logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

avatar_ab_09
Hooverphonic
Geert Huys

Geert Huys

Geldgebrek, sentiment, de lokroep van het publiek, of gewoon een creatieve heropleving? Het zijn allemaal mogelijk antwoorden op de vraag wat een groep bezielt om 30 jaar na datum hun debuutalbum voor de eerste keer live te spelen. Daar tegenover staat dat je ‘Penthouse And Pavement’, de eerste worp van synthpop pioniers Heaven 17, gerust kan overladen met superlatieven als ‘invloedrijk’ en ‘tijdloos’. Vooraleer ze in 1981 dit opus magnum op de wereld loslieten hadden stichtende leden Ian Craig Marsh en Martyn Ware al een behoorlijk indrukwekkend palmares bij elkaar geprogrammeerd in en rond het kille Sheffield: in het kortstondige Dead Daughters (1977) experimenteerden de twee computernerds met synths en tape loops, in The Human League (1978-1980) kregen ze het gezelschap van modepop Phil Oakey en werd steeds nadrukkelijker richting hitparade gelonkt, en in The British Electric Foundation (B.E.F.) tenslotte werd de synth als lead instrument prominent aanbeden en zou het duo voortaan enkel met gastvocalisten werken. De lage en onderkoelde stem van één van die gastzangers, de voormalige fotograaf Glenn Gregory, bleek echter wonderwel te passen bij de electronische experimenten van Marsh en Ware, en na een nachtje ‘A Clockwork Orange’ kijken werd de groepsnaam Heaven 17 een feit. Drie decennia later maken overgebleven leden Gregory en Ware zich op voor de ‘30th Anniversary Tour: B.E.F. presents Heaven 17 performing Penthouse And Pavement’ die afgelopen donderdag werd afgesloten in de Gentse Handelsbeurs.

Zoals het de rewind formule past werden de nummers tijdens de set in precies dezelfde volgorde gerangschikt als op het originele album. De A-kant van die plaat, ‘Pavement’, laat de eerder speelse en luchtige kant van Heaven 17 horen, maar op de planken van de Ha’ werd de start toch een beetje gemist. De klassieke single “(We Don’t Need This) Fascist Groove Thing” en een lang uitgesponnen “Penthouse And Pavement” klonken wat te vrijblijvend, en bovendien deed de nieuwe zangeres Billie Godfrey veel te hard haar best om de ster van de avond te worden. De echte aanwinst voor de wat kitscherig ogende begeleidingsgroep bleek echter super bassist Randy Hope-Taylor te zijn, die zijn neus voor funky hooks een eerste keer kon demonstreren op “Soul Warfare”. Het eerder makke 40+ publiek stond erbij en keek ernaar, links en rechts misschien wel mijmerend naar de onbezorgde jaren ’80...
Tijdens het tweede deel van de set kropen Gregory en Ware in de huid van B.E.F. anno 1982 en werden drie nummers uit het vergeten coveralbum ‘Music Of Quality And Distinction, Vol. 1’ opgevist. “Wichita Lineman” kaapte hierbij de eer van eerste hoogtepunt van de avond weg, waarbij Gregory’s onaangetaste diepe stem en de panoramische beelden vanop de drie LED walls versmolten tot een wonderbaarlijk geheel van ‘sound & vision’. Nadien mocht Godfrey zich even Tina Turner wanen op een heftig “Ball Of Confusion”, maar het was opnieuw Gregory die zich vervolgens tijdens Lou Reed’s “Perfect Day” ontpopte als een gentlemen crooner en grote vocale indruk maakte. Tussendoor was er ook plaats voor een cynische knipoog naar The Human League toen Gregory enkel begeleid op akoestische gitaar een flard “Don’t You Want Me” inzette, maar halverwege en met een veelzeggende blik het nummer abrupt afbrook.
Na het B.E.F. intermezzo kropen Gregory & co terug in de huid van Heaven 17 om de B-kant van hun debuutplaat, ‘Penthouse’, aan te snijden. De songs op deze plaatkant zijn dreigender en inventiever, en met “Let’s All Make A Bomb” en “The Height Of The Fighting” werden grote wereldthema’s uit die tijd zoals de koude oorlog niet geschuwd. Eigenaardig genoeg klinken deze nummers anno 2010 allesbehalve gedateerd, en dringen hun echo’s zelfs door tot in het repetitiehok van de nieuwste lichting hippe electropop helden als La Roux en Hot Chip. Heaven 17 haalden op hun beurt regelmatig de mosterd bij Kraftwerk, getuige Ware’s onderkoelde synthbeats van onmiskenbare Duitse makelij op “Geisha Boys And Temple Girls”. Met het opzwepende “We’re Going To Live For A Very Long Time” namen de eighties veteranen voor een eerste keer afscheid van de halfvolle Ha’.
De eerste toegiften werden door Gregory aangekondigd als ‘weird stuff’. En ja, onze tenen beginnen te krullen alleen al bij de gedachte dat een Buzzcocks song in handen komt van een electrogroep, maar wat Heaven 17 met “Are Everything” heeft aangevangen kan alleen maar op bewondering rekenen bij ondergetekende. Opnieuw bleek waarom dit B-kantje van de non-album single “I’m Your Money” één van de best bewaarde geheimen uit de Heaven 17 catalogus is en blijft. Het publiek werd vervolgens getrakteerd op een handvol nummers die het trio uit Sheffield met de regelmaat van de klok in Top Of The Pops en andere hitkermissen deed opduiken. Klonken “Come Live With Me” en “Let Me Go” nog even fris van de lever als in 1983, dan was de verschrikkelijke rave update van publiekslieveling “Temptation” met Godfrey alweer in rol van stoorzender een ware aanslag op menige jeugdherinnering. Even vreesden we dat dit een afscheid van Gregory & co in mineur zou worden, maar net op het moment dat de zaallichten dreigden aan te floepen verscheen de groep opnieuw voor een erg gesmaakte remake van “Being Boiled”. De enige noemenswaardige hit van The Human League onder het bewind van Martyn Ware maakte de B.E.F. en Heaven 17 cirkel ineens rond.

Slechts weinig groepen kunnen het zich permitteren om de tournee rond hun debuutalbum 30 jaar uit te stellen, maar Gregory en Ware raken er anno 2010 wonderwel mee weg. De tijdloze pop in kitch decor, Ware’s opgefriste synths en Gregory’s goed geconserveerde strot zaten daar ongetwijfeld voor veel tussen. En ja, een gezonde portie jeugdsentiment helpt natuurlijk altijd om een reunie concert als dit te catalogeren onder de noemer ‘aangename live herinneringen’.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

“The Horrors are playing hard to get”... het zou voor de Democrazy een passende promoslogan geweest zijn om dit hip Londens vijftal na twee keer uitstel dan uiteindelijk toch op het podium van de Minnemeers te krijgen. Een bende jonge honden die het in nauwelijks een aantal maanden voor elkaar krijgt om als voorprogramma te worden uitgenodigd door mega-acts als Muse en Depeche Mode kiest uiteraard voor de iets grotere (?!) muziektempels zoals de Royal Albert Hall; de vraag is alleen of hun nieuwe muzikale handelsmerk, een zwartgallige mix van postpunk, shoegaze en psychedelische garagerock, kan aanslaan bij het ‘grote publiek’. Maar eerlijk, who cares? The Horrors leverden afgelopen jaar met ‘Primary Colours’ een indrukwekkende opvolger af voor hun fel gehypte debuut ‘Strange House’ (’07), en belandden daarmee steevast in de bovenste regionen van diverse eindejaarslijstjes. Ondanks het uitblijven van commercieel succes en radiohits leverde dit album hen alvast wel een hondstrouwe aanhang op aan beide kanten van het kanaal, en ook de Minnemeers was afgelopen zondagavond aardig volgelopen met jongeren-van-alle-leeftijden die zich doorgaans een zwarte dresscode hadden aangemeten.

Op de tonen van een elektronische klankenbrij en gecamoufleerd door een zorgvuldig opgetrokken rookgordijn verschenen de vijf Horrors op het podium in een, jawel, zwarte outfit. Opener “Mirror’s Image” bleek een uitstekende keuze om meteen de juiste sfeer op te bouwen; de atmosferische synths van Spider Webb, de stuwende baslijntjes van Tomethy Furse, de holle drumpartijen van Coffin Joe en de breed uitwaaierende gitaar van Joshua Von Grimm vormen de basisingrediënten van de Horrors sound die op dit openingsnummer uit ‘Primary Colours’ laagje per laagje in een lekker smerige geluidsmix werden gegooid. Een kil geluid dat onmiskenbaar naar de 80ies verwijst, hetgeen nog wordt versterkt doordat de groep in de persoon van Faris Badwan een bezielde frontman in de rangen heeft wiens stemgeluid het midden houdt tussen Julian Cope, Brett Anderson en de onvermijdelijke Ian Curtis.
Tijdens het uptempo “Three Decades” kwam de groep echt op kruissnelheid en kon de manische Badwan voor het eerst zijn duivels ontbinden, gevolgd door het inmiddels klassieke “Who Can Say” en het rauwe aan Black Rebel Motorcycle Club schatplichtige “I Can’t Control Myself”. Eigenaardig genoeg bleek de enige echte adempauze in de set, “I Only Think Of You”, het onbetwistbare hoogtepunt van de avond. De pastorale pracht van deze lang uitgesponnen oefening in monotonie deed onvermijdelijk denken aan Joy Division’s “Atmosphere”, waarbij de cirkel tussen heden en verleden ineens gesloten leek. De kille sound straalde ook af op het podium: de bandleden wisselden nauwelijks een blik, en behalve de verschoning “It’s good to be here, finally” onthield Badwan zich dan ook van elke interactie met het publiek. Het lijkt allemaal mooi te passen in het imago van een groep die zo authentiek mogelijk wil zijn op en naast het podium.
In de korte bisronde werd met een handvol nummers terug gegrepen naar het manische Horrors debuut waarbij Von Grimm’s gitaardecibels duidelijk de bovenhand haalden op Spider Webb’s spaarzame keyboards. Het bleek een verstandige keuze in de setlist, want de psychotische garagerock van de begindagen lijkt mijlenver verwijderd van de doomerige gothic waar de groep tegenwoordig voor staat.

Mogelijks tot spijt van de fans van het eerste uur bewees deze Londense band in amper 75 minuten dat hun gedurfde muzikale metamorfose ook live meer dan geslaagd is. Wie als 80ies adept zijn gitaren en keyboards graag een pak scherper en smeriger opgediend krijgt dan deze van generatiegenoten White Lies of The Big Pink kan dus zondermeer aankloppen bij The Horrors.

