logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Search results (15418 Items)

Affiche Couleur Café 2010 - compleet

Geschreven door

Couleur Café 2010 – affiche compleet
De affiche van onze 21ste editie is volledig … zie verder de programmatie
Met trots stellen we 4 knallers voor en zes Wanted!-artiesten. Papa Wemba, Rox en Selah Sue vervolledigen onze line-up op vrijdag. De Afrikaanse band Mokoomba staat zondag op ons Fiesta-podium en de zes Belgische Wanted!-groepen openen elke dag het festival in de Fiesta-tent.

VOLLEDIGE LINE-UP MET 4 NIEUWE NAMEN
Couleur Café 2010 belooft een sterke editie te worden met een aantal topnamen die we niet meer opsommen. We hebben dit jaar uitzonderlijk veel straffe vrouwen uit alle muziekgenres en we focussen op Congo met verschillende generaties artiesten die de Congolese muzieksien vertegenwoordigen. Reggae en ragga-fans worden ook in de watten gelegd en opmerkelijk is de opkomst van Colombiaanse artiesten.
Selah Sue (Be):
Een van onze Wanted!-laureaten 2009 die door het Couleur Café-publiek omarmd werd. Dit jaar nodigen we dit jonge talent opnieuw uit met haar spiksplinternieuwe band om vrijdagavond het Univers-podium te openen. Ze doet deze zomer slechts een select aantal zomerfestivals. Mis dit niet!
Rox (Jam/Iran): U kent ongetwijfeld haar catchy zomernummer ‘My Baby Left Me’, en er staat nog meer fraais op haar debuutalbum dat begin juni uitkomt. Op zondag 9 mei stond deze jonge Britse soulzangeres met Jamaïcaans-Iraanse roots op Les Nuits Botanique waar ze vergeleken werd met Lauryn Hill (de volledige concertbespreking van De Standaard staat op onze mediasite).
Papa Wemba (Congo): De koning van de Congolese rumba rock maakt een sterke comeback en kon niet ontbreken in dit Congo-jaar.
Mokoomba (Zimbabwe): Vorig jaar stond de groep geprogrammeerd, maar kreeg geen visum. Deze keer is deze winnaar van Music Crossroads, een wedstrijd voor muzikaal talent uit zuidelijk Afrika, zeker van de partij. Mokoomba staat voor aanstekelijke Afro-fusion en traditionele Tongaritmes.

6 WANTED! GROEPEN + COULEUR CAFE TV
Sinds 2006 zoekt Couleur Café nationaal talent onder de noemer Wanted!. We willen muzikale grenzen doorbreken en groepen sensibiliseren die er niet aan zouden denken zich aan te bieden voor het Brusselse festival. Dankzij Couleur Café kunnen Vlaamse artiesten zich voorstellen aan onze Franstalige landgenoten en viceversa. Dit jaar hebben we voor Wanted! samengewerkt met vi.be, het muzikantenplatform van Poppunt en met hun Waalse tegenhanger Court Circuit.

Uit de 330 dossiers die we dit jaar ontvingen van groepen, fanfares en dj’s van eigen bodem heeft de Wanted!-jury 6 groepen gekozen die zichzelf op 25, 26 of 27 juni komen bewijzen in de Fiesta-tent. De 3 dj’s die elke avond mogen afsluiten in de Dance Club zijn nog niet gekozen.

Nieuw: vanaf woensdag 12 mei kan u kennismaken met elke Wanted!-artiest op Couleur Café TV (i.s.m. Moodio.TV) op onze website.

De zes Wanted!-groepen + 1 reprise
De in Congo geboren zanger Fredy Massamba tourde jarenlang met Tambours de Brazza en werkte ook samen met Zap Mama, Mos Def en The Roots. Zijn solo-album Ethnophony is een Europees-Afrikaanse mix van hiphop, funk en Afrikaanse ritmes.
1060: Brusselse souljazz rond zangeres Joy Simar en componist Renoar Hadri.
La Chiva Gantiva: Rasechte Brusselse band met Colombianen, Chilenen, een Fransman en een Belg die Colombiaanse ritmes met een rocktwist brengen. Vernieuwend en origineel.
Scylla : Brusselse klassehiphop.
Rootman J and the Zionyouth Crew is een rootsreggae band rond de in Afrika geboren maar in Limburg gevestigde multi-instrumentalist Rootman J. Hun debuut Destined Destination verscheen onlangs.
Fanfare de Belgistan is een van de beste feestfanfares van het land die Jazz, Balkan, Marrokaanse Gnawa en Oosterse muziek op aanstekelijke wijze tot hun eigen Belgistani sound mixen.

En dan nog één Wanted!-herkansing. Human beatboxer Primitiv komt uit de Wanted!-lichting van 2009, maar omdat zijn korte act toen last-minute vervroegd werd, misten zijn fans zijn optreden. Dus mag hij het dit jaar overdoen.

