logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Kreator - 25/03...
Stereolab
Geert Huys

Geert Huys

We verdenken Erik de Jong aka Spinvis ervan een stille bewondering te koesteren voor René Magritte. ‘Ceci n’est pas une pipe’: niets is wat het lijkt in de bovenkamer van de Jong. De wat excentrieke Nederlander debuteerde op z’n 40ste met de klassieke single “Voor Ik Vergeet”, en sindsdien is hij langzaam maar zeker uitgegroeid tot een waar begrip in de Lage Landen en prijken zijn albums steevast op elk zichzelf respecterend eindejaarslijstje.
Vanuit Het Vaticaan, de studio onder diens huis in het onooglijke Nieuwegein, voorziet de Jong zijn surrealistische woordkunst van de passende soundtrack. De zonderlinge krullebol sleutelde er maandenlang aan zijn derde studio album ‘Tot Ziens, Justine Keller’ dat eind vorig jaar eindelijk het levenslicht zag. Met het radiosucces van de vooruitgeschoven single “Oostende” en een stekje in de Radio 1 - Sessie van Gorki ziet Spinvis zijn aanhang in Vlaanderen tegenwoordig alleen nog maar toenemen. We hebben de Jong de voorbije jaren in totaal verschillende gedaanten aan het werk gezien, de ene keer als ongekroonde koning van de experimentele lo-fi omringd door een paar dozijn toeters, bellen en andere geluidseffecten, de andere keer enkel gewapend met een dichtbundel op een literaire avond. Maar toch, het was best wel even wennen om afgelopen woensdagavond in cc De Spil in Roeselare nu ook kennis te maken met Spinvis als volbloed rockgroep.

Anders dan een ‘reguliere’ band kiest de Jong gewoontegetrouw voor een averechtse opener. Celliste Saartje Van Camp werd als voorwacht het podium opgestuurd; haar engelengezang werd langzaam maar zeker overstemd door een kakafonische geluidsbrij toen de Jong en zijn andere kompanen zich in extremis nog even aan een laatste soundcheck waagden. Uit de chaos doemden heel voorzichtig de eerste noten van “De Grote Zon” op, een eerder intimistisch liedje over de immense snelheid waarmee het leven aan iedereen lijkt voorbij te flitsen, maar toch wat verrassend een behoorlijk stevige versie meekreeg. Veel tijd om te mijmeren kreeg het publiek verder niet, want met “Heel Goed Nieuws” en het oudje “Astronaut” schroefden de Jong & co gestaag het tempo en de decibels omhoog. Deze Spinvis On Speed ging duidelijk voor intensiteit en volume, en had minder oog voor de subtiele effectjes waar elk Spinvis album bol van staat. Net daardoor werd “We Vieren Het Toch”, met voorsprong het meest indringende nummer uit het jongste album, op de planken van cc De Spil gedegradeerd tot een eerder doordeweeks nummer.
Voor iemand die niet bepaald bekend staat als een veelprater waren de bindteksten van de Jong best wel onderhoudend. Ter inleiding van “Overvecht” mocht het publiek even binnengluren in de jeugdjaren van de Jong en de tijd dat steriele appartementsblokken als paddestoelen uit de grond schoten; “Koning Alcohol” werd dan weer subliem opgedragen aan het ontvrienden van de fles als beste kompaan. In het afsluitende “Kom Terug” gaf de Jong het publiek tenslotte nog een eigengereide levensles mee: “Reis ver, drink wijn, denk na, lach hard, duik diep, kom terug”.

Niet dat de Jong en zijn gevolg tot dan toe bepaald zuinig waren geweest op hoogtepunten, toch slaagde de groep er pas tijdens de bisronde in om ons echt bij het nekvel te pakken. In De Laatste Show was al eerder te zien hoe “Twee Meisjes” van Raymond en “Bagagedrager” vakkundig in elkaar werden gedraaid door Spinvis. Een sterk staaltje live mashup van twee moderne kleinkunst klassiekers die elkaar op het eerste zicht weinig te vertellen hebben, maar in de handen van de Jong spontaan samensmelten tot één lange melancholische trip.
Dagdromen is zo een andere hobby van Spinvis. Over de gruwelijke actualiteit van alledag heeft hij liever geen mening, de Jong zondert zich af maar sluit zich niet af in het speelse “Ik Wil Alleen Maar Zwemmen”. Zwaarmoedigheid krijgt dus zelden een kans in de bovenkamer van de Jong, wel integendeel. Helemaal op ‘t eind disselde hij een anekdotisch kortverhaal op over de bij onze noorderburen erg populaire roze koeken en hing er vervolgens moeiteloos “Wespen Op De Appeltaart” als slotakkoord aan op.

De koek was toen weliswaar volledig op, maar het gezellige gekeuvel achteraf in de bar met toetsenist Lucas Oldeman was een kruimeltje die ondergetekende niet kon laten liggen. We zijn niet te weten gekomen wie die Justine Keller nu precies is, maar wensen haar toch maar een behouden vaart voor dat retourtje planeet Spinvis.

“Alvoren de grote mensen aan het woord te laten mogen wij u komen entertainen”, aldus opwarmer van dienst Senne Guns. Eindelijk een jonge gast die zijn plaats kent, zou je dan denken, maar de overdreven nederigheid, flauwe woordspelingen en dito rijmelarij maakten dat zijn set al vlug ging vervelen. De verwachtingen waren nochtans redelijk hoog gespannen. Guns wist vorig jaar een kleine hype in kleinkunstland op zijn naam te schrijven met het innemende “De Goudvis”, en werd net niet doodgeknuffeld door Raymond in zijn Radio 1 Sessie For Life afgelopen december. Echter, het ontbreekt Guns aan een eigen muzikale identiteit om momenteel enige potten te breken. We verwijzen hem graag terug naar een duister zolderkamertje om nog wat verder aan dat beloftevol kleinkunstsmoel te werken.

Organisatie: CC De Spil, Roeselare

Arrogantie kan een mooie deugd zijn. Of om de notoire opschepper Ian McCullogh te citeren: “It would be a masterclass for anyone who's ever been in a band that isn't quite as good as the band I'm in". De muziekgeschiedenis spreekt McCullogh (Mac voor de vrienden) alvast niet tegen. De groep in kwestie, ECHO & THE BUNNYMEN, baarde in de eerste helft van de 80ies een stuk of vier klassieke albums op rij die intussen behoren tot het cultureel erfgoed van wat later Britpop zou gaan heten. De eerste twee uit dat rijtje, ‘Crocodiles’ (‘80) en ‘Heaven Up Here’ (‘81), worden deze winter door Mac & co van onder het stof gehaald voor een nieuw live offensief. Oude gloriën die hun classic album(s) nog eens integraal spelen, dat is uiteraard koren op de molen van de AB die sinds een paar jaar dergelijke groepen ook op Belgische bodem bestaansrecht geeft met de ‘Rewind’ concertreeksen.

