logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Gavin Friday - ...
Stereolab
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 12 april 2012 02:00

A+E

Nooit fan geweest van Blur, we hebben er geen enkel plaatje van in huis, maar wat Damon Albarn doet met Gorillaz vinden we uitermate fantastisch en ook het ondertussen al indrukwekkende solo repertoire van gitarist Graham Coxon spreekt ons duizend keer meer aan dan al die Blur plaatjes (met uitzondering dan van die ene prachtsong “Song 2” die eigenlijk naar Blur normen ook al een buitenbeentje was).
Coxon’s nieuwste werkje ‘A+E’ is alweer een vinnig en scherp ding geworden met gestoorde en nerveuze gitaren, compromisloze songs en een lo-fi sound die duidelijk niet mikt op een billboard notering. Met andere woorden, Graham Coxon heeft volledig zijn eigen goesting gedaan en juist daarom bewonderen we hem.
Hij zweert bij een rauw en primitief geluid dat soms aanleunt bij kantlijn iconen uit the eighties als Pere Ubu, Wire en Killing Joke.
Zowel stem als gitaar worden regelmatig bedolven onder een laag distortion maar de songs steken er steeds boven uit. Bij de jachtige en gruizige sound van opener “Advice” zou je eerder gaan denken dat de man een verleden heeft in de begeleidingsband van miskend genie Billy Childish dan dat ie deel uitmaakte van een Britse mega groep.
Dingen als het grillige “City hall” en het bijzonder aanstekelijke “What’ll it take” zijn de meest krachtige songs die u op geen enkel radiostation zal horen en een rechttoe rechtaan aanpak maakt van “Running for your life” een gejaagde punksong met, wat ons betreft althans, hitpotentie.
Graham Coxon bevindt zich met ‘A+E’ aan de donkere en grimmige kant van de Britpop, maar voor ons wel de interessantste. Een Blur reünie is dan ook het laatste waar wij op hopen.



donderdag 12 april 2012 02:00

Sweet Sour

Niet bepaald simpel om een waardige opvolger te maken voor het bruisende ‘Baby darling doll face honey’ van 2009, maar Band Of Skulls zijn er wel in geslaagd. Nadat we een portie nieuwe songs hadden gekregen bij hun geslaagde doortocht in de Bota eind vorig jaar, waren we er eigenlijk al gerust in, de band had onze honger naar het nieuwe werk met een potig concertje sterk aangewakkerd.
Opener “Sweet sour” is al meteen een lel van een binnenkomer en ook “The devil takes care of his own”, “Lies” en zeker “You’re not pretty but you got it going on” zijn ferme catchy rockbeestjes.
Natuurlijk zijn The White Stripes wederom niet ver af, maar Band Of Skulls bieden hier genoeg lekkers om uit hun schaduw te treden. Bovendien wordt er al eens met glans wat gas teruggenomen. “Lay my head down” is een beetje een ongewone ballad voor hun doen, maar wel knap. Ook op “Navigate”, de dromerige folksong “Hometowns” en het ijle “Close to nowhere” wordt het gaspedaal nagenoeg onberoerd gelaten.
Knap plaatje, waarop Band Of Skulls zich van twee kanten laat bewonderen, nu eens vettig  rockend, dan weer ingetogen en gevoelig.

dinsdag 03 april 2012 02:00

Primus - Virtuoze gekte en nostalgie

Vorig jaar in juni waren we er ook als de kippen bij toen Primus een come back tournee pleegde, het blijde weerzien op het podium van de AB was een heuse belevenis.
Dus mochten we hun nieuwe doortocht zeker niet missen, temeer omdat wij ondertussen al sterk gebeten waren door de uitstekende nieuwe plaat ‘Green Naugahyde’ waarin Primus de supervorm van hun jongste dagen te pakken heeft. Bovendien had de band een drie uur durende show aangekondigd, dus zou er vanavond nog veel meer zijn om van te snoepen.