LINE-UP PER DAG
Vrijdag 25 juni 2010
Titan: Ska P - Rodrigo y Gabriela - Suprême NTM
Univers: Selah Sue - Diam’s – Shantel & Bucovina Club Orkestar – Papa Wemba
Fiesta: Fredy Massamba (W) – Rox - Ben L’Oncle Soul – Choc Quib Town - Ebony Bones
Zaterdag 26 juni 2010
Titan: Beenie Man – Nneka – Femi Kuti - Snoop Dogg
Univers: Féfé – Los Amigos Invisibles - Staff Benda Bilili – Soprano - Queen Ifrica & Tony Rebel
Fiesta: La Chiva Gantiva (W) - 1060 (W) - Scylla (W) - Tres Coronas - Manou Gallo - Speed Caravan
Zondag 27 juni 2010
Titan: Salif Keita - Olivia Ruiz - Nas & Damian Marley - George Clinton
Univers: Danakil – Baloji - Lady Linn & Her Magnificent Seven - Hindi Zahra – Sizzla
Fiesta: La Fanfare du Belgistan (W) – Primitiv - Rootman J and the Zionyouth Crew (W) - Systema Solar - Mokoomba - Wax Tailor

SLECHTS 500 COMBI-CAMPING TICKETS BESCHIKBAAR
De voorverkoop via www.couleurcafe.be  en in de gekende voorverkooppunten loopt zeer goed. Vooral de combitickets en de combi + camping tickets (voorbehouden aan festivalbezoekers die buiten het Brusselse Gewest of in het buitenland wonen), verkopen als zoete broodjes.
Let op: er zijn nog maar 500 combi campingtickets beschikbaar en deze kunnen enkel besteld worden via www.couleurcafe.be .
Er zijn wel nog voldoende dagtickets te koop.
Dagticket: € 34* (€ 42 aan de kassa)           
3 dagen combiticket: € 73* (beperkt aantal)
3 dagen combi+campingticket: € 88* (opgelet enkel via www.couleurcafe.be) * + reservatiekosten
De 3 dagen combi+camping tickets zijn voorbehouden aan +16 jarigen die niet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen / Het festival is gratis voor kinderen onder 10 jaar begeleid door een volwassene.

Les Nuits Botanique 2010 – The Black Lips & The King Khan & BBQ Show present The Almighty Defenders

Geschreven door

Een hilarisch leuk avondje potige, zompige, vettige en spacey punkrock’n’roll ondergingen we met de formule die de Bota organisatie voorschotelde met The Black Lips & The King Khan & BBQ Show present The Almighty Defenders.

Een goed gevuld Orangerie ging al meteen plat voor het duo The King Khan & BBQ Show uit Canada. Het duo kwam eind vorig jaar in de spotlights met ‘Invisible girl’, hun vierde cd al trouwens! De verkleedpartij van de heren , het ‘back to basics’ instrumentarium van twee gitaren, een footstepdrums en de harmonieuze en de afwisselende, doorleefde stemmenpracht gaven een opzwepende, dynamische, frisse stijl van ‘60’s Beach Boys, surf rock’n’roll, Elvis’ rockabilly, doowop en punkrock. De ‘two member’ band klonk luchtig, recht door zee, smerig, vunzig, rauw, ruw maar o zo lieflijk, met de gepaste dosis relativering en zelfspot … Zoals we het ruim 20 jaar geleden kenden van Dead Moon. Ook de heren van The Black Box Revelation waren aanwezig onder het publiek en genoten van de performance, wat misschien inspirerend kan werken voor de komende eigen gigs …
Met twee eenvoudige, onnozele versterkers gaven ze een eigen draai aan hun stijl, en hadden ze genoeg om zich rot te amuseren.

Een bekertje bier of een leren jekker vloog al eens door de lucht; de ambiance factor steeg nog op de flower punkrock’n’roll van de uit Atlanta, Georgia afkomstige The Black Lips. Een springerige sound aangevuld met garagerock, ‘60’s Beatlespop, indie en enkele powerfulle en gematigde probeersels, zoals op hun laatste cd; de ongecompliceerde, ongedwongen en aan de jaren ’60 refererende garagesound, de aanstekelijke refreintjes en de (valse) samenzang van het kwartet klonk verwarrend en chaotisch. Ondanks de variatie, rammelde het langs alle kanten en de vocals en het geschreeuw zweefden ergens in het rond. Het enthousiasme van het kwartet en de op in sneltempo volgende songs konden de pret niet bederven, met de gekende single “Bad kids” als hoogtepunt van de set.