Voor een band wiens recentste platen vliegensvlug in de soldenbakken verdwijnen klonken Echo & The Bunnymen afgelopen vrijdag plots toch weer even heel relevant. Bovendien had McCullogh duidelijk zijn dagje: zijn nasale klaagzang bleef even sterk nazinderen als in de begindagen, en tegen zijn gewoonte in kwam hij zelfs tot een aantal verdienstelijke pogingen om hier en daar een complimentje te maken aan het massaal opgekomen fanlegioen. Zo noemde hij Brussel na thuishaven Liverpool de tweede beste plaats ter wereld om op te treden, en tot spijt van de aanwezige N-VA aanhang liet McCullogh zich meerdere malen verleiden tot het scanderen van “Vive La Belgique”.
Van de oorspronkelijke groepsbezetting anno ’78 herkenden we naast McCullogh verder ook nog gitarist Will Sergeant die uiterst geconcentreerd alle echo effectjes minitieus invulde. De vier jonkies die McCullogh en Sergeant recruteerden om de rest van de honeurs waar te nemen maken van Echo & The Bunnymen anno 2012 een strakke en gretige live band die bijlange nog niet rijp is voor de Golden Years.
Tegen het decor van een reusachtig camouflagenet moest een onheilspellende intro van Gregoriaanse gezangen voor de juiste atmosfeer zorgen. Vanachter het rookgordijn volgden de postpunkparels uit het debuut ‘Crocodiles’ elkaar in ijl tempo op, zoals het hoort volgens de ‘Rewind’ formule in de juiste track orde van het album. De mosterd werd hier vooral gehaald uit de 60ies Nuggets catalogus: jachtige gitaren, psychedelische vocals, en hier en daar een spaarzaam orgeltje. Aan het nog steeds heel knappe “Villiers Terrace” werd bij wijze van illustratie zelfs een stukje “Roadhouse Blues” van The Doors gekoppeld. Diezelfde Doors kwamen even later ook om de hoek kijken op de debuutsingle “Pictures On My Wall”, een nummer dat voorts stijf staat van de referenties naar de belangrijkste band op dat moment, Joy Division.
Na het instant succes van ‘Crocodiles’ stonden Echo & The Bunnymen voor een dilemma: doorgroeien naar een stadiumact naar het voorbeeld van generatiegenoten U2 en Simple Minds, of toch maar verder graven naar dat eigen maar niet noodzakelijk commercieel succesvol geluid. Het werd de tweede optie. De onbezonnen punk mentaliteit en de jeugdige overmoed van het debuut maakten op het tweede album ‘Heaven Up Here’ plaats voor een pastoraal, weids en weemoedig geluid. We begrijpen trouwens nog steeds niet waarom opener “Show Of Strength” nooit op single is verschenen; ruim drie decennia na datum klinkt dit nummer nog steeds danig fris waardoor verdienstelijke copycats als Interpol en Editors ineens een stuk minder relevant worden. Ook andere prijsbeesten zoals het lang uitgesponnen “Over The Wall”, de bijna-hitsingle “A Promise” en het ultieme eerbetoon aan The Sound “All My Colours” maakten van Echo & The Bunnymen een kwartier lang weer heel even the best band in the world.

Heel even dreigden McCullogh & co hun eigen feestje te verpesten door doodleuk aan te kondigen dat de laatste nummers van ‘Heaven Up Here’ de setlist niet hadden gehaald ten behoeve van een aantal latere hits. Die encores werden weliswaar aardig op gang getrokken met het onverslijtbare “Bring On The Dancing Horses”, maar bereikten pijlsnel daarna een absoluut dieptepunt met de kleffe Coldplay pastische “Nothing Lasts Forever” dat bovendien onnodig werd ontsierd door een vloekende McCullogh die zich plots belachelijk druk ging maken om de reactie van een fan. Het bleek uiteindelijk niet meer dan een akkefietje in de beste traditie van de broertjes Gallagher, en McCullogh’s maats herpakten zich tijdig met “The Killing Moon” en “The Cutter”.

Slotsom: Echo & The Bunnymen bewezen met verve dat hun reputatie van postpunkinstituut en Britpop pioniers de tand des tijds heeft doorstaan. Ons advies voor de aanstormende generatie gitaargroepjes? Graag dat tikkeltje meer arrogantie, je weet tenslotte maar nooit waar het later goed voor is.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Wie de stilte van de Schotse hooglanden omruilt voor het hectische Los Angeles moet goed gek zijn of beschikken over een geniaal plan. We verdenken de intimistische folktroubadour Alexi Murdoch eerder van het eerste, maar de geschiedenis heeft ons intussen geleerd dat zijn oversteek over de grote plas hem niet bepaald windeieren heeft gelegd. Zo kwam “Orange Sky” uit zijn debuut EP ‘Four Songs’ in geen tijd terecht op de soundtrack van hippe Amerikaanse televisiereeksen als Prison Break, The O.C. en House, en mocht hij in 2009 een groot deel van de Sam Mendes prent ‘Away We Go’ van muziek voorzien. In Europa is Murdoch vooralsnog een goed bewaard geheim, maar gelukkig heeft de man ondertussen toch ook de weg naar België gevonden. Ondergetekende kon afgelopen vrijdag een stoeltje verzilveren in de Gentse Handelsbeurs waar de Belgische maiden trip van de Schot eindelijk een feit was

Wie denkt dat Murdoch de zoveelste verpersoonlijking is van de populaire jongeling met toegankelijke akoestische gitaarriedeltjes leest beter verder want de verschillen met pakweg Milow zijn niet eens op twee handen te tellen. De nummers van de Schot verdragen om te beginnen bijzonder weinig daglicht, zo weinig zelfs dat de set in het pikdonker begon en in de schemering eindigde. Geen kat kon dus met zekerheid verifiëren of de rijzige schim op de planken van de Handelsbeurs wel degelijk die van Alexi Murdoch was, maar de stem van de Schot loog nu eenmaal niet. Net nu we dachten dat we met Lou Barlow en José Gonzalez zowat de meest getalenteerde muzikale nakomelingen van Nick Drake hadden gezien komt Murdoch aandraven met een zo mogelijk nog grotere vocale gelijkenis. De Schot is echter allesbehalve een copycat van de mythische treurwilg Drake. Aan het intussen beproefde minimale folk recept voegt Murdoch via een batterij pedalen met mondjesmaat ambient loops toe waarvan net genoeg dreiging en mystiek uitgaan om te voorkomen dat het in schemering gehulde publiek langzaam in slaap wordt gewiegd.
Met ‘Time Without Consequence’ (‘06) en het dit voorjaar verschenen ‘Towards The Sun’ heeft Murdoch intussen twee full albums onder de arm met voldoende kwalitatief materiaal om een beklijvende set aan op te hangen. Met “Through The Dark”, “Love You More”, “All My Days” en “Someday Soon” zat de set volgestouwd met sterke staaltjes ambient folk die in wezen weinig meer om het lijf hebben dan een akoestisch of elektrisch gitaarlijntje dat bijna onhoorbaar wordt ingezet en langzaam uitgroeit tot een melancholische climax.
Murdoch is echter meer dan een begenadigd snarenplukker, om niet te zeggen een multi-instrumentalist. Tijdens “Towards The Sun” wordt de Schot enkel vergezeld door een klein harmonium, en even later doet een aftandse viool mooi dienst als ukelele. Het hoogtepunt van de avond is echter het moment waarop Murdoch plaats neemt achter een piano en elke stilte ineens even belangrijk wordt als elke noot, wat ons sterk deed terugdenken aan die ene onwaarschijnlijke solo schijf van Talk Talk’s Mark Hollis.
Het karig opgekomen publiek was al die tijd muisstil gebleven uit respect voor zoveel verstilde eenvoud, maar dat was eigenaardig genoeg niet naar de zin van Murdoch die meermaals de stilte probeerde te doorbreken met een cynische kwinkslag. Dat lukte al even met “Slow Revolution”, en pas echt helemaal toen de Schot tijdens de encores een ukelele boven haalde voor een volledig uitgeklede versie van “The Ragged Sea” uit de soundtrack van Away We Go’.

Alexi Murdoch verdween uiteindelijk zoals hij gekomen was: goed aan het zicht onttrokken maar oorverdovend melancholisch.

Organisatie: Democrazy, Gent (ism Handelsbeurs)

Sinner’s Day Festival 2011- the kings of new wave & punk all together – derde editie!

