logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Gavin Friday - ...
Gavin Friday - ...
Ollie Nollet

Ollie Nollet

Local Punkheroes - The Spanks - Tijdloze garagerock vol passie

Rock-'n-roll brengt een mens nog eens ergens. Zoals in een godvergeten gat als Schuiferskapelle, deelgemeente van Tielt. Dirty Pik, voorman van The Dirty Scums, organiseert er af en toe, wanneer het hem uitkomt, een festivalletje in zaal Club 77. De release (de 31ste!) van de nieuwe Dirty Scums cd, ‘Before we die!’, vormde de perfecte aanleiding om nog eens enkele lokale punkgroepen op te trommelen.

De eerste twee bands liet ik aan me voorbijgaan en dat had ik met de derde groep net zo goed kunnen doen. Street Rock Rebels uit Maldegem bracht streetpunk, een variant van oi!, en dat is niet meteen het soort punk waar ik warm van loop. Maar met bassist UxJx - alias Jan Vandekerckhove, bekend van onder meer Liar en Congress - had de groep toch een prominent figuur in de rangen, wat mijn interesse wekte.
Hoewel het niet echt mijn ding was, kon ik deze simpele, strak gebrachte, meebrulbare punk best wat smaken. Soms kreeg ik wel de indruk telkens naar hetzelfde nummer te luisteren, iets wat bij "Ghosts & demons" zelfs letterlijk gebeurde. Daar viel nog mee te leven, in tegenstelling tot het oeverloze gezwam tussen de nummers door van Fred Van Opstal, die nochtans als zanger niet onverdienstelijk was, maar met zijn geleuter alle geloofwaardigheid te grabbel gooide.

Daarna liep het zaaltje plots helemaal vol voor The Dirty Scums, de langst onafgebroken spelende punkband van België en wellicht zelfs van West-Europa. Zanger-gitarist Dirty Pik, drummer Dirty Zjantie en bassist Dirty Keez werden als helden onthaald en de sfeer zat er meteen goed in.
Ik keek er wat verweesd naar want de gammele punk van de Tieltse sterren wist me nooit echt te raken. Nieuwe nummers als "Debbie Harry" leken kant noch wal te raken terwijl ik de oudere nummers vroeger zeker al beter gehoord had. Toen de groep de carnavaleske toer opging met nummers als "Rit'n zat te skit'n" en "Bob De Brouwer" haakte ik helemaal af. Ik had toch veel meer verwacht van een groep die al 45 jaar actief is.

Dat smaken verschillen werd duidelijk toen meer dan de helft van het publiek al vertrokken was voordat The Spanks aan hun set begonnen. Vooral de diehard punkers waren met de noorderzon verdwenen. The Spanks zijn dan ook geen punkband.
De groep uit Merchtem zag in 1984 het levenslicht nadat zanger Rik Tielemans en gitarist Jan Van Den Bergh The Nomads aan het werk hadden gezien. Samen met The Paranoiacs en The Mudgang vormden ze het hart van de toen bloeiende Belgische garagerockscene. The Spanks maakten drie albums waarvan ‘In your face’ uit 1990, verscheen op het befaamde Get Hip Records, het label van Gregg Kostelich, gitarist van The Cynics.
In 1992 houden ze er noodgedwongen mee op nadat de gitarist voor zijn job naar Madrid verhuist. Nadat zanger Rik Tielemans ernstig ziek wordt en bassist Willy Annaert sterft, lijkt het einde definitief. Maar wanneer Jan Van Den Bergh terugkeert uit Spanje, worden The Spanks in 2022 nieuw leven ingeblazen. Naast Van Den Bergh maakten ook drummer van het eerste uur Bart Teugels en de nieuwkomers Mike Du Bois (zang) en Willy Douterloigne (bas) hun opwachting.
The Spanks namen een wat aarzelende start en "Keep on hidin'" klonk zelfs wat braaf, al kan een half leeggelopen zaal die indruk versterkt hebben. Heel wild werd het nooit, maar gaandeweg werd het vuur toch steeds meer opgepookt. Wat kon ik mijn hart ophalen aan die met zorg gekozen covers van obscure nummers uit lang vervlogen tijden: "Good guys don't wear white" van The Standells, "Night of the phantom" van Larry & The Blue Notes, "Picture my face" van Teenage Head, "Dateless night" van Allen Page with The Deltones, "Long gone" van The Customs.
Tussen al dat moois verbleekten de eigen nummers zeker niet. Integendeel, "Baby please come back", de gloednieuwe single die net zo goed in de sixties gemaakt had kunnen zijn, zou zeker niet misstaan in dat rijtje. De bevlogen zang en de immer smaakvolle gitaar zorgden voor pretentieloze, tijdloze garagerock die me steeds meer in haar ban kreeg. Zeker toen klassiekers als "Strychnine" van The Sonics en "You're gonna miss me" van The 13th Floor Elevators de zaal in werden gevuurd.
Een enkele keer sloegen ze wat mij betreft toch de bal mis. "(What's so funny 'bout) peace, love and understanding" van Nick Lowe vind ik best een aardig nummer maar het aangemeten garagejasje zat niet echt als gegoten.
Ondanks het fel uitgedunde publiek en het feit dat ze eerder die avond al een set in Gent hadden gespeeld, maakten The Spanks nog tijd voor een uitgebreide bisronde met drie songs die voor eeuwig in mijn denkbeeldige jukebox gestationeerd blijven.
Nadat Mike Du Bois tevergeefs naar zijn mondharmonica had gezocht volgde alsnog een excellente cover van "It's all over now, baby blue" van Bob Dylan, die me deed denken aan de versie van Thee Cha Cha Chas, het duo uit Melbourne, van enkele jaren geleden.
Om het feest compleet te maken volgden nog "Have love will travel" van Richard Berry, vooral bekend in de versie van The Sonics, en "Teenage kicks" van The Undertones. Misschien wat veel covers, maar garagerockbands hebben eigenlijk nooit anders gedaan.
Met een energieke set waar de passie van afdroop, bewezen The Spanks dat ze er weer helemaal staan.