En tot slot kwamen leden van de beide bands samen met hun Almighty Defenders . Een uit de hand gelopen, doldwaze postmodern gospel rockshow die ergens baadde in de gewaden van de Polyphonic Spree. Fun, pleasure, music, dope & beer. Een leuk project, maar niks verrassend. Dat ze samen op tour zijn, bracht al de nodige vonken in de Orangerie.

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv les Nuits Bota 2010)

Flip Kowlier

Flip Kowlier – fotoshoots

Geschreven door

Neem gerust een kijkje naar de pics en live foto’s …
De cd voorstelling van Flip Kowlier was een concert om U tegen te zeggen. De toon was meteen gezet met het nummer “Raar” gevolgd door het reeds alom bekende “Mo Ba Nin”. In de nieuwe cd zitten vooral reggae elementen verwerkt die live aanstekelijk zijn. Kowlier creëerde meteen een aparte sfeer waar het Leuvense publiek wel voor te vinden was.
De band stond vol goesting en zelfvertrouwen op het podium en er was ruimte voor improvisatie waardoor het publiek nog meer meeging in sterke nummers.
Ook door het directe contact dat Kowlier met het publiek had, voelde je je als luisteraar echt betrokken.
Het was een aangenaam concert waar ik met volle teugen van genoten heb.

Organisatie: Depot, Leuven

Les Nuits Botanique 2010 – Deerhunter, The Dodos en RAzoHARAANd THE odd oRCHESTRA

Geschreven door

Toegegeven, wijzelf hadden van RAzoHARAANd THE odd oRCHESTRA tot voor hun programmatie op Les Nuits Botanique ook nog nooit gehoord. Met zo een groepsnaam mag je in principe van alles verwachten, behalve dat het Duitse hippies met een verwijfd trekje zouden zijn misschien.  En warempel, uitgerekend het minst verwachte deed zich die avond toch wel niet voor zeker?
Zowel visueel (blote voeten, sjaaltjes) als muzikaal (sfeervolle, langgerekte loungy composities) en tussen het gitaargeweld van TheDodos en Deerhunter in hadden ze hun naam van vreemde eend in de bijt zeker niet gestolen. ROATOO putte live vooral uit hun recent verschenen album ‘II’. Al was van echte songs weinig sprake, eerder van atmosferische, soulvolle soundscapes (denk bijvoorbeeld aan Zero 7) waarin af en toe wat dub invloeden in de trant van Tied&Tickled Trio (eveneens Duits) kwamen bovendrijven. Niet verwonderlijk dus dat zanger Patrick Rasmussen met zijn hoge stemmetje af en toe behoorlijk in trance verkeerde op het podium.
Voor de talrijk opgedaagde noise liefhebbers waren RazOhara en zijn vreemde snuiters live dus niet veel meer dan een origineel opwarmertje. Als achtergrondmuziek op een terrasje ergens in een van de vele artistieke Berlijnse wijken moet dit wélbest te pruimen zijn, vooral dan met een smakelijke Weisswürst erbij.

Weinig groepen typeren Les Nuits Botanique beter dan
The Dodos: eigenzinnig, compromisloos en vooral té ontdekken. Verwacht van deze jongelui uit San Fransisco dus vooral geen meezingbare hitjes, wel een hoogst originele aaneenschakeling van energieke indiepop waarin de melodieuze stem en akoestischeg itaar van zanger Meric Long ieder nummer moet opboksen tegen een dominerende combinatie van drums en vibrafoon.
Dit mag een op voorhand verloren strijd lijken, toch bleef de frontman er met zijn opgewekte, jongensachtige uiterlijk (half Paul MacCarthy, half Ian Curtis) er die avond in een goedgevulde tent wonderwel in slagen om doorheen de set zijn deel van de koek naar zich toe te halen (al moeten we er hier wel eerlijkheidshalve aan toevoegen dat er af en toe toch enkele elektrische stroomstoten door zijn gitaar schoten). Nummers als “Fables” uit het vorig jaar verschenen ‘Time To Die’ en “Fools” klonken opvallend melodieus en de galmende zang konden voorliefde voor de Amerikaanse Rock & Roll helden uit de jaren ’50 zoals Elvis Presly niet verbergen.
The Dodos weigerden die avond halsstarrig om platgetreden paden te bewandelen maar zagen zich niettemin op de hielen gezeten door een enthousiast en dankbaar publiek.

