logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Hooverphonic
Gavin Friday - ...
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

donderdag 02 december 2010 01:00

Come Around Sundown

Het zal Kings Of Leon worst wezen dat critici hun nieuwste cd maar niets vinden, het ding is het logische vervolg op ‘Only By The Night’ en zal bijgevolg wel een paar miljoen keer over de toonbank gaan. De groep heeft duidelijk gekozen voor de weg van de epische stadionrock met galmende gitaren en een sound die naar de sterren tracht te reiken. Het is hun volste recht, maar ‘t is niet echt ons ding. Wij blijven zweren bij de charmante rommeligheid van ‘Youth and young manhood’ van de tijd waarin het beloftevolle nieuwe bandje nog binnengehaald werd als de nieuwe Strokes. Ook ‘Aha shake heartbreak’ en ‘Because of the times’ hebben nog steeds een vooraanstaand plaatsje in onze collectie, maar vanaf ‘Only by the night’ begonnen wij al enige argwaan te krijgen, ook al stonden er een paar regelrechte krakers op dat album.
Aanvankelijk werkt de weidse aanpak wel. De band schiet verrassend goed uit de startblokken met het heerlijk voorbijglijdende “The end”. De inmiddels vertrouwd rollende single “Radioactive” trekt geslaagd de lijn door gevolgd door het frisse “Pyro”, het tintelende “Mary” en het verdomd pakkende en meeslepende “The face”. Maar dan is het definitief gedaan en vervalt de plaat in vervelend geneuzel en ondermaatse songs ontdaan van elke vorm van inspiratie of emotie. Als u niet wil in slaap vallen mag u de tracks 6 tot 12 overslaan en meteen skippen naar nummertje 13 “No Money”, een lekker stampende rocker die zo op één van de eerste twee platen had gekund.
6 op 13, da’s een buis wat ons betreft maar de charts zullen daar wel anders over oordelen.
Aan u de keuze.

In België zijn er in deze elektronica en dance tijden toch ook nog een hoop talentvolle groepjes die in een verre boog omheen synths, beatboxen en laptops lopen. Bandjes die zweren bij de gitaar als ultiem rock instrument. The Sore Losers is zo een groepje die nog uit het goede rockhout gesneden is, een bandje trouwens waar nog wat overblijfselen van het ter ziele gegane El Guapo Stuntteam in rondhangen. Zanger/gitarist Jan Straetemans blijkt een overtuigend rockertje te zijn. Hij heeft de juiste vibe, een ronkende stem (Jack White hangt af en toe dicht in de buurt) en de nodige passie voor de blues. Dat alles, in combinatie met een handvol potige songs, blijkt meer dan voldoende te zijn om een sterke set te brengen in de Trix. U mag van ons blind hun kersverse debuutplaat aanschaffen, het zal u goed doen. Pas op, ze is nog warm.

De pure onversneden rock en alt country van Drive By Truckers is diep geworteld in de Amerikaanse Zuidelijke staten en zorgt op een podium altijd voor gensters. Vooral de afwisseling in vocals houdt het spannend, enerzijds is er die typische southern stem van frontman Patterson Hood, anderzijds krijgen we de rockende bariton van Mike Cooley die daarmee aardig contrasteert. Ook de drie gitaren, die nogal eens met elkaar in de strijd durven te gaan maar mekaar daarbij nooit voor de voeten lopen, zijn typerend voor de sound van Drive By Truckers. Een glansrol is hierin weggelegd voor nieuwkomer John Neff die zichzelf niet zozeer in de spotlights stelt maar die vooral zijn gitaar laat spreken met puntige solo’s en heerlijk slide werk.
DBT leveren de perfecte afwisseling van vlammende en heftige rocksongs (“Marry me”, een wervelend “Hell no I ain’t happy”), melodieuze klassieke rockers met een knipoog naar Neil Young (“After the scene dies”, “The fourth night of my drinking”), knappe countryrockers (“Birthday boy”, “Carl Perkins Cadillac”) en een gebeurlijke mooie zalvende ballad (“Santa Fe”).
Een band die maar liefst tien platen in amper twaalf jaar heeft uitgebracht kan losjes kiezen uit een omvangrijke stapel vijfsterren-songs zodat het onmogelijk is dat er ook maar één zwak moment te bespeuren valt in hun set. Vandaar, het concert boeit van begin tot einde.
Enige frustratie die je met een DBT optreden kan hebben is dat je zonder veel moeite een pak schitterende songs kan opnoemen die de heren niet spelen. Zo wordt er maar heel sporadisch geput uit hun magnum opus ‘Southern Rock Opera’ en dat is misschien een beetje jammer, maar we gaan vooral niet morren want we hebben hier te doen met een luxe probleem.
Bij aanvang van de bisronde meldt Patterson Hood trouwens dat er alweer een nieuwe Drive By Truckers cd op stapel staat (en de vorige ‘The big to-do’ is amper een klein jaartje oud, van een productief groepje gesproken) waarop hij prompt de prachtige en absoluut veelbelovende nieuwe song “Used to be a cop” uit zijn mouw schudt.
Spontaan beginnen wij kwijlend te verlangen naar die nieuwe plaat (zou voor februari al zijn). Met die bisronde gaat het daarna alleen maar in crescendo met “Get downtown”, die spetterende rock’n’roll song uit dat voortreffelijke album ‘The big to do’, en het geweldige anthem “Let there be rock” (ode aan AC/DC, Lynyrd Skynyrd en verder eigenlijk alle onverslijtbare rock die u helaas nooit zal horen op Stu Bru).