Het eerste uur bestond uit een reeks hoogstaande vroege Primus songs en klassiekers, met een setlist die, omwille van het fantastische repertoire van Primus, nogal onvolledig was. Maar ja, dat kon ook niet anders, we zouden wel goed geweest zijn voor een marathon van 5 uur.
Al gauw werd het duidelijk dat Primus hier weer even briljant en virtuoos stond te spelen als vorig jaar. De niet te evenaren baskunstjes van Les Claypool waren alweer buitenaards, de gitaar van Larry La Londe was zonder meer prikkelend, de drums van Jay Lane bekrachtigden het ‘back to basics’ gevoel. De vaak knotsgekke animaties en vreemde beelden op het scherm achter de groep, geposteerd tussen twee reusachtige astronauten, onderstreepten het gevoel van humor die Primus steeds gehad heeft. Het kwam de virtuoze muziek alleen maar ten goede.
Fans van het eerste uur werden flink verwend met een ferme greep uit ‘Frizzle fry’, ondermeer de geweldige titelsong uit die plaat en “John The Fisherman” kolkten als in the good old days. Nog veel meer moois was er, Primus spetterde op “Mr Krinkle”, “Fish On”, “Seas of cheese” en “My name is Mudd” (natuurlijk moest die er tussen). Een uit zijn voegen barstend “Wynona’s big brown beaver” was de geweldige afsluiter van het eerste deel. Na deel één was het al meteen duidelijk, de heren waren nog niks van hun pluimen en gekte verloren.

Een pauze is niet zomaar een pauze bij Primus. Tijdens de break werden er authentieke Popeye tekenfilmpjes afgespeeld, en dat was zonder meer geestig. Zoiets is inderdaad alleen maar mogelijk bij de mafketels van Primus. Toch niet toevallig, zo blijkt, want hoe meer we Popeye aanschouwden, hoe meer we merkten dat Claypool’s vocale prestaties sterk beïnvloed zijn door de spinazie vretende tekenfilmheld. Laten we het zo stellen, mocht Popeye ooit een zangcarrière ambiëren, dan was Primus zijn gedroomde begeleidingsband.

Deel twee was de integrale uitvoering van ‘Green Naugahyde’, die meer dan fantastische en wederom typische Primus plaat die hier magistraal werd vertolkt. We gaan nu niet te veel oplijsten, voor de setlist moet u er maar gewoon het album bij nemen (bijzonder knappe hoes trouwens).
Wel willen we kwijt dat Primus absoluut top was op hete knallers van songs als “Last Salmon man”, “Tragedy’s a comin’” en een zinderend “HOINFADAMAN” met een sublieme gitaarintro. In de outtro van “Eyes of the squirrel” waanden we ons even in de cockpit van de helikopter op Pink Floyds ‘Dark Side of the Moon’ dankzij de wervelende psychedelische trip die Primus hier produceerde.
Doorheen de ganse ‘Green Naugahyde’ blonk Primus uit in klasse en muzikale beheersing, zonder hierbij de intensiteit en die typische geniale waanzin uit het oog te verliezen.
Na die sublieme live vertolking zijn wij nog meer verknocht aan dit superplaatje, we blijven er trouwens bij iedere beluistering nieuwe ontdekkingen op doen.

In de bissen mochten de fans nog eens uitzinnig worden met een splijtend en hitsig “Jerry was a race car driver” en de denderende all time klassieker “Here come the bastards” er achteraan. Helaas was het liedje toen uit en hadden wij weer niet onze Puppies gekregen, wat dan ook de enige ontgoocheling van de avond was. Die godverdomse gelukzakken in de Trix hebben het wel gekregen, het leven is niet eerlijk.

Dit was een fenomenaal Primus, voor de leek misschien een beetje te veel van het goede, maar voor Primus fans als wij mochten ze gerust nog een uurtje doorgaan.  Volgende keer terug van de partij? Reken maar.