Sinner’s Day mocht afgelopen zondag al drie kaarsjes uitblazen, en lijkt dus langzaam maar zeker een vaste stek te verwerven op de najaarskalender van menige nostalgische ziel die vooral zwart in de kleerkast of dressing heeft hangen. Zoals elk festival in het nostalgiecircuit kampt ook Sinner’s Day regelmatig met laattijdige exits van een paar sterkhouders op de affiche. Soit, ook zonder de eerder aangekondigde The Psychedelic Furs en John Foxx vonden ruim 8000 oudere jongeren met of zonder zwarte eyeliner de weg naar de Ethias Arena, waar alternerend op twee podia gothrock, punk, electropop, industrial, electronic body music en avant-garde elkaar in een ijl tempo afwisselden. Een korte impressie...

We geven maar wat graag toe dat we geen kenner zijn van het industrial metal genre, maar elk gezelschap die voor een ongeoefend oor klinkt als een met samples beladen kruising tussen Guano Apes en Rammstein kan je bezwaarlijk relevant noemen. Net als voorgenoemde bands komt ook KMFDM (*), oftewel Kein Mehrheit Für Die Mitleid, uit Duitsland overgewaaid. Hun zogenaamde ‘ultra-heavy beat’, een brutale krachtexplosie van krijsende vocals, logge industrial en achterhaalde cross-over leek enkel in de voorste gelederen enige potten te breken, maar werd door de rest van het publiek op zijn zachts gezegd apathisch onthaald. Later die avond zou een landgenoot van KMFDM met een pak meer muziekgeschiedenis op zijn naam gelukkig nog de meubels redden voor de Heimat.

Alan Wilder verdiende tussen ’82 en ’95 een ferme boterham als vervanger van Vince Clarke bij Depeche Mode, maar eigenlijk bediend deze Engelse keyboard wizard, meesterproducer en gevierd remixer liever alle knopjes zelf binnen de contouren van zijn experimentele solo project RECOIL (***). Nu is een DJ set niet onmiddellijk iets waar het typische Sinner’s Day publiek zit op te wachten, maar door een knappe combinatie van electronische soundscapes, donkere triphop en knappe visuals wisten Wilder en zijn kompaan toch onverwachts een groot deel van het publiek te boeien. In hun intrigerende mix herkenden we ondermeer Recoil’s debuutsingle “Faith Healer”, een hoogst eigenzinnige interpretatie van de Sensational Alex Harvey Band classic ingezongen door Nitzer Ebb’s Douglas McCarthy, en een erg trippy “Jezebel”. Wilder zat bovendien niet verlegen om een cynische knipoog naar zijn verleden bij Depeche Mode en verwerkte doodleuk flarden van “Never Let Me Down Again” en “Personal Jesus” in de ellenlange mix die het optreden eigenlijk was.

In vergelijking met de vorige editie kwamen punks dit jaar maar weinig aan hun trekken op Sinner’s Day. Met THE EXPLOITED (***) had de organisatie weliswaar een monument uit de tweede punkgolf naar Hasselt gehaald. De vervaarlijk ogende Wattie Buchan is anno 2011 nog het enig overgebleven lid uit de gloriejaren ’80-’82 van deze Schotse voortrekkers van de Oi! beweging, maar ondanks zijn 51 lentes oogt en klinkt deze voormalige soldaat met de rode mohawk nog heel strijdvaardig. Zonder dat presentator Luc Janssen ook maar één woord kon uitbrengen namen Buchan en zijn jonge kompanen stormenderhand het podium in voor een stomende set streetpunk, waarop het publiek in de frontlinie prompt antwoordde met een kolkend pogo feestje. Van de vermeende nazi sympathieën van The Exploited viel trouwens niets te merken, wel van het feit dat anthems als “Troops Of Tomorrow”, “Punk’s Not Dead” en “Sex And Violence” na drie decennia nog niets aan street credibility lijken te hebben ingeboet. We hadden wat graag onze stembanden ook eens gesmeerd tijdens “Exploited Barmy Army”, maar voor we het goed en wel doorhadden was het feestje al gedaan. Volgend jaar Buzzcocks op Sinner’s Day? Yes please!

Geen hond wist van tevoren wat precies te verwachten van VISAGE (**), het gereanimeerde studio project rond de extravagante Steve Strange dat mee verantwoordelijk was voor de lancering van de New Romantic beweging in het Engeland van begin jaren ’80. Aanvankelijk hadden Strange en zijn vier fout gecaste collega’s er opvallend veel zin in en kon de catchy tongue-in-cheek electropop van “Night Train”, “Visage” en “Diary of A Madman” nog wedijveren met het beste van generatiegenoten Heaven 17 en Blancmange. Nu is de in een blits maatpak verborgen Strange in zijn thuisland redelijk wat publieksaandacht gewend, maar op Sinner’s Day veel dat echter dik tegen en begon de frontman uit pure frustratie zowaar de draak te steken met Exploited fans. Op het moment dat de meesten het uitblijven van Visage’s voornaamste wapenfeit “Fade To Grey” intussen meer dan beu waren probeerde de groep tot overmaat van ramp en trouwens zonder veel succes nog een geheel overbodig nieuw nummer uit. Strange & co besloten dan maar wijselijk om de set voortijdig te beëindigen met een slordig en apathisch “Fade To Grey”. Deze reïncarnatie van Visage concentreert zich voortaan misschien beter op modeshows waar de spreekwoordelijke verpakking belangrijker lijkt dan de inhoud.

Reeds tijdens de vorige editie van Sinner’s Day werd de komst van THE MISSION (***) met de nodige toeters en bellen aangekondigd, voor de Belgische fans werden het dus 12 lange maanden vooraleer ze hun gothrock helden recht in de ogen konden kijken. In de tweede helft van de 80ies bereikte de populariteit van deze groep ongekende hoogtes in thuisland England, daarbuiten wordt deze afsplitsing van Sisters Of Mercy eerder als een cult band aanzien. Met een strak “Hands Across The Ocean” en zowaar een gothic versie van Neil Young’s “Like A Hurricane” bewezen de vier heren al meteen dat ze zonder veel gezichtsverlies hun zilveren jubileum kunnen vieren. Bovendien lijkt het ego van frontman Wayne Hussey in al die jaren enkel maar te zijn toegenomen, wie anders raakt immers weg met een aankondiging als “This is probably the best song you’ll hear all day”. De song in kwestie, “Butterfly On A Wheel”, behoort dan nog niet eens tot de absolute klassiekers van de band. De netjes tot op het eind opgespaarde “Wasteland” en “Tower Of Strength” behoren dan weer wel tot het cultureel erfgoed van de gothrock. Tijdens de lang uitgesponnen versie van dit laatste nummer ging Hussey als een volleerde Bono het publiek frontstage nog wat ophitsen, waarmee hij meteen het eerste orgelpunt van de dag scoorde.

Met PATTI SMITH & BAND (*****) haalde Sinner’s Day één van de laatste nog levende dinosauriërs uit de Amerikaanse new wave geschiedenis naar Hasselt. Smith wordt eind volgende maand 65 en mag dus voortaan gratis op bus en tram, maar voor het zover is wil ze haar nieuwe verzamelaar ‘Outside Society’ wereldwijd promoten. Wat ons betreft overigens een totaal overbodige aanschaf, want iedereen met het rock’n’roll hart op de juiste plaats heeft op z’n minst de eerste vier albums die Patti Smith tussen ’75 en ’79 op de nietsvermoedende wereld losliet op de plank staan. Net die eerste platen vormden het centrale thema van de indrukwekkende set die Smith en haar drie metgezellen in petto hadden. Een meer treffende openingszin dan Jesus died for somebody’s sins, but not mine” uit “Gloria” kon Sinner’s Day zich niet wensen. We zagen en hoorden een Smith in grote doen: de ene keer prevelend en moraliserend, de andere keer gemeen om zich heen schoppend bevangen door een wilde mimiek. Ook haar trouwe luitenanten Lenny Kaye (gitaar/zang), Tony Shanahan (bas/keyboards) en Jay Daugherty (drums) maakten een opvallend rauwe beurt en wisselden moeiteloos tempo’s tussen de lome rock’n’reggae van “Redondo Beach”, het punky “Free Money” of het lang uitgesponnen “Ain’t It Strange” waar Smith een schaduwgevecht aanging met de meesterlijke Kaye. Ondanks alle uitspattingen bleef Smith ongemeen alert en hield ze regelmatig contact met alle saints & sinners in het publiek. Zo werd “Pissing In A River” opgedragen aan iedereen die haar eerste optreden op Belgische bodem nu inmiddels 35 jaar geleden zonder blijvende mentale letsels heeft overleefd. Met een furieus “Rock’n’roll Nigger” trok la grande dame van de new wave in extremis nog de laatste twijfelaars over de streep: de actieve vergrijzing is niet te stoppen.

