logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Gavin Friday - ...
Stereolab
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

Met reeds 4 succesvolle albums heeft Kasabian in de UK al stilaan de status van stadiongroep verworven, en met de laatste ‘Velociraptor’ lijkt het nu ook op de rest van het Europese continent wat los te lopen. Wanneer een band uitgroeit tot stadionproporties is dat echter meestal niet bevorderend voor de kwaliteit van de muziek (zie U2, Coldplay en Kings Of Leon), maar bij Kasabian is dat wel even anders.

Op het podium is het er trouwens aan te zien dat ze tot grootse dingen in staat zijn. Het vertouwen zit er duidelijk in en zanger Tom Meighan zit niet verlegen om een paar epische gebaren (nog geen Bono weliswaar), maar het is vooral drijvende kracht en unieke verschijning Sergio Pizzorno die de show steelt. Gitarist Pizzorno is duidelijk de bezieler van deze band, quasi alle songs zijn van zijn hand en ook op het podium laat hij zien dat hij de groep draagt.
Kasabian is, dankzij het succes en de ervaring van het jarenlange toeren, geëvolueerd tot een goed draaiende machine met een live sound die staat als een huis. Bovendien is de bagage van hun vier voortreffelijke platen al voldoende voor een soort van greatest hits, er wordt keurig geput uit alle vier de albums om een knaller van een setlist samen te stellen.
Kasabian kan het zich perfect permitteren om van start te gaan met één van hun prijsbeesten, de prachtige single “Days are forgotten”. Het tempo houden ze hoog met stomende songs als “Shoot the runner”, “Underdog”, “Velociraptor” en “Where did all the love go”, songs die stuk voor stuk in hun live versie boven zichzelf uitstijgen.
Ze zijn er meesters in om hun songs op een podium te voorzien van een spannende opbouw en die voortdurend tot een climax te laten uitgroeien. De set is eigenlijk een opeenvolging van hoogtepunten waaronder ook als aangename verrassing een fantastische nieuwe song die om onbegrijpelijke redenen de laatste plaat niet gehaald heeft (“It should have” beweert Meighan, en gelijk heeft ie).
Met een uitstekend “La fee verte” (het was ons eerder nog niet echt opgevallen, maar dit is een wondermooie song) wordt op een uiterst mooie manier wat gas teruggenomen, met alweer Pizzorno in een hoofdrol. Enkel met “Goodbye kiss” hebben wij een beetje moeite, omdat we het op die laatste plaat ook al een melige tegenvaller vinden, maar het superhete en pompende “Lost souls forever” maakt alles weer goed.
In de extra’s worden de beats en de bassen nog een stuk opgefokt en ontploft Kasabian met uiterst ophitsende mokerversies van “Switchblade Smiles”, “Vlad The Impaler” (een geweldige boost) en “Fire”. Een bisronde om U tegen te zeggen, drie uppercuts na elkaar en we zijn compleet knock out.

Kasabian heeft hier nog niet de status die ze in eigen land hebben, maar geloof ons, het komt. Ook Werchter zal het gevoelen, komende zomer.

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/kasabian-28-02-2012/

Organisatie: Agauchedelalune, Lille

 

Dat men de 54 jarige Sharon Jones de vrouwelijke James Brown durft te noemen, kunnen we best begrijpen. Het mens heeft de soul in haar ganse lijf en botten zitten en met een stembereik van hier tot in tot in Tokio laat ze bleekscheetzangeressen als Joss Stone, Duffy en Christina Aguilera mijlenver achter zich. Helaas vertaalt dat zich dat niet altijd in verkoopcijfers, maar een volle AB was wel haar deel.