Organisatie: The Dirty Scums

Bella and The Bizarre - Tussen camp en elementaire rock-'n-roll
Bella and The Bizarre + Straight Shooter

Tributebands? Daar loop ik normaal in een grote boog omheen maar voor Straight Shooter maak ik graag een uitzondering. Je kunt iemand die een eerbetoon aan Greg Cartwright brengt moeilijk van plat opportunisme verdenken, want de man blijft bij het grote publiek nog steeds een nobele onbekende.
Straight Shooter is het geesteskind van Steven Gillis, die zijn sporen verdiende bij onder meer Fifty Foot Combo, Thee Andrew Surfers en Blackup. Verder bestond de bezetting uit gitarist Felix Gillis (zijn zoon) en bassiste Stella Lemmens, beiden actief bij Thee Deadly Comments, en drummer Lion De Clerck die we kennen van Harvesters en Leopard Skull.
Het Gentse kwartet opende de set met een viertal nummers van Reigning Sound waarbij ik meteen antwoord kreeg op mijn grootste vraag vooraf: "Zou de stem van Steven Gillis wel geschikt zijn voor dit project?". Ja dus, want ze kwam verrassend dicht in de buurt van die van Greg Cartwright en dan was het natuurlijk dubbel zo jammer dat de vocals zo diep in de mix verdwenen. Ook de fijne tweede stem van Stella Lemmens was nauwelijks hoorbaar. Gelukkig was dit het enige minpunt en heb ik verder niets dan lof.
Er werd bijzonder strak gespeeld. Geen geleuter tussen de nummers die elkaar in een razend tempo opvolgden. Het werd uiteraard een feest van herkenning met niets dan parels: "Straight Shooter", "We repel each other" en "Reptile style" van Reigning Sound; "The way I feel about you" van Compulsive Gamblers en "Mary Lou" (oorspronkelijk van Young Jessie) van Oblivians waren er maar enkele van.
Even moest ik me toch achter de oren krabben toen ik plots "Hey Sailor" van The Detroit Cobras hoorde. Maar al snel begon het me te dagen: Greg Cartwright speelde ooit een blauwe maandag bij The Detroit Cobras. Op zich heeft hij niets te maken met deze cover van "Hey Sah-Lo-Ney" van Mickey Lee Lane, maar het blijft een fantastisch nummer en het was wel Greg Cartwright die de dood van Detroit Cobras-zangeres Rachel Nagy in 2022 wereldkundig maakte.
De knap opgebouwde set mondde uit in een zinderende finale met eerst drie Oblivians nummers,  "Part of your plan", "Big black hole" en "Bad man", gevolgd door "You got me hummin'" van Reigning Sound.
Kon Straight Shooter tippen aan het origineel? Dat niet, maar wie de nummers niet kende, werd zonder twijfel omver geblazen door deze compromisloze garagerock. En nu de inspiratie van Greg Cartwright, die zich tegenwoordig wegcijfert in andermans groepen (Laundry Bats en het dodelijk saaie The Hypos), lijkt te zijn opgedroogd is dit een welgekomen alternatief.

Bella Khan is de dochter van de stilaan legendarische King Khan, die in The Pit's enkele onvergetelijke passages op zijn naam heeft staan. Ik zag haar eerder enkele nummers zingen bij een concert van haar vader maar verder was dit voor mij compleet nieuw. The Bizarre bestond uit een gitariste, een bassiste en een drummer terwijl Bella zelf ook gitaar speelde. De Berlijnse zangeres verscheen in een opzichtige lange jas en het vervolg liet zich raden.
Na enkele nummers werd het te warm en moest de jas plaats ruimen voor een luchtigere outfit. Bella kwam zeker wat gecultiveerder dan vaderlief voor de dag, al leek haar broek zo uit de garderobe van King Khan te komen, die er ongetwijfeld nog de schaar in zou zetten. Het openingsnummer dreef op bekoorlijke grooves van jaren '60-meidengroepen waarna werd overgeschakeld naar stevige elementaire rock-'n-roll.
Met "Wo bleibst du?" probeerde Bella het zelfs even in het Duits, iets wat ik al lang niet meer gehoord had. Het durfde soms wat rommelig te klinken maar de soulvolle, gepassioneerde zang maakte veel goed.
Naarmate de set vorderde zakte het tempo en nam het campgehalte toe. Soms balancerend op het randje maar het bleef steeds genietbaar. Iemand maakte de vergelijking met Tav Falco's Panther Burns en daar had hij beslist een punt: diezelfde zwijmelende camp die er net niet over ging.
Het theatrale werd allerminst geschuwd, zo schoof Bella even haar gitaar opzij om zich over te geven aan een soort slangendans.
Voor de twee bissen werd het tempo opnieuw opgeschroefd met nummers die het midden hielden tussen punk en exotica.
Tijdens de slotsong droeg Bella, zelf juwelenontwerpster, een prachtige juwelensluier die naadloos aansloot bij haar Oosterse roots.
Toen ik na afloop de setlist kon inkijken viel me nog iets vreemds op. Van de debuutplaat uit 2024 op In The Red Records was geen spoor te bekennen. "Delusions", de tweede single, bleek het enige gekende nummer.
De rest bestond waarschijnlijk uit materiaal van de nieuwe plaat die er zit aan te komen. En dat zou mits wat schaafwerk best wel eens een mooie kunnen worden.

Organisatie: Pit’s Kortrijk

Thee Vibrafingers - Met fuzz doordrenkte garage rock-'n-roll

Met Thee Vibrafingers en Oil City Band had de boEgie woEgie een mooie double bill op de agenda maar die spatte jammer genoeg uiteen toen die laatste groep in laatste instantie om medische redenen moest afzeggen. En laat Oil City Band nu net de band zijn waar ik het hardst naar uitkeek.