Neem gerust een kijkje naar de pics ( van de set in de l’Aéronef, Lille)
http://www.musiczine.net/nl/fotos/primus-31-03-2012/

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

zaterdag 31 maart 2012 02:00

Marc Ribot - Really the blues

Even voorstellen misschien, kan voor sommigen nuttig zijn : Marc Ribot is een briljant gitarist die, ver weg van de commerciële paden, zich vooral goed thuis voelt in jazzmiddens, maar daarnaast zich ook waagt aan klassieke muziek, bossanova (met Los Cubanos Postizos), avant-garde (al dan niet samen met mafketel John Zorn), onconventionele en ontspoorde rock (met Ceramic Dog) of soundtracks waarbij de film ontbreekt (‘Silent Movies’). Ook al heeft u nog nooit gehoord van Marc Ribot (u moest zich schamen), de kans is groot dat er een hoop platen in uw kast staan waar hij heeft op meegespeeld. De man wordt door de groten der aarde geregeld gevraagd om met hen de studio in te duiken (ondermeer Elvis Costello en David Sylvian), zo botst u steevast op Ribot’s uiterst herkenbare stijl op de beste platen van Tom Waits, waaronder ook diens laatste worp ‘Bad as me’.

In Gent kwam Ribot zijn nieuwste project ‘Really the blues’ voorstellen waarmee hij zich verdiepte in -u kon het al raden- de blues. En dit genre was eigenaardig genoeg tot op heden door Ribot ongeroerd gelaten. Ga al zijn platen er maar op na, u zal er weinig of geen blues op treffen. Bij een klasbak als Marc Ribot was van enige vorm van gebrek aan ervaring met het genre helemaal niets te merken, hij speelde de blues alsof ie dat al jaren deed, met pakken emotie, gulzigheid en passie.
Met drie zwarte rasmuzikanten op drums, bass en keyboards had hij ook voor een klassieke bezetting gekozen om de blues in volle glorie te bedrijven. De heren voelden de meester perfect aan en kregen zelf ook de tijd om hun eigen kunstjes op te voeren, vooral de straffe keyboardspeler Cooper-Moore ging geregeld een fel duel met Ribot aan.
Ribot’s benadering van de blues was wild, gedreven en passioneel. Hij gaf zijn eigen begeesterende interpretatie aan bluesstandards als “Serves your right to suffer”, “Stormy Monday” en “Wang dang doodle”, stokoude songs die met Ribot’s bloed en zweet werden geïnjecteerd en als hongerige hyena’s terug tot leven kwamen. Een begenadigd zanger is hij nooit geweest, maar de manier waarop hij het Oedipus verhaal omzette in een vlijmscherpe en bijtende bluessong was even duivels als indrukwekkend.
En dan die gitaar ! Amai ! Hoewel Ribot hier min of meer binnen de structuren van de blues bleef, was zijn hoekige en wilde gitaarstijl alom tegenwoordig. Hij deed zijn instrument janken, huilen, hakken, briesen, scheuren en bloeden, hij soleerde en improviseerde er op los en wist steeds de gevreesde clichés vakkundig op een creatieve manier te omzeilen. Zelden hebben wij iemand zo passioneel, geïnspireerd en tegelijkertijd virtuoos tekeer zien gaan op een gitaar. Hij had ook maar één exemplaar nodig, Ribot is niet dat type aanstellerige gitarist die voor elk nummer door zijn roadies een andere gitaar laat aanrukken omdat de volgende song dat zogezegd zou nodig hebben.
Ogenschijnlijk slordig zat hij vaak middenin de songs wat met partituren en pedalen te friemelen, maar eenmaal de gitaar aan het woord was stroomde de genialiteit er van af en was het voor ons volop genieten, hier konden we maar niet genoeg van krijgen.

Ribot presenteerde zich duidelijk als iemand wiens gitaar veel belangrijker is dan zijn imago,
dit had hij dus gemeen met het gros van de bluesmuzikanten, maar verder was dit optreden eigenlijk een belediging voor alle levende en dode bluesgitaristen (met uitzondering van Hendrix dan) want Ribot had zich nog maar net het genre toegeëigend en hij speelde al met de vingers in de neus iedereen naar huis.