Organisatie: Democrazy, Gent

Canadezen, het zijn best wel eigenzinnige jongens in het muzikale landschap van de jongste decennia. In het rijtje waar ook meestertroubadour Neil Young en meesterproducer Daniel Lanois thuishoren kan The Tragically Hip uiteraard niet ontbreken: een eigen geluid door velen gekopieerd doch nooit echt geëvenaard, het hardnekkig vastklampen aan artistieke integriteit los van commerciële belangen, en bovenal een dijk van een live reputatie. In de vroege 90ies maakte dit sympathieke vijftal zijn groepsnaam zelfs heel even helemaal waar toen ze na de release van het album ‘Fully Completely’ (’93) eensklaps tot één van de grote beloften van de arenarock werden gebombardeerd. De geschiedenis heeft ons intussen geleerd dat het (gelukkig) niet zo’n vaart is gelopen. The Tragically Hip liet in de 90ies wel nog tal van andere klassieke albums los op een hondstrouw legioen liefhebbers van pure rootsrock, maar de eerlijkheid gebiedt ons om de relevantie van Hip’s jongste platen toch te betwijfelen. Over een avondje uit met deze oerdegelijke Canadese rockers moeten we echter geen twee keer nadenken. Afgelopen zondag hield de ‘We Are The Same’ tour halt in de Brusselse AB ter promotie van Hip’s gelijknamige en inmiddels 12de studioalbum. Getuige de grijzende kopjes en versleten Hip shirts, een beleving waar menig dertiger en veertiger met een boontje voor doorleefde rootsrock zat naar uit te kijken...

The Tragically Hip live betekent eigenlijk zoveel als Gordon Downie & band. De manische frontman zoog zoals steeds alle publieksaandacht moeiteloos naar zich toe met zijn onnavolgbare mimiek, een occasioneel schaduwgevecht met de microfoonstandaard en, als rode draad van de avond, zijn talloze visuele kunstjes met een dozijn witte zakdoeken die hij één voor één vanuit de coulissen toegeworpen kreeg. En toch, ondanks Downie’s unieke performance en zijn prima musicerende maats liet de groep gedurende het eerste concertkwartier niet echt een bevlogen indruk. Er werd nochtans sterk geopend met “New Orleans Is Sinking” uit Hip’s debuutalbum ‘Up To Here’ (‘89). De ironie van de recente geschiedenis wil dat dit nummer een tijdlang werd geweerd door verschillende Amerikaanse radiostations na de doortocht van orkaan Katrina in 2005, maar op Europese bodem nooit echt uit Hip’s setlist is verdwenen. Het langdradige “The Depression Suite” en het routineus afgehaspelde “Fireworks” klonken vervolgens toch wat te gewoontjes om van een geslaagde start te spreken, en het duurde tot “Courage (For Hugh MacLennan)” en “Fully Completely” vooraleer de groep echt op kruissnelheid kwam. Spijtig genoeg kon de groep dit momentum niet vasthouden door een foute songkeuze waarbij klassieke oudjes te snel werden afgewisseld met mindere nieuwe nummers. Meteen werd duidelijk waarom het eerder dit jaar verschenen ‘We Are The Same’ als één van de minst memorabele albums uit de Hip catalogus wordt beschouwd. De groep lijkt tegenwoordig te hard zijn best te doen om andere muzikale wegen te verkennen, maar verliest daardoor een stuk identiteit. Het country niemendalletje “Morning Moon” hoort eerder thuis op een vroege Eagles plaat, en met “Coffee Girl” komt de groep zowaar gevaarlijk dicht in de buurt van een afgeborstelde hitparadesong. Nee, dan liever rauwere vintage Tragically Hip nummers als “Poets” en “Love Is A First” die de eerste set afsloten.
Zoals vooraf aangekondigd deelden Downie & co hun optreden op in twee sets van elk tien nummers. Bij aanvang van de tweede set verschenen onze Canadese vrienden op het podium enkel vergezeld van akoestische instrumenten. Het leverde een mooi kampvuurmoment op met naast “Thompson Girl” en “The Last Recluse” een doorleefde versie van “Fiddler’s Green”, het enige rustpunt op onze all-time favourite Hip plaat ‘Road Apples’ (’91). De groep plugde vervolgens de elektrische gitaren in voor een overrompelend “Gift Shop” dat eindigde in ware Crazy Horse stijl. Na ruim een kwarteeuw lijkt niet de minste sleet te zitten op de gitaartandem Bobby Baker en Paul Langlois, en ook Gord Sinclair (bas) and Johnny Fay (drums) geven menige ritmesectie vandaag nog steeds het nakijken. In de tweede set stak overigens nauwelijks een nieuw nummer, waardoor de groep heel wat beter uit de verf kwam dan tijdens de eerder matige eerste set.
Vele van Downie’s teksten mogen dan al doortrokken zijn van dramatiek en melancholie, toch is de begenadigde songschrijver niet te beroerd om als eerste sommige van zijn schrijfsels te relativeren. Volgens de boomlange Canadees had “Ahead By A Century” bij nader inzien (bijna 15 jaar na datum) immers beter “Behind By A Century” kunnen heten. Het publiek reageerde laconiek en genoot met volle teugen van deze zeldzame radiohit uit Hip’s repertoire, alsook van doorleefde versies van “Springtime In Vienna”, “Bobcaygeon” en “Nautical Disaster”. De tweede set werd afgesloten met het enthousiaste “My Music At Work” dat moeiteloos alle handen de lucht in kreeg. Downie slaagde er in om de microfoon tot bijna in het midden van de zaal door te geven, tot groot jolijt van heel wat plaatselijke zangtalenten die in verschillende toonhoogten en Amerikaans/Engelse accenten de titel van het nummer eindeloos meebrulden. De volksmenner in Downie was duidelijk in zijn opzet geslaagd en kon met een welgemeend “Thank you music lovers!” meer dan tevreden de gordijnen induiken.
Een korte bisronde werd op gang getrapt door “Family Band”, al dan niet een verdoken verwijzing naar het feit dat The Tragically Hip sinds 1983 nog steeds bestaat uit dezelfde vijf jeugdvrienden. Een begeesterend “Grace, Too”, het openingsnummer uit ‘Day For Night’ (’95), sloot met verve een ruim twee uur durend concert af en stuurde ons uiteindelijk toch met een voldaan gevoel huiswaarts.

Achteraf gezien bleek het opnemen van nieuwe nummers in de setlist zowel een verdienste als een vloek voor de groep. Fans van het recente afgelikte werk (ja, ze blijken te bestaan!) werden niet ontgoocheld, terwijl de eerste generatie Hip adepten vooral in het tweede concertdeel de vertrouwde vonken van het podium zagen spatten. The Tragically Hip blijft na drie decennia ontegensprekelijk één van Canada’s belangrijkste muzikale exportproducten, doch hopelijk evolueert hun marktaandeel niet tot Billboard’s eenheidsworst…

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

In 1987 werd het fanlegioen van The Smiths abrupt verscheurd in twee kampen. In het ene kamp de fans van het eerste uur, die de creatieve spil Morrissey (aka The Moz) en Johnny Marr op dezelfde eenzame hoogte als Lennon & McCartney de hemel in prijzen, maar Morrissey als solo performer maar een verschrikkelijke zage-vent vinden. In het andere kamp de ware Moz adepten, die in hun platenkast naast oude Smiths albums evengoed ‘Viva Hate’, ‘Your Arsenal’ of ‘Vauxhall And I’ hebben staan. Voor die laatste groep fans leek 2009 heel even het jaar van de ultieme vervloeking te worden: een groot deel van Morrissey’s voorjaarstour werd geschrapt wegens ziekte, en toen de Moz dit najaar dan eindelijk terug op het podium verscheen was het plezier wel van heel erg korte duur toen de prille vijftiger twee weken terug in het Engelse Swindon al tijdens het eerste nummer zijn band in ijl tempo moest inruilen voor een medisch interventieteam. Afgelopen dinsdag klaarde de hemel dan eindelijk toch op boven Rijsel waar een herrezen Morrissey en zijn bijzonder gretig musicerende begeleidingsgroep neerstreken ter gelegenheid van de ‘Swords Tour’.

Ondanks zijn recente medische geschiedenis was Morrissey duidelijk niet afgezakt naar de tot de nok gevulde l’Aéronef voor een gezondheidswandeling. Want geef toe, wie opent met een bijzonder snedige versie van de Smiths evergreen “This Charming Man” krijgt probleemloos iedereen op zijn hand en kan rustig freewheelend nummers uit het jongste album ‘Years Of Refusal’ tussen dergelijke klassieke oudjes smokkelen. Morrissey & co trekken op dat album overigens ongemeen stevig van leer, en ook op het podium werden nummers als “Black Cloud” en de Calexico pastiche “When I Last Spoke To Carol” als potige rockers het publiek ingeslingerd. Maar even goed deed Moz zijn vermeende homosexualiteit alle eer aan en ontpopte hij zich tot een gentlemen crooner op de knappe single “I’m Throwing My Arms Around Paris” en het in vitriool gedrenkte “One Day Goodbeye Will Be Farewell”. Onze favoriete Mancunian bleek overigens opvallend goed geluimd, schudde regelmatig handjes met het publiek en nam dankbaar geschenkjes aan. Het stond allemaal wat in contrast met de ongeziene restricties waaraan elke concertganger zich diende te onderwerpen op expliciete vraag van Morrissey’s management: iedereen werd grondig gefouilleerd, en al wie ook maar aanstalten maakte om met zijn mobieltje een kiekje te nemen werd beleefd op andere gedachten gebracht door de talrijk aanwezige security. De onverlaten die dit laatste toch aan hun laars lapten werden in geen tijd bij de kraag gevat en niet altijd even discreet de zaal uitgezet.
Wie het enkel op de muziek had begrepen kreeg intussen een eigenzinnige ‘best of’ selectie voorgeschoteld. Uit het geslaagde come-back album ‘You Are The Quarry’ (’04) werden “First Of The Gang To Die” en “Irish Blood, English Heart” opgevist, en voor de fans van het eerste uur werd ook een blik Morrissey/Marr composities open getrokken. “Cemetry Gates”, een vergeten pareltje uit het onvolprezen ‘The Queen Is Dead’ (’86) werd op Moziaanse wijze opgedragen aan “people from the city with nothing to do, much like you really”. Nog meer zelfrelativering bij het nog steeds bijzonder catchy “Ask”, waar Morrissey de enthousiaste reacties van het publiek fijntjes counterde met “You see, the oldest songs are the worst”. Maar het prijsbeest van de avond bleek zonder twijfel en tot niemands verbazing toch weer “How Soon Is Now?”. In de persoon van Boz Boorer en Jesse Tobias waren er weliswaar twee gitaristen nodig om Johnny Marr even te doen vergeten, maar het was vooral The Moz zelf die met het nodige gevoel voor pathos deze 80ies classic deed herleven.