Amper bekend bij een ‘breed publiek’, maar toch door de organisatoren al (terecht) bekroond met een plaats als hoofdact in de Chapiteau. Die eer viel
Deerhunter die avond te beurt en als wederdienst trakteerden ze ons op een optreden die de liefhebbers van experimentele gitaarnoise in te tent deden kwijlen van genot. Bij opener “WashOff” was het al direct prijs: een pingelend SonicYouth gitaar motiefje dat op sleeptouw genomen wordt door een nerveuze basspartij om ergens onderweg te exploderen in een ware eruptie van feedback en noise in vergelijking waarmee de uitbarsting van de Eyjafjallajökul niet meer dan een scheet in een fles lijkt.
En het werd nog beter, zeker naarmate het collectief uit Atlanta volop begon te putten uit ‘Microcastles’, een plaat die intussen al dateert van 2008 maar net als belegen kaas verder blijft rijpen met de jaren. “Never Stops” en “Little Kids” bijvoorbeeld, die beiden live ten overvloed bewezen dat pedaalgeluidseffecten niet ten koste hoeven te gaan van een goede melodie.
Even was er verwarring toen de bassist aan de rest van de groepsleden de toelating vroeg en kreeg om het podium te mogen verlaten, wij vermoeden om zich naar het dichtstbijzijnde toilet te spoeden. De manier waarop die afwezigheid echter muzikaal ingekleurd werd met een zinderend stukje My Bloody Valentine noise deed ons hopen dat het een grote behoefte betrof.
Deerhunter bedankte het geduldige wachten van het publiek met een vlekkeloze overgang naar “Nothing Ever Happened”, opnieuw zo een nummer waar Thurston Moore een arm zou voor afwringen.
Tijdens afsluiter “Calvary Scars”vroeg zanger meermaals om vergiffenis, al waren wij op dat ogenblik al lang bekeerd én volgeling. Deerhunter groeide die avond gaandeweg naar een hoogtepunt waar het zeer eenzaam vertoeven is.

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Bota 2010)

Les Nuits Botanique 2010 - Gil Scott-Heron

Geschreven door

Gil Scott-Heron’s spervuurgedichten - aggressive, no-nonense street poetry - maakten hem beginjaren ’70 onsterfelijk als ‘the godfather of rap’. Hij inspireerde praktisch elke rapper, denk Public Enemy, NWA, Michael Franti, PM Dawn, Kanye West en Common, want iedereen haalde wel eens z’n vinnige, kritische, predikende en humoristische verteltrant aan. De schrijver en ‘spoken word’ dichter was de chroniqueur van het harde leven in de ghetto … duistere poëzie en invoelbare junkiedrama’s die in ons geheugen gegrift staan met “The bottle” - ‘Winter in America’ - ’74, en “Home is where the hatred is” – ‘Pieces of a man’ - ’71. Songs die hij in een ‘back to bascis’ geluid speelde met z’n begeleiding van een percussionist, een saxofonist die ook dwarsfluit speelde en, naast Scott-Heron op orgel/toetsen, een derde man die zich bediende van een jazzy piano en een soort Toots- mondharmonica. Hij dompelde deze songs - samen met een handvol andere - onder in heerlijk, bedwelmende, dromerige druilerige ‘stadnighttrips’. Ze werden gedragen door z’n diepe, donkerbruine, rafelende stem en rapzang, nu eens weinig nadrukkelijk gezongen, dan weer met dwingende kracht uitgesproken … ze verbaasden, wisten te raken en te ontroeren.
De atmosferische omlijsting van Gils gedichten was beklijvend … Soulvolle, jazz/bluesy Hardup Poëzie noemt men zoiets in verdwaasde, bezwerende, verloren gewaande sounds.

Hoe hij de prooi werd aan de gevaren waarover hij schreef, kan een mysterie lijken. Hij is herrezen uit de dood, zestien jaar na de laatste cd ‘Spirits’. Drugsproblemen en bijhorende gevangenisstraffen hielden zijn carrière de afgelopen decennia immers flink op, maar met behulp van de productionele vleugels van XL baas Richard Russell, trok hij op de nieuwe, evenwel korte, cd ‘I’m new here’ diepe, duistere elektronische decors op. Het is dan ook glorieus dat hij terug muziek maakt!

Getekend door de jaren is hij écht een oude man geworden, licht bevend en trillend op z’n benen, die z’n songs stoffeert met een dosis relativering en humor. Het gezicht half bedekt onder een veel te grote klak en in een te korte kostuumbroek, begon hij eerst met een stukje stand up comedy. Hij wist onmiddellijk het ijs te breken, goochelde met de letters van de aswolk van de vulkaan in IJsland, moest even lachen om de newsupdates op CNN en vertelde enkele leuke impressies van z’n verblijf in een hotel in Brussel. Het onderstreepte de gezelligheid van het optreden.

We waren al meteen onder de indruk van de sobere elegantie op de “ain’t getting downs” van “The blue collar” uit ’82 door de toetsen en z’n indringende rapzang. Ook de duistere ‘on the roadsong’ “Winter In America”, “Almost Lost Detroit” en “Work for peace”, zo geplukt uit de jaren ’70 ‘Taxi’ reeks, kregen langzamerhand kleur en invulling door de andere instrumenten. Een sobere lofi omlijsting trouwens!
Het nