logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Deadletter-2026...
Hooverphonic
Johan Meurisse

Johan Meurisse

donderdag 06 november 2008 01:00

The Coral Sea

Een paar jaar terug vonden Patti Smith en Kevin Shields elkaar voor een merkwaardige samenwerking. Smith leest, declameert en zingt af en toe een poëtische voordracht, terwijl Shields geïmproviseerde gitaarklanken speelt en de pedaaleffects soms indrukt.
’The Coral Sea’ is geen makkelijke kost: de indringende, dwingende gitaarsound van Shields en de beeldenrijke spoken words van Smith.
Het geheel klinkt huiveringwekkend en beklijvend. Sommige lange stukken eindigen apocalyptisch. Het is een dubbele live uitvoering uit 2005 en 2006, die nu op plaat is gezet en een ode vormt aan de aan AIDS bezweken bevriende fotograaf van Patti, Robert Mapplethorne.
Voor Kevin Shields was het de aanzet om terug de draad op te nemen, want hij stond intussen in voor de productie van werk van Dinosaur Jr en ging op tournee met z’n oude indienoise (=‘shoegazer’) band My Bloody Valentine, totnutoe enkel in de UK. We kijken er nog steeds naar uit dat de band de oversteek wil maken om hier als vanouds enkele optredens te spelen.
’The Coral Sea’ is een apart stukje poëtische avantgarde!

De organisatie van de Botanique gooide er in de pittoreske kleine Rotonde zomaar drie enthousiast energieke, bruisende en opzwepende beloftevolle bands te grabbel. De gesmaakte formule was weggelegd voor overtuigende acts van Los Campesinos, Lovvers en Sky Larkin.
 
Los Campesinos uit Wales brengt songs uit met de vleet. Ze hebben op anderhalf jaar tijd een EP ‘Sticking fingers into sockets’ en twee (full) cd’s uit, ‘Hold on now, Youngster …’ en ‘We are beautiful, we are doomed’. Het septet leidt nog niet direct aan ideeënarmoede, zo te horen.
De sound is een bruisende cocktail van frisse, sprankelende en zwierige gitaarpop en folk; hun aanstekelijk materiaal werkt in op de dansspieren, heeft een uptempo melodie en bevat aanstekelijke refreinen. Een handig alternatief voor wie houdt van het rauwe Pavement en de springerige dynamiek van bands als Architecture In Helsinki, Polyphonic Spree, I’m from Barcelona en Broken Social Scene. Oorstrelende ‘feel good music’, wat wordt omschreven in de cd titels en de ellenlange songtitels en … het voordeel zit ‘em dat ze net korte, kernachtige nummers schrijven.
Het publiek onderging een uurtje hun enthousiasme, onbezonnenheid en speelsheid. Ze zweepten de boel op door gitaarinjecties, drums, toetsen, xylo en viool, maar ook door de afwisselende zang van de weirdo Garreth en Aleksandra Compesinos en de meerkorig schreeuwerige zang. Meteen zat de vaart erin met nieuwe songs als “Ways to make it through the wall”, “The international tweexcore underground” en de klassieker “Death to LC”; de subtiliteit klonk door op “Miserabilia”, “You’ll need those fingers for crossing”en “Documented minor emotional breakdown”.Het waren net deze songs die het schoentje wat deden wringen; ze klonken fatsoenlijk, verzorgd en voorspelbaar.
In het tweede deel hielden we alvast van het opbouwende “This is how you spell “Hahaha”, I destroyed …”, ” My year in list” en “We are beautiful, we are doomed”.
Ze zorgden voor een evenwichtige set, variatie, humor en spontaniteit (Garreth boorde zich zelfs een weg naar de PA en ging in duet met Aleksandra). En met “You! Me! Dancing!” en “Sweet dreams , sweet cheeks” ging het hyperkinetische septet naar een charmant hoogtepunt: ze zongen op de geluidsversterkers, mepten op de drums en cimbalen en lieten gierende gitaren, kleurrijke toetsen, xylo en een zwierig viooltje doorklinken. Een krachtige, verbluffende apotheose .

De Bota trakteerde op volgende supports: Het jonge Britse trio Sky Larkin, onder Katie Harkin, een jonge Polly Harvey/ Kim Gordon/Kim Deal, speelde een goed half uur broeierige en opwindende rammelende gitaarrock: een krachtige, gebalde gitaarpartij, een diepe bas en een opzwepende percussie. Meer moest dat niet zijn om in de spotlights te komen. Ze tekenden voor het Wichita label van Bloc Party en The Dodos. Ook Lovvers uit de UK valt binnen hetzelfde schuitje ; ze speelden een ultrakorte set van een twintigtal minuten, waarbij de ene snelle song(riff) de andere opvolgde: rauw rommelende en rammelende krachtige gitaarpunk. Een hard, bedreven ontregelde sound en een ontstemd galmende stem weerklonken van de heen en weer huppelende zanger. Hun set, regelrecht vanuit het repetitielokaal, was er eentje die met verstomming sloeg.

Organisatie: Botanique, Brussel

zaterdag 08 november 2008 01:00

Le Loup: gecontroleerde chaos

Het Amerikaanse Le Loup uit Washington DC onderscheidde zich op z’n vorig jaar verschenen debuut ‘The throne of the third heaven of nations’ millenium general assembly’ (wat een titel!) als een soort Animal Collectieve, als ‘em gaat om elektronicagestoei. Verantwoordelijke is zanger/songschrijver Sam Simkoff, die z’n muzikale dwarrelgeest laat versmelten met frisse gitaarpartijen, ritmische drums , trommelwerk, handclapping, bleeps en beats. De meerkorige harmoniezang heeft dan op z’n beurt iets mee van Arcade Fire.

Ze waren al in het voorjaar eens te zien in een ruimere bezetting van zeven man (in de Bota), nu waren ze met zes voor concerten in de Bota en in de Trix,.
Op het eerste zicht zou je deze kleine jonge gast met pet en nerdbrilletje z’n muzikale inventiviteit niet toegeven. Hij kon vocaal hoog gaan en gebruikte zelfs twee microfoons om de galm te laten doorklinken; en hij speelde als een kronkelende schildpad op z’n op de grond geplaatste elektronica-apparatuur en veerde recht om enkele begeesterende banjopartijen op ons los te laten. Z’n muzikale uitspattingen werden moeiteloos opgevangen door de andere vier bandleden, wat ervoor zorgde dat we een snedige, gestructureerde indie rockende trip hoorden. Een vrij directe, minder nerveuze sound dus.
De groep liet een ontspannen indruk na in de voor de gelegenheid omgebouwde Trix Bar; tafeltjes en stoelen stonden opgesteld, om iedereen knus te laten genieten van de gecontroleerde chaos van deze bende.
Ondanks de geringe opkomst, stond er een uiterst gemotiveerde (wolven)band op het podium , die ons een klein uurtje lang liet genieten van hun op americana gebaseerde indiefolkelectronica, ergens tussen Arcade Fire, Port O’Brian, Tunng en Animal Collectieve.

Het Antwerpse kwintet You Raskal You kreeg ruim de kans hun dromerige americana met een psychedelisch tintje door toetsen voor te stellen. Ze speelden een evenwichtige set en het was vooral de drummer, die in de spotlights kwam: uiterst beheerst, maar op het juiste moment, mepte hij de song naar een hoger niveau. You Raskal You valt te situeren ergens tussen Wilco en Grandaady; hou vooral hun single “The year I bleached my hair” in het oog!

Organisatie; Trix, Antwerpen

Een heel interessant avondje vormde het duo concert van Mariee Sioux en Syd Matters; ze kregen elk een uur de kans om hun muzikale formule van dromerige, herfstige pop met een folky/psychedelische inslag voor te stellen.

Het uit Parijs afkomstige Syd Matters, onder songschrijver Jonathan Morali, scoorde al hoge ogen tijdens les Nuits Bota toen ze hun derde cd ‘Ghost days’ voorstelden. Ze bereikten vooral onze Franstalige vrienden. In Vlaanderen heeft het kwintet nog maar weinig armslag. Toch moeten we even over de taal- en landsgrens durven kijken en stilstaan om deze band te (willen) ontdekken. De groep put uit de semi-akoestische scène van Donovan, Belle & Sebastian, Loney, dear, Sufjan Stevens en Elbow: meeslepende songs met een hoog (semi-) akoestisch gehalte, gedragen door een stemmenpracht. Kleurrijke toetsen bieden een psychedelica inslag. Kwalitatieve schoonheid dus! Tja, niet voor niks haalden ze Syd Barrett aan van Pink Floyd in hun groepsnaam!
Op het Dourfestival wist de Franse band me te intrigeren door een goed uur lang het publiek te beklijven met hun subtiel uitgewerkte fijne popsong.
Het ingetogen “Everything else” vatte de set aan: akoestisch toongezet, die dan door de volledige band mooi werd opgebouwd door aanzwellende gitaren, toetsen, drums en de op elkaar afgestemde vocals. De daaropvolgende nummers “Cloudflakes” en “Obstalcles” lagen in het verlengde en waren door toetsen en dwarsfluit een regelrechte ‘70’s retrotrip, met een knipoog naar Devandra Banhart. Op “It’s a nickname” kon de toetsenist loos gaan binnen het muzikaal concept van de band, en het sferische “Louise /my lover” had een Elbow bombast gehalte. Ze beheersten en wisselden moeiteloos van instrument. En ze hielden zich niet in om de pedaaleffects in te drukken; we hoorden een steviger “Anytime now” en het gekende “Me & my horses” werd een retropsychedelische trip, met onverwachtse wendingen, handclapping en een snedig, noisy einde.
Een ontroerende “Untitled”, een ingetogen “To all of you” en een krachtig uitgesponnen “Bones” besloten definitief de overtuigende set.
Syd Matters is een Franse band die zich duidelijk weet te onderscheiden van de doorsnee (armoedige) Franse poprock.

De 23 jarige folky singer/songschrijfster Mariee Sioux uit Nevada City, met de lange zwart krullende haren over haar schouders, was al op het Domino festival te zien als support van Alele Diane. Zij maakt deel uit van de vernieuwende (free)folkscene en onderstreepte haar Sioux’ verbondenheid (van de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika btw) in haar materiaal. De songs van haar debuut ‘Faces in the rock’ werden warm onthaald. Het zijn innemende, ingetogen folky popsongs, tussen droom en nostalgie, bepaald door haar hemels hoge zweverige (praat)zang en een spaarzaam emotievol akoestisch gitaargetokkel. De minimale inkleding zorgde voor een adembenemende, heerlijke live trip. Ze was onder de indruk van het aandachtig luisterende publiek, wat maakte dat ze een gretig setje speelde. Ze koesterde de enthousiaste reacties van het publiek in het zaaltje van de Bota, waar ze een tweede keer optrad. Ze trakteerde ons zelfs op een moeilijk herkenbare Cure cover "Love song". Na dit optreden zijn we het erover eens: Mariee Sioux gaat haar grote folkdames Alele Diane, Jana Hunter en Joanna Newson achterna. Respect!

Organisatie: Botanique, Brussel

dinsdag 04 november 2008 01:00

Heerlijk wegdromen op de tunes van Swell

Het uit San Francisco afkomstige Swell onder David Freel is al bijna 20 jaar bezig en is een goed bewaard geheim binnen het indie circuit, samen met American Music Club, Red House Painters, en zoals iemand terecht zei Arab Strap (dankjewel dus).
De groep zweert trouw bij sfeerschepping, melancholie en sfeerschepping. Een boeiend broeierig en dromerig geluid.
Onlangs verscheen ‘South of the rain and snow’, dat klinkt als de oude plaatjes ‘41’ en ‘Too many days without thinking’. Maar eigenlijk brengen ze al jaren dezelfde plaat uit. Het zijn sober gehouden songs door het akoestische gitaargetokkel, niet al te dwingende ritmes, een krachtiger klinkende (slide)gitaar, die daar doorheen snijdt, en een bezwerende drums, omfloerst door synth/soundscapes. Songs met een repetitieve slepende en hypnotiserende opbouw, die zich langzaam van je meester maakt, onder die zachte, grauwe zanglijn van Freel.

Het trio speelde een onderkoelde set en liet zich leiden door de rustig, voortkabbelende soms zwoele songmelodie. De nieuwe songs “Trouble loves you” en “Good, good, good” openden de set. En op die manier ging het rustig verder, zonder echte ups & downs, maar waar vervaarlijk verveling kon toeslaan. Middenin de set waren het vooral het sfeervolle “What I always wanted” en het opbouwende “Sunshine everyday”, toevallig beiden uit ’97, die het meeste respons verkregen. Het intieme nieuwe “Saved by summer” mocht na een goed uur de set besluiten. Ze speelden nog twee overtuigende songs in de bis, een lang uitgesponnen “Bridgette, you love me” en titelsong van de nieuwe cd ‘South of the rain & snow’. Freel en de zijnen bedankten voorzichtig hun publiek. Tot een volgende keer dan maar, binnen een paar jaar!

Ook het uit Los Angeles afkomstige Radar Bros kreeg ruim de tijd om hun sfeervolle ingetogen indie americanasongs voor te stellen. ‘Auditorium’ is hun recentste plaat, waaruit ze rijkelijk putten: een sferisch klanktapijt, voortsjokkende ritmes en de warme stem van zanger/componist/gitarist Putnam. Fijngevoelige en heerlijk wegdromende muziek, die af en toe iets forser klonk, maar net als bij Swell schuilt de factor voorspelbaarheid en verveling om de hoek.

De Cactus Club kon op geen beter tijdstip als de zondagavond deze twee bands programmeren. Goed gevonden.

Organisatie: Cactus Club, Brugge

donderdag 30 oktober 2008 01:00

Modern Guilt

Beck Hansen brengt op het eerste zicht misschien geen wereldplaten meer uit als in het begin (‘Mellow gold’, ‘Odelay’, ‘Midnite vultures’), toch weet hij ons telkens te raken , ook al werden de twee vorige cd’s ‘Guero’ en ‘The information’ grotendeels links gelaten door het brede publiek.
Hij is en blijft een begenadigd songschrijver en performer. Vakmanschap en kunde! Het recente ‘Modern Guilt’ is een frisse, leuke ontwapende plaat, klinkt gevarieerd en staat garant voor popsongs, die een rauw tintje kunnen hebben ( “Soul of a man” en “Profanity prayers”) of hij combineert ze met folk, funk, soul, hiphop, dance en psychedelica. Luister maar eens “Orphans”, “Gamma ray”, “Walls” en de titelsong. “Replica” is de meest avontuurlijke song. Brian Burton aka Danger Mouse (van Gnarls Barley ) zorgde voor die formule toegankelijkheid vs heerlijke experimentjes. Overtuigende plaat.

donderdag 30 oktober 2008 01:00

Weather’s coming

Phoebe Killdeer was één van de twee zangeresjes van het Franse Nouvelle Vague. Op haar debuut, die btw werd geproduced door het meesterbrein van Nouvelle Vague, Marc Collin; weet de Australische zangeres/componiste met haar gevoelige stem te raken. Van eigenwijze covers van new wave klassiekers is er op haar debuut geen sprake. De songs zijn een mix van pop, jazz, blues en film noir soundscapes. Ze benadert ergens Waits, Cave, Feist, Joan As Police Woman en Twin Peaks in haar geluid en stem.
De songs klinken broeierig en dreigend (verraderlijk vrolijk!) op “Paranoia” (wat een huiveringwekkende opener), “He’s gone”, “Never tell a lie” en “Looking for a man”. Iets sfeervoller en dromerig zijn “Jack” en “Lilorice skies”. De donkere songs “Stuck inside” en “He’s late” worden bepaald door toetsen, cello, xylo en soundscapes. “How far” is de meest poppy song van de plaat. En op het eind horen we Killdeer op haar best, met een acapella “Somebody”.
Het zuchtende , kreunende meisje op de platen van Nouvelle Vague onderstreepte dat ze meer in haar mars had en ze deed dat met een geslaagde debuutplaat die qua songstructuur en stemkwaliteit hoog scoort.

donderdag 23 oktober 2008 02:00

Ten Stones

Al een hele poos zei de domineeszoon en religieus predikant Dave Eugene Edwards 16 Horsepower vaarwel en kwam voor de dag met het (nog meer) mystieke en mysterieuze Woven Hand, die een geheel brengt van americana, gospel, kerkmuziek, gothic en pop. De vorige cd klonk huiveringwekkend door de begeesterende gitaartokkels, de diepe bas, de bezwerende percussie, banjo, accordeon en toetsen. Een duistere sound, dat bij ‘Ten Stones’ iets minder het geval is.
Woven Hand rockt als 16 Horsepower van vroeger. De songs zijn directer, ondanks dat de onderhuidse spanning en de verbijsterende vocale voordrachten van Edwards behouden blijven; hij verloochent die gospelachtige kerkmuziek niet. ‘Ten Stones’ bevat dreigende rock met een beklemmende melodie, iets minder subtiel en donker dan vroeger. Het blijft een adembenemende en unieke overrompelende luisterervaring: “The beautiful axe”, “Not one stone”, “Cohawkin road” en “Kicking bird”. Variatie is er met het dromerige “Quiet nights of quiet stars” en het sfeervolle “Iron feather”. Edwards geeft op “White knuckle grip” een zwierige tint. De donkere soundscapes op “Kingdom of ice” en de huiveringwekkende outtro hebben dan terug iets apocalyptisch.
Hemel, aarde, hel en verdoemenis, je hebt ze allemaal samen op de zondagsmis van deze songschrijver Dave Eugene Edwards. Verbijsterend plaatje!

donderdag 23 oktober 2008 02:00

Everything is borrowed

Het Britse The Streets, onder Mike Skinner, is er na twee jaar opnieuw bij met een erg sfeervolle plaat. Skinner is het voorbije jaar in de boeken gedoken, las enkele grootse filosofen en hop, weg zijn z’n wildste verhalen en dagdagelijks gezeur over zaken. De mengelmoes van stijlen van pop, hiphop, r&b, (dub)reggae en 2 step zijn in een lager tempo en klinken lichter en toegankelijker. Er zijn minder orkestraties en neurotische beats. Enkele songs zijn uitmuntend (“Heaven for the weather”, “The way of the dodo”, “Never give in”, “The strongest person” en de titelsong), maar anderen, waaronder “The sherry end” missen nu écht de bocht om boeiend te kunnen klinken. Ideeënarmoede schuilt om de hoek. Het wordt maar best dat Skinner nog één plaat zal uitbrengen, vooraleer de muzikale kaars volledig uitgedoofd is.

donderdag 23 oktober 2008 02:00

Knowle West Boy

De laatste cd van de grillige Tricky dateert al van 2003 ‘Vulnerable’, dat duister, beklemmend en broeierig klonk en waaraan de Italiaanse muze Constanza Francavila meewerkte. Tricky maakte in de jaren ’90 al furore onder Massive Attack en debuteerde in ‘95 met ‘Maxinquaye’. Samen met bands als Portishead stond hij aan de wieg van de triphopscene en gaf er eigen swing aan door donkere , dreigende geluidscollages, duistere elektronica en tegendraadse ritmes, in een ondoorgrondelijke mix van pop, blues, hiphop, r&b en drum’n’ bass, onder z’n half brabbelende rapstijl.
Met de jaren klinkt de sound wat lichter, luchtiger en directer. Het recente werkstuk ‘Knowle West Boy’ behoudt de link met z’n wonderbaarlijk debuut: “Puppy toy”, “Bacative”, “Joseph” en “Veronika”. Er zijn enkele sfeervolle songs - vooral op de tweede helft van de cd -, als “Past mistake”, “Cross to bear”, “Baligaga”, “Far away” en “School gates” en tenslotte horen we een tweetal snedige rockers: “C’mon baby” en “Slow”. “Council estate” is het meest avontuurlijke nummer, met een vleugje experiment en psychedelica.
Hij kon terug beroep doen op verschillende zangeressen, waaronder Veronika Coassolo, die er een verleidelijk tintje geven aan deze grimmige trippop. Producer was Bernard Butler trouwens.
’Knowle West Boy’ is een lekker klinkende, gevarieerde plaat, en misschien de welgemeende terugkeer binnen het popfront.

Pagina 309 van 338