarenwonder van het New Yorkse noise gezelschap Sonic Youth, dat de introverte Amerikaan er ook een solocarrière op na houdt die inmiddels een handvol albums beslaat is minder bekend. Op basis van Moore’s vorig jaar verschenen opus magnum ‘Demolished Thoughts’, waarop rustig voortkabbelende akoestische gitaren en een melancholische viool de dienst uitmaken, hadden wij een eerder intiem concertje verwacht waar de geest van Nick Drake op een gegeven moment wel uit het stadsbos zou kunnen opduiken. Zonder het goed en wel te beseffen waren we echter getuige van de Belgische maiden trip van Chelsea Light Moving, de nieuwe groep die de weinig spraakzame New Yorker ondertussen uit de grond heeft gestampt. In die nieuwe band heeft Moore duidelijk meer zin in een elektrisch overstuurd avontuur waar de viool van Samara Lubelski wonderwel de balans vond met de gecontroleerde gitaaruitspattingen van Moore en diens sidekick Keith Wood.
Opener “Orchard Street” kreeg meteen een wervelende noise outro die menige wenkbrauw deed fronsen, meteen gevolgd door de start-stop rock van “Pretty Bad” uit Moore’s debuut ‘Psychic Hearts’ (‘95). Dat Moore zijn Sonic Youth verleden absoluut niet wou verbergen vonden we helemaal niet erg, maar toch waren we ook benieuwd hoe hij het er met de 12-snarige akoestische gitaar zou vanaf brengen. Het antwoord kwam er uiteindelijk met “Mina Loy” en “Circulation”, en ja, bij dit laatste nummer dachten wij even Mr. Drake goedkeurend te zien knikken tussen het dreigende wolkendek boven het OLT.
Moore probeerde tussendoor ook een paar nieuwe songs uit die hij weldra met Chelsea Light Moving gaat inblikken. We onthouden vooral het venijnige “Burroughs” waar de elektrische gitaren kraakten, krasten, piepten en scheurden als betrof het een lost classic die Sonic Youth vergat op te nemen tijdens de legendarische sessies die vooraf gingen aan ‘Daydream Nation’. Het aan Roky Erickson & The 13th Floor Elevators opgedragen “Empires Of Time” en de bijna radiohit “Ono Soul” besloten een eigenzinnige en hoogste intrigerende set die Moore’s verschillende muzikale gedaanten liet zien.

Het Ierse enfant terrible GAVIN FRIDAY (****) moet zowat de tegenpool zijn van Thurston Moore als het op theatraliteit en extraversie aan komt. Na een bijzonder lange afwezigheid op het live front belandt de voormalige frontman van Virgin Prunes sinds vorig jaar terug regelmatig op Vlaamse podia. En precies daar begint het schoentje toch wel een klein beetje te knellen, want Friday en zijn uitstekende begeleidingsgroep disselden nagenoeg dezelfde set op als tijdens zijn indrukwekkende driedaagse dit voorjaar. Wie de man dus reeds in Hasselt, Leuven of Gent aan het werk zag was onmiddellijk vertrouwd met Friday’s bewondering voor muzikale idolen Jacques Brel (“Next”), Caruso (“Caruso”) en Marc Bolan (“King Of Trash”) en zijn liefde voor de schrijfsels van Oscar Wilde (“Each Man Kills The Thing He Loves”). Het zijn stuk voor stuk nummers die weliswaar voor het theater gemaakt zijn, maar ook onder de blote hemel moeiteloos overeind blijven.
Ondanks de grote voorspelbaarheid blijft een optreden van Friday toch een aparte belevenis, en dat heeft de man volledig te danken aan zijn theatrale podium présence en zijn onnavolgbare kunst om te scoren met elke opmerking uit het publiek. In de cynische Ier die maar wat graag blijft verwijzen naar de kerkelijke hypocrisie schuilt echter ook een melancholische ziel. Het breekbare “Apologia” vanop Friday’s meesterlijk solodebuut was daar ook nu weer het duidelijkste bewijs van. Die ene spotlight gericht op zijn tafeltje met de obligate fles wijn is en blijft emotioneel beklijvend en zorgde opnieuw voor hét kippenvelmoment van de avond.
In de bissen dolde Friday nog wat met het publiek door hen voor de verscheurende keuze tussen een cover van Brel of Bowie te stellen. Tot cynische verbazing van de Ier werd het uiteindelijk “Five Years” van laatstgenoemde, gevolgd door het nieuwe “It’s All Ahead Of You” als ultieme bedtime story in het feeëriek verlichte decor van OLT.

Neem gerust een kijkje naar de pics

http://www.musiczine.net/nl/fotos/thurston-moore-1-08-2012/
http://www.musiczine.net/nl/fotos/gavin-friday-1-08-2012/

Organisatie
: OLT Rivierenhof, Deurne (ism Arenberg, Antwerpen)   

Pagina 10 van 18