Als opwarmer hadden de organisatoren de Tsjechische stemkunstenares Iva Bittova geprogrammeerd. Het ongetwijfeld sympathieke mens deed allerlei dingen met een viool en had inderdaad een immens stembereik die voor een normaal mens buitenaards was, maar als support act voor Marc Ribot was dit een miscasting van jewelste. Helemaal niet ons ding, maar wat voor de één irritant gemekker is, klinkt voor de ander als hemelse schoonheid. U dacht er het uwe van, wij waren vooral blij dat het maar een klein half uurtje duurde.

Organisatie: Vooruit Gent

Het is pas met de onlangs verschenen schitterende derde plaat ‘Pre Language’ dat Disappears een beetje voorzichtige aandacht heeft gekregen. Het duwtje in de rug van Sonic Youth en de blijde intrede van hun drummer Steve Shelley zal daar natuurlijk wel voor iets tussen zitten. Wij hadden het echter al door van bij de twee voorgangers ‘Lux’ en ‘Guider’ (ook nog maar één en twee jaar oud) dat we hier met een bijzonder interessant groepje te maken hebben.

Op het podium van een maar magertjes volgelopen Grand Mix wist Disappears te overtuigen met een greep uit deze drie plaatjes. Met een hoop echo en reverb brachten ze hun overwegend korte en repetitieve songs. Af en toe bespeurden we Velvet Underground klanken, maar evenzeer Suicide, Spacemen 3, The Fall en –hoe komen we daar nu bij- Sonic Youth. En om het wat bij generatiegenoten te zoeken belanden we bij Wooden Shjips, The Black Angels en Howler.
Disappears wist een trance-achtige spanningsboog op te bouwen, en dit was vooral de verdienste van de twee gitaristen en niet zozeer van de drummer met bekende naam. Het was ook niet de bedoeling om dit als troef uit te spelen, Steve Shelley was hier gewoon een bescheiden groepslid die op een overigens zeer sober drumstelletje zijn ding deed (sterallures waren trouwens nooit aan Sonic Youth besteed, juist omdat er geen ego’s in zaten heeft die groep het zo lang uitgezongen, tot een jammerlijke echtscheiding een einde maakte aan het mooie liedje).
Bij momenten werd er met verve uitgefreakt op de gitaren die geregeld in een aangename jaren tachtig galm verbleven. Een uur lang hield Disappears ons zo in bedwang met hun bezwerende sound gegoten in krachtige en compacte songs die naar het einde toe nog een stuk gedrevener en intenser werden. Finaal draaide het zo uit op een meer dan indrukwekkend concert.

Heel jammer dus van de te magere opkomst van deze avond, Disappears bleek duidelijk een té goed bewaard geheim.

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

donderdag 22 maart 2012 01:00

Baby

De zoveelste nieuwste sensatie van over het kanaal is in wezen een vrij braaf klinkend bandje die een soort conventionele rock speelt met in het beste geval wat fijne Pixies raakpunten. Het gaat allemaal soms een beetje de richting van Razorlight uit, niet bepaald de meest spannende referentie als je ’t ons vraagt (afgezien van die eerste plaat dan). Ergens hebben wij opgevangen dat dit nogal naar The Replacements zou neigen, doch dit is een veel te grote eer voor de snotneuzen van Tribes en een belediging voor de fantastische Replacements.
Met de twee potente openers “Whenever” en “We were children” start het nochtans veelbelovend, maar verder op de plaat worden we geconfronteerd met het fenomeen van de inzakkende pudding.
Er staan naar onze goesting wat te veel ballads en te weinig venijnige rockers op dit plaatje. Het tempo zit er op een zeldzame keer wel in, zoals op het gejaagde “When my day comes”, maar ook hier zijn de echt scherpe kantjes er afgeveild.
Met uitzondering van de voorzichtige maar helaas wel mislukte shoegazer “Alone with friends” en de in de stroop gedrenkte afsluiter “Bad apple” zijn de songs eigenlijk nog zo slecht niet, maar een album die uitblinkt in middelmatigheid is niet bepaald het eerste item dat op ons favorietenlijstje prijkt.
Toch schrijven we Tribes niet af. Tweede zit wat ons betreft.