Gelukkig hadden Thee Vibrafingers genoeg referenties om me toch uit mijn kot te lokken. Deze Franse groep uit Tours bestaat intussen al meer dan dertig jaar en haalde destijds haar inspiratie bij uit het juiste hout gesneden groepen als The Cramps, Teengenerate, Oblivians en The Stooges. Erg productief waren ze niet. Slechts vier albums brachten ze uit, maar dat volstond ruimschoots om hun kontobsessie te etaleren met titels als "Play in your ass!" en "Back from your ass!".
Hun recentste plaat verscheen vorig jaar en heet dan weer ‘Don't push me, asshole!!!’.
Hoogstaande poëzie hoefden we dus niet meteen te verwachten, rock-'n-roll des te meer. Gehuld in witte smokingjasjes en getooid met Afropruiken betraden de vier het podium waarna zanger Vinz meteen al zijn duivels ontbond. Hoewel hij toch niet meer van de jongsten is, stuiterde hij als een waanzinnige in het rond, zich van niemand of niets iets aantrekkend. Terwijl hij over het podium rolde of door het publiek scheerde, serveerde de rest van het orkest met fuzz doordrenkte garagepunk.
De rammelende lo-fi rock-'n-roll, gebracht met het nodige enthousiasme, had eigenlijk alles in zich om er een memorabel feestje van te maken. Toch leek er iets te ontbreken om dat helemaal waar te maken. Bij momenten klonk het toch wat te braaf en dat was vooral te wijten aan de stem van Vinz. Die klonk wat zwak en toen hij het op een schreeuwen zette, was hij vaak nauwelijks nog hoorbaar. Stemproblemen of gewoon een slechte microfoon? Wat ook niet bepaald meehielp, was de wel erg bescheiden opkomst. Desondanks wisten Thee Vibrafingers een spetterende finale uit de brand te slepen. Die begon met het Franstalige "Baba", gevolgd door een overtuigende cover van "Do you wanna know" van The Kids (gaat er altijd in!) die eindigde met een tuimelperte over de monitor van Vinz.
Uiteindelijk werd er afgesloten met publieksfavoriet "Put your finger in your ass", een nummer uit hun allereerste plaat en het sein voor Vinz om met een enorme rubberen middelvinger het publiek in te duiken waarbij ik toch iets verdachts tussen de billen voelde.

Organisatie: boEgie woEgie, Menen

Michelle David & The True-Tones - Souldiva zonder kapsones

De laatste plaat van Michelle David & The True-Tones, ‘Soul woman’, klinkt me net iets te gesofisticeerd om echt te bekoren maar hun stevige livereputatie kon me toch verleiden om naar Les 4 Écluses af te zakken. Daar speelden ze al mijn twijfels genadeloos van tafel. En alsof dat nog niet volstond kregen we vooraf nog een tweede revelatie gepresenteerd, Moïra.

Moïra verwijst naar de Griekse godin van het lot maar blijkt tevens een erg populaire groepsnaam. Maar vanaf nu zal ik de naam Moïra vooral associëren met een kwartet uit Lille. Hoewel de groep enkel de digitale single, "Butterfly effect", heeft uitgebracht, maakte ze live een opvallend mature indruk.
Moïra bewoog zich in het schemergebied tussen jazz en rock en kon daarbij rekenen op de sensuele uitstraling van frontvrouw Maï. Haar soepele, soulvolle zang deed voortdurend aan Amy Winehouse denken en daar is absoluut niets mis mee.
Wat verder opviel, was het ontbreken van de alomtegenwoordige elektronica en de keuze voor louter ambachtelijke instrumenten. De bassist en de drummer leken zo uit een jazzcombo geplukt terwijl de gitarist wat meer rock georiënteerd was en niet vies bleek van een toefje psychedelica.
Het echte uithangbord bleef evenwel de gracieuze zangeres die een enkele keer ook de keys bespeelde.
Moïra toonde zich een veelzijdige groep door zowel stevig als fijnbesnaard uit de hoek te komen. Knap!

Michelle David (°1966) groeide op in New York waar ze vanaf haar vierde in de kerk zong. Nauwelijks een jaar later maakte ze al deel uit van een eerste groep, The Mission Of Love. Daarna was ze vooral actief in musicals en studiosessies. In 1994 verhuisde ze naar Nederland, waar ze in de buurt van Amsterdam woont. Sinds 2015 heeft ze er ook een Nederlandse groep, The Gospel Sessions, die in 2022 werd omgedoopt tot The True-Tones. Dit jaar verscheen haar achtste plaat met die band: ‘Gospel woman’, een goed excuus om nog eens de hort op te gaan.
Michelle David bleek een gedrongen verschijning die zich meteen ontpopte tot een souldiva, maar dan wel eentje zonder kapsones. Ik was meteen in de ban van haar warme stem die ze af en toe rauw liet uithalen en steeds oprecht klonk.
Haar Nederlandse begeleiders, alle drie keurig in het pak, oogden misschien wat droog, muzikaal bleken ze van onschatbare waarde.
Michelle David opende de set met "Brothers and sisters", titeltrack van haar voorlaatste plaat. Klassieke uptempo soul, energiek gebracht met twee gitaren en zonder bas; pas na enkele nummers ruilde Onno Smit zijn gitaar voor een basgitaar.
"Speak to me", dat zo een hit van Diana Ross & The Supremes had kunnen zijn, klonk wat ruwer dan op plaat, mede doordat David een deel enkel begeleid door de drums van Bas Bouma zong.
Onmiddellijk daarna kreeg diezelfde Bouma tijdens "You are" zijn solospot, waarin hij zijn talenten ongehinderd mocht botvieren. Het werd een erg gevarieerde set inclusief twee schitterende gospelsongs ("Peace" en "I thank you"), waarvoor de muzikanten even gingen zitten. Voor mij was "If you don't try", dat de rauwe energie van James Brown bezat, het absolute hoogtepunt. Met "More grace" waagde David zich dan weer aan een streep hitsige funk.
Maar er was niet alleen die fenomenale stem, die soms aan Candi Staton herinnerde, ook de gitaar van Paul W. Willemsen klonk al even verbazingwekkend. Zeker geen krachtpatserij, maar vooral de met zorg gekozen klankkleuren, niet zelden met vintage rock-'n-roll tinten, spraken tot de verbeelding.

Dit was één van die optredens waarin zowat alles klopte en de songs stuk voor stuk de plaatversies overtroffen. Slechts één keer lukte dat niet: "When all is said and done" klonk me toch iets te glad. Maar dat bleek uiteindelijk een te verwaarlozen detail in een grandioze set waarin Michelle David het publiek in extase wist te brengen.
Dat publiek mocht tijdens de bis, "Yeah yeah yeah", nog een keer massaal meebrullen, waarna het voldaan en uitgeput huiswaarts kon trekken.