Met een vers hemd om het lijf opende Morrissey de bisronde met een verbeten “Something Is Squeezing My Skull”, en net toen het publiek al een volgend verzoeknummer in gedachten had nam hij droogjes afscheid met “Thank you Lille, and of course, thank me!”. De fans keken elkaar dan ook met blikken vol ongeloof aan toen de zaallichten luttele seconden later daadwerkelijk aanfloepten. Misschien moest The Moz zijn set wel beperken tot 75 minuten op doktersadvies? Hoe dan ook, de muzikale verrijzenis van Morrissey is een feit, al had de trip naar the light that never goes out beslist wat langer mogen duren.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Agauchedelaune, Lille

“Tijd heelt alle wonden” ... het zou het levensmotto van Wilco opperhoofd Jeff Tweedy kunnen zijn. Tweedy’s getormenteerde levensverhalen ten tijde van het opus magnum ‘Yankee Hotel Foxtrot’ (’02) maakten op daaropvolgende platen beetje bij beetje plaats voor gemoedsrust en sereniteit, en op het recentste Wilco album is er zelfs sprake van humor en speelplezier. Of hoe anders moeten we de titel van hun jongste worp, ‘Wilco (The Album)’, en het openingsnummer “Wilco (The Song)” interpreteren? Tweedy heeft zijn persoonlijke demonen vertaald in muzikaal vakmanschap, en bewijst met de George Harrison pastiche “You Never Know” en het verstilde duet “You And I” met de Canadese Feist dat Wilco eigenlijk veel meer is dan de alt.country groep waarvoor ze wel eens wordt versleten. Op de bloedhete openingsdag van Pukkelpop kregen we reeds een voorsmaakje van de nieuwe tour, maar dat Wilco een groep is die je bovenal in zaal moet zien bewezen ze afgelopen vrijdag opnieuw in een tot de nok gevulde AB.

Sinds een paar jaar kent Wilco een vaste bezetting die live schijnbaar moeiteloos overschakelt van feelgood pop naar intieme americana, en van akoestische eenvoud naar gedoseerd experiment. Zo ging “Bull Black Nova”, wat ons betreft het manische hoogtepunt van Wilco’s jongste schijf, naadloos over in het overstuurde en aritmische “I Am Trying To Break Your Heart”. Dit fabuleuze openingsnummer uit ‘Yankee Hotel Foxtrot’ botste brutaal op een wall of noise waarbij gitarist Nels Cline zich heel even extra groepslid van Sonic Youth mocht wanen. De voormalige gitarist van The Geraldine Fibbers kreeg ook in andere nummers een ruime vrijgeleide; rond “Handshake Drugs” werd door Cline vakkundig een sonische geluidsmuur opgetrokken, en tijdens “Impossible Germany” werkte deze Josh Homme lookalike langzaam maar zeker naar een solo climax toe die eindigde in een ware gitaarelektrocutie.
Maar geen nood voor de verstilde americana fans, zowel tempo als decibels werden meermaals naar beneden gehaald door Tweedy & co. Tijdens de intro van het nieuwe “One Wing” kon je werkelijk een speld horen vallen, en “Reservations” zou niet misstaan op de ultieme herfstsoundtrack. Heel zelden werden echte oudjes uit de Wilco catalogus opgevist zoals het luchtige “Misunderstood” uit doorbraakplaat ‘Being There’ (’96). De eerder introverte Tweedy ontdooide langzaam maar zeker naarmate het optreden vorderde en probeerde, zij het wat onhandig, contact te zoeken met een aantal drinkebroers op de eerste rijen. De frontman beseft echter maar al te goed dat hij geen groot volksmenner is en dat Wilco’s grootste podiumkwaliteiten te vinden zijn in de muzikale interacties tussen de groepsleden die stuk voor stuk klassemuzikanten zijn. Ze bewezen dit nog eens met verve tijdens “Spiders (Kidsmoke)”, net zoals op ‘A Ghost Is Born’ (’04) goed voor een ruim tien minuten durende spanningsboog die het eerste deel van de set met grandeur afsloot.
Het hoogtepunt van de avond moest dan eigenlijk nog komen. Tijdens het eerste bisnummer nodigde Tweedy het publiek uit om het breekbare “Jesus, etc” mee te lippen, en tot diens eigen grote verbazing bleek een groot deel van de zaal de tekst van begin tot einde te kennen als betrof het een ‘onze vader’. Zichtbaar tevreden en voldaan gooide de groep er nog een handvol songs bovenop zoals het hippe “Heavy Metal Drummer”, en met “Hate It Here” en “Walken” werden ook twee blijvertjes uit het ‘Sky Blue Sky’ album geserveerd.

Met een stevig “I’m The One Who Loves You” besloot een gelouterde Tweedy een alweer memorabele doortocht van Wilco op Belgische bodem. Wedden dat, wanneer binnenkort albumlijstjes van het voorbije muzikale decennium her en der worden samengesteld, onze Amerikaanse vrienden tot één van de meest toonaangevende en productieve bands zullen worden gerekend?

Organisatie: Live Nation

1985… het jaar dat de BRT top 30 werd gedomineerd door Baltimora’s, Sandra’s, A-Ha’s en andere lichtverteerbare hitparadepulp. Liefhebbers van postpunk en gothrock hadden duidelijk weinig te zoeken in deze lijst, totdat plots in maart van dat jaar “She Sells Sanctuary” van The Cult even kwam ruiken aan de onderste regionen van de vaderlandse hitlijst. Deze killertrack met één van de meest mystieke gitaarintro’s uit de 80ies moest de aandacht vestigen op ‘Love’, het tweede en waarschijnlijk ook beste album van deze Engelse groep. Dankzij de unieke combinatie van Ian Astbury’s gekwelde vocals en Billy Duffy’s gotische gitaarlijntjes blijkt ‘Love’ een kwarteeuw later te zijn uitgegroeid tot één van de absolute klassiekers in het genre. Aan de vooravond van de 25ste verjaardag werd het album onlangs heruitgebracht in een geremasterde versie met allerlei extraatjes, en besloten de twee overgebleven originele leden Astbury en Duffy opnieuw de boer op te gaan met de integrale collectie ‘Love’ songs onder de arm. Het Belgische luik van de ‘Love Live’ tour bracht The Cult amper anderhalf jaar na hun vorige passage opnieuw naar de AB voor een niet van enig sentiment gespeende flashback naar 1985.

Lang geleden trouwens dat ik in een concertzaal nog eens werd geflankeerd door muffige T-shirts van Zodiac Mindwarp & The Love Reaction en Fields Of The Nephilim ... dat waren nog eens groepsnamen! Op de tonen van voodoo gezang en onder de troosteloze aanblik van een indiaan op het projectiescherm zette de vijfkoppige band het opzwepende “Nirvana” in. Meteen werd duidelijk dat Ian Astbury’s huilende strot bijzonder goed geolied bleek om dit openingsnummer uit ‘Love’ van de nodige dramatiek te voorzien. Een groot redenaar zal Astbury wel nooit worden, en als alternatief voor overbodige bindteksten verkoos de groep om elk nummer van passende visuals te voorzien. Zo kreeg het publiek een staaltje van Astbury’s uitgesproken fascinatie voor de indianencultuur tijdens één van de zeldzame rustpunten “Brother Wolf, Sister Moon”, en werd een reeks geweldloze wereldverbeteraars opgevoerd in het begeleidende filmpje van een begeesterend “Revolution”. Pathetisch of idealistisch, wat er ook van zij, de symbiose tussen muziek en beeld gaf het optreden wel een extra dimensie. Gitarist Billy Duffy van zijn kant kneep met schijnbaar achteloos gemak de meest loepzuivere akkoorden uit zijn parelwitte Gibson. Tijdens de intro van “The Big Neon Glitter” demonstreerde de blonde virtuoos dat hij eigenlijk niets hoeft te vrezen van The Edge in een robbertje echogitaar, en ontegensprekelijk de muzikale bezieler van The Cult is. De immer coole Duffy had tijdens de intro’s van “Rain” en “She Sells Sanctuary” al aan een halve noot genoeg om de AB keer op keer nabij het kookpunt te brengen, en hij genoot zichtbaar van de kunsten die de talrijke luchtgitaarvirtuozen in het publiek uithaalden tijdens deze gothrock classics. Met een kippevel versie van het profetische “Black Angel” werd het ‘Love’ album en meteen ook het eerste deel van de set besloten.
Na een korte pauze graaiden Astbury en Duffy vervolgens gretig uit de albums die na ‘Love’ The Cult langzaam maar zeker een mainstream publiek opleverden. Reeds vanaf de opvolger ‘Electric’ (’87) hadden de gothic invloeden plaats geruimd voor de rechttoe rechtaan party rock van AC/DC, maar ook na ruim twee decennia klinken “Electric Ocean” en vooral “Wild Flower” nog steeds onweerstaanbaar en werd hier en daar opnieuw de luchtgitaar boven gehaald. De hardste noten kreeg het publiek helemaal op het eind te kraken met het epische “Sun King” en vooral een ongemeen stevig “Rise” uit de onwaarschijnlijke comeback plaat ‘Beyond Good And Evil’ (’01). Met “Dirty Little Rockstar” probeerde The Cult twee jaar geleden zichzelf opnieuw uit te vinden maar mislukten daarin jammerlijk, en het nummer was meteen goed voor de enige valse noot van de avond.

Na ruim anderhalf uur werden de dolle dertigers en veertigers voor het huiswaarts keren nog getrakteerd op een rondje “Love Removal Machine”. En of ze tevreden naar vrouwlief, minnares, moeder, hond of PC konden terugkeren; het zal hen en ons immers worst wezen dat Astbury en Duffy wellicht nooit meer een tweede ‘Love’ op de wereld zullen loslaten. The Cult was vanavond een goed geoliede teletijdmachine waarin meer nog dan sentiment het gevoel van tijdloosheid overheerste.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Wie of wat was er eerst: de kip of het ei, God of de mens, Chris Goss of stonerrock? Als bezieler en enige constante factor van Masters Of Reality wordt zanger, gitarist en meesterproducer Goss tegen wil en dank opgevoerd als één van de founding fathers van de zogenaamde woestijnrock, terwijl zijn muzikale smaak heel wat verder reikt dan slepende gitaarrifs, diepe bassen en logge drums. Zo blijkt de inmiddels 50-jarige Amerikaan immers een fervente aanhanger van Cream’s psychedelische powerblues, heeft hij zijn bewondering voor The Beatles (met name John Lennon) nooit onder stoelen of banken gestoken, en is hij dikke maatjes met UNKLE brein James Lavelle met wie hij in 2007 het onbegrepen post-triphop meesterwerk ‘War Stories’ opnam. Masters of Reality is ontegensprekelijk het prototype cult band: ze worden op de voet gevolgd door een hondstrouwe aanhang, produceren tijdloze albums die verder voor geen meter verkopen en kunnen dus op weinig tot geen radio airplay rekenen. Op twee decennia tijd heeft de figuur van Chris Goss lichtjes mytische proporties aangenomen, een gevoel dat enkel maar wordt versterkt doordat het aantal optredens van Masters Of Reality op Belgische bodem gemakkelijk op één hand te tellen is. Het moet intussen van die ijskoude decemberdag in 2001 geleden zijn dat we Masters Of Reality nog eens aan het werk zagen in de inkomhal van het Gentse S.M.A.K.. Ter gelegenheid van de release van het zesde Masters Of Reality studioalbum ‘Pine/Cross Dover’ verkoos Goss ook deze keer Gent als locatie voor hun enige Belgische optreden wat De Vooruit afgelopen zondagavond aardig deed vollopen.