Je kwam maar beter op tijd vanavond. The Waterboys hadden er voor gekozen om de doorgaans overbodige support act achterwege te laten en gewoon zelf twee sets te spelen. Daarbij gebruikten ze een nogal gedurfde formule. Daar waar de meeste bands hun nieuwe songs spelen in de aanvangsfase van het concert om dan later over te schakelen naar de klassiekers, kozen The Waterboys voor het omgekeerde. Het eerste deel was een samenbundeling van vintage Waterboys songs, terwijl deel twee bestond uit de nieuwste plaat ‘An appointment with Mr. Yeats’.

Deel één was alvast om duimen en vingers af te likken. De gretige opener “Rags” was meteen raak en toonde aan dat The Waterboys in hun beste vorm ooit waren. Ze rockten hevig verder met “All the things she gave me”, haalden daarna spetterende versies boven van “The thrill is gone” (met een flard “The healing has begun” in verwerkt”) en “A girl called Johnny” en schakelden even gemakkelijk over naar adembenemende lovesongs als het bloedmooie “The girl in the swing” en “How long will I love”, dat voor de gelegenheid in een ander kleedje werd gestoken. Helemaal wonderbaarlijk en stevig waren de klassiekers “Glastonbury song” en “The Pan Within”. Mike Scott en zijn fantastische Waterboys, met een briljante Steve Wickham op fiddle, sloten deel één af met een werkelijk fenomenaal “Lonesome old wind”, lang uitgesponnen maar geen seconde te veel. The Waterboys hadden onze stoutste verwachtingen overstegen. Hier zat hoegenaamd nog geen sleet op. Hoe kon men dit nog evenaren, laat staan overtreffen, in de tweede set ?

Vandaar dat wij nogal vreesden voor deel twee, temeer omdat wij ‘An appointment with Mr Yeats’ een laat ons zeggen middelmatige plaat vinden. We hadden onterecht gevreesd want het begon schitterend met de verbluffend sterke opener “The hosting of the shee”, een song die al het beste van the Waterboys in zich droeg. Alle twijfels waren voorgoed weg met “News for the Delphic Oracle”, we kregen kippenvel van de theatrale prestatie van Mike Scott en waanden ons even in een musical van het betere allooi. Ook “Song of Wandering Aengus”, “White birds” (nog nooit een fiddle zo mooi het geluid van een stel zeemeeuwen weten nabootsen) en “An Irish airman forsees his death” blonken uit in schoonheid.
Het hoogtepunt was een lang en prachtig “Mad as the the mist and snow” met nog maar eens een glansprestatie van Steve Wickham, met een al even geweldig “September 1913” er achter aan.
The Waterboys hadden duidelijk de beste songs uit die nieuwe plaat gehaald en die waren stuk voor stuk krachtiger, mooier en aangrijpender dan de albumversie. Ook deel twee meer dan geslaagd dus, wij waren even hard onder de indruk dan bij het eerste deel, en dat wil wat zeggen, met al die klassiekers.