Organisatie: Les 4 Écluses, Dunkerque

Cat Clyde - Frisse kijk op traditionele muziekvormen

De Zwerver nodigt niet zo vaak singer-songwriters uit, maar wanneer dat wel gebeurt, worden die met zorg geselecteerd en blijken het meestal artiesten van een uitzonderlijk kaliber. Zo staat het optreden van Kassi Valazza, vorig jaar ook in het café, nog steeds op mijn netvlies gebrand. Na haar verbluffende set op Leffingeleuren 2024 leek het erop dat we met Cat Clyde een concert van hetzelfde niveau mochten verwachten.

Tijdens de twee Belgische haltes van de tour (De Roma en De Zwerver) mocht de Brusselse Maya Teklal het voorprogramma verzorgen en dat leek me een logische keuze. Zoals zoveel anderen begon Maya Teklal tijdens de lockdown met het schrijven van songs. Als grootste invloeden noemt ze Haley Heynderickx en de haast onvermijdelijke Adrianne Lenker. Dat leverde eigentijdse indiefolk op waarin af en toe een zweem van de klassieke seventies singer-songwriters opdook.
Maya Teklal bracht een reeks sterke nummers waarvan het broze "Mother song" en het met heerlijke hoge ooh-oohs opgesmukte "Ocean" me het meest zijn bijgebleven. De sobere begeleiding bleef beperkt tot haar akoestische gitaar, aangevuld met een tweede gitarist die afwisselend akoestisch en elektrisch speelde.
Vooral op elektrische gitaar liet die laatste zich opmerken met enkele fraaie accenten. Helaas konden we die nauwelijks horen en leek het alsof hij Teklal vooral niet wou storen. Gelukkig bleef die hemelse, bijzonder wendbare stem me de hele set verbazen.
Maya Teklal ontpopte zich tot een aangename verrassing van wie ik hoop haar ooit met een volledige band terug te zien.

Cat Clyde, die Métis-roots heeft, groeide op in de landelijke omgeving van de Canadese provincie Ontario, waar ze momenteel nog steeds in Stratford woont. Haar eerste podiumervaring doet ze op bij The Big Wheels, een band, opgericht door een plaatselijke muziekwinkel, die het niet verder schopt dan enkele optredens op braderieën maar wel de kiem zaait. Later volgde nog een surfpunkgroepje, The Shitbats, waarna ze in 2017 solo debuteerde met het album ‘Ivory castanets’.
Dit jaar verscheen haar zesde studioplaat, ‘Mud blood bone’, een album dat nu al lijkt te solliciteren naar een plek in  de eindejaarslijstjes.
Na een instrumentaal opwarmertje van de band begon Cat Clyde haar set met "Where's my love", tevens het openingsnummer van die laatste plaat, die ze zo goed als volledig zou spelen. Tweede song was "My love", een cover van de Marty Robbins-hit uit 1960, waarbij ik me afvroeg hoe ze ertoe komt zo'n oud nummer te coveren en het zelfs boven het origineel te laten uitstijgen. Het was meteen een treffend voorbeeld van wat Cat Clyde zo uniek maakt: haar frisse kijk op traditionele muziekstijlen als blues, soul, folk, jazz en zelfs rock-'n-roll. Die interesse in dat brede scala aan stijlen is misschien niet zo verwonderlijk als je weet dat ze op haar dertiende gitaar leerde spelen aan de hand van de akkoorden van Leadbelly en Robert Johnson.
De muzikanten van de plaat waren er niet bij. Ze liet zich begeleiden door een tourband bestaande uit bassist Frank Styles, drummer Danny Jerome en gitarist Laurence Hammerton. Drie competente muzikanten, elk een boerensjaaltje om de hals geknoopt, die wat in de schaduw bleven van hun nochtans niet bijster grote werkgeefster.
Clyde bleef alle aandacht opeisen met haar indrukwekkende, soepele stem, doordrenkt van een heerlijke twang, en haar onnavolgbare mimiek. Het leek wel alsof ze voor elke zinsnede een andere gelaatsuitdrukking had. Die verongelijkte blikken tijdens het rockabilly-achtige "Man's World", waarin ze het heeft over het zich verweren tegen een door mannen gedomineerde wereld, waren onweerstaanbaar.
Het werd een set met louter hoogtepunten, al sprong "Dark back" er toch nog uit: zwevende countryfolk met borstelende drums die aan Gillian Welch deed denken. Ze had eerder al vermeld dat ze jarig was, maar toen de drummer haar een gebakje met een kaarsje aanbood kon een door het hele café voluit meegezongen "Happy Birthday" niet uitblijven.
Cat Clyde bleek een onvervalst natuurtalent dat met haar rauwe, levendige zang en begeesterende songs alle harten voor zich won. Na een sensationele set kwam ze nog één keer terug voor een ingetogen soloversie van "The river", afkomstig van haar tweede plaat uit 2019. 

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

Sick Thoughts - Strakke en verrassend melodieuze punk

Dit was pas mijn eerste optreden dit jaar in The Pit's, maar het was er meteen eentje die kon tellen.

De eerste band was Sick Pack, nog maar eens een nieuwe telg uit de wijdvertakte Antwerpse undergroundscene. De prijs voor de meest originele naam zullen ze niet winnen want er bestaan al groepen met die naam in zowel de VS als Rusland. Maar dat ze hun naamgenoten het nakijken zullen geven, daar twijfel ik geen seconde aan.
Ik herkende meteen de gitarist, Brent Pauwels, die me onlangs nog bijzonder aangenaam verraste als zanger-gitarist van Bront, in het voorprogramma van Psychedelic Porn Crumpets in De Zwerver. Hier liet hij de zang over aan Kevin Schuit, de helft van het synthpunk duo Badtime. Om het helemaal tot een supergroep te maken schoof Dennis Van Hoof van Mitraille aan als bassist.
Deze drie muzikanten, elk met een heel uiteenlopende achtergrond, bleken samen een verrassend geslaagde symbiose te vormen. Strakke psychrock voorzien van een onontkoombare drive gebracht met een gezonde punkattitude.
Het trio boetseerde een verbazingwekkend krachtige sound waarin de licht psychedelische gitaar van Brent Pauwels op een heel creatieve manier haar weg vond. Het deed een paar keer denken aan Osees in hun betere dagen en liet allerminst vermoeden dat het hier om een pas opgerichte band ging.
Knappe set die doet uitkijken naar een eerste plaat!