Samen met haar 10 koppige band, inclusief twee volumineuze backgroundzangeressen en een swingende blazerssectie, grossierde de dame in authentieke soul van uit de tijd van James Brown, Aretha Franklin, Tina Turner (Ike periode), Sam Cooke en Otis Redding. Echte zweterige soul waar de huidige platvloerse commercie nog geen vat op heeft gekregen, alsof de tijd heef stilgestaan. Lekker groovende up tempo soul, funk- en motown songs werden afgewisseld met heerlijke ballads, alles in de geest van meer dan 40 jaar geleden, maar vooral tijdloos.
Het was duidelijk dat Sharon Jones meermaals met haar krachtige soulstem wou uitpakken, soms was het een beetje van het goede te veel, maar we namen het er graag bij. In een lange uitvoering van “When I come home” was de soultrain van The Dap Kings op kruissnelheid, de funk en soul barstten uit hun voegen en de vocale uithalen en danspasjes van Sharon, inclusief een paar ferme staaltjes kontschudden, waren navenant. James Brown was definitely in da house.
Haar volle stem kreeg ook nog eens een hoofdrol in een prachtig en emotioneel geladen “Mama don’t like my man” waarvan de lange intro een eerbetoon was aan recent overleden dames met ook al een indrukwekkend longgehalte als Etta James en Amy Winehouse. En we hadden het kunnen denken, helaas werd daarbij ook de onvermijdelijke kwijlspons Whitney Houston niet vergeten.
Nadat ondermeer een funky “Better things” danig op de dansspieren werkte was de band al aan bissen toe met alweer een lange, maar gloeiend hete versie van “100 days, 100 nights” waarin de volledig onder stoom gebrachte Dap Kings nog eens op de meest swingende manier mochten loos gaan.

Een prachtig avondje pure, hete en onvervalste soulmuziek.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

woensdag 22 februari 2012 01:00

Dirty Beaches - Neurotische dwangbuisrock

Dirty Beaches is het project van de naar Canada geëmigreerde Taiwanees Alex Zhang Hungtai. Zijn debuutplaat ‘Badlands’ van 2011 is geen hapklare brok, het is een zeer lo-fi geproduceerde plaat met zeer grillige naar Suicide refererende songs en soundscapes.

Op het podium laat hij zich vergezellen door een saxofonist die niet bepaald de meest voor de hand liggende deuntjes uit zijn saxofoon haalt, maar wel een soort free jazz die zich als aangename stoorzender opdringt bij de overigens tamelijk neurotische muziek. Daarnaast is er ook nog een drummer, nou ja drummer, laat ons zeggen een kerel die met een drumstokje op een soort laptop annex drumcomputer fel tekeer gaat. £
Daarbovenop huilt, schreeuwt en declameert Hungtai zijn vocals als een bezeten Alan Vega, met nogal wat echo en reverb door de versterkers. Hungtai haalt sporadisch een gitaar boven, maar het zijn hoegenaamd geen gelikte solo’s die er uit komen, maar een soort geschifte en opgejaagde distortion. Onderhuids zit er in de songs een pak rock’n’roll verscholen, maar die wordt soms vakkundig verkracht en door een industrial vleesmachine gedraaid. Versta ons niet verkeerd, het is behoorlijk indrukwekkend en ook tamelijk bevreemdend, wij halen ons spontaan een nog niet gemaakte David Lynch film voor de geest.

Een klein uurtje bedwelmt Dirty beaches ons met hun dwangbuisrock, en ook al kunnen ze vooralsnog de spanning niet de ganse tijd aanhouden, we zijn ferm onder de indruk. Toch kunnen we er niet van uit dat het ganse uur lang voortdurend één naam door ons hoofd holt : Suicide. En dat is zowel een compliment als een waarschuwing. Wie op een podium dezelfde spanningsboog als Suicide in hun beste dagen kan creëren is goed bezig, maar er moet nog wat aan een eigen smoelwerk gebouwd worden.

Het voorprogramma Yuko speelt een onderhoudende, soms verstilde, maar volgens ons wat te brave set. Het is een soort Bon Iver meets postrock die best wel perspectieven opent, maar waar gerust nog wat meer angels mogen in gestoken worden.