Op het eerste zicht leek KARL BARTOS (****) misschien wel dé nobele onbekende van deze Sinner’s Day editie. We namen echter al snel onze hoed af voor deze 59-jarige Duitser eens we in diens bio lazen dat de man tussen ’75 en ’90 op de loonlijst stond van electropioniers Kraftwerk waar hij de electronische percussie voor zijn rekening nam. Naar het voorbeeld van zijn voormalige spitsbroeders brengt Bartos als ‘live’ artiest een voorgeprogrammeerde set waarin beeld en geluid uiterst ingenieus door elkaar vloeien. Ook wat zijn songkeuze betrof deed de kranige electropionier helemaal geen moeite om te verbergen dat hij ooit deel uitmaakte van de Kraftwerk Mannschaft. “The Robots”, “Pocket Calculator”, “Tour de France” en “Neon Lights” werden gründlich door de mangel gehaald en kregen hier en daar een goed gedoseerde techno injectie mee waardoor de Duitser zich behoorlijk eigentijds en vooruitstrevend profileerde. Een optreden van Bartos staat echter niet enkel garant voor een live remix show van Kraftwerk classics, ook eigen nummers zoals “15 Minutes Of Fame (2000)” en “Ultraviolet” uit zijn enige solo album ‘Communication’ (‘03) bewezen dat Herr Karl ook als solo-artiest een zeker bestaansrecht heeft.

Wat kunnen we nog kwijt over THE CULT (****) na hun wervelende optredens van de jongste jaren in de AB? Wel, misschien de voorspelling dat we vertrokken zijn voor een relaxte set compromisloze powerrock wanneer de charismatische frontman Ian Astbury goedlachs en zonder zijn geliefde sunglasses het podium komt opgewandeld. Powerrock, u leest het goed, want The Cult is al lang niet meer dat door spinnewebben gefascineerde gothic bandje ten tijde van “Spiritwalker” en “One Horse Nation”, de twee oudste nummers op de setlist van Sinner’s Day. De uitgesproken voorliefde van meestergitarist Billy Duffy voor monsterriffs in de beste traditie van Rolling Stones, Led Zeppelin en AC/DC hebben van The Cult uiteindelijk een wereldgroep gemaakt. Het blijft telkens weer verdomd moeilijk om die fameuze luchtgitaar niet boven te halen op “Lil’ Devil”, “Wild Flower” en “Love Removal Machine”, allen nummers die even goed aan het brein van Keith Richards, Jimmy Page of Angus Young zouden kunnen ontsproten zijn. De echte reden waarom Sinner’s Day een band als The Cult naar hun festival haalt is en blijft natuurlijk de gothrock classic ‘Love’. Na stomende versies van “Nirvana” en “Rain” uit dat monumentale album restte Duffy enkel nog het ritueel dat hij ongetwijfeld reeds een paar honderd keer heeft beleefd: alle spotlights gericht op zijn parelwitte Gretsch die de onwaarschijnlijke intro van “She Sells Sanctuary” onverbiddelijk richting brein en buik stuurt. Tot volgend jaar dan maar hé Ian, zonder zonnebril en als het even kan met een treffelijke nieuwe plaat?

Ruim na middernacht mocht Luc Janssen voor het laatst één van zijn befaamde one-liners bovenhalen: “De volgende band had graag een bescheiden aankondiging. Graag dus jullie aandacht voor de meest invloedrijke Belgische groep ever”: FRONT 242 (****). Van Underworld over The Prodigy tot Ministry, allen geven ze grif toe dat hun back catalogue er een stuk anders zou uitzien zonder deze uitvinders van de electronic body music. De groep kwam op Sinner’s Day dertig kaarsjes uitblazen en kreeg dus de gepaste eer om het festival af te sluiten. De hamvraag was echter of de stronteigenwijze heren hun eigen verjaardagsfeestje niet gingen saboteren met het soort grillige set zoals we die de laatste jaren meer en meer van hen gewend zijn. De twijfel bleek al vlug onterecht. Net als Karl Bartos had ook Front 242 gekozen voor een intrigerende mix van beeld en geluid, hier en daar aangevuld met een moraliserende noot. Projecties van citaten uit de lijst der universele rechten van de mens terwijl Jean-Luc De Meyer zich de longen uit het lijf schreeuwde tijdens de veelbelovende opener “Shout Out Loud”: het werkte wonderwel. En ja hoor, schoorvoetend begonnen de vijf heren daarna toch een soort feestje der herkenning te bouwen. Vaderlandse gloriemomenten als “Body To Body”, “Moldavia”, “No Shuffle”, “Headhunter” en “U-Men” kregen weliswaar een industrial getinte upgrade, maar de pulserende beats in elk van deze nummers vinden nog steeds feilloos hun weg naar de dansspieren. Het publiek was moe maar danste moedig verder, ook toen Front 242 tijdens de bisnummers met “Tragedy For You” een laatste salvo loste.

Sinner’s Day 2011 heeft onze hunkering naar de gitzwarte 80ies terug een beetje bevredigd. Wel, voor even toch, want de organisatie kondigt voor de volgende editie een pak meer bijna vergeten Belgen aan op de affiche. De managers van o.a. De Brassers, Aroma Di Amore en Luna Twist weten dus de komende maanden wat hen te doen staat, het publiek van haar kant mag die arafat sjaal en zwarte eyeliner terug een jaartje opbergen.

Neem gerust eenkijkje naar de pics (rubriek live foto’s – festivals)

Organisatie
: Sinner’s Day Festival (More-Entertainment)  

Laat ons even een lans breken voor de vergrijzing. Iedereen zeikt maar door dat dit fenomeen ons handenvol geld kost, maar geen mens die zich schijnt af te vragen wat we daar voor in de plaats krijgen. Afgelopen week deed Bob Dylan met zijn 70 lentes een verdienstelijke poging om die vraag te beantwoorden in het Antwerps Sportpaleis, maar het meest overtuigende bewijs dat er wel degelijk sprake is van enige ‘return on investment’ moeten we deze week toch op het conto van Roger McGuinn schrijven. Met de knus klinkende aankondiging ‘An evening with ...’ deed dit Amerikaanse icoon de Gentse Handelsbeurs afgelopen zaterdag aardig vollopen voor een niet te missen afspraak met de folk- en countryrock geschiedenis.