Sick Thoughts is de groep, met voortdurend wisselende muzikanten, van multi-instrumentalist Drew Owen, opgegroeid in Baltimore maar intussen reeds geruime tijd gesetteld in New Orleans. In 2016 was de band al eens te gast in The Pit's maar uit mijn notities blijkt dat dit toen geen onverdeeld succes was. Owen hypothekeerde het optreden toen door niet bepaald nuchter achter het drumstel te kruipen. Ditmaal leek hij niet onder invloed en had hij bovendien een drummer bij zich, wat als frontman een stuk handiger is.
Naast die drummer zagen we nog een gitarist en een bassist terwijl hij zelf ook gitaar speelde. De telkens met een 'one, two, one, two, three, four' gelanceerde nummers bleken stuk voor stuk pareltjes die verrassend melodieus en helder klonken.
De door sommige bronnen voorspelde chaos bleef uit en Owen bleef het strak en transparant houden. Dit was heerlijke punk die gulzig putte uit glamrock, hardcore, garagerock, hardrock en powerpop.
Ook nuchter bleek Owen niet bepaald de aangenaamste kerel, zo bleek toen hij na een gebroken snaar onbehouwen om een andere gitaar vroeg. Gelukkig wist de bassist de aandacht te verleggen door wat te dollen met het basloopje van "White rabbit".
Enkele tellen later had hij dan toch lovende woorden voor The Pit's: hij vond het hier beter dan in Luik en Gent, waar hij eerder had gespeeld. Dat had vermoedelijk alles te maken met de weliswaar wat laat gevormde, maar daarom niet minder intense moshpit.
Drew Owen wordt vaak vergeleken met Jay Reatard, met wie hij dat nukkige karakter gemeen heeft, iets waar ik me in kan vinden, al vind ik hem net iets toegankelijker dan de overleden held uit Memphis.
Hij slaagde er in The Pit's trouwens in wat op zijn platen niet lijkt te lukken: van de eerste tot de laatste noot boeien. Dat was uiteraard mede te danken aan de drie uitstekende muzikanten die hij meebracht.

Organisatie: Pit’s, Kortrijk

dinsdag 21 april 2026 09:28

Unsane - Louterende furie

Unsane - Louterende furie

Met Unsane en Kowloon Walled City haalde Les 4 Écluses twee groepen, die ook op de affiche van Roadburn in Tilburg blinken, in huis en dan weet je wel hoe laat het is: oordopjes worden geen overbodige luxe.
… Hoewel dat bij de eerste band eigenlijk best meeviel. Kowloon Walled City komt uit het Californische Oakland en ontleent zijn intrigerende naam aan een extreem dichtbevolkte enclave in Hongkong, die oorspronkelijk een Chinees fort was. De groep is sinds 2017 actief en heeft vier platen uitgebracht, waarvan de laatste twee op Neurot Recordings, het label van Neurosis. Dat schiep toch enige verwachtingen maar die werden toch niet volledig ingelost.
Kowloon Walled City nam een vreemde start. Het leek wel alsof de twee gitaristen en de bassist zonder duidelijke lijn hun zuinige snaaraanslagen kozen. Toen de drummer eindelijk inviel ontstond er dan toch een bevreemdende sound die zich ergens tussen noiserock en doommetal situeerde. Vrolijk werd je er niet van. Dit klonk somber, kaal en verwrongen. Soms leek het zelfs alsof je drie basgitaren hoorde. Als één van de gitaren zich dan toch even aan hogere noten waagde, was het alsof een eenzaam zonnestraaltje door de zwaar bewolkte hemel priemde.
Kommer en kwel leek ons deel maar het had wel iets. Jammer dat de monotoon declamerende zang van Scott Evans wat kracht miste. De groep koos meermaals voor een hard/zacht-dynamiek maar slaagde er, in de zachtere passages, niet in de spanning op te bouwen. Die klonken eerder saai en stuurloos.
Kowloon Walled City deed er alles aan om iets geheel eigens te creëren, maar struikelde daarbij net te vaak om van een revelatie te kunnen spreken.

Unsane, noiserockpioniers uit New York en bekend om zijn bloederige platenhoezen, bestaat inmiddels bijna 40 jaar. Niet evident want de groep kende de nodige tegenslagen. Zo stierf drummer Charlie Ondras in '92 aan een overdosis heroïne en werd zanger Chris Spencer in '98 door vier man aangevallen na een concert in Wenen, met inwendige bloedingen en een zware operatie als gevolg. Maar de groep krabbelde telkens weer overeind tot Spencer er in 2019 de stekker uittrok om een nieuwe band, Human Impact, te beginnen.
Maar zijn liefde voor Unsane liet hem niet los en amper twee jaar later blies hij de groep, met een nieuwe drummer en  bassist, nieuw leven in. Negen jaar na hun vorige passage stonden ze opnieuw in Les 4 Écluses.
Een nieuwe plaat om voor te stellen, zoals toen met ‘Sterilize’, nog steeds hun meest recente werk, was er dit keer niet. De focus lag op het oudere materiaal en vooral op ‘Occupational hazard’, een plaat uit 1998 die dit jaar een geremasterde versie kreeg. Niet dat dit veel verschil maakte want Unsane moet het vooral van energie hebben.
Chris Spencer is een man van weinig woorden, maar eerst moest hem nog een welgemeend ‘Fuck Trump!’ van het hart vooraleer de hel kon losbarsten. En of die losbarstte! Het zat er meteen bovenarms op met de mokerende drums van Jon Syverson, de middenrif splijtende bas van Eric Cooper en de ongenadig kervende gitaar van Chris Spencer. De oerschreeuw vol opgekropte woede van Spencer, die nog niets aan kracht heeft ingeboet, maakte het plaatje compleet. Hij schreeuwde zich letterlijk de longen uit het lijf of althans de inhoud ervan. Rochels en snot spatten kwistig in het rond. De korte nummers, die je telkens de adem benamen, werden strak, beenhard en luid gebracht.
Dit was onophoudelijk beuken tot iedereen murw was. Chris Spencer leek er ongelooflijk veel zin in te hebben en kon het blijkbaar goed vinden met zijn nieuwe groepsleden. Hij botste voortdurend tegen de bassist aan en vond tegelijk de tijd om de drummer op te jutten. En ondertussen bleef zijn gitaarspel vrij indrukwekkend klinken. Grappig hoe hij zijn gitaar telkens leek uit te wringen wanneer hij een laatste noot liet vibreren.
Hoogtepunten zoeken in een set met zo'n constant hoog niveau voelt wat zinloos aan. Toch sprongen er voor mij enkele nummers wat uit. "This plan" door die verzengende slide, "Scrape" en "Empty cartridge" omdat die staan op ‘Scattered, Smothered & Covered’, de plaat uit 1995 die me liet kennismaken met Unsane.
Na een verwoestend intense set volgde nog één bisnummer, "Only pain", waarna ik de zaal met een gelouterde geest verliet