Natuurlijk kwam een vanavond werkelijk grandioze Mike Scott met zijn groep nog eens terug voor een spetterend en uiterst fel “Don’t bang the drum” (amai !) en de onvermijdelijke krakers “The whole of the moon” en “Fisherman’s blues”.
Dat mogen er van ons nog veel meer doen, voorprogramma thuislaten en er een onvergetelijke avond van maken, gevuld met allen maar prachtsongs. Een even indrukwekkende back catalogue als deze van The Waterboys is uiteraard vereist.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

zaterdag 17 maart 2012 01:00

Enter Shikari - Niet voor hartpatiënten

Enter Shikari brouwt op het podium een kolkend potje herrie, een uiterst explosieve kruisbestuiving van hardcore, industrial, hiphop, dubstep, dance, rock en metal. Geen idee hoe ze het voor elkaar krijgen, maar die mélange van diverse stijlen werkt als een rode lap op een stier en brengt het overwegend jonge publiek meermaals tot over het kookpunt.
Het is vrij hectisch, het bulkt van de energie en het ontploft keer op keer. Kortom, er zit nogal wat stroom op. Dit is geen muziek voor hartpatiënten, uw tikker gaat geregeld in overdrive, uw hersenen worden danig door elkaar geschud en uw oren worden bloeddorstig geterroriseerd.

De bandleden zijn uitzinnige types van het zeer levendige soort. Net als hun opgehitste publiek staan ze geen seconde stil en de gitarist zet het geregeld op een potje skydiven waarin hij uiteraard gretig gevolgd wordt door de fans. Hoewel ze hier één en ander gewoon zijn in de Trix, met al die metaalbewerkers die regelmatig de zaal komen teisteren, hebben de mensen van de security een uitzonderlijk drukke avond.
De elektriciteit die hier in de lucht hangt hebben we al eens eerder meegemaakt bij Pendulum (ook zo een zotte boel, check de review hier ergens in de historiek), maar bij Enter Shikari zit er nog wat meer hete rock en hardcore tussen de elektronica. Ook de nadrukkelijk aanwezige dubstep invloeden maken er een pompend feestje van.
De band weet creatief om te springen met het inmiddels ook in de mainstream populair geworden genre. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de laatste drol van Korn klinkt dat bij Enter Shikari echter langs geen kanten geforceerd. Geen idee hoe dubstep puristen er over denken (schande! verraad! uitverkoop!), maar wij vinden het bij Enter Shikari althans een geslaagde intrede van een genre waar wij voor de rest overigens helemaal niet in thuis zijn (de voornaamste ervaring die wij hebben met dubstep zijn de diepe basdreunen afkomstig uit de slaapkamer van onze dochter, die er voor zorgen dat onze patatjes met ware doodsangsten in hun bord liggen te daveren).
Het enige wat we de groep een beetje kwalijk nemen is dat er soms wat te lange pauzes tussen de nummers genomen worden, bovendien gevuld met wat overbodig gelul van vooral de bassist, waardoor de sneltrein al eens onnodig vaart vermindert. Gelukkig is daar dan telkens weer zanger Rou Reynolds om de boel op te jutten, hij barst van de energie en weet die moeiteloos over te zetten op zijn publiek. Je kan de man bezwaarlijk een goede zanger noemen (hou het eerder bij uitbundige schreeuwer) maar zijn ongeremde explosiviteit is onmisbaar voor deze band.

Anderhalf uur wordt de Trix door deze wild om zich heen schoppende bende opgejaagd, en ’t is een heuse ervaring. Een mens krijgt er wel dorst van.
Dit soort wilde feestjes zou festivalletjes als Dour of Pukkelpop aardig in vuur en vlam zetten. Boeken is de boodschap.

Voorprogramma Young Guns mag rekenen op nogal wat bijval van het publiek, waar wij dan weer geen jota van begrijpen want we moeten steevast denken aan Tokio Hotel meets Within Temptation. En, geloof ons vrij, dergelijke gedachten zijn erger dan de meest schrikwekkende nachtmerrie. Snel doorspoelen, die handel.

Organisatie: Heartbreaktunes (ism Trix Antwerpen)

woensdag 07 maart 2012 01:00

The Fall - Gek of geniaal ?