De 69-jarige McGuinn mag dan al ruim vijf decennia in het vak zitten, toch blijven vooral zijn jaren als frontman van The Byrds van pakweg 1965 tot 1971 tot de collectieve verbeelding spreken. De Amerikaan speelt dus misschien wat op veilig door het gros van zijn set vol te stoppen met Byrds klassiekers, maar de manier waarop hij omspringt met dit cultureel erfgoed levert hem niettemin nog steeds tonnen respect op. Vanuit de coulissen zette een zichtbaar relaxte McGuinn “My Back Pages” in, zoals gewoonlijk vergezeld van zijn trouwste ‘compagnon de route’: een diep oranje Rickenbacker met het uit duizenden herkenbare jingle jangle geluid. Het is en blijft een fantastisch schouwspel hoe dit 12-snarige wonder van gitaartechniek op z’n eentje bijna een halve band op het podium kan toveren. Ook McGuinn raakte tijdens zijn set maar niet uitverteld over zijn onafscheidelijke sidekick die hij zich trouwens voor het eerst aanschafte na het bekijken van de Beatles film ‘A Hard Day’s Night’. Ook zijn Martin HD-7, een eigen ontwerp van een akoustische folkgitaar waar de eigenzinnige zestiger zowaar een zevende snaar heeft aan toegevoegd, kreeg een hoofdrol toebedeeld op het sober aangeklede Ha’ podium.
McGuinn is echter niet enkel een meesterlijk gitarist, zoals hij ten overvloede demonstreerde tijdens het van Woody Guthrie geleende “Pretty Boy Floyd”, bovendien beheerst hij ook de kunst van het ‘storytelling’. Wie plannen heeft om in een biografie van The Byrds of Roger McGuinn’s te duiken kan zich dus veel beter naar een optreden van de man zelf begeven. De persoonlijke anekdotes en muzikale faits divers vliegen je namelijk om de oren, boeiender dan dit wordt om het even welk boek echter nooit.
Tussen de desbetreffende songs vertelt de kwieke zestiger honderduit over de soms heel banale ontstaansgeschiedenis van Byrds klassiekers als “Mr. Tambourine Man”, “Eight Miles High” en “Ballad Of Easy Rider”, zijn fascinatie voor metafysica en ruimtevaart ter inleiding van respectievelijk “5D (Fifth Dimension)” en “Mr. Spaceman”, of de vele oneliners van Dylan. Op het podium is McGuinn tegenwoordig trouwens in zowat alles de tegenpool van generatiegenoot Dylan: goedlachs, mondig en virtuoos.
Een mens zou bijna vergeten dat er voor McGuinn ook nog een leven was in de post-Byrds jaren. Zo haalde hij na de pauze zijn succesvolste solo album uit de 70ies ‘Cardiff Rose’ (‘76) van onder het stof bij wijze van het folky “Jolly Roger” en “Dreamland”, en eerder citeerde hij ook al een jammerlijk ingekort “King Of The Hill” uit zijn onwaarschijnlijke come-back exploot ‘Back From Rio’ (‘91). Het catchy wegwerpdeuntje “Don’t You Write Her Off” dat McGuinn samen met voormalige Byrds kompanen Gene Clark en Chris Hillman in ’79 zowaar een top 40 hit opleverde hoefde dan weer niet echt. Gelukkig volgde al snel een hemels “Turn, Turn, Turn” dat het grotendeels 50+ publiek op het eind van de set zowaar deed recht veren uit de knusse rode zeteltjes.

McGuinn hield met “So You Want To Be A Rock’N’Roll Star” en “Chimes Of Freedom” nog twee Byrds classics achter de hand voor de bisronde, en sloot definitief af met het profetische “May The Road Rise To Meet You” wat hem voor de tweede keer een staande ovatie opleverde. Vermoedelijk ging de gemoedelijke Amerikaan hierna nog een bescheiden feestje bouwen met vrouwlief Camilla die uitgerekend zaterdag zestig lentes jong werd. Dylan deed ons nog twijfelen, maar McGuinn zette de puntjes op de i: de actieve vergrijzing is niet te stoppen.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

Sommige bands hebben hun naam echt niet gestolen. Neem nu The Specials, een multiraciaal stelletje muzikale buitenbeentjes dat tijdens de (post) punk hoogconjunctuur aan het eind van de 70ies besloot om een geheel andere kant van het muzikale spectrum te verkennen. Platen van Prince Buster, Desmond Dekker en The Skatalites werden met stapels tegelijk verslonden, wat uiteindelijk resulteerde in het unieke Specials brouwsel met punk, ska, rocksteady en loungepop als hoofdingrediënten, hier en daar wat gedresseerd met de nodige social comment. Volledig volgens de geest van de DIY beweging werden singles en albums van The Specials, maar ook van geestesgenoten als Madness, The Selecter en The Bodysnatchers, geperst in de zelf opgerichte platenstal 2-Tone Records. Ondanks een kort muzikaal leven van ’79 tot ’81 oogt de back catalogue van The Specials ruim drie decennia na de feiten nog steeds redelijk indrukwekkend. Op het live front blijkt de groep sinds hun 30ste verjaardag in 2009 opnieuw springlevend, zij het dan zonder het creatieve mastermind Jerry Dammers maar wel met een ‘waar is da feestje’ mentaliteit om U tegen te zeggen.

Dat het ook op muzikaal gebied echt een feestje zou worden stond al van meet af aan vast. Met “Enjoy Yourself (Reprise)” als intromuziekje stuurden de zeven heren op leeftijd een niet mis te verstane uitnodiging richting publiek, luttele momenten later gevolgd door de heet opgediende krakers “Do The Dog”, “(Dawning Of A) New Era” en “Gangsters”. De propvolle AB mocht dan wel de laatste halte zijn van hun Europese tour, geen van de groepsleden leek echter het minste teken van enige vermoeidheid te vertonen, en op geen enkel moment kon je de groep betrappen op het inschakelen van de automatische piloot.
Nee, anno 2011 zijn The Specials uitgegroeid tot een goed geoliede retro-act die aan een hels tempo, zowaar bijna Ramones gewijs, nagenoeg hun hele oeuvre op goed anderhalf uur er doordraaien.
Zanger Terry Hall, nochtans met voorsprong de bekendste figuur in The Specials rangen, deed zijn uiterste best om zo weinig mogelijk in de spotlights te staan. Die eer kwam Neville Staples toe, die als een volleerde master of ceremony zelfs de meest stijve hark in het publiek een voet deed verschuiven op de tonen van “Monkey Man”, “Rat Race” en “Concrete Jungle”.
The Specials worden misschien wat tegen wil en dank als een party band beschouwd, maar dan wel één met een pak fenomenale muzikanten in de rangen waaronder rockabilly gitarist Roddy Radiation, diens hyperkinetische collega Lynval Golding en de virtuoze drummer John Bradbury.
Met schijnbaar achteloos gemak loodsten zij het publiek zowat integraal doorheen het titelloze debuut (‘79) en de highlights van de toch wat onderschatte opvolger ‘More Specials’ (’81). Met de net niet in elkaar gevlochten “Stereotypes” en “Man At C&A” uit dat tweede album scoorden Hall & co wat ons betreft zelfs de tien meest hoogstaande minuten van de avond. De rest van het publiek was echter een andere mening toegedaan, want zowat iedereen zat te wachten op de zinderende finale. Op de tonen van “A Message To You Rudy”, “Nite Klub”, “Too Much Too Young”, en “Enjoy Yourself (It’s Later Than You Think)” vlogen nu ook de laatste nog gevulde bierbekers genadeloos de lucht (en menige haardos) in.