Organisatie: Les 4 Écluses, Dunkerque

Lilith & The Noise Boys - Psychobilly uit het land van Tadej

Meestal baseer ik me op de albums of, als ik weinig tijd heb, op de recensies daarvan om te beslissen of ik een groep ga zien. In dit geval was het koffiedik kijken want het Sloveense Lilith & The Noise Boys heeft nog geen volwaardige plaat uitgebracht (ze zijn er naar verluidt druk mee bezig), en baarde enkel een viertal singles die alleen digitaal verkrijgbaar zijn. Vooral de eerste daarvan, "Hearts on Fire", klonk veelbelovend, maar het was toch vooral hoe ze hun muziek zelf omschrijven - garage rock-'n-roll - die me naar Waardamme lokte. Dat ik daarbij de onvermijdelijke koffietafel op paasmaandag kon ontwijken was mooi meegenomen.

Lilith & The Noise Boys is ontstaan uit de restanten van Clockwork Psycho (uit Ljubljana), de allereerste Sloveense psychobilly band met een frontvrouw. Tevens een groep met een stevige reputatie en een viertal platen op het conto. Een erfenis die Lilith & The Noise Boys niet konden wegmoffelen maar gelukkig werd er vaak genoeg naast de pot gepist want psychobilly kan me slechts in beperkte doses boeien.
Het viertal nam een eerder makke start met twee hillbilly-achtige songs. Daarna werd het rock-'n-rollgehalte gevoelig opgedreven en sloeg het vuur in de pan. De nummers werden afwisselend gezongen door Lilith Clockwork en gitarist Jure Lenarcic, een man met in whisky gemarineerde stembanden.
Daarnaast ging Lilith met veel enthousiasme tekeer op haar contrabas. Ze moest haar poging om wat acrobatieën met het instrument uit te halen echter staken door te veel feedback. Een derde bepalende factor was leadgitarist Choo Lee, zonder twijfel een virtuoos, maar niet altijd even gelukkig in zijn tussenkomsten, die soms te veel naar metal neigden.
Af en toe liet de band horen meer in haar mars te hebben dan psychobilly zoals in "Marusya", een Oekraïens volkslied of in "Murphy", het enige nummer waarin het tempo werd gedrukt en dat blijkbaar over een hond ging.
Verder viel er ook een obscure cover te noteren: "Bad Habit" van Dypsomaniaxe, een Schotse, volledige vrouwelijke psychobilly band die in 1992 haar enige album maakte.
Hét hoogtepunt zat helemaal op het einde van de set: "Cattin' around", pure rockabilly, strak en kurkdroog gespeeld zoals het hoort. Ook de behoorlijk rock-'n-roll klinkende bis ("Rock Around"?), die we eigenlijk al eens eerder in de set gehoord hadden, was zeker het onthouden waard.

Lang niet alles was even beklijvend, toch hoorde ik voldoende moois om me te laten uitkijken naar die eerste plaat die eraan zou moeten komen. Dit was hun laatste dag van een zeven dagen durende tour door Europa.
De volgende dag stond de terugreis van veertien uur gepland om dan nog een dag later opnieuw te gaan werken. Rock-'n-roll!

Organisatie: Cowboy Up, Waardamme

woensdag 01 april 2026 22:44

The Kids - Nog geen sporen van sleet

The Kids - Nog geen sporen van sleet
The Kids + Vaag + The Covids

Vijftig jaar punk! Vijftig jaar The Kids!! Als dat geen reden tot een feestje is, dan weet ik het ook niet meer. Bovendien bleek dat The Kids nog nooit in De Zwerver geweest waren. Hoe is dat nu mogelijk? Maar na zaterdag is die leemte alsnog gevuld, en dat overigens op een indrukwekkende wijze.

Punk blijkt na vijftig jaar springlevend! Overal schieten jonge punkbandjes als paddenstoelen uit de grond. Eén daarvan is The Covids uit Amsterdam. Ontstaan tijdens de pandemie - vandaar die mooie naam - hebben ze intussen twee albums op hun actief en een stevige livereputatie opgebouwd.
Na een korte intro gaf de band meteen "Banned from the USA" prijs, hun laatste single en wellicht ook hun beste nummer. Een droomstart voor een aanstekelijke set vol korte, no nonsense punkliedjes in de traditie van pioniers zoals The Undertones of Buzzcocks. Zanger Mehdi Tallal leek een pas bevrijd wild dier en ging als een razende tekeer. Daarbij ging de voorraad bier meteen tegen dek waardoor het podium in een schaatsbaan veranderde. Met als gevolg dat Tallal meermaals onderuit knalde maar dat kon hem niet afremmen. Al vlug trok hij zijn shirt uit en onthulde hij zijn blote bast, waarop in grote letters 'No kids more nukes' geschreven stond. De betekenis daarvan is me niet geheel duidelijk. Dat hij geen kinderen wil, weten we uit het nummer "No kids" maar wat hij met die kernwapens wil aanvangen blijft me een raadsel.
Wat provoceren maakt wellicht deel uit van dit soort rauwe, energieke punk die verrassend melodieus klonk. Als slotakkoord diepte het viertal nog een onverwachte cover op: "Just head" van Nervous Eaters, een obscure seventies punkband uit Boston. Mooi!
£
Met Vaag zagen we enkele oudgedienden uit de Kortrijkse underground terug: gitarist Mich Decruyenaere (Hitch, Galatasaray,...) en zanger Bram Coussement (Haemers) met bassist Simon Pertz en drummer Pieter Blancke. Het gezelschap heeft twee EP's op zijn naam staan: ‘Rauw’ en ‘Paniek!’, maar ondanks die titels en de groepsnaam zingen ze gewoon in het Engels. Nu ja, zingen? De zanger bleek een brulboei: zijn met veel overgave gebrachte maar vrij monotone geschreeuw begon na een tijdje op de maag te liggen. De gitaarlijnen van Mich Decruyenaere klonken fris en innovatief maar dat volstond niet om van een geslaagde set te kunnen spreken. Vooral die dichtgeplamuurde sound maakte het voor me te vermoeiend. Toch bleef ik hopen op een moment waarop er wat gas zou worden teruggenomen om zo wat ademruimte te creëren, maar dat kwam er uiteindelijk niet. Maar misschien was ik hier na het argeloze geweld van The Covids niet klaar voor.
De postpunk van Vaag leek plots wat te intellectueel, gekneld als ze zaten tussen twee groepen die zweren bij rechttoe-rechtaan punk.