Drive By Truckers is nog zo eens een groep die klasrijke traditionele rock met passie brengt en niets anders dan dat. Geen geforceerde hippe geluidjes, geen pretentie, geen macho rockstar gedoe, geen in marketingkringen uitgedokterd imago. De wereld heeft zulke bands nodig. En, niet te vergeten, The Sore Losers is er gelukkig ook zo eentje. Er zijn nog zekerheden in het leven.

Organisatie: Trix, Antwerpen

zaterdag 27 november 2010 01:00

Gorillaz - Schitterend totaalspektakel

Wat als een ambitieus nevenprojectje is begonnen, is uitgegroeid tot een fameus totaalspektakel en een tijdrovend circus. Maar creatief brein en muzikale veelvraat Damon Albarn weet er raad mee, hij heeft met de unieke formule van Gorillaz onverhoopte successen bereikt en reist met zijn omvangrijke gevolg de wereld rond waarbij hij overal op zeer lovende reacties onthaald wordt. De man geniet er zichtbaar met volle teugen van en alle bandleden delen in zijn vreugde. Gorillaz is hot.

Aanleiding tot de succesvolle concertenreeks is natuurlijk het avontuurlijke derde Gorillaz album ‘Plastic Beach’, een plaat met een verslavende werking en eentje die bovenaan gaat eindigen in alle eindejaarslijstjes. En na wat we vanavond hebben mogen meemaken, gaan wij dat album nog meer koesteren. Een hele resem special guests hebben er aan meegewerkt, en een pak van hen dartelen gewoon mee op tournee, ook al staan ze iedere avond maar enkele ogenblikken op het podium.
Om Gorillaz live ten volle mee te beleven kom je ogen en oren te kort. Razend knappe visuals en animaties passeren op groot scherm terwijl daaronder op het podium ettelijke muzikanten met laaiend enthousiasme hun ding doen. En dan is er nog Damon Albarn zelf die volledig opgaat in dat totaalgebeuren en hierbij de bedrijvigheid aan de dag legt van een overenthousiast kind dat zopas een uitpuilende speelgoedbox van Sinterklaas heeft gekregen. Hij vliegt en springt over het podium, hitst geregeld zijn bandleden op en gaat die zelfs ongegeneerd omhelzen.
Tijdens zijn vrolijke escapades blijft hij steeds knap bij stem en zingt hij met een ongeziene vurigheid. Een prachtige frontman dus die centraal op het podium dan nog eens geflankeerd wordt door een paar levende legendes, met name Clash leden Mick jones en Paul Simenon. Jones fladdert voortdurend geamuseerd over en weer op het podium, ondertussen de fijnste gitaarriffs uit de losse pols schuddend, en een al even driftige Simenon weet met zijn diepe bastonen een nadrukkelijke stempel op het Gorillaz geluid te drukken.
Na de knappe animatie intro komt een strijkensemble bestaande uit een handvol bevallige kortgerokte jongedames (een mens zou wensen dat hij een viool was) op magistrale wijze de eerste tonen van “Orchestral intro” inzetten en daarna komt Snoop Dogg van op groot scherm een welkomstwoord rappen in “Welcome to the world”, op het podium wordt hij hier bijgestaan door het naarstig trompetterend Hypnotic Brass Ensemble, een hitsige blaaskapelbende met een buitenproportionele longinhoud. Het is algauw duidelijk dat we hier vanavond grootse dingen gaan beleven.
Een voorname gast is soullegende Bobby Womack die het aanstekelijke “Stylo” op de meest wonderbaarlijke manier naar de hemel zingt. Een stem om van omver te vallen. Ook de strot van de bevallige Rosie Wilson knalt helder in “19-2000”.
Om te tonen dat Gorillaz ook zonder gastzangers kunnen schitteren komt Albarn van achter zijn piano “Melancholy hill” subliem vertolken en blaast hij er een gloeiend en ontvlambaar “Rhinestone Eyes” door.
De rappers van De La Soul hebben in het voorprogramma voor wat bedenkelijk en geforceerd amusement gezorgd, maar hun raps blijken binnen het concept van Gorillaz wel te werken en ze maken een knetterende party van “Superfast Jellyfish”.
Nog schoon hip hop volk op de vloer met Bootie Brown en MF Doom in een uiterst knap “Dirty Harry” (met heerlijke backgroundkoortjes) en “November has come”.
De Oosterse muze Little Dragon doet samen met Albarn een paar mooie dingen op het fijne “Empire ants” en op het lieflijke wiegeliedje “To Binge”, en om “White flag” te introduceren komen een combo Syrische muzikanten de meest betoverende Oosterse klanken uit hun gekke instrumenten toveren. Wij zien nochtans geen slang uit een mand komen, maar we kunnen die er zo bij denken.
Het fantastische dansfeestje “Dare”, een hoogtepunt onder de hoogtepunten, met Rosie Wilson in een spetterende hoofdrol, blaast het dak van de Lotto Arena.
Voor we het goed beseffen zijn we al aan de finale beland. De temperatuur gaat nog maar eens de hoogte in met het stomende “Glitter Freeze” (weliswaar zonder de fantastische brompot Mark E Smith maar toch even briljant) onmiddellijk gevolgd door een furieus “Punk” waarin de heren van The Clash door het dolle heen gaan.
Voor de bisronde komt Bobby Womack nog eens schitteren in “Cloud of unknowing” en ontploft de hele zaal met “Feel good Inc” dat opgejut wordt door de raps van De La Soul. Natuurlijk is het ook nog eens dolle pret met de knaller “Clint Eastwood”, die prachtsingle waarmee alles destijds is begonnen, om dan in schoonheid te eindigen met “Don’t get lost in heaven” en de wervelende finale “Demon days” met alweer een fantastische Bobby Womack op de voorgrond.

Ronduit grandioos. Damon Albarn verdient een standbeeld.
Wij mogen hopen dat dit voor herhaling vatbaar is, wat niet evident is met zo een organisatie. Toch misschien nog één keertje in Werchter ? Alstublief, Damon, wij smeken u. De Schuer zal wel betalen. Wij dus.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

donderdag 18 november 2010 01:00

Black Country Communion

Wij hebben een hemelse schrik van supergroepen, vooral wanneer deze zich op het bedenkelijke terrein van Amerikaans getinte hard-rock en AOR bevinden. U herinnert zich misschien nog levendig het gedrocht Chickenfoot, ook zo een supergroep die een plaat maakte waar al een laag schimmel op stond nog voor ze werd uitgebracht (die laag is nu enkel maar aangedikt). Ver uit de buurt blijven was hier de absolute boodschap, want de stank was niet te harden.
Black Country Communion is ook weer zo een onding, een groep met allemaal mannen van de “kijk eens mama, zonder handen” school. De band bestaat uit zanger/bassist Glenn Hughes (Deep Purple van de zeventiende generatie), drummer Jason Bonham (zoon van zijn vader), keyboard speler Derek Sherinian (Dream Theater) en gitaarpoeper eerste klas Joe Bonamassa.
Het is Bonamassa die het grootste part van de nummers geschreven heeft en dat is er aan te horen. Hij vertrekt in Honolulu, speelt een solo, trekt door de ganse VS, doorkruist Canada, komt aan in Alaska en is nog steeds dezelfde solo aan het spelen. Zo iets.
Op zijn eigen platen komt er nog wat blues bij kijken, maar hier is dat quasi volledig achterwege gelaten en vervangen door typisch Amerikaans macho rock waarin de uitvoerders over hun instrumenten en vooral over elkaar struikelen. Ze zijn de hoge cliché hard-rock stemmetjes en vervelende muzikale intermezzo’s ook niet vergeten, want ze weten dat daar een publiek voor is in de States. In Europa zal het al wat minder storm lopen. Toch misschien eens proberen in Duitsland, want daar zijn er nog altijd wat schaamteloze figuren die zomaar in het openbaar een plaat van The Scorpions durven te kopen.
U bent liefhebber ? Neem uw luchtgitaar en ga vooral uw gang (opletten voor kramp in de vingers) maar laat ons met rust.

woensdag 17 november 2010 01:00

M.I.A. - Vrouw met ballen hitst Trix op

Als vrouwen al ballen zouden hebben, dan is M.I.A. toch wel van een serieus klokkenspel voorzien. Haar stijl, attitude en muziek is een welgemeende ‘fuck you’ naar marketinggestuurde plastieken poppen als Lady Gaga, Beyoncé of Rihanna (zet uw tv op TMF of MTV en vul naar believen het lijstje verder aan). Qua rebellie, boosheid en ‘fuck you’ gehalte is er maar één madam die een beetje in M.I.A. haar buurt komt en dat is Peaches, maar dat is dan weer een zodanig manwijf dat we een sterk vermoeden hebben dat ze wel echte ballen heeft …

Het concertje van M.I.A. kon je op zijn minst ophitsend noemen. De beats en raps mistten hun doel niet, ze waren luid, explosief en messcherp. De algemene teneur was nogal militant en pompend. Een drum, een knallende beatbox (met samples van onder andere scheurende racewagens en luid knallende geweerschoten) en een paar onstuimige dansers in combat outfit waren de perfecte begeleiding voor de snauwende en knarsende raps van M.I.A.
Een uiterst agressieve song als “Born Free”, gebouwd op die beukende Suicide sample uit “Ghost rider”, was een regelrechte aanval richting onderbuik. Die knaller (en nog steeds onze favoriet) zat trouwens vroeg in de set, maar het explosieve en bitsige sfeertje werd nadien wel sterk aangehouden met opjuttende dance tracks als “Story to be told”, “Bamboo Banga” en “Boyz”… tot een stroompanne roet in het eten kwam gooien.
Doodjammer en de nachtmerrie van iedere band of artiest, maar iedereen heeft er vroeg of laat wel mee te maken. Bij M.I.A kwam die technische panne dan nog net op het moment dat de dame (met knalgele pruik nota bene) haar publiek al danig had opgejut en er een gloeiend temperatuurtje in de zaal hing. Balen is dat.
Maar kom, na de veel te lange onderbreking hitste M.I.A. de gemoederen alweer op en bij “Paper planes” (voortdrijvend op het prachtige Clash nummer “Straight to Hell”) gingen de poppen alweer aan het dansen en kookte het potje algauw weer over.
Helaas was het kort daarop al gedaan. Veel te kort dus. Ook daarom hadden wij de indruk dat het op de Lokerse Feesten misschien allemaal iets beter en heter was, maar daar had dan ook niemand de stekker uitgetrokken. Is de Kreun in Kortrijk gewaarschuwd volgende week?!

Desalniettemin toch weer een stomend potje dance, rap en jungle van het betere soort.

Organisatie: Trix, Antwerpen

De AB werd in gang gereden met de poppunkertjes van Sharks, zo een groepje van dertien in een dozijn. Piepjonge kereltjes die helemaal nog niet rijp waren voor een concerttempel als de AB. Hun geslaagde cover van de onsterfelijke Clash klassieker “I fougth the law” was het enige vermeldenswaardige momentje.

Een stuk beter was de doortocht van Chuck Ragan, in een vorig leven nog frontman van emo-punkers Hot Water Music. Het bleek een goedgemutste struise kerel te zijn met een doorleefde, rauwe en naar Springsteen neigende stem. Hij vertolkte, vergezeld van een naarstige violist, op akoestische gitaar zijn songs met veel bezieling en kon op nogal wat respons van het publiek rekenen.
Wij wensen de man nog een glorieuze toekomst, maar een beetje meer variatie in de songs zou hier wel op zijn plaats zijn. De chuck mocht later trouwens met The Gaslight Anthem nog een potje komen meespelen en zingen, hij bleek een vertrouwde makker te zijn.

The Gaslight Anthem stond vanavond garant voor een aardig staaltje powerrock met de spirit van The Clash, de passie van The Replacements en de schwung van -we kunnen er echt niet omheen- Bruce Springsteen. Er zijn immers te veel raakpunten (die stem, die gedrevenheid) om The Boss niet te vermelden, maar laat toch duidelijk zijn dat The Gaslight Anthem niet zomaar een bandje zijn die hun grote voorbeelden naspelen, ze hebben wel degelijk een eigen geluid ontwikkeld, en wat voor één.

Je voelde en hoorde dat de heren een punk verleden hebben, en daar hebben ze de juiste drive aan overgehouden. Songs als “1930”, “Stay lucky” en “The backseat” waren er het levende bewijs van, dingen die zonder omkijken rechtdoor stormden en niet te veel omwegen opzochten.
De kracht van The Gaslight Anthem zit hem trouwens in de puntigheid van de steeds kort gehouden efficiënte rocksongs die met zijn allen sterk op hun poten staan. Maar liefst 24 nummers kregen we voorgeschoteld in anderhalf uurtje. Geen ruimte voor solo’s of onnodige muzikale opschepperij dus. Heel even nam frontman en uiterst sympathieke peer Brian Fallon de tijd om de zaal toe te spreken, maar voor de rest gaf de groep er zonder veel commentaar een geweldige lap op met gebalde rocksongs voorzien van ijzersterke melodieën, zoals de uiterste knappe en goudeerlijke “Diamond church street choir”, “The Queen of lower Chelsea” en “Miles Davis and the cool”, om er maar een paar te noemen.
Eigenlijk zat het vuur er al van bij de aanvang goed in, maar toch bleek de band naarmate de set vorderde meer en meer onder stoom te komen en ontmondde het hele optreden in een heuse climax. De jonge wolven speelden met een ongedwongen drive en passie en zonder enig zweempje van arrogantie. En om te tonen dat er ook een portie soul door hun bloedvaten stroomt, brachten ze een knappe eigen versie van de onverslijtbare Wilson Pickett kraker “In the midnight hour”.
Trouwens een bijzonder goede inval van Fallon om zonder het podium te verlaten al meteen de bisronde aan te vangen. “Laten we hier gewoon blijven staan en die overbodige pauze overslaan, zo kunnen we meer songs spelen”, zei Fallon. Groot gelijk had ie en daarop zette The Gaslight Anthem al van ver de eindspurt in met een splijtende demarrage met pure Philip Gilbert allures. Het dak ging er af met de gloeiende knalpotten “Great expectations” en “The ’59 sound” (hebben ze elders al een paar keer met nonkel Springsteen hemzelve tot een spetterend vuurtje uitgebouwd) en het almachtige “American slang”. Dan werd er heel eventjes gas teruggenomen met een mooi “Here’s looking at you, kid” om vervolgens finaal te ontploffen met de felle punkrocker “The backseat”.

Kijk, The Gaslight Anthem was nu een groepje volledig naar ons hart …

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

donderdag 11 november 2010 01:00

Headstrong

Qua metal valt er in ons  landje maar heel weinig te beleven. Het is veelzeggend als de reanimatie van Channel Zero zowat het belangrijkste metal feit is van het laatste jaar.
Het is aan bands als Trafficjam om daar verandering in te brengen. Zelf noemen ze hun muziek ‘ alternative hardness’, het kind moet een naam hebben. Wij horen vooral stampende metal die dicht aanleunt bij Machine Head, maar dan met een hoop samples, keyboards en synths tussen gewrongen. De ene keer zijn die keyboards een meerwaarde, elders zitten ze dan weer hevig in de weg.
Het geheel klinkt best wel stevig en er staan handenvol snedige en harde riffs op dit album, maar onvergetelijke songs hebben we niet ontdekt. Wel een potige sound.

Info op http://www.trafficjam.be

donderdag 11 november 2010 01:00

Well Hunger

Het debuutalbum van het Gentse Kapitan Korsakow is niet echt geschikt -en we drukken ons nog zeer voorzichtig uit- om op een zondagmorgen zachtjes te ontwaken. Uw ochtendlijke boterkoek zou wel eens in uw keel kunnen blijven steken, want dit is een hardnekkige brok noise waarbij een gezonde mens meermaals naar adem moet happen.
Voor zij die iets van Mc Lusky in hun platenkast staan hebben, dit is misschien iets voor u. Voor alle anderen, eerst uw oren oefenen ! Dit is hoegenaamd geen toegankelijke pop, op de radio zal je dit niet horen.
De gitaren piepen, kraken, scheuren en knarsen dat het een lust is.
Enkele rake neurotische kopstoten als “Sinksleeping” (stonerrock in een bad salpeterzuur), “Wild smile” (Nirvana op zijn vuilst), “Cozy bleeders” (Black Sabbath en Killing Joke samen in de kelders van Cockerill-sambre) razen door uw brein, hard, schreeuwerig, gemeen en tamelijk verschroeiend. Onze favoriet is “The looder”, de meest gruizige stoner die we in jaren gehoord hebben.
Afsluitstuk “Sheep dip” -we spreken van stuk omdat je dit bezwaarlijk een song kan noemen- is een klomp herrie van 48 minuten (u leest het goed, 48 !) vol met gestoorde noise en totaal ontspoorde gitaren. Als u dat ding volledig kan uitzitten, krijgt u van ons een fles vodka. In één keer uitdrinken en ontdek op die manier de ware betekenis van het Korsakow syndroom. Moet u beslist eens proberen.

Info op http://www.myspace.com/kapiteinkorsakov

donderdag 11 november 2010 01:00

Little trouble kids

Een duo, nog maar eens. Koppeltje uit Gent, vrouwtje drumt en zingt, mannetje speelt gitaar en zingt. We gaan u niet meer lastigvallen met de voor de hand liggende vergelijkingen met u weet wel wie.
Lo fi, zegt u ? Ze doen het in een gammel repetitiehok, Thomas Werbrouck’s gitaar is niet altijd even zuiver gestemd en Eline Adam zou naar verluidt geen echt drumstel beroeren maar wel een simpele houten kist (nee, geen Dash ton, klinkt nochtans wel zo) die ze met flamencoschoenen bewerkt. Lo fi it is.
Het is meer indie dan blues en het rammelt nogal, zullen we het maar voor het gemak garage-indie noemen. Het heeft wel iets, een soort primitieve energie bijvoorbeeld die we ook kennen van prille Pixies. In de beste gevallen komen daar een paar spetterende songs uit (“Cool kids”, “90’s dream”, “She made me”) maar daartegenover staat dat bepaalde tracks gebouwd zijn op een paar halve ideeën en wat krakkemikkige akkoorden waardoor ze te mager uitvallen, hoewel ze spontaan en sympathiek klinken.
Leuk debuut, maar om er in dit genre boven uit te steken zal er toch nog wat meer vet in de soep mogen.

Info op http://www.myspace.com/bostonteapartytheband

donderdag 04 november 2010 01:00

Before today

Een plaat die doordrongen is van seventies geluiden en eighties kitsch, zo te horen opgenomen met bedenkelijke apparatuur (alsof u dat ouwe cassette recordertje nog eens heeft bovengehaald), rollebollend van disco naar rock, pop, soft rock, easy listening en glam. En toch, bij momenten wonderlijk, omdat hier een sfeertje gecreëerd wordt van een bruisend stadsleven vergeven van allerlei vreemde figuren en onvoorziene kronkelingen.
Zappa en Bowie worden voor de voeten gelopen door de meest kitscherige synths, galmende gitaartjes wroeten zich een weg doorheen onwaarschijnlijke combinaties van new wave, funk en old school disco.
De refreinen zijn dikwijls kitscherig, maar steeds bijzonder aanstekelijk. Dit uit zich in heerlijke prikkelende songs als “Bright lit blue skies”, “Fright night”, “Round and round” en “Beverly kills”.
Plots komt er een venijnige hard rock gitaar “Butt-house Blondie” inzetten, een nummer die gemarineerd is in de seventies, en met afsluiter “Revolution’s a lie” bevinden we ons eensklaps in de post punk wereld van Wire, PIL en Joy Division.
Dit is een album dat overloopt van de ideeën en toch niet over zijn eigen voeten struikelt. Ariel Pink stuurt zijn songs alle richtingen uit en pikt onderweg de fijnste muzikale kwinkslagen en vondsten op.
Er broeit iets ongewoons in dat geschifte brein van Ariel Pink en ‘Before today’ is daar de uiterst boeiende neerslag van.
Dit blinkt uit in originaliteit en vindingrijkheid.

Pagina 86 van 111