Ook tijdens de korte bisronde werd het feestje gewoon verder gezet met het van The Skatalites geleende “Guns Of Navarone” en “You’re Wondering Now”. Wie hierna nog hoopte op de enige ontbrekende classic “Ghost Town” kreeg in plaats de zaallichten in de ogen. Eens buiten in de foyer konden die paar licht ontgoochelde die-hard fans zich echter al meteen een officiële live registratie van de AB set aanschaffen om de pensioenkas van Hall & co nog wat te spijzen. Wij zijn hopelijk nog lang niet toe aan ons muzikaal pensioen: ‘Too much (to hear), too young (to stop)’.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Lokerse Feesten 2011: DAG 09: Arsenal - Interpol - Sharon Jones & The Dap-Kings
Je kent dat gevoel, maandenlang kijk je uit naar de komst van die ene band die nog op je live palmares ontbreekt, en dan ... Wat? Hoezo, exit The Baseball Project, de miskende supergroep rond de veteranen Steve Wynn, R.E.M.’s Peter Buck en The Minus 5 opperhoofd Scott McCaughey die afgelopen zaterdag normaliter hun eerste optreden ooit op Belgische bodem zouden komen geven? Bij zulke laattijdige annuleringen is de kans bovendien wel heel erg groot dat een Belgische band in extremis wordt opgetrommeld om het gat in de programmatie op te vullen. En ja hoor, onze Amerikaanse helden werden uiteindelijk vervangen door Customs, met voorsprong de beste coverband die Interpol zich kan indenken. Maar omdat nu eenmaal niets boven het origineel gaat, en ironisch genoeg onze New Yorkse vrienden diezelfde avond ook naar Lokeren waren afgezakt, lieten we de opener deze keer rustig aan ons voorbij gaan en werd er ondertussen wat gekletst met een bijzonder sympathieke (andere) Geert in de perscabine.

Hun muzikale copycat daargelaten, de heren van Customs hadden er intussen wel mooi voor gezorgd dat de hemelsluizen boven Lokeren nagenoeg volledig werden dichtgedraaid tegen de komst van SHARON JONES & THE DAP-KINGS (****). Kijk, we gaan er geen doekjes omwinden. Ook al is mijn hoofdredacteur volledig weg van een souldiva als Joss Stone, het brave kind met de bambi-ogen wordt gewoon weggeblazen wanneer ze ooit het podium zou moeten delen met Sharon Jones. Dit 55-jarige blackalicious manwijf timmert al sinds de 70ies gestaag aan de weg die haar uiteindelijk tot aan de top van de retro-soul beweging heeft gebracht. Wie erbij was in Lokeren stond met open mond te kijken hoe werkelijk elke vezel in het potige lijf van Jones stijf staat van de funky soul. Ze onderscheidt zich met sprekend gemak van de meer statische neo-soul diva’s genre Stone of Badu door haar rauwe en agressieve stem en de wilde mimiek die ze al van kindsbeen af imiteerde van haar soulbrother James Brown.
We zouden bij zoveel lyrische lofzang op Jones bijna vergeten dat er verder nog tien man op het podium stond die zich laten aanspreken als The Dap-Kings, een uiterst hecht collectief van snarenplukkers, percussionisten, blazers en backing vocalisten dat ooit op een blauwe maandag werd ingehuurd door Amy Winehouse om een aantal nummers in te blikken voor haar opus magnum ‘Back In Black’. The Dap-Kings doen de retestrakke en rauwe Stax sound helemaal herleven en weten de vocale improvisaties van Jones moeiteloos op te vangen. Improviseren zit Jones namelijk in het bloed. Al wie zich te dicht richting frontstage waagt loopt immers het risico om uit de massa te worden geplukt en on stage een body-to-body met Jones te ondergaan. In het geval van een gezellige punk zorgde dit voor een sterk staaltje body talk, maar wanneer deze eer te beurt viel aan een bedeesde tiener tijdens “Be Easy” dreigde alles toch een beetje genant te worden.
Een in het zweet gewerkte Jones en haar mighty Dap-Kings hadden gerust ook de rest van de avond kunnen opvullen zonder dat de verveling ook maar even de kop zou opsteken, maar toen plots bleek dat er hen nog slechts anderhalve minuut restte moesten ze wat hals over kop afscheid nemen met een ingekort doch stomend “100 Days, 100 Nights”. We gunnen Aretha Franklin best wel nog een aantal jaartjes, maar wat ons betreft doet de voormalige Queen Of Soul beter nu al troonsafstand.

Een band als INTERPOL (****) zou dit jaar zeker niet hebben misstaan op Pukkelpop om het toch wat magere lijstje headliners aldaar wat aan te dikken, maar kijk, Chokri en Eppo werden in snelheid gepakt door hun Lokerse collega’s voor wat één van de absolute hoogtepunten van de festivaltiendaagse zou worden. Het New Yorkse postpunkgezelschap mag op haar jongste twee albums dan wel wat ter plaatse zijn blijven trappelen, met hun live reputatie is het sinds hun klassieke debuut ‘Turn On The Bright Lights’ (’02) enkel maar crescendo gegaan. Uit die eersteling kregen we al vroeg een snedig “Say Hello To The Angels” voorgeschoteld, trouwens het beste nummer dat Morrissey & Marr vergaten te schrijven. Andere klassiekers uit de Interpol catalogus zoals “NARC”, “Evil” en “C’mere” bewijzen nog steeds met verve dat je ook creatief met de erfenis van Joy Division en The Chameleons kan omspringen. En ja, zelfs nummers uit het toch wat middelmatige laatste album zoals “Barricade”, “Summer Well” en “Memory Serves” wist de groep moeiteloos in de set binnen te smokkelen zonder zichzelf in de voet te schieten.
In elk zichzelf respecterend  postpunk decor horen geen opruiende bindteksten of flauwe one-liners, en dat heeft frontman Paul Banks maar al te goed begrepen. Daar waar een genregenoot als Editors zich wel eens durft te buiten gaan aan stadiumposes blijft Interpol de nodige afstand bewaren tussen mythe en werkelijkheid. Een gitzwarte werkelijkheid, dat wel, waarin de jongste aanwinst en voormalig Animal Collective bassist Brad Truax nu ook volledig zijn draai lijkt te hebben gevonden.
De vijf kwartier die Banks & co toebedeeld kregen waren eigenlijk zo om, wat voor ons nog steeds geldt als het beste bewijs dat we hier een beklijvend optreden kregen voorgeschoteld. Banks nam voorzichtig afscheid door het publiek te bedanken voor hun warme ontvangst en de mededeling dat er nog ‘a couple more songs’ zouden volgen. Een understatement zo bleek, want het bleek te gaan om het indrukwekkende trio “Slow Hands”, “Not Even Jail” en “Obstacle 1”.
Chokri & Eppo, eat your heart out!

De meute langs de Grote Kaai was intussen flink aangedikt voor afsluiter ARSENAL (**) die hun feestje van een paar dagen voordien in de tent van Dranouter nog eens mochten komen overdoen. Toegegeven, de op exotische beats drijvende worldpop van Hendrik Willemyns en John Roan is niet onmiddellijk onze cup of tea. Het Lokerse publiek zal dit echter (paarden)worst wezen, want vanaf grijsgedraaide opener “Melvin” werd prompt een nationaal zangfeest ingezet en gingen de handjes vlotjes op elkaar. Arsenal vervulde dus perfect de rol van publiekstrekker op de voorlaatste dag van het Lokerse muziekfestijn, maar hun resem meezing anthems moesten het wat spankracht en intensiteit betreft toch afleggen tegen de memorable sets van Sharon Jones en Interpol. Minderheden met afwijkende meningen? Nu weten we eindelijk ook eens hoe dat voelt …

Organisatie: Lokerse Feesten, Lokeren

Lokerse Feesten 2011: DAG 02: O.M.D. – Roger Daltrey - Daan
De tweede festivaldag van de Lokerse Feesten werd op gang getrokken door DAAN (***). Het Lokerse publiek kreeg als aperitief een bloemlezing opgediend uit ‘Simple’, de muzikale director’s cut waarmee de immer creatieve Daan Stuyven op zoek gaat naar de naakte eenvoud van zijn eigen back catalogue en hiermee afgelopen winter zowat elk theater op Vlaamse bodem liet vollopen.
Tijdens de opvoering van ‘Simple’ dirigeert Stuyven een kamerorkest dat voorts nog bestaat uit klassiek geschoolde cellist Jean-François Assy en Daan’s trouwe sidekick Isolde Lasoen die allerhande percussie beroert. Dat de overstap van het intieme theater naar het woelige stadsfestival niet evident is hadden we op voorhand wel kunnen voorspellen; vooral tijdens de rustige nummers moest het trio optornen tegen het geroezemoes van de ongeïnteresseerde meute, en het duurde tot het vakkundig vertimmerde en aan alle huisvrouwen opgedragen “Housewife” vooraleer Daan & co de verdiende aandacht kregen. Neil Young’s “A Man Needs A Maid” kreeg een fraaie croonerversie mee, en zoals de immer flamboyante Stuyven het zelf al aangaf ontwaarden we in de uitgeklede versie van “Icon” een mooie knipoog naar Dutronc’s “Il Est Cinq Heures, Paris S’éveille”. In de beste traditie van Sinatra & Hazelwood en Campbell & Lanegan sloten Daan en Lasoen de set in grandeur af met een kampvuurversie van “Swedish Designer Drugs”.

De voorste rijen kleurden vervolgens opvallend wit, rood en blauw toen ROGER DALTREY (****) ten tonele verscheen. Ruim 40 jaar na de originele release gaat de modfather dit jaar de boer op met ‘Tommy’, volgens de muzikale overlevering de eerste volwaardige rockopera en het album waarmee The Who in ’69 door de grote poort het rock pantheon kwam binnengestormd.
Het moet gezegd zijn, het ‘Roger Daltrey Performs The Who’s Tommy’ circus kwam in Lokeren maar wat traagjes op gang. Er waren weliswaar de lekkere opwarmertjes “I Can See For Miles” en “Pictures Of Lily” uit de begindagen van The Who, maar Daltrey sloeg vervolgens de bal redelijk mis door een aantal blues- en folksongs te coveren die voor de man een grote inspiratiebron hebben betekend maar voor het gros van het publiek verschrikkelijk overbodig leken. Een valse start noemen we zoiets, want toen na een klein halfuur dan eindelijk “Overture” van ‘Tommy’ weerklonk waren Daltrey & co plots wel bij de les. In een mini versie van de oorspronkelijke rockopera volgden de klassiekers nu in ijl tempo elkaar op: “1921”, “Amazing Journey”, “The Acid Queen”, “Pinball Wizard”, “Tommy Can You Hear Me”, “I’m Free” en het monumentale slotakkoord “We’re Not Gonna Take It” om er maar enkele te noemen. De meeste van deze nummers zijn trouwens uit de pen gevloeid van Pete Townshend die weliswaar zijn zegen gaf aan deze tour maar zijn plaats op het podium liet innemen door diens broer Simon. De fysieke gelijkenis en dito expressief gitaarspel, inclusief het legendarische molenwieken, maakten van Simon Townshend echter een meer dan waardige stand-in voor grote broer. Zij-aan-zij met Daltrey, die zijn gekende kunstjes van het microfoonslingeren duidelijk nog niet verleerd was, werd de magie van The Who bij momenten akelig dicht benaderd.
Na de beknopte uitvoering van ‘Tommy’ volgde nog een heerlijk dessert met het onvermijdelijke “Behind Blue Eyes” en een laid back versie van “My Generation”, maar ook met minder bekende juweeltjes zoals “Going Mobile” en Mose Allison’s “Young Man Blues”. Met het meesterlijke slotopus “Baba O’Riley” bewees de 66-jarige Daltrey dat ondanks een fraaie cover versie van Pearl Jam enkel hij verantwoordelijk is voor de definitieve versie van dit nummer. De modfather beloofde bovendien om binnenkort opnieuw het kanaal over te steken voor de integrale versie van ‘Tommy’, maar als voorproefje kon dit bijna twee uur durend optreden wel tellen.

Ook de feitelijke afsluiter van de avond O.M.D. (**) viel te catalogeren als nostalgie, maar dan van het afgeborstelde en bij wijlen hopeloos gedateerde soort. De groep met roots in Liverpool liet zich in de begindagen als Orchestral Manoeuvres In The Dark nog inspireren door Joy Division en Kraftwerk, maar ging na een paar albums vol vernuftig in elkaar geknutselde synthpop dan toch plat op de buik voor een abonnement op Top Of The Pops en vluchtige hitparaderoem.
De hyperkinetische frontman Andrew McCluskey en diens statische kompaan van het eerste uur Paul Humphreys lieten er geen twijfel over bestaan: vanavond had de groep geen zin in al te veel experiment en zou het publiek op 18 singles worden getrakteerd. De vroegste hits “Enola Gay” en “Messages” staken helemaal voorin de set en kregen wat extra punch door het rauwe basspel van McCluskey. Heel even leken we op weg naar een heel genietbaar optreden, maar de groep viel al vlug uit haar rol toen er werd overgeschakeld naar gladgepolijste hitparadepop. Bovendien probeerde McCluskey zich te ontpoppen tot een vrouwvriendelijke volksmenner genre Bono of Jim Kerr, maar faalde pijnlijk in zijn opzet. Net op tijd herinnerde de groep zich dat ze medio 1981 met ‘Architecture & Morality’ een absolute klassieker heeft gebaard, en werd met “She’s Leaving”, “Souvenir”, “Joan Of Arc (Maid Of Orleans)” en “Joan Of Arc” het beste kwartier van de avond neergezet.
De groep sloot uiteindelijk af zoals ze waren begonnen met een classic uit hun beginperiode. McCluskey ging nog één keer lekker loos op de bas tijdens een fel “Electricity”, en dankzij deze afsluiter kon de groep toch met enigszins opgeheven hoofd Lokeren verlaten.

Van magistraal (Daltrey) over meeslepend (Daan) tot matig (OMD): met de balans van de tweede dag Lokerse Feesten zat het wel snor.

Organisatie: Lokerse Feesten, Lokeren

‘Less is more’ … Het is een muzikaal credo als een ander, maar wel één dat in het wapenschild staat gegraveerd van bijzonder schoon volk als The White Stripes, The Kills, The Dresden Dolls, Matt & Kim, The DØ, Blood Red Shoes en een trits andere opwindende boy-girl combinaties die het begrip ‘rock’n’roll groep’ tot de wiskundige essentie herleiden. Van alle hedendaagse m/v duo’s lijken de Deense Raveonettes het meest openlijk te flirten met de muzikale erfenis van de 50ies en early 60ies. Of het nu een surfpunk uppercut, bubblegum pop of een Spectoriaanse ballad betreft, stuk voor stuk staan hun songs stijf van de reverb en krijgen ze close-harmony vocals mee van meesterbrein Sune Rose Wagner en diens bevallige sidekick Sharin Foo.
Op hun vijfde en jongste full album ‘Raven In The Grave’ lijken The Raveonettes nu ook de donkerste kant van de 80ies te hebben ontdekt, wat hen terug een stuk credibiliteit oplevert die ze wat hadden kwijtgespeeld na hun nogal vrijblijvende vorige worp ‘In And Out Of Control’ (‘09). Als opwarmer voor de festivalzomer, en Pukkelpop in het bijzonder, kwam het Deense duo afgelopen donderdagavond afgezakt naar de Gentse Vooruit voor een kort maar krachtig late night concert.