The Kids zijn zonder twijfel de beste punkgroep die België ooit gekend heeft en ondanks hun eerder bescheiden oeuvre, vijf studioalbums en twee livealbums, mag de band stilaan als een instituut beschouwd worden.
Hun titelloze debuut uit 1978 is een klassieker in het genre, waarvan de originele exemplaren intussen behoorlijk wat geld waard zijn. In de loop der jaren bouwden The Kids ook in de Verenigde Staten een zekere cultstatus op, waar ze, live graag geziene gasten zijn. Maar onder het huidige regime krijgen ze daar helaas geen visa meer.
De groep bestaat dus vijftig jaar, zij het met een hiaat tussen 1985 en 1996. Na de reünie bleven ze regelmatig optreden maar nieuw werk, buiten een verdwaalde single, kwam er niet meer. Ze blijven dus in feite teren op hun oude nummers die inmiddels minstens 45 jaar oud zijn, maar geen mens die hen dat kwalijk neemt. En wie ze ooit zag weet ook waarom.
De drie originele leden in de frontlinie zagen er ondanks de gevorderde leeftijd vrij patent uit: gitarist Luc van de Poel (73), zanger-gitarist Ludo Mariman (71) en bassist Danny de Haes (63, hij was pas 12 toen The Kids begonnen). En Tim Jult is intussen ook reeds zo'n veertien jaar de drummer.
De set werd traditiegetrouw geopend met "No work". De setlist veranderde, in al die jaren na de comeback, nauwelijks, vertelde een fan me. Waarom zou die trouwens moeten veranderen? Eenmaal de perfecte opbouw gevonden, dan hou je die toch. Wat klonk dit meteen fel, scherp en strak!
Meteen daarna volgden nog een trits nummers uit dat tijdloze debuut, dat er zo goed als volledig werd doorgejaagd: "Bloody Belgium", "Do you wanna know", "For the fret" en "Money is all I need". Het waren punkbommetjes die niets aan frisheid hadden ingeboet, krachtig en helder gezongen door een minzaam grijnzende Mariman.
Van de Poel, de nestor van het gezelschap, was de beweeglijkste en leek zijn leeftijd voortdurend moeiteloos te tarten. Na de vinnige Wire cover, "1 2 X U" volgde "There will be no next time", een nummer dat behoort tot het collectieve geheugen en waarop ik iets meer reactie van het publiek had verwacht.
Dat een echte moshpit zou uitblijven was al voor de show duidelijk. Daarvoor was de gemiddelde leeftijd iets te hoog. Vreemd genoeg meldden de eerste danslustigen zich pas na die hit, bij "I wanna get a job in the city", ook een knaller uiteraard.
En zo verzeilden we haast ongemerkt in de zinderende finale, waarin ik het delirium nabij kwam door "Fascist cops", "This is rock 'n roll" en "Do you love the Nazis", uitzinnige volksliederen die me op slag dertig jaar jonger deden voelen.
Toen The Kids terugkwamen voor een bis was er een groepje enthousiastelingen al "Hey ho, let's go" aan het scanderen maar Mariman liet zich niet vermurwen en zette "If the kids are united" van Sham 69 in. Uiteraard kon "Blitzkrieg bop" van de Ramones dan toch niet ontbreken en met deze twee massaal meegezongen anthems werd het alsnog een behoorlijk wild feestje voor het podium.
Na vijftig jaar bleken er bij The Kids nog geen sporen van sleet merkbaar.  

Organisatie: VZW De Zwerver – Leffingeleuren, Leffinge

GA-20 - Adembenemende blues dankzij een injectie rock-'n-roll

Ondanks alle ellende liep ik de afgelopen dagen in jubelstemming rond want mijn favoriete bluesband was opnieuw in het land. Zo zullen er wellicht nog meer geweest zijn, want de N9 liep behoorlijk vol voor alweer een passage van GA-20 in ons land.