Organisatie: Kreun, Kortrijk

donderdag 16 februari 2012 01:00

A different kind of truth

Van Halen staat nog altijd garant voor één van de meest memorabele hardrock platen uit de geschiedenis, namelijk dat onvolprezen debuut ’Van Halen’ uit 1978 met tijdloze klassiekers als “Eruption”, “Running with the devil”, “Ain’t talking bout love”, “Jamies’s crying” en die formidabele cover van de Kinks hit “You really got me”. Zowat de hele plaat was een bom, en dat kwam voornamelijk door de explosieve chemie die er ontstond tussen de vlijmscherpe gitaarlicks van Eddie Van Halen en de wonderlijke strot van groupie-verslinder David Lee Roth.
Hoewel de band nadien nog vijf behoorlijk sterke platen maakte kon men dat huzarenstukje nooit meer evenaren en na het album ‘1984’, die nog de wereldhit “Jump” opleverde, waren de heren elkaar zodanig beu dat ze er met slaande deuren de brui aan gaven. Roth begon aan een succesvolle solocarrière en EddieVan Halen trachtte zijn groep kunstmatig in leven te houden met als nieuwe zanger de heel wat minder getalenteerde Sammy Hagar aan boord (en later zelfs -zowaar nog erger- met Gary Cherone van het verschrikkelijke Extreme). Het Amerikaanse publiek slikte het nog wel, maar de platen die daaruit voortvloeiden verzonken in een poel van typisch Amerikaanse AOR rock met een alarmerend hoog knuffelrock gehalte. Goede verstaanders hadden het algauw door : Van Halen zonder David Lee Roth is als een tiet zonder tepel, het lijkt gewoon nergens op.
28 jaar na datum (28 !) is de vete tussen de twee kemphanen eindelijk bijgelegd en daar is een tournee en een plaat van gekomen. De hamvraag blijft natuurlijk : kunnen de heren op leeftijd nog even scherp uit de hoek komen als destijds ? Wij hebben daarop een verrassend antwoord klaarliggen voor u, een volmondig ja !
De ervaren rotten zijn vol van de goesting aan de slag gegaan met wat oude demo’s en onafgewerkte songs daterend van voor hun debuutplaat en de sound ligt volledig in het verlengde van wat er op dat fenomenale debuutalbum te horen was. Het is heavy en het rockt dat de vonken er van af springen. Eddie Van Halen en David Lee Roth drijven elkaar tot het uiterste, de riffs en solo’s van Eddie zijn snedig, snel en hard en de vocals van David Lee Roth hebben in lang niet zo gedreven en geïnspireerd geklonken. De Van Halen factor is ook nog wat aangedikt, want Eddie heeft voormalig bassist Michael Anthony vervangen door zijn eigen zoon Wolfgang, en gezien drummer en broer Alex ook nog steeds aan boord is, is het wel een erg leuk familieonderonsje geworden.
De band is 13 songs lang geweldig op dreef, bij momenten ongemeen hard en vet, en er zijn in de verste verte geen synths of keyboards te bespeuren. Songs als “Bullethead” (ook al geboren uit een oude demo), “China Town”,  “As is” en “Outta space” hebben een ongehoorde rotvaart en zijn voorzien van de meest striemende gitaarpartijen die Eddie ooit uit zijn instrument heeft getoverd. Wij begrijpen meteen terug waarom die kerel als één van de beste gitaristen van deze aardkloot aanschouwd wordt.
Van Halen klinkt harder dan ooit, enkel bij de intro van het beduidend frisse “Stay Frosty”, duidelijk het halfbroertje van “Ice cream man”, komt een akoestisch gitaarstukje op de proppen. De song zelf is trouwens even potent en vinnig dan zijn 34 jaar oudere halfbroertje.
Een vitaal “She’s the woman” is ook zo een afgestofte demo waarop de spirit van weleer ongeschonden is gebleven, hierin huist de drive en de punch van een bende jonge gasten voor wie het precies allemaal nog moet beginnen.

Het feest duurt een slordige 50 minuten en verzwakt geen moment, aan het eind zitten nog de krachtige vlammenwerpers “Big river” en “Beats workin’ waarin volop met scherp wordt geschoten.