De ultieme cultgroep, kunnen we misschien wel zeggen. Geen band die sinds 1979 al de ene plaat na de andere uitbracht (zo een dikke 40 stuks,’Ersatz’ heet de nieuwe), daarop steeds hun eigen halsstarrige zin deden, nooit geliefd geweest zijn bij het grote publiek, maar des te meer aanbeden door freaks en een hoop artiesten uit de alternatieve scene. Een invloedrijke band, altijd in de underground gebleven, daar waar het goed vertoeven is en een figuur als Mark E. Smith volledig zijn ding kan doen. Want, laten we duidelijk zijn, Mark E. Smith is The Fall. Verder is de groep een echte duivenpier geweest in al die jaren.

Mark E. Smith, 55 is ie al (ziet er wel enkele jaartjes ouder uit), moet zowat de meest geschifte  frontman zijn die we ooit op een podium gezien hebben. Hij zong niet één verstaanbaar woord, trok de meest waanzinnige smoelwerken (heeft die man eigenlijk wel tanden ?), had een soort onbegrijpelijke mimiek en gebarentaal (ergens tussen een spastische Joe Cocker en Mr. Bean), zat voortdurend aan de versterkers van zijn muzikanten te prutsen, bewerkte de drums met zijn micro en zong (of liever, bralde) geregeld door 2 micro’s tegelijkertijd. Gek ? zeer zeker, de man heeft zowat het profiel van de super alcoholicus. Geniaal ? Yep, dat ook.
The Fall was vanavond een strak spelende band met nerveuze gitaren, hakkende drums en af en toe nog wat overblijfselen van eighties keyboards. Met het geneuzel van Mark E Smith daarbovenop resulteerde dit in een smerig potje driftige postpunk. Nog steeds compromisloos, dwars en daarom vrij indrukwekkend.
Dit was zo een optreden die we gewoon moesten ondergaan, ons blind starend op die geschifte kerel op het podium en ons afvragend : is die gast nu gek, acteert hij dit of is hij gewoon ladderzat. Het juiste antwoord zullen we nooit weten, moet ook niet, voor ons is The Fall een legendarische band die best wel zijn geheimen en onzinnigheden kan hebben. Prettig gestoord, noemen we dat.

The Fall was tot op heden nog een blinde vlek op ons ondertussen al omvangrijk concert cv. We zijn sedert vanavond een heuse ervaring rijker, dit hebben we ook alweer gehad.

Organisatie: Aéronef, Lille

donderdag 01 maart 2012 01:00

Towards the low sun

Bij Dirty Three lijkt het er altijd een beetje op alsof ze de instrumenten nog aan het stemmen zijn terwijl de opnameapparatuur al aanstaat. Op de eerste 2 grillige tracks is dat althans zo, daarna komt er wat meer lijn in te zitten en komen de glooiende landschappen tevoorschijn, maar er zit nog een hoop venijnig ongedierte tussen het gras verscholen.
Wat Warren Ellis doet met zijn eigen geesteskindje Dirty Three ligt trouwens veel dichter bij de soundtracks die hij opnam met beste vriendje Nick Cave (‘The Road’, ‘A Proposition’ en ‘The Assassination of Jesse James’) dan bij het primitieve geweld van Grinderman.
Wat niet wil zeggen dat halve zot Ellis niet als een duivel tekeer gaat bij de uitvoering van deze volledig instrumentale muziek.
We hebben Dirty Three al eens live aan het werk gezien en kunnen gerust stellen dat hij zichzelf nogal expliciet inleeft in zijn eigen creaties. En dat is ook zo op dit indrukwekkend, rauw en innemend werkstukje. Ellis gaat hier weer in zijn gekende stijl met zijn favoriete instrument aan de slag. Een viool moet je in zijn wereldje niet per sé met zachtheid behandelen, je kan ze ook vakkundig molesteren, ze als gitaar gebruiken of ze laten gieren en knarsen, als je er maar genoeg gevoel insteekt.
Dat is wat Ellis alweer doet op deze sfeervolle en tegelijkertijd knarsetandende plaat en het is wederom van een primitieve en desolate schoonheid. Iemand moet hier maar eens een film bij bedenken, als het maar Jan Verheyen niet is.

Pagina 76 van 112