Het late night concert werd ruim na 23u op gang getrapt met “Absinthe Jim And Me” en “Dreamtime Stomp”, twee uitstekende nummers uit het jongste album die boven alles een onheilspellende en psychedelische sfeer uitademen. Het publiek bleef aanvankelijk wat onberoerd bij dit nieuwe materiaal en leek vooral onder de indruk van de imposante verschijning van Goss. Pas toen “The Blue Garden” brutaal werd ingezet kon het feest der herkenning echt beginnen. Dit nummer uit het inmiddels niet meer in de reguliere handel te verkrijgen Masters Of Reality debuut (’88) kan met zijn bombastische openingsrif en vocal harmonies gemakkelijk doorgaan voor de missing link tussen Black Sabbath en The Beatles, en prijkt als publiekslieveling al sinds jaar en dag op de live setlist van de groep. Goss bleef hierna de evergreens uit de Masters Of Reality catalogus kwistig in het rond strooien: het repetitieve “Deep In The Hole” kreeg een symfonische intro aangemeten, het tekstuele niemendalletje “V.H.V.” werd verheven tot een slepende bluesstandaard en “Third Man On The Moon” is nog steeds het beste nummer dat Led Zeppelin vergat te maken.
De innemende Goss leek zijn rol van retrorock peetvader overigens vrij ernstig te nemen. Hij zocht slechts met mondjesmaat contact met het publiek en liet vooral tijdens de meer complexe nummers uit ‘Pine/Cross Dover,’ zoals het psychedelische dub experiment “Worm In The Silk”, een heel geconcentreerde indruk. Vanwege hun laag instant classic gehalte haalden deze nieuwe nummers wat de vaart uit het optreden, maar fraaie versies van de oudjes “Doraldina’s Prophecies” en “Rabbit One” maakten dat de aandacht echter nooit lang verslapte. Midden in de set ging Goss zelfs helemaal op de rem staan tijdens een akoestisch intermezzo. Hierbij werd hij enkel begeleid door soulmate en drummer John Leamy, die voor de gelegenheid overschakelde op keyboards, en beide heren dwongen het publiek zonder veel moeite tot een bijna ijzige stilte. Met breekbare vertolkingen van “Lover’s Sky” en vooral “Hey Diana” kregen de verstokte Masters Of Reality adepten eindelijk ook eens een nummer te horen uit de minder bekende albums ‘Welcome To The Western Lodge’ (‘99) en ‘Give Us Barabas’ (’04).
De finale van de avond werd ingezet met “High Noon Amsterdam”, dat ook zonder het vocale gezelschap van de melancholische opperbrombeer Mark Lanegan moeiteloos overeind bleef. Goss kreeg vervolgens een akoestische 12-string in zijn magische handen gestopt, verloor zichzelf heel even in wat percussie gestoei met zijn maats, maar zette net op tijd de beginakkoorden in van “John Brown”. Indien er één nummer uit de Masters Of Reality catalogus als dronkemanslied kan worden bestempeld dan is dit het wel, en ook het publiek had dit begrepen en scandeerde vrolijk mee met Goss: “Holiday, holiday, I declare a holiday, no matter what the doctors say”.

Na een korte break verscheen de groep opnieuw voor één enkel bisnummer, maar wat voor één! Het retestrakke “She’s Got Me (When She’s Got Her Dress On)” werd ingeleid door een opzwepende jamsessie, en voor het eerst op de avond ontpopte de anders zo serene Goss zich warempel als volleerd publieksmenner. Het bleek een waardig slotakkoord van een ruim twee uur durende retrotrip waar moddervette blues, psychedelica, vintage Beatles en hardrock hand in hand gingen ... de stonerrock ver voorbij dus!

Het publiek werd eerder op de avond opgewarmd door een uitgelezen selectie local celebraties. Tussen de optredens door graaiden de als het DJ duo Janssen & Janssen vermomde Dewaele broertjes gretig in de stoffige platenbakken van papa Zaki. Het leverde een geslaagde trip down memory lane op die spijtig genoeg werd ontsierd door een overdosis aan decibels.

Diezelfde decibels waren er ook in overvloed tijdens de set van Drums Are For Parades, een Gents trio dat door Chris Goss wordt bestempeld als zijn favoriete Belgische band van het moment en dus maar wat graag in diens voorprogramma wou opduiken. De drie heren met baarden beschikken over een monsterachtige sound die op een goeie dag zelfs de Lange Wapper brug tot schroot kan herleiden, en daar ligt precies ook de zwakte van dit gezelschap. Vervaarlijk ogend en snoeihard, dat wel, maar achter hun granieten muur van stonerrock met verankeringen in noise en crossover schuilen momenteel te weinig beklijvende songs om behalve wat pijnlijke oorsuizingen echt indruk te kunnen maken op onze trommelvliezen.

Organisatie: Democrazy, Gent


vrijdag 28 augustus 2009 03:00

Pukkelpop 2009 in de ogen van …

Pukkelpop 2009 in de ogen van …

Samen met het Dour festival moet Pukkelpop zowat de hoogmis vormen van de alternatieve muziekscene op de Belgische zomerfestivalkalender. Tijdens een driedaagse marathon geven bijna 200 groepen en artiesten ter hoogte van het onooglijk kleine stukje Limburg genaamd Kiewit acte de présence op acht verschillende podia: zappen van noise naar beats, van hard naar zacht, van het mega gevoel van de Main Stage naar de intimiteit van de Chateau. Een goed voorbereid man is er dus twee waard, timing is of the essence wil je voldoende waar voor je geld. Ziehier de hoogst onbetrouwbare neerslag van mijn muzikaal parcours op Pukkelpop 2009...

Dag 1, 20 augustus 2009

Vrij onverwacht begon onze muzikale rondreis met een valse noot van formaat in de bloedhete Shelter. De emocore van het Amerikaanse RIVAL SCHOOLS (**) wist acht jaar na hun triomfantelijke doortocht op Pukkelpop nu nog nauwelijks te boeien, en dit ondanks een uitgelezen selectie uit hun klassieke debuut ‘United by Fate’. Klassenummers als “High Acetate”, “Undercovers on” en “Used for Glue” werden door de weinig geïnspireerde frontman Walter Schreifels en zijn bijwijlen erg slordig musicerende band gewoon met te weinig pit en te routineus de tent ingestuurd. Omwille van hun status als één van de pioniers in het genre blijft de groep bij vele fans echter respect genieten, het wordt dus uitkijken naar het langverwachte tweede album, en vooral, de verhoopte herkansing in het Belgische clubcircuit.

Toegegeven, de loden hitte zat er zeker voor iets tussen toen we de schaduw van de immer donkere Chateau opzochten voor de set van SOAP & SKIN (****). We blijven de Limburgse middagzon echter eeuwig dankbaar, want zonder haar hadden we bijna één van dé ontdekkingen van Pukkelpop 2009 gemist! Achter dit éénmansproject gaat de frêle Oostenrijkse fee Anja Plaschg schuil die onlangs debuteerde met ‘Lovetune for Vacuum’. Vanachter haar zwarte grand piano declameerde dit 19-jarige natuurtalent een resem gitzwarte songs doorweven van tristesse, verder enkel begeleid door onheilspellende samples.  Hoogtepunten in overvloed, maar als we toch moeten kiezen: het autobiografische “Spiracle”.

Na de massale opkomst voor de (on)begrijpelijk populaire Dizzee ‘Bonkers’ Rascal had het overwegend jonge festivalvolkje weinig boodschap aan de knappe americana van WILCO (****) in de Marquee. Al hebben Jeff Tweedy & co met ‘Wilco (The Album)’ net een relatief poppy album afgeleverd, live trok de groep echter ongemeen stevig van leer. Naast de ongeschoren Tweedy blijkt vooral gitarist Nels Cline de absolute sterkhouder van de groep, zoals hij overvloedig bewees tijdens een heftig “Impossible Germany”. Als dit slechts een voorproefje was van wat de heren in petto hebben voor hun najaarstour zou ik wel weten wat gedaan op 6 november ter hoogte van de AB...

Na de naar verluid zeer makke vertoning van Razorlight deden DEFTONES (****) wat van hen verwacht werd: de lont aan het vuur steken en voor de eerste keer de Main Stage laten ontploffen. Het was al meteen goed raak met de furieuze opener “Feiticeira”, meteen gevolgd door publiekslieveling “My Own Summer (Shove it)”. De scherp ogende frontman Chino Moreno ging vervolgens ook even persoonlijk zijn fans begroeten, en weg waren we voor een memorabele set emometal van de bovenste plank. Moreno fluisterde, brulde en krijste zich een weg door de setlist, met als ultieme afsluiter het claustrofobische “Change (In the House of Flies)”.

Onder een onbehaaglijk ogende gitzwarte hemel dreven de (on)weer(s)goden ons vervolgens naar de Club alwaar het New Yorkse kwartet GRIZZLY BEAR (***) kwam bewijzen waarom er zoveel fuzz wordt gemaakt rond hun jongste worp ‘Veckatimest’. Hun barokke en bijzonder ingenieus in elkaar geknutselde meerstemmige huiskamerpop werd fel gesmaakt terwijl het buiten oude wijven regende. Net als op plaat behoorden “Cheerleader” en de instant classic “Two Weeks” tot de absolute hoogtepunten. Het lijkt wat vroeg op het jaar, maar noteer ‘Veckatimest’ alvast ergens in de bovenste regionen van jullie persoonlijke albumlijstjes.

De tijd dat THE OFFSPRING (**) zich even de hipste punkrockers op deze planeet waanden ligt intussen ruim 15 jaar achter ons, maar toch konden ze Chokri & co overhalen om voor hen een plaats op de Main Stage warm te houden. De overigens pretentieloze muzikale formule van frontman Dexter Holland, gitarist Noodles en hun kornuiten is al jaren ongewijzigd maar lijkt wonderwel ook de nieuwe generatie festivalgangers aan te spreken. En de fans van het eerste uur, ach, die waren al gauw tevreden toen ze helemaal vooraan de set met “Come Out and Play” en “Bad Habit” twee klassieke meezingers uit de millionseller ‘Smash’ kregen voorgeschoteld.

Op Guns ‘n’ Roses na (headliner in 2002) was er nog nooit zoveel te doen rond de komst van een groep op Pukkelpop als de Surprise Act die donderdag na Wilco in de Marquee zou aantreden. De eerste geruchten bleken bewaarheid te zijn toen de leden van THEM CROOKED VULTURES (****) op het podium verschenen, oftewel de nieuwste supergroep in het alternatieve rocklandschap bestaande uit Josh Homme (Queens Of The Stone Age), Dave Grohl (Foo Fighters) en John Paul Jones (Led Zeppelin). Van een primeur gesproken: de één uur durende set op Pukkelpop was immers pas het derde officiële optreden sinds het oprichten van de groep, en bestond bovendien uit uitsluitend nieuwe nummers die nog geen hond ooit had gehoord. Maar ook zonder een feest der herkenning wisten de Stone Age Zeppelin Fighters (zoals ze inmiddels op diverse blogs worden omschreven) te imponeren met hun monumentale sound die naast de onvermijdelijke vergelijkingen met Queens Of The Stone Age en Led Zeppelin ook de geest van Cream, Mountain, Cactus en Masters of Reality ademde. Voor de afwezigen blijft het wonden likken en nagelbijten tot 23 oktober wanneer het debuut van Them Crooked Vultures, ‘Never Deserved the Future’, wereldkundig wordt gemaakt.

Ook de zanger van OPETH (***) bekende zonder schroom dat Them Crooked Vultures de lat wel heel erg hoog hadden gelegd voor hun eigen set in de Shelter. Tijdens de afgelopen twee decennia hebben deze sympathieke Zweden echter al voldoende credibility opgebouwd in het progressieve metalgenre, niet in het minst dankzij het fenomenale koppel stembanden van frontman Mikael Åkerfeldt. De ene keer klinkt hij even zoetgevooisd als een zondagse koorzanger, de volgende seconde als grafstem uit een slechte horrorfilm. Een gemiddeld Opeth nummer klokt gemakkelijk af op 10 minuten en lijkt wel een een mini-opera op zich volgestopt met onverwachte tempowisselingen en symfonische intermezzo’s. Tip: wie zich afvraagt hoe een muzikaal huwelijk tussen death metal, psychedelica en jazz klinkt slaat er best even hun vorig jaar verschenen ‘Watershed’ album op na.

LADYHAWKE (**) maakt onschuldige pop voor onschuldige meisjes. De Club was dan ook volgelopen met exemplaren van deze laatstgenoemde diersoort die met volle teugen genoten van catchy doch licht verteerbare 80s popdeuntjes. De groep had haar radiohits mooi opgespaard tot op het einde van de set: na een eerder mak “Back of the Van” en een strak “Paris is Burning” deed vooral de nieuwe single “My Delirium” de plankenvloer van de tent trillen van ... onschuldig genot?

Wie vooraf geld had gezet op FAITH NO MORE (*****) als één van de absolute toppers van Pukkelpop 2009 kwam niet bepaald berooid terug van zijn/haar weekendje Kiewit. Want geef toe, wie had zich kunnen indenken dat de terugkeer van een 90s icoon dat ruim 10 jaar geleden de handdoek in de ring gooide, en bovendien geen nieuw materiaal op stapel heeft staan, zou leiden tot een ronduit verbluffende performance op de Main Stage? De heren in wit maatpak openden de set met een zo mogelijk nog kleffere versie van “Reunited” dan de originele hit van Peaches & Herb, gevolgd door het manische “Land of Sunshine” uit hun doorbraakalbum ‘Angel Dust’. Dit straf staaltje zelfrelativering kon het schizofrene karakter die de groep altijd heeft getypeerd werkelijk niet beter demonstreren, balancerend tussen retestrakke crossover (“Epic”, “Midlife Crisis”) en zeemzoeterige ballads (“Evidence”, “I’m Easy”). Voeg daarbij nog de rekbare stembanden van podiumbeest Mike Patton, en je bekomt het perfecte recept voor een dik uur alternative adult entertainment. Ook op z’n 41ste lijkt Patton trouwens maar weinig wilde haren te zijn verloren: hij intimideert fans met een stalen blik, draait ze een tongzoen of spuwt in de camera als een onbezonnen tiener. Met de heftige toegift  “We Care a Lot” besloot Faith No More een fenomenaal best of feestje dat nog lang in ons muzikaal geheugen zal blijven nazinderen.

Wie om 1 uur ’s nachts nog voldoende wakker was en een portie oorverdovende dramatiek wel kan smaken moest uiteraard van de partij zijn in de Marquee voor MY BLOODY VALENTINE (***). Net als Faith No More heeft deze legendarische, van oorsprong Ierse indieband rond opper-shoegazer Kevin Shields na jaren van afwezigheid opnieuw de rangen gesloten, maar is het onduidelijk of er ook nog nieuw werk aankomt. Phil Spector vond ooit de wall of sound uit, The Jesus And Mary Chain gooiden daar fuzz gitaren bovenop, maar het was My Bloody Valentine die in de allesovertreffende trap dit alles nog eens drapeert met een dissonante noisebrij en atmosferische soundscapes. Echte songs waren in de Marquee dan ook ver te zoeken, maar decibels waren er des te meer in overvloed. Gezien hun legendarische status in het indielandschap is dit een band die je één keer moet gezien hebben, maar mijn trommelvliezen smeken mij om het bij deze ene keer te houden.

Dag 2, 21 augustus 2009

Nu een heropstanding van New Order na de zoveelste egoclash weinig waarschijnlijk is ligt de weg wijd open voor mogelijke troonopvolgers. In de Marquee toonde het Britse viertal DELPHIC (***), toevallig of niet tevens afkomstig uit Manchester, dat het zeker kan meedingen naar die titel. Met lange, soms freaky nummers opgebouwd rond electronische bliepjes en glasheldere gitaarlijntjes lijken deze Mancunians intussen al het juiste geluid gevonden te hebben, nu nog de wereldsongs.

Het Canadese METRIC (***) timmert intussen ruim 10 jaar aan de weg, maar heeft pas dit voorjaar enige naambekendheid verworven aan de andere kant van de grote plas met de radiohit “Help I’m Alive”. Een lang uitgesponnen versie van dit nummer stak helemaal voorin hun set op de Main Stage, maar de groep bewees over genoeg andere troeven te beschikken om niet de geschiedenis in te gaan als one-hit wonder. We onthouden hierbij vooral de niet onaardige frontvrouw Emily Haines die nu en dan de show kwam stelen door lekker loos te gaan op haar knetterend orgeltje, maar zich tijdens het afsluitende ‘Stadium Love” toch wel lichtjes vergaloppeerde als volksmenner.

Op basis van hun muzikale bio, waarin wordt gerefereerd naar schoon volk als The Band, My Morning Jacket en The Black Crowes, klonk het optreden van ALBERTA CROSS (**) in de Marquee veelbelovend. Helaas verloren deze naar New York uitgeweken Londenaren zichzelf al te veel in oeverloze jamsessies, en waren beklijvende songs waar hun grote voorbeelden garant voor staan meestal ver te zoeken.

Het optreden van A PLACE TO BURY STRANGERS (***) in de Shelter hadden we vooraf in het programmaboekje aangeduid met drie uitroeptekens. Dit New Yorks drietal is met name één van dé vaandeldragers van de nieuwe lichting noise-adepten die de eerste platen van The Jesus And Mary Chain en Suicide op eigentijdse en originele manier recycleren. We kregen een dik halfuur stofzuigernoise van de bovenste plank geserveerd waarin, in tegenstelling tot de set van My Bloody Valentine, de meest moedigen onder het publiek nu wel afgewerkte songs en melodieën konden ontwaren. Gitaren worden door frontman Oliver Ackermann het liefst met zo weinig mogelijk respect behandeld, maar ach, zolang dat resulteert in aanstekelijke indienoise die bij vlagen zelfs deed terugdenken aan de begindagen van Ride kunnen wij daar weinig of niets tegen in brengen.

Toegegeven, de Dance Hall is niet het natuurlijk biotoop van ondergetekende maar hitgevoelig als we zijn (!?) leek de set van PAUL KALKBRENNER (***) ons een absolute must. Deze kale Berliner uit de BPitch Control stal van Ellen Allien (die de volgende dag de Boiler Room op kritische temperatuur zou brengen) permitteerde het zich om het inmiddels grijsgedraaide “Sky and Sand” helemaal voorin zijn set weg te moffelen. Net daarvoor mocht Kalkbrenner voor dit nummer uit de soundtrack van de film ‘Berlin Calling’ zelfs een gouden plaat in ontvangst nemen, maar hij liet zich verder niet van de wijs brengen tijdens zijn strakke set vol heerlijk minimale electro. Als afsluiter deed Kalkbrenner nog iets leuks met “Mad World” van Tears For Fears (een aantal bakvissen rond mij hadden trouwens een geheel ander nummer van ene Gary Jules herkend?!).

Zo nu en dan komt een groep aandraven waarbij je na de eerste kennismaking minuten lang moet bekomen van de onverwachte adrenalinepunch die je net werd verkocht. Een muzikale ontdekking heet zoiets, en het optreden van THE CHAPMAN FAMILY (*****) in de Chateau loopt wat ons betreft met die eer weg. Deze Noordengelse band heeft namelijk alles wat een opwindende indieband moet hebben: een typische sound (New Model Army meets Joy Division), songs die één voor één beklijven, een charismatische frontman die suicidaal worstelt met zijn microfoonsnoer en, last but not least, een attitude alsof elk optreden het laatste zou kunnen zijn in de nog jonge geschiedenis van de groep. Kingsley, Paul, Pop en Phil Chapman hebben vooralsnog geen album uit, maar het feit dat na elk optreden een deel van hun instrumenten naar het hiernamaals worden gecatapulteerd zit hier misschien voor iets tussen...

Op het podium van de Club kon de arty gitaarpop van THE VIRGINS (**) op redelijk wat bijval rekenen. De deuntjes van dit New Yorkse gezelschap refereren niet toevallig naar de kale strakke sound van stadsgenoten The Strokes en de vroege Talking Heads, terwijl de stem van frontman Donald Cumming warempel als twee druppels water leek op deze van Glasvegas strot James Allan. We zagen een jonge band aan het werk wiens geluid ondanks een bescheiden hype nog moet rijpen om een eigen stempel op hun 12-in-een-dozijn gitaarpop te kunnen zetten.

Scotland’s finest GLASVEGAS (***) hangen hun songs graag op aan een wall of sound en lijken als eerste de missing link tussen bombastische croonerpop en shoegaze te hebben gevonden. De Marquee liep aardig vol voor deze sympathieke Scotsmen die het leven graag doorspekt zien van de nodige dramatiek en pathos, getuige hun doorleefde versie van de Korgis klassieker “Everybody’s Got to Learn Sometime”. Een leuk tussendoortje, dat samen met de radiohits “Geraldine” en “Daddy’s Gone” voor het nodige herkenningsapplaus zorgde in een voor de rest gitzwarte set die qua troosteloosheid niet moest onderdoen voor de achterbuurten van thuisstad Glasgow.

THE JESUS LIZARD (***) gelden als generatiegenoten van Nirvana, maar bleven bewust uit de schijnwerpers toen hun tegendraadse noise plots grunge werd genoemd. In de Shelter waren we getuige van de reünie van deze legendarische band uit Chicago waarvan verschillende leden intussen vlotjes de kaap van de 40 gepasseerd zijn. Hun beproefde recept, met overstuurde gitaren, dwarse baslijnen, aritmische drums en de maniakale zang van opper-Lizard David Yow als voornaamste ingrediënten, zijn ze alvast nog niet verleerd. Bericht aan de vrouwelijke fans: Yow beperkte zijn traditionele striptease deze keer tot een topless act.

Een propvolle Marquee was op de afspraak voor de doortocht van VAMPIRE WEEKEND (****), het studentikoze New Yorkse viertal dat tot één van de absolute revelaties van vorig jaar dient te worden gerekend. De okselfrisse gitaarpop met Afrikaanse invloeden uit hun titelloos debuut werd afgewisseld met nieuwe nummers uit de opvolger die momenteel in de studio wordt afgewerkt. Op het eerste gehoor lijken deze nieuwe songs de afropopsound van Vampire Weekend nog verder op te schuiven richting Paul Simon’s ‘Graceland’ album, maar voor het publiek leek gewoon elk nummer wel een feest van herkenning. Zanger Ezra Koenig is geen veelprater, maar leek toch heel erg gecharmeerd door zoveel enthousiasme van het Pukkelpop publiek. Hoogtepunten waren er werkelijk teveel om op te noemen, dus laten we het maar houden op de ronduit aanstekelijke afsluiter “One (Blake’s Got a New Face)” waarvan het refrein zich voor de rest van de festivaldag comfortabel in ons hoofd had genesteld.

Waarom THE GET UP KIDS (***) met hun aan Jimmy Eat World, Weezer en The Posies refererende meerstemmige gitaarpop ooit in het emocore hoekje zijn terecht gekomen zal voor ons altijd wel een raadsel blijven. Net als Faith No More en The Jesus Lizard was deze sympathieke bende uit Kansas City naar Pukkelpop afgezakt om hun recente reünie muzikaal luister bij te zetten, en op de prangende vraag “Kunnen ze het nog?” dienen we op grond van hun prestatie in de Shelter volmondig “Ja!” te antwoorden. Kids van het eerste uur Matthew Pryor en Jim Suptic tekenen nog steeds voor doorleefde vocals maar rammen terzelfdertijd stevig door op hun respectievelijke gitaren, en ook op het enthousiasme van keyboardspeler James Dewees lijken de jaren vooralsnog geen vat te hebben. Vers materiaal zou op de plank liggen, maar een wereldnummer als “Action and Action” -live alweer goed voor het nodige animo op de eerste rijen- maken deze Kids waarschijnlijk nooit meer.

In een vlaag van postnatale inspiratie heeft Karin Dreijer Andersson, de helft van de Zweedse broer-zus combinatie die schuil gaat achter The Knife, met FEVER RAY (****) een nieuw soloproject boven de doopvont gehouden. De live-set van Andersson’s nieuwe muzikale vermomming in de Marquee was in vele opzichten uniek te noemen! Vermoedelijk op uitdrukkelijk verzoek van de groep zelf was dit bijvoorbeeld het eerste optreden van de dag waarbij het publiek eindelijk gespaard bleef van Peter Van de Veire’s overbodige feel good introductie. Bovendien lijken de leden van Fever Ray liefst zo onzichtbaar mogelijk te blijven om de aandacht maximaal te concentreren op de sobere, bijna onaardse muziek. De bezwerende opener “If I Had a Heart” zette meteen een erg onheilspellende toon, en dankzij een sobere belichting met lampenkappen en een deken van laserstralen slaagde de groep er in om een spooky sfeertje te creëren. Andersson waagde zich ook aan een extreme makeover van Nick Cave’s “Stranger Than Kindness” dat nagenoeg onherkenbaar verscholen zat midden in de set. Wie zich had verheugd op de opgefokte beats van The Knife was er wel enigszins aan voor de moeite, en naarmate de set vorderde zagen we de Marquee tent dan ook langzaam maar zeker leeglopen. De etherische schoonheid van Fever Ray’s minimale sprookjespop leek wel enkel weggelegd voor een select publiek dat zich heel even op de donkerste planeet uit ons zonnestelsel waande.

Tom Barman & co kregen het van Chokri gedaan om twee dagen op rij de Marquee in schoonheid en stijl te mogen afsluiten, met als unieke tegenprestatie dat er voor beide avonden een totaal verschillende setlist zou worden samengesteld. Met het venijnige “Everybody’s Weird” opende een erg gretig klinkend dEUS (****) de eerste van twee sets op vrijdagavond die uiteindelijk zou uitgroeien tot een indrukwekkend feest der herkenning waarop ook enkele gasten waren uitgenodigd. Fever Ray’s Karin Dreijer Andersson bleef haar ijzige zelf tijdens een beklijvend duet met Barman op “Slow”, Snow Patrol frontman en ideale schoonzoon Gary Lightbody zorgde voor een verrassing van formaat door een heel erg fraaie interpretatie van “Hotellounge” neer te zetten, en ook Hickey Underworld strot Younes Faltakh mocht een nummer komen meebrullen. Tussendoor staken ook een aantal nieuwe nummers de kop op die vocaal werden aangekleed door een vierkoppig jazzkoortje in zwarte cocktailjurkjes. dEUS blijft haar artistieke grenzen dus verder aftasten, maar lijkt met elk nieuw album steeds dichter bij de mainstream aan te (willen) leunen. Dat Barman & co al in de jaren ’90 hun beste werk hebben afgeleverd zullen weinigen betwisten, zeker wanneer je na elkaar “Serpentine”, “Theme From Turnpike”, “Fell Off the Floor, Man”, “Instant Street” en “Morticiachair” krijgt geserveerd. De kers op de taart werd bewaard voor het onvermijdelijke “Suds & Soda” dat onverwacht bezoek kreeg van De Jeugd Van Tegenwoordig die er een flard “Hollereer” tussen gooiden. Slotsom: dEUS had tijdens dit eerste van twee optredens zowel voor zichzelf als voor het publiek de lat al heel erg hoog gelegd, en het was dus maar zeer de vraag of dit huzarenstukje 24u later nog kon worden geëvenaard (zie verder).

Hoe krijg je een volstrekt onhippe groep als KRAFTWERK (****) als headliner op de Main stage verkocht aan het jonge Pukkelpopvolkje? Luc Janssen deed eerder op de dag alvast een verdienstelijke poging: “Goeiemorgen Pukkelpop, ik heb goed nieuws en slecht nieuws. Het slechte nieuws is dat de Duitsers komen, het goede nieuws is dat ze maar één avond blijven”. Feit is dat zowat alles en iedereen die tijdens de drie festivaldagen acte de présence gaf in de Dance Hall en de Boiler Room op de één of andere manier schatplichtig is aan het electronische pionierswerk van Ralf Hütter en Florian Schneider, de twee overblijvende leden en feitelijke stichters van Kraftwerk. Wie er bij was op Rock Werchter 2005 wist ongeveer waaraan het publiek zich mocht verwachten: een unieke symbiose tussen beeld en geluid die tot in de kleinste details is geperfectioneerd door vier stokstijve heren op leeftijd, halfverscholen achter hun laptop. De nuchtere vaststelling dat de set op Pukkelpop nagenoeg een blauwdruk bleek van de Werchter show, inclusief de schitterend georkestreerde gedaanteverwisseling van mens tot robot tijdens “The Robots”, was dan ook het enige minpuntje dat we ons kunnen herinneren. Voor een selectie van de hoogtepunten verwijzen we graag naar de betere Kraftwerk compilatie, maar ook meer recente nummers als “Vitamin” en “Aerodynamik” konden zich moeiteloos meten met de echte electroklassiekers van de groep. Op de eindeloze tonen van “Musique Non Stop” werd beleefd afscheid genomen van het publiek dat nu meer dan ooit moet gaan twijfelen of er werkelijk zoiets bestaat als een generatiekloof...

Dag 3, 22 augustus 2009

Onder een immer enthousiaste middagzon mocht het Engelse viertal THE RIFLES (***) de derde en laatste festivaldag op gang trappen vanop de Main Stage met hun melodieuze meerstemmige punkrock in de beste traditie van The Jam en The Undertones. Deze sympathieke jongens spelen vooralsnog niet in dezelfde eredivisie als The Kooks en Kaiser Chiefs, maar hebben met “She’s Got Standards” en “Peace and Quiet” toch reeds twee radiohits op hun conto. Nu nog iets doen aan dat wat suffe Britpop imago en de heren kunnen zich gaan opmaken voor de volgende cover van NME.

De Londense hot young lad JACK PEÑATE (***) kreeg moeiteloos de Marquee gevuld voor een zeer gevarieerde set met nummers uit zijn beide albums. Profileerde hij zich op zijn debuut nog als het softe neefje van Billy Bragg dat te veel naar ska en skiffle heeft geluisterd, op de onlangs verschenen opvolger ‘Everything is New’ gaat Peñate op zoek naar De Perfecte Popsong die hij liefst opdient met een Afrikaans sausje. Op het podium beleeft hij de songs alsof ze elke vezel in zijn lijf raken, en tijdens “Let’s All Die” voegt hij bijna de daad bij het woord door een halve dodensprong richting frontstage te maken om even later met een gescheurd shirt terug het podium op te klauteren. Met de zomerse pop van “Tonight’s Today” en “Be the One” speelde Peñate zijn meest commerciële troeven pas helemaal op het einde uit.

Net zoals voor de meeste andere comedy en muzikale acts van eigen bodem die in de Wablief?! tent geprogrammeerd stonden was het buiten aanschuiven geblazen om een glimp op te vangen van TEAM WILLIAM (***). Sinds het behalen van een bronzen plak op Humo’s Rock Rally 2008 en de recente release van hun redelijk bejubelde debuutalbum is deze groep uitgegroeid tot zowat het belangrijkste exportproduct van Ninove en omstreken. Hun aan Weezer, The Rentals en Fountains Of Wayne refererende frisse gitaarpop mag dan niet bijster origineel heten, aanstekelijk is het des te meer. Komt daarbij dat deze piepjonge twintigers, ondanks de ruime media aandacht, zichzelf en hun succes perfect weten te relativeren. Zo werd midden in een nummer de gitaar plots overhandigd aan een fan op de eerste rij die ter plekke een nieuw Team William nummer componeerde, of werd een gigantische kartonnen replica van het groepslogo (de inmiddels gekende driekleurige halve schietschijf ) het publiek ingekelderd met het uitdrukkelijk verzoek om daar geen spaander van heel te laten. Na het nog steeds geweldige “Lord of the Dogs” sloot de groep, naar eigen zeggen tegen de wil van haar management in, hun triomfantelijke doortocht op Limburgse bodem af met het nagelnieuwe “All We Ever Do is Fuck”. Kan tellen als Valentijnslied...

Het optreden van DEERHUNTER (***) in de Marquee omschrijven is allesbehalve een makkie. Dit uit Atlanta afkomstige viertal brouwt een redelijk uniek mengsel van indierock, noise en psychedelica, en beschikt met de aan het syndroom van Marfan lijdende frontman Bradford Cox (boomlange gestalte en extreem lange vingers) over een bijkomende, zij het ietwat zonderlinge troef. De set nam een aarzelende, gedesoriënteerde start, maar toen de veelgelaagde nummers vorm begonnen te krijgen werden we spontaan herinnerd aan het epische werk van Broken Social Scene en Motorpsycho. We durven Deerhunter op basis van deze performance in de categorie ‘ongrijpbaar, onvoorspelbaar en onwaarschijnlijk’ te rangschikken. Als dat maar geen juiste voorspelling van hun succes wordt...

De roots van CREATURE WITH THE ATOM BRAIN (***) liggen verspreid in zowat de helft van alternatieve scene die Vlaanderen het jongste decennium heeft voortgebracht, of wat dacht U van het indrukwekkende rijtje Millionaire, Evil Superstars, Sexmachines, Vandal X en Mauro & The Grooms? De grootste gemene muzikale deler van al dat geweld heeft uiteindelijk geresulteerd in epische stonerrock in de beste traditie van Kyuss, Karma To Burn en de vroege Monster Magnet. En ja, het kan natuurlijk geen kwaad dat zanger/gitarist Aldo Struyf (ex-Millionaire) tijdens het opnemen van platen Chris mag zeggen tegen superproducer en Masters Of Reality brein Chris Goss en al eens een pint gaat pakken met de donkerste aller treurwilgen Mark Lanegan. Op de Wablief?! stage zorgden de strakke riffs, de loodzware ritmesectie en de bezwerende zang van Struyf voor een werkelijk verslavende set die wat ons betrof nog een uur of drie langer had mogen duren. Alleen spijtig dat Dr. Frankenstein dit niet meer heeft mogen meemaken.

Groot was onze euforie toen DINOSAUR JR. (***) in de eerste lijst met namen voor Pukkelpop 2009 opdook, maar even groot was onze ontgoocheling toen bleek dat J. Mascis, Lou Barlow en Murph naar de Main Stage werden verbannen. Ook in werkelijkheid bleek dit een organisatorische flater van formaat, want de melancholische noise van Dinosaur Jr. verdraagt weinig of geen zonlicht en intrigeert enkel op de eerste rijen van een groot podium. Opener “Just Like Heaven” ging bovendien volledig de mist in door een slechte geluidsmix en onhoorbare zang van Mascis, en alhoewel er duchtig aan de knoppen werd gedraaid kon dit euvel nooit meer helemaal worden weggewerkt. In het eerste deel van de set werd vooral geput uit het alweer uitstekende nieuwe album ‘Farm’ waarbij Barlow ook een nummer voor zijn vocale rekening mocht nemen. Maar toegegeven, het adrenalinepeil ging pas echt de hoogte in tijdens het indrukwekkende rijtje “The Wagon”, “Out There”, “Feel the Pain” en “Freakscene”. Aan de songs lag het dus zeker niet dat dit een behoorlijk maar geen memorabel concert van Mascis & co was, we gunnen hen binnenkort een klinkende revanche in de tent van Leffinge.

Bij de release van hun debuut ‘Myths of the Near Future’ werd het Engelse trio KLAXONS (****) twee jaar terug gebombardeerd tot de vaandeldragers van de zogenaamde ‘nu rave’. Ondanks het integreren van electro, house of breakbeats verliest het jonge drietal de popsong echter nooit helemaal uit het oog. In een bomvolle Marquee bewees de groep dat ze alle studiosnufjes ook live aan de man kan brengen, getuige de zeer poppy en strakke set die ook reeds een aantal nummers bevatte uit hun nog te verschijnen tweede album. Op deze nieuwe nummers lijken Klaxons wat afstand te willen nemen van de hapklare ravepop, en hebben een aantal persoonlijke demonen er blijkbaar voor gezorgd dat het nieuwe werk heel wat donkerder en introverter klinkt. Het publiek maalde er niet om en lipte vrolijk mee met de meer luchtige radiohits “Golden Skans”, “Not Over Yet” en  “Gravity’s Rainbow”. “I’ve seen the future of pop, and its name is Klaxons”.

LIFE OF AGONY (****) kreeg de eer om na drie dagen punk, emocore, progrock, noise en ander geweld de Shelter tent definitief te sluiten. Dit New Yorks kwartet mag ondertussen tot de oudjes van de hardcore scene worden gerekend, maar lieten er ondanks het uitblijven van nieuw albumwerk weinig twijfel over bestaan dat ze hun plek als headliner meer dan waard waren. Ondanks een turbulente levenswandel lijkt de gekwelde stem van frontman Keith Caputo steeds beter te worden met de jaren, en bij vlagen benaderde hij zelfs het oerstrot van voormalig Kyuss zanger John Garcia. Met de ultrakorte adrenalinestoot “River Runs Red” uit hun memorabele debuut liet de groep al heel vroeg een eerste bommetje vallen en kon de rest van de set eigenlijk al niet meer stuk. Ook het onnavolgbare “Weeds” blijft een welgemikte uppercut die door het Shelter publiek bijna woord voor woord werd meegebruld. Beste Chokri, graag meer van dat volgend jaar!

In tegenstelling tot de opzwepende set op vrijdagavond zou het laatste deel van de dEUS (**) tweedaagse volgens Tom Barman meer opbouwend zijn, en zouden een aantal nieuwe nummers worden uitgeprobeerd. In de praktijk kon het contrast met de avond ervoor echter niet groter zijn, en even vroegen we ons zelfs af of dit wel dezelfde groep was die we pakweg 24u terug op hetzelfde podium hadden zien schitteren! Gedurende het eerste saaie concertuur noteerden we op “Nothing Really Ends” na geen enkele muzikale vonk, en moest het publiek het stellen met het vierkoppig jazzkoortje in plaats van de trits zingende gasten die de avond ervoor zo uniek hadden gemaakt. Toen uiteindelijk dan toch voorzichtig een blik klassiekers werd opengetrokken bleken dit met “Instant Street” en “Fell Off the Floor, Man” nummers te zijn die daags voordien ook al in de set staken, terwijl wereldnummers als “Via”, “Little Arithmetics” en “Sister Dew” spijtig maar helaas in de kast bleven. Uiteindelijk werd het optreden maar ternauwernood van de vergetelheid gered door bruisende versies van “The Architect” en “Roses”, maar toch kunnen we niet anders dan besluiten dat één keer dEUS per festival ruimschoots volstaat.

ARCTIC MONKEYS (***) mogen dan al over een indrukwekkend arsenaal songs beschikken, de vraag die velen bezig hield was of ze hiermee de rol van festival afsluiter op de Main Stage konden waarmaken. Een podiumbeest heeft de groep immers nog steeds niet in haar rangen, en ook met lang haar profileert Alex Turner zich zoals gewoonlijk als een ijzige, weinig communicatieve frontman. Wie echter minder gesteld is op imago en zich enkel laat meevoeren door de muziek kreeg misschien wel het beste Monkeys concert ooit op een Belgisch zomerfestival te horen. De groep is sinds haar debuut duidelijk geëvolueerd van springerige en compacte songs naar een breder geluid waarbij naast tempowisselingen en keyboards ook een aantal tragere nummers plaats hebben gekregen. Deze laatste zijn te horen op de kersverse schijf ‘Humbug’ die de vier rotgetalenteerde snotters uit Sheffield onder de productionele leiding van grote broer Josh Homme opnamen in Los Angeles. Naast nieuwe songs zoals de vooruitgeschoven single “Crying Lightning” en een fraaie cover van Nick Cave’s “Red Right Hand” serveerden Turner & co een best of uit hun eerste twee albums. Met o.a. “Fake Tales of San Francisco”, “I Bet You Look Good on the Dancefloor”, “Brianstorm”, “Fluorescent Adolescent” en “505” hebben Arctic Monkeys op geen tijd een oeuvre van instant classics verzameld die ook live nog fris van de lever klinken. Enkel “When the Sun Goes Down” bleef uit, net als bisnummers trouwens, maar na drie dagen van overdadige decibels en hoge temperaturen leek dit eigenlijk niet eens zo erg...

Organisatie: Pukkelpop, Hasselt-Kiewit

In 1985 werd in het Limburgse Peer de eerste editie van het Belgium Rhythmn ‘n’ Blues Festival boven de doopvont gehouden, met op de affiche o.a. Robert Cray Band, Anna Domino en top-of-the-bill The Fabulous Thunderbirds. Een kwarteeuw later mag Blues Peer dan al zijn uitgegroeid tot een vaste waarde op de zomerfestivalkalender, aan de filosofie van de begindagen werd opmerkelijk weinig gewijzigd: zorgvuldig uitgekozen bluesacts op één podium en een gemoedelijke sfeer waarin zowel die-hard bluesfanaten als de occasionele bezoeker met vrouwlief en kinderen terecht kunnen. Onder de noemer ‘25 years of Kings and Legends’ werd de affiche van de jubileumeditie niet enkel bevolkt door huidig en aanstormend talent, maar werden kosten noch moeite gespaard om enkele legendarische namen uit vijf decennia pop- en rockgeschiedenis naar het zoete Limburg te lokken. Zo mocht o.a. Steve Winwood zaterdag de tent sluiten en werd na het weekend zelfs een extra vierde dag aan het programma toegevoegd met John Fogerty als ultieme uitsmijter. Ondergetekende koos de derde festivaldag uit om de geur van blues en bier te Peer op te snuiven.

De samenstellers van de jubileumeditie van Blues Peer durven duidelijk buiten de lijntjes te kleuren als het er op aan komt om hun muzikale helden te eren. Zo kan je Roger McGuinn bezwaarlijk een blueslegende noemen, maar dat de inmiddels 67-jarige medeoprichter van The Byrds wereldwijd muziekgeschiedenis heeft geschreven staat buiten kijf. Enkel vergezeld van zijn onafscheidelijke 12-snarige Rickenbacker en een opvallend goedbewaarde stem trok McGuinn met “My Back Pages” en “Mr. Spaceman” meteen een blik Byrds klassiekers open, en ook tijdens de rest van de set zou hij voornamelijk putten uit de catalogus van deze folkrockpioniers. Jeugdsentiment, vage herinneringen uit de platenkast van vader of grootvader of mateloos respect voor een muzikale pionier: iedereen had wel een reden om eventjes weg te mijmeren bij “You Ain’t Going Nowhere”, “Wasn’t Born To Follow”, “All I Really Want to Do”, “5D (Fifth Dimension)”, “Chestnut Mare” en natuurlijk de evergreens “Turn!Turn!Turn!” en “Mr. Tambourine Man”. Verscholen achter een donkere zonnebril en zwarte hoed gaf een ietwat verlegen McGuinn tussendoor ook wat geschiedenisles over de oorsprong van bepaalde songs of haalde hij geestige anekdotes aan over Dylan, zowat de belangrijkste songleverancier tijdens de eerste jaren van The Byrds. Ook zijn vriendschap met Tom Petty kreeg een plaats in de set wiens “American Girl” naadloos aansloot bij “King Of The Hill” dat McGuinn samen met Petty schreef voor het onwaarschijnlijke comeback album ‘Back From Rio’ (’91). De voormalige Byrds frontman mocht na de nodige publieksbijval bissen met “Feel A Whole Lot Better”, “Chimes of Freedom” en, als we eerlijk moeten zijn, een eerder overbodige versie van “Knocking on Heaven’s Door”. Maar laat dat laatste detailkritiek zijn: McGuinn zorgde in zijn eentje voor de eerste memorabele momenten vroeg in de namiddag, en zoals later zou blijken, bleek zijn set het ontwapenende hoogtepunt van de volledige derde festivaldag.

Heel andere koek kregen we vervolgens geserveerd door Derek Trucks, als lid van The Allman Brothers Band geen onbekende onder adepten van klassieke Southern rock. Met The Derek Trucks Band houdt deze amper 30-jarige blonde gitaargod er sinds ‘97 ook nog eens een solocarrière op na. De groep deed op Blues Peer haar reputatie van ultieme ‘jamband’ alle eer aan door alle nummers heel stereotiep op te bouwen: zanger Mike Mattison, met een meer dan fraaie stem die refereerde aan de jonge Joe Cocker die te lang in de Stax collectie van vader had rondgeneusd, mocht elk nummer kort inzingen waarna Trucks en zijn vierkoppige begeleidingsband van wal staken voor een minutenlange jam. Leuk voor een aantal nummers, dat wel, maar mede door de vrij afstandelijke houding van Trucks kon dit concept toch geen anderhalf uur boeien.

Elk zichzelf respecterend bluesfestival kan er alleen maar van dromen om op een jubileumeditie de godfather van de Britse blues, John Mayall, op de affiche te zetten. In Peer worden dromen echter ook werkelijkheid, al strooide de slechts nipt op tijd aangekomen tourbus van de blueslegende op de valreep toch wat roet in het eten. Toen Mayall dan uiteindelijk toch met veel toeters en bellen werd aangekondigd, maar prompt het podium moest verlaten toen bleek dat diens mondharmonica’s nergens te bespeuren vielen, kunnen we moeilijk anders dan van een gemiste start spreken. Mayall & co lieten zich hierdoor echter niet uit hun lood slaan en openden sterk met een track uit het recente Freddie King tribute album ‘In The Palace of the King’ (’07) gevolgd door het ruim 40 jaar (!) eerder opgenomen “Chicago Line” uit Mayall’s debuut. Ondanks zijn 76 lentes oogde en klonk de founding father of British blues bijzonder vitaal en hield hij eraan om elk nummer te situeren in zijn ondertussen indrukwekkende oeuvre. Bovendien heeft Mayall met Rocky Athas (gitaar) en Tom Canning (keyboards) twee virtuoze Bluesbreakers weten te strikken die de nodige dynamiek in de set wisten te brengen o.a. tijdens het klassieke ‘Parchman Farm” en de nieuwe nummers “Moving Out Moving On” en “Dream About The Blues”. Een lang uitgesponnen versie van het obligate “Room To Move”, uiteraard met Mayall’s harmonica in de hoofdrol, breidde een luchtig einde aan de licht ingekorte set. De sympathieke Brit mocht op verzoek van publiek en organisatie toch nog terugkeren voor één encore, een snedige interpretatie van de Otis Rush original “All Your Love”. Net als McGuinn eerder op de dag demonstreerde Mayall dat waardig ouder worden in de slopende musicbusiness niet noodzakelijk garant staat voor ‘ouw’bolligheid en futloosheid.

Met de onverslijtbare Southside Johnny & The Asbury Jukes kon Blues Peer geen betere act bedenken om ook de liefhebbers van pretentieloze R&B en barblues aan hun trekken te laten komen. Onder de vleugels van Steve Van Zandt (als producer en ooit zelf een Asbury Juke voor zijn overstap naar The E-Street Band) en Bruce Springsteen (als songleverancier) groeide deze bende muzikaal getalenteerde tooghangers medio jaren ’70 uit tot een sensatie in en rond de pubscene van New Jersey, en tot op de dag van vandaag blijft dit bonte gezelschap live garant staan voor een potje compromisloze R&B. Het podium van Peer was eigenlijk maar juist groot genoeg om naast Southside Johnny ook de acht man sterke Asbury Jukes, waaronder een vierkoppige blazerssectie, te huisvesten. Na een wat aarzelende start stak “I Played The Fool” de lont aan het vuur voor wat voorts een stomend R&B feestje zou worden. Uptempo ambiance nummers als “The Fever” en “Talk To Me” gingen hand in hand met trage bluesy tearjearkers als “Living With The Blues” en werden luidkeels meegeschreeuwd door zowel het nuchtere als het minder nuchtere deel van het publiek. Southside Johnny ademt en zweet R&B in de onvolprezen Stax traditie en bewees in Peer nogmaals zijn status als eerste klas entertainer.

Het moet een huzarenstukje geweest zijn voor een relatief bescheiden organisatie als Blues Peer om niemand minder dan Jeff Beck als headliner aan te trekken na bijna 40 jaar afwezigheid op Belgische podia. Beck wordt door kenners in één adem genoemd samen met Jimmy Page en Eric Clapton, werd eerder dit jaar ingehaald in de Rock’n’Roll Hall of Fame, en is momenteel op tournee om zijn jongste live album te promoten. Net als Page is ook Beck een meestergitarist die echter geen noot kan of wil zingen, en het was dus maar de vraag of de anderhalf uur durende instrumentale set op Blues Peer een breed publiek zou kunnen aanspreken. Het antwoord bleek negatief! Van meet af aan werd immers duidelijk dat het optreden enkel was weggelegd voor de echte gitaarfreaks die met open mond en in trance de virtuositeit van hun idool aanschouwden. Maar ongetwijfeld zullen evenveel toeschouwers een vocalist als Rod Stewart (ten tijde van The Jeff Beck Group) op het podium gemist hebben, en hadden weinig of geen boodschap aan de fusion, free-jazz en Zappaiaanse uitspattingen die Beck en zijn drie uiterst strak doch uitstekend musicerende begeleiders uit hun mouw schudden. Een muzikaal orgasme voor de één, een saaie gitaarles voor de andere: het is een eindbalans die toch wat magertjes uitvalt voor een instituut als Beck. Volgende keer misschien toch eerst even good-old Rod bellen voor een afspraak in de pub?!

Organisatie: Rhythm ‘n’ Blues Peer

Sheffield...Noord-Engelse stad met stalen zenuwen en een rijk muzikaal verleden. Thuishaven van ondermeer Joe Cocker, Def Leppard, The Human League, Moloko, Arctic Monkeys en Pulp. Laatstgenoemde band werd in 1978 opgericht door de 15-jarige (!) Jarvis Cocker en wist zich pas 16 jaar later, nota bene in volle Britpop gekte, te verzekeren van enige roem en faam met het doorbraak album ‘His ‘N’ Hers’. Nog eens drie albums en een handvol radiohits later zet de groep zichzelf (tijdelijk) op non-actief en begeeft Cocker zich op een succesvol solopad. Onder de artiestennaam Jarvis laat hij vanuit zijn nieuwe stekje te Parijs in 2006 een eerste titelloos album op de wereld los, waarop hij zich profileert als het middle-class popster-tegen-wil-en-dank equivalent van grote voorbeelden Scott Walker en Leonard Cohen. Na het doden van de tijd met gastrolletjes op platen van o.a. Air en Marianne Faithfull verscheen een paar weken terug ‘Further Complications’, zijn tweede soloplaat die hij afgelopen zaterdag in de AB kwam voorstellen.

Een zichtbaar relaxte en goedgemutste Jarvis kwam bij het doven van de zaallichten dartel het podium opgewandeld als een skinny dandy; een tweed jacket uit de kringloopwinkel en de zware donkere bril blijken na al die jaren nog steeds zijn uiterlijk handelsmerk, en sinds kort hoort daar ook een stevige ringbaard bij. Vooraleer er ook maar één noot was gespeeld stak Cocker het publiek reeds in zijn broekzak door een roos van een fan op de eerste rij met het nodige gevoel voor Britse kolder in ontvangst te nemen. Het leek er zelfs heel even op dat Cocker de eerste tien minuten van de set als stand-up comedian zou vullen, maar daar stak zijn begeleidingsband gelukkig een stokje voor door met de semi-instrumental “Pilchard” stevig te openen. Jarvis werkte op zijn recentste album samen met hardcore guru en veelzijdig producer Steve Albini, wat duidelijk heeft geresulteerd in een meer rechttoe-rechtaan geluid, ontdaan van onnodige franjes. Ook live klinken nieuwe nummers als “Angela” (de huidige single) en het titelnummer “Further Complications” als stevige hedendaagse glamrock die Cocker verder inkleurt met sputterende synthpartijen.
Jarvis schrijft songs over typetjes uit zijn publiek, en maakt dan ook de nodige tijd om met dat publiek te interageren. Tijdens het eerste rustpunt “Slush” belooft hij pizza en na enig aandringen ook bier aan elk vocaal talent in de overigens slechts matig gevulde AB Box. Wanneer zowel pizza als bier uitblijven weet een ontwapenende Cocker er zich op magistrale wijze uit te lullen en ontpopt hij zich als een first class entertainer. De crooner in Cocker komt vervolgens boven tijdens “Big Julie”, een nummer met hoog ‘spoken word’ gehalte uit diens titelloze debuut, en het nieuwe “Leftovers” met de schitterende openingszin van Cocker in de rol van verborgen verleider: “I met her in the Museum of Paleontology & I make no bones about it; I said: if you wish to study dinosaurs, I know a specimen whose interest is undoubted”. Wie er de tekstvellen eens bijneemt stoot op het nieuwe album trouwens nog op andere geniale vondsten zoals de binnenkomer “I love your body because I lost my mind” uit het slepende “I Never Said I Was Deep”. Het tempo werd naar het einde van de set toe stevig opgetrokken met het withete “Caucasian Blues”, waarop Jarvis zowaar een blokfluitsolo ten beste gaf, om uiteindelijk een eerste keer achter de gordijnen te duiken na een pompeus “Black Magic”.
In de twee rondes met toegiften liet Jarvis zich van zijn meest fitte kant zien tijdens het punky “Fat Children” om vervolgens met het zachtjes voortkabbelende “Hold Still” het publiek terug muisstil te krijgen, enkele luidruchtige Hollanders niet te na gesproken. Na de onvermijdelijke evergreen “Don’t Let Him Waste Your Time” besloten Cocker & co de set met de langgerekte disco pastiche “You’re In My Eyes (Discosong)”. Jarvis nam hierbij uitgebreid de tijd om zijn vlekkeloos musicerende band voor te stellen, en weg was de middle-class hero.

Ongelofelijk toch hoe Cocker, zonder ook maar één keer de indrukwekkende Pulp catalogus open te slaan, ruim anderhalf uur lang wist te boeien. De cynische romanticus, de gelouterde dandy en de sexueel gefrustreerde vrijgezel: we hebben ze zaterdagavond allemaal de revue horen passeren. Een uniek optreden met vele gezichten dus, of om het met de lyrische woorden van Cocker zelf te zeggen “If I could, I would refrigerate this moment. I would preserve it for all time”.

Neem gerust een kijkje naar de pics onder live foto’s

Organisatie: Ancienne Belgique

Pagina 15 van 18