Om het album op hetzelfde schavotje te zetten als dat fantastische debuut zou te veel eer zijn, er is ook wat minder hitpotentieel aanwezig, maar het komt toch verdomd dicht in de buurt.
En nu maar hopen op die Europese tournee.

donderdag 16 februari 2012 01:00

An appointment with Mr Yeats

Het kan verkeren. Het ene moment wordt uw groepje als een voorname en invloedrijke band beschouwd, jaren later ligt niemand nog wakker van wat je doet en maak je een nieuwe plaat die quasi aan iedereen voorbijgaat.
Mocht het u ook ontgaan zijn, Mike Scott heeft met zijn Waterboys nu al enkele maanden een nieuw plaatje uit die er best wezen mag, ook al zal het geen muren meer slopen. Nu is de muziek van the Waterboys ook nooit echt rebels geweest, het lag mijlenver van de punk en wortelde meer in een nostalgische en epische folkrockwereld.
Net als zijn grote voorbeelden Bob Dylan en Van Morrisson heeft Mike Scott iets met dichters en prozaschrijvers, het nieuwe album is een ode aan de Ierse dichter William Butler Yeats, de teksten zijn van diens hand maar de muziek is vintage Waterboys.
‘An appointment with Mr Yeats’ is dus welgekomen voor de fans maar zal verder weinig vers bloed aantrekken. The Waterboys passeren hier zowat een beetje in al hun gedaantes, van orkestraal en episch (“The hosting of the shee”) tot rootsy en folky (“Mad as the mist and slow”, “Before the world was made”), er zijn dromerige ballads en voorzichtige rockers.
Het is niet bepaald de beste Waterboys plaat, daarvoor staan er te weinig onvergetelijke songs op en wordt ook al eens de grens der meligheid overschreden (op goedkope deuntjes als “Winter birds”, “Sweet dancer” en “Politics”), maar toch kunnen we spreken van een onderhoudend plaatje met voldoende boeiende momenten om enig bestaansrecht te verwerven, hoewel ‘This is the sea’ en ‘Fisherman’s blues’ nu toch echt wel heel ver lijken.

The Waterboys komen op zondag 18 maart de plaat voorstellen in de AB, en ze hebben beloofd om er een avondvullend tweeluik van te maken (geen support act) waarvan een helft gevuld met de nieuwe songs en een andere helft met instant Waterboys klassiekers. U heeft dus geen reden om daar niet te zijn.

donderdag 16 februari 2012 01:00

Blues Funeral

Acht jaar zit er tussen ‘Bubblegum’ en ‘Blues Funeral’, maar dat wil niet zeggen dat Mark Lanegan al die tijd heeft stilgezeten. Hij blikte in die tijd maar liefst drie pareltjes in met Isobel Campbell, vormde samen met Greg Dulli de fantastische Gutter twins, dook in de studio met Soulsavers, UNKLE en Twilight Singers en ging ook nog eens op tournee als gastzanger met Queens Of The Stone Age. En, neem het van ons aan, overal waar Lanegan zijn angel in sloeg zorgde dat voor extra dimensie en diepgang, ga al die plaatjes er maar eens op na.
Toch was het hoogtijd dat hij nog eens zijn eigen ding deed, en met ‘Blues Funeral’ is ie weer in zijn pijnlijke zelf gedoken. Wie Lanegan een beetje gevolgd heeft, weet dat we hier geen opgewekte deuntjes moeten verwachten, hoewel het halve disco liedje “Ode to sad disco” wel de schijn tracht op te houden, maar Lanegan’s grafstem biedt voldoende tegenwerk om met beide voetjes op de grond te blijven.
De grillige en dreigende opener “The gravedigger’s song” zet alvast de lijnen uit met ijle gitaren, maar verder laat Lanegan zijn rokerige stem vrij veel begeleiden door een pak elektronica met een eighties tintje, wat de zaak er daarom niet bepaald luchtiger op maakt, getuige diepgravende songs als “St Louis Elegy” en “Phantasmagoria blues”.
Wanneer de omlijsting wat naakter klinkt, zoals in het akoestische en folky “Deep black vanishing trian” gaat hij zelfs nog wat dieper.
De rockers zijn in de minderheid deze keer, met zijn tweetjes zijn ze, een snedig “Riot in my house” (met buddy Josh Homme op gitaar) en een jachtig “Quiver syndrome”.
‘Blues Funeral’, die eigenlijk niks met blues als muziekgenre te maken heeft maar wel de blues ademt (als u begrijpt wat we bedoelen), is een indrukwekkende plaat geworden die weliswaar zijn tijd nodig heeft. Wij durven hem nu nog niet op de eenzame hoogte van ‘Bubblegum’ te plaatsen, maar u komt het ons best binnen enkele maanden nog eens vragen.
Mark Lanegan komt tot twee keer toe zijn ziel er uitspuwen in de Antwerpse Trix op 2 en 3 maart, helaas voor u zijn beide concerten al lang uitverkocht.

zaterdag 11 februari 2012 01:00

Howler - Nieuwe revelatie ? Zeer zeker

Het nog prille 2012 heeft ook al zijn Vaccines gebaard, deze keer komen ze uit de States, ze heten  Howler, ze zijn cool as fuck en ze brengen een zootje opwindende rock’n’roll.
Het waarlijk fantastische en bijzonder aanstekelijke debuutalbum ‘America give up’ had ons zeer nieuwsgierig naar de AB Club gedreven en we zijn maar al te content dat we erbij waren, onze verwachtingen werden daar ruimschoots ingelost.

Van een beginnend bandje met amper een 36 minuten durend album op hun conto moet je geen marathonset verwachten, wel een kort en sterk visitekaartje, en dat kregen we ! Howler serveerde hun ophitsende, frisse en korte songs met een nonchalante scheut jeugdige adrenaline en een stel bedrijvige gitaren. Het leek ons meteen duidelijk waarom dit groepje door de internationale pers aan het hart wordt gedrukt, het vonkte en knetterde zoals dat bij echte rock’n’roll groepjes steeds zou moeten, maar we zien het helaas te weinig de laatste tijd.
De jongens van Howler hebben het. Wat het juist betekent, weten we niet echt goed, zijn het de juiste vibe, de groove of de looks  ? Geen idee, maar ze hebben het. Frontman Jordan Gatesmith heeft een aangeboren rockerspotentie in zich , zijn stem ligt ergens tussen Bob Geldof (ten tijde van vroege Boomtown Rats), Joey Ramone en Julian Casablancas in. De kerel zat ook geregeld aan de whisky, als dat maar goed afloopt.
De overige bandleden speelden met een ogenschijnlijke  slordigheid,  strak en gedreven als jonge wolven. Natuurlijk deed alles denken aan  de snedigheid van The Strokes, maar dan wel The Strokes die we nu al lang moeten missen (waarmee we maar willen zeggen, The Strokes hebben na  ‘Is this it’ geen plaat meer gemaakt die even opwindend is als dit hier). Verder hebben Howler ook de ballen en de vinnigheid van the Libertines en The Vaccines, niet toevallig ook groepjes die hun songs steeds met een gewillige rommeligheid en een vurige intensiteit op de wereld afvuren.
Amper 45 minuutjes gaven de jonge knapen het beste van zichzelf, en wij konden zo ruiken dat hier iets moois zal uitgroeien. Het was maar al te zeer genieten van vinnige rockertjes als “Back of your neck” (met heerlijk whoo ooh ooh refreintje), “Wailing” , “This one’s different” en “Beach sluts”, allemaal instant klassiekers als je ’t ons vraagt.