Anno 2011 zijn shoegaze, new wave en gothic met mondjesmaat binnen gesijpeld in het gitzwarte Raveonettes universum, maar gelukkig bleef de bijpassende eyeliner in de kast. Opener “Recharge & Revolt” plakte wat dat betreft meteen tegen onze trommelvliezen aan als een niet mis te verstane poppy knipoog naar My Bloody Valentine en Pale Saints. De twee extra personeelsleden, die vooral dienst deden als percussionisten netjes rechtstaand gepositioneerd tussen vier lichtzuilen, pasten perfect in het plaatje als was dit een showcase voor Top Of The Pops ergens diep in de jaren’80. Dat de onheilszwangere synths die prominent aanwezig zijn op ‘Raven In The Grave’ ‘ergens’ uit een doosje kwamen was daarentegen wel even wennen.
Ook verderop in de set had Raveonettes opperhoofd Sune Rose Wagner vakkundig een aantal referenties naar het donkerste decennium uit de popgeschiedenis verstopt. “Apparitions” leek ontsnapt uit het repetitiehok van The Cure ten tijde van de ‘Pornography’ sessies, tijdens de strakke intro van “Ignite” vreesden we even voor een Joy Division cover die er gelukkig dan toch niet kwam, en als er iets of iemand zich ooit mag vergrijpen aan het pastorale “Evil Seeds” dan mogen de winnaars gerust Siouxie & The Banshees heten. Sharin Foo, de vrouwelijke Raveonettes helft met de femme fatale looks, mocht van haar kant voor het eerst uitpakken op “War In Heaven”. Tijdens dit oppermelancholisch nummer droop de etherische schoonheid net niet van het podium, meteen goed voor één van de absolute hoogtepunten.
Naar goede Scandinavische gewoonte behield de groep de nodige cool op het podium; het al dan niet ter plaatse verzinnen van bindteksten of enig contact zoeken met de fans lijken niet echt besteed aan Wagner of Foo. Het publiek daarentegen reageerde hier en daar wel redelijk uitbundig, zeker toen bleek dat de oudjes “My Tornado” en het nog steeds onweerstaanbare “Attack Of The Ghost Riders” uit de debuut EP ‘Whip It On’ (‘02) op de setlist prijkten en nog niets aan rauwheid hebben ingeboet.
Het lieflijke slotakkoord “My Time’s Up” zou een toepasselijke afsluiter geweest zijn, maar Wagner & Foo zochten en vonden hierna ook nog een tweede adem. De nieuwe single “Forget That You Are Young” werd opgespaard tot in de bisronde, en tijdens de op een dreigende triphop beat drijvende afsluiter “Aly, Walk With Me” verloren Wagner en Foo uiteindelijk toch één keer hun cool en werd een beleefd robbertje met gitaar en bas uitgevochten.

Conclusie: The Raveonettes zijn klaar om op 19 augustus tegen pakweg middernacht de Marquee of Club tent op Pukkelpop gitzwart te kleuren. Allen daarheen, met of zonder eyeliner.

Organisatie: Democrazy, Gent

Op weg naar de fel begeerde status van ‘the next big thing’ in muziekland kan je als m/v met talent tegenwoordig maar beter over de juiste muzikale referenties beschikken. De nieuwe Amerikaanse lo-fi held Kurt Vile heeft wat dat betreft weinig reden tot klagen. Zo maakte niemand minder dan Sonic Youth’s Kim Gordon er ooit geen geheim van dat Vile’s vorige album ‘Childish Prodigy’ tot één van haar grootste ‘guilty pleasures’ van de afgelopen jaren is uitgegroeid. Verder kan de 31-jarige singer-songwriter uit Philadelphia ook rekenen op de goedkeurende blikken van andere respectabele anciens zoals Dinosaur Jr. opperhoofd J. Mascis, die op zijn beurt zijn poulain voorstelde aan huisproducer John Agnello om de opnames van Vile’s jongste opus ‘Smoke Ring For My Halo’ in de juiste banen te leiden. Het gerespecteerde Amerikaanse indielabel Matador heeft er met Kurt Vile dus langzaam maar zeker een artistiek goudhaantje van formaat bij dat ook op de Europese clubpodia potten kan breken.
Na de Botanique een dag eerder deed de Amerikaan afgelopen woensdag ook het Gentse muziekcafé De Charlatan aardig vollopen in kader van Democrazy’s niet te versmaden concertreeks ‘The Big Next’.

Voor wie Vile enkel kent van de ietwat krakkemikkige en soms uiterst breekbare songpareltjes op diens laatste album moest bij aanvang van de set toch onverwacht snel de oordopjes bovenhalen. Een duidelijk goed gemutste Vile en zijn drie muzikale metgezellen, The Violators, gooiden zich met een koppel oude nummers vol overgave in een strijd die qua intensiteit, decibels en grungy podiumact bijna onvermijdelijk refereerde naar Neil Young & Crazy Horse. De feedback en psychedelische effectjes tijdens “Monkey” konden nog ietwat verhullen dat Vile over allesbehalve indrukwekkende stembanden beschikt, maar eens de nieuwere songs werden geserveerd bleek deze beperking eerder een charmante troef. Zo is “Jesus Fever” wat ons betreft één van de songs van het jaar, in de Charlatan werd het nummer heerlijk slordig opgediend. Tijdens “On Tour” en “Ghost Town” klonk Vile dan weer als het nasale neefje van Sonic Youth’s Thurston Moore en Lou Reed: schijnbaar ééntonig en weinig geïnteresseerd om de juiste noten te halen, maar hierdoor juist heel intrigerend.
Net als elke nieuwe belofte wordt ook Vile een grote muzikale toekomst voorspeld. Met de nodige zin voor patriottische overdrijving zien sommige recensenten in de jonge Amerikaan zelfs de Springsteen van zijn generatie. Wat ons betreft een onzinnige vergelijking, maar Vile anticipeert de plotse aandacht op zijn eigen manier door doodleuk nu en dan een cover van The Boss in zijn set op te nemen. Bijna onherkenbaar, maar we vermoeden dat Vile afgelopen woensdag koos voor een heel eigen interpretatie van Springsteen’s “Downbound Train”.  En wie weet wordt Vile binnenkort zelf wel niet vereerd met een cover van één van diens eigen songs; als wij mogen kiezen mag iemand zich wel eens wagen aan “Society Is My Friend”, het absolute prijsbeest uit ‘Smoke Ring For My Halo’ dat in de Charlatan extra kleur kreeg door de spooky begeleiding van The Violators.
Voor het afsluitende “Freak Train” gooide de groep ineens alle remmen los: drummer Mike Zanghi ging in rechtstreeks duel met een strakke ritmebox terwijl de Violators bassist zich net niet vergreep aan een saxofoon. Dit alles resulteerde in een kakafonie van free jazz en krautrock die de temperatuur in de zo al hete Charlatan prompt nog wat verder de hoogte in joeg. The Violators mochten hierna wat verkoeling zoeken in de kleedkamers, maar een nog steeds enthousiaste Vile strompelde op zijn eentje terug het podium op om met een breekbaar “Runner Ups” de set in spreekwoordelijke schoonheid af te ronden.  

Nu reeds lijkt vast te staan dat Kurt Vile zal uitgroeien tot één van de belangrijkste en meest productieve alt.troubadours van zijn generatie, alleen rijst nog de vraag of dit onmiskenbare talent ooit de mainstream wil of zal bereiken. Chokri en Eppo zorgen straks alvast voor een duwtje in de rug, want wie er afgelopen week niet bij was krijgt straks een niet te missen herkansing in een gezellig clubtentje op de weide van Pukkelpop.

En ja, waarom zouden Kurt Vile & The Violators ineens ook niet hun huidig voorprogramma meebrengen naar Kiewit? Het Californische gezelschap Spindrift zou er met haar lang uitgesponnen psychedelica zeker niet misstaan bij valavond. Denk aan Black Mountain op een dieet van Ennio Morricone filmscores en Hawkwind jams, en je komt aardig in de buurt van het kaleidoscopische geluid van dit vijftal.
Chokri & Eppo, are you receiving me?

Organisatie: Democrazy, Gent

Pagina 12 van 18