Maar eerst mocht een ander groepje dat me ook nauw aan het hart ligt het podium inpalmen: het Gentse Harvesters. Ik zag ze ongeveer een jaar geleden nog in het voorprogramma van James Leg in de 4AD waar ze vertelden dat ze druk bezig waren met hun tweede plaat. Die is nu af maar blijkbaar nog niet uit.
De officiële voorstelling staat pas gepland op 30 april in de Missy Sippy. Zo lang hielden ze ons echter niet in spanning want ‘Do some good’, zo heet de nieuwe plaat, werd  in de N9 integraal en met veel gretigheid door de boxen gejaagd. Allemaal nieuwe nummers dus - enkel de vooruitgeschoven single "Blackbird" was me bekend - waaruit bleek dat Harvesters resoluut de kaart van de seventies rock heeft gekozen. Americana en rootsrock invloeden leken definitief verdampt.
Een opmerkelijke keuze want de seventies worden - punk buiten beschouwing gelaten - vaak gezien als de meest dorre periode uit de rockgeschiedenis. Dat neemt uiteraard niet weg dat ook toen tal van uitstekende platen verschenen. Harvesters was ook zo slim om de stadionsound die toen voor het eerst de kop opstak links te laten liggen en te kiezen voor een onopgesmukt geluid dat eerder de geur van verschaald bier en rokerige pubs opriep.
De bas van Bart Soens en de drums van Lion De Clerck (Leopard Skull, Straight Shooter) zorgden voor een robuuste verankering terwijl de gitaren van Paul Lamont (Hitch, Grand Blue Heron), tevens verantwoordelijk voor de donkere, korrelige stem, en Miguel Moors (Blackup) voortdurend de sterren van de hemel speelden. Black Crowes, Robin Trower en Tom Petty worden wel eens naar voor geschoven als inspiratiebronnen, maar dat heb ik er niet in gehoord. Wel riepen de melodieuze gitaarlijnen een enkele keer herinneringen op aan Bad Company.
Eén nummer (een titel kan ik er helaas niet op plakken), dat een vergeten klassieker uit de seventies had kunnen zijn, sprong er zo uit dankzij de heldere, meteen vertrouwd aandoende gitaarriffs. De andere songs hebben wellicht wat meer tijd nodig om zich helemaal te laten doorgronden. Ondanks het ontbreken van de parels uit hun eerste plaat, ‘At Rosie’s Palace’, werd het een knappe set die me in ieder geval nieuwsgierig maakt naar de nieuwe elpee.

Nadat Matthew Stubbs na jarenlange dienst bij Charlie Musselwhite op de keien werd gezet, begon hij in 2018 een eigen bluesbandje om zo de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Met GA-20 schuimde hij eerst de café's en restaurants van zijn thuisstad Boston af maar al snel bleek zijn rauwe, compromisloze blues aan te slaan bij een breder publiek en begon hij heel intensief te touren, zowel in Amerika als Europa.
Zo kon ik de groep maar liefst zeven keer aan het werk zien zonder daarbij verre verplaatsingen te moeten maken. In 2024 leek het noodlot toe te slaan toen zowel Pat Faherty (zang, gitaar) als Tim Carman (drums) de groep totaal onverwacht de rug toekeerden. Vooral Pat Faherty, toch het uithangbord van de band, leek met zijn punk charisma onvervangbaar. Maar Matthew Stubbs is een doorzetter. Hij zocht en vond twee vervangers bij Ward Hayden & The Outliers (het vroegere Girls Guns And Glory), een old school country band die enkele keren had geopend voor GA-20.
Faherty en Carman begonnen van hun kant een eigen band, Canyon Lights, waarmee ze begin mei te zien zijn op twee Nederlandse bluesfestivals: Moulin Blues en Rhythm & Blues Night. Maar hun debuut, ‘Breathe easy’, waar ik hoopvol naar uitkeek, valt me serieus tegen .
Vorig jaar zag ik GA-20 voor het eerst in de nieuwe bezetting in café De Zwerver en toen bleek al dat de groep niets aan kracht had ingeboet. In de N9 kwamen ze zo mogelijk nog sterker uit de verf. Cody Nilsen zal zijn voorganger, Pat Faherty, nooit helemaal doen vergeten. Daarvoor was die laatste, met zijn immense krullenbol en onorthodoxe sprongen, te nadrukkelijk visueel aanwezig. Maar nu ik hem een tweede keer bezig zag, dringt de conclusie zich op dat Nilsen vocaal minstens even sterk is en als gitarist zelfs de betere.
En gitaren, daar draait het toch om bij GA-20. Twee gitaristen mochten, zonder dat een bassist hen voor de voeten liep, elkaar op het voorplan afwisselen: de melodieus en wat bedaarder spelende Matthew Stubbs en de scherpere en venijniger uithalende Cody Nilsen. Stubbs mag dan herhaaldelijk zijn liefde voor Chicago Blues hebben uitgesproken, maar wat GA-20 bracht was zoveel meer dan dat. 95% van de contemporaine Chicago blues vind ik eigenlijk strontvervelend. Maar GA-20 geeft de blues, met een gezonde injectie rock-'n-roll en een uitgekiende songkeuze, een extra dimensie. De blues heruitvinden doen ze niet - dat is ook helemaal niet nodig - maar ze laten haar wel weer fris en opwindend klinken. 
De set werd meteen schitterend geopend met het opgewekte "Cryin' & Pleadin'" van Billy Boy Arnold, misschien wel het beste nummer van hun laatste plaat, ‘Orphans’. Er zouden nog vier nummers uit die plaat volgen maar ook het oudere werk kwam ruimschoots aan bod. Zoals de twee rauwe Hound Dog Taylor covers, "Give me back my wig" en "She's gone", altijd goed voor een hoogtepunt. Bo Diddley's "Crackin' up" werd dan weer wat onderkoeld gebracht. Voor mij had het wat feestelijker gemogen, maar het was in elk geval eens wat anders.
Halverwege de set verlieten Stubbs en drummer Josh Kiggans het podium en worstelde Cody Nilsen zich door Lightnin' Hopkins' "I'm leaving you now". Hoewel de laatste plaat niet zo heel lang geleden verscheen, had een aantal nieuwe nummers al zijn weg naar de setlist gevonden en zeker niet de minste. "Can't hold out" van Elmore James, geschreven door Willie Dixon en "Crazy Love", ook al uit de pen van Willie Dixon maar in 1965 op single uitgebracht door Buddy Guy. Vooral dat laatste was opnieuw een openbaring!
De opbouw van de set bleef ongewijzigd met ook hier tegen het einde ruimte voor een uitstapje tussen het publiek. Maar waar Pat Faherty vroeger als een razende de menigte in dook, zoekt Cody Nilsen het rustig op om daarna te proberen de stilste noot ooit te spelen.
Als uitsmijter zorgde het aan Little Richard schatplichtige "Be my lonesome" nog voor een brok zinderende rock-'n-roll. En omdat zowel Stubbs als Nilsen 'Dale' als tweede naam hebben werd "Nitro" van Dick Dale gekozen als bis.
Een alweer adembenemende set kon nauwelijks mooier eindigen dan met deze spetterende surf-instrumental.

Organisatie: N9, Eeklo

Pagina 2 van 26