… Wie zei daar ook weer dat dit de revelatie van het jaar was ? Groot gelijk!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

donderdag 09 februari 2012 01:00

America give up

Doorgaans hebben wij minder argwaan als een nieuwe hype uit de States komt overgewaaid dan wanneer het de zoveelste nieuwe Britse sensatie betreft. De Britten zijn zowat specialisten in het ophemelen van hun eigen nieuwe bandjes, ook al is het talent van die groepjes soms pijnlijk beperkt, maar bandjes uit de jongste Amerikaanse alternatieve scene hebben meestal een pak meer potentieel.
Howler bevestigt onze stelling. De jonge snaken komen uit Minneapolis en hebben een verduiveld opwindend gitaarplaatje gemaakt. Niks nieuws, neen, maar moet dat ?
Ze halen de mosterd bij The Ramones, The Shangri La’s, Jesus & The Mary Chain, The Libertines, BRMC en The Strokes (en dan bedoelen wij de Strokes van de okselfrisse eerste plaat ‘Is this it’, niet die van de lauwe doorslagjes achteraf).
‘America give up’ klokt af op 31 minuutjes, overtollig ballast werd dus al van tevoren over boord gegooid waardoor dit schijfje totaal geen moeite moet doen om onze aandacht vast te houden. Het album raast lekker door en heeft bij momenten een geweldige sixties vibe, de compacte songs zijn stuk voor stuk fris en aanstekelijk en de gitaren dartelen in een gezonde chaos de ganse tijd gretig door.
Meer hebben wij hierover eigenlijk niet te vertellen, alleen dat het ons fantastisch in de oren klinkt.

donderdag 02 februari 2012 01:00

Arctic Monkeys – Ronduit Geweldig

Als doorgewinterde concertganger kunnen wij toch wel stellen dat het ons heel zelden overkomt dat wij onder de indruk zijn van een support act, maar dan zijn er altijd die uitzonderingen die de regel bevestigen, Miles Kane bijvoorbeeld. Hij is trouwens niet de eerste de beste, de jongeman heeft er al een verleden opzitten met zijn bandje The Rascals en hij is uiteraard dikke vriendjes met Alex Turner vanwege hun geweldig avontuurtje in The Last Shadow Puppets. Niet verwonderlijk dus dat Turner zijn buddy meeneemt op tournee.
Nochtans liepen wij niet echt hoog op met Kane’s eerste soloplaat ‘Colour of the trap’ omdat daar evenveel melige nummers als goeie songs op staan. Miles Kane loste dat live eenvoudig op door de zeiknummers gewoon in de diepvries te laten zitten (had hij beter bij het inblikken van zijn plaat ook gedaan) en zijn uiterst rake en puntige set te vullen met vinnige Britpop-songs als “Quicksand”, “Kingcrawler”, “Telepathy”, “Come closer” en een fantastisch “Inhaler”. Ook “Rearrange”, die wij toch maar een zeer matige single vonden, kreeg hier een fameuze adrenaline injectie waardoor het zowaar toch een goede song bleek te zijn.
Een prima opener dus, en het publiek was helemaal opgewarmd voor de superbe hoofdschotel.

Arctic Monkeys lieten er geen gras over groeien en vielen met de deur in huis. De deur van dienst was “Don’t sit down cause I moved your chair”, die formidabele song die het album ‘Suck on this’ voorafging en die hier als startschot fungeerde van een wervelende rit van anderhalf uurtje, een helse treinrit waarin wij amper twee kleine haperingetjes merkten, de wat slappere songs “The hellcat spangled shalalala” en “Suck it and see”, ook al de zwakkere broertjes op het laatste album. Het b-kantje daarentegen van “Suck it and see”, genaamd “Evil twin”, had een stuk meer venijn in zijn botten (wat wil zeggen dat u dat singletje moet kopen en de B kant voor A aanzien).
Verder werden wij het ganse optreden overspoeld met die springerige vinnigheid en heerlijk botsende gitaren van de Monkeys zoals we hen kennen van vooral de eerste twee onovertreffelijke platen ‘Whatever people say I am, that’s what I’m not’ en ‘Favourite worst nightmare’.
Adembenemende kopstoten als “Brainstorm”, “The view from the afternoon”, “I bet you look good on the dancefloor” en “Still take you home” raasden op geniale wijze doorheen de Zénith en gunden niemand een rustpauze. Werkelijk alles wat die gasten speelden was strak, fel en bijzonder gedreven en rockte als een hyperkinetische paling in een met Jack Daniels gevuld bubbelbad. Miles Kane mocht ook nog een tweetal keer komen meedoen en deed het zootje nog wat meer op zijn grondvesten daveren in de halve hardrocker “Little illusion machine” en in de prachtige finale “505”. Amai !

Arctic Monkeys waren laat ons zeggen nogal fel op dreef en zijn wat ons betreft al ver boven de hype uitgegroeid. Dit is op vandaag één van de beste rockgroepen ter wereld, met een frontman Alex Turner die zich meer dan ooit heeft geprofileerd als de drijvende motor van een op volle toeren draaiende machine. Op Rock Werchter zagen we hem nog als de immer coole zanger, die met een teug Britse arrogantie weinig of geen woorden tot zijn publiek richtte. Op vrij korte termijn heeft is hij geëvolueerd tot entertainende rocker (inclusief een heuse vetkuif) die de fans danig oppept en - ook wel heel belangrijk voor een Brit - wiens coolness daarbij  intact is gebleven.
Wij waren de hele avond getuige van een tamelijk uitzinnige menigte die volledig overstag ging voor een bende hitsige, talentrijke en uiterst gedreven jonge haaien. U mag er al de Britse hypes van de afgelopen jaren op nagaan, deze hier is zowat de enige die 200 % terecht is. En blijft !

Organisatie: Agauchedelalune, Lille (ism Radical Production)

donderdag 26 januari 2012 01:00

The Great Escape Artist

Eind jaren tachtig en begin jaren negentig maakte Jane’s Addiction twee essentiële platen ‘Nothing’s shocking’ en ‘Ritual de lo Habitual’ en werden zij al meteen een uiterst invloedrijke en legendarische rockband. De groep kon perfect gedijen in de alternatieve scene en in de grunge, maar was ook niet bang van een gezonde streep hardrock. Dit alles zorgde voor een volstrekt unieke Jane’s Addiction sound. Tot ieders verbazing trokken ze er dan zelf, in volle glorieperiode, al de stekker uit. Het zou 13 jaar duren voor ze een eerste come back aandurfden die in 2003 resulteerde in ‘Strays’, een volgens ons meer dan voortreffelijk album dat helaas gebukt ging onder de onhaalbare cultstatus van zijn 2 voorgangers en zo niet de waardering kreeg die het verdiende.
Nu zijn ze er opnieuw met een plaat die dichter aanleunt, zowel qua sound als qua hoes, bij de twee pronkstukken van destijds. Benieuwd of het nu zal lukken. Aan ons zal het niet liggen want, het moet gezegd, Jane’s Addiction is weer helemaal terug, en dit met een geweldig op dreef zijnde frontman Perry Farrell en een gitarist Dave Navarro die zijn beste niveau haalt. De getrouwe drummer Stephen Perkins is ook weer van de partij en als bassist werd zomaar eventjes multi instrumentalist David Sitek van TV On the radio aan boord gehaald.
Vooral de manier waarop de plaat uit zijn startblokken schiet mag er zijn, de scherpe rockers “Underground” en “End to the lies” getuigen van een Janes’s Addiction in grote doen. De band doet geen verwoede pogingen om anders te klinken, ze laten hun songs sudderen in die typische sound die ze eind jaren tachtig ontworpen hebben. En dat is wat ons betreft alleen maar goed nieuws, want het was al veel te lang geleden dat we dat we dat zinderend rockgeluid nog eens gehoord hadden. Dingen als “Irresistible force” en “Words right out of my mouth” bulken als vanouds van de explosiviteit en “Ultimate Resaon” en “Broken people” klinken soms wat episch en psychedelisch, maar steeds haalt een sterke rockvibe de bovenhand, en dat is wat van ‘The great escape artist’ een ferme en bruisende plaat maakt. Misschien iets properder dan vroeger, maar even intens.
Kort plaatje ook, maar met 10 songs in een hevig rocksausje klinkt het geheel hechter dan ooit.
En nu maar hopen dat daar een Europese tournee van komt.

Pagina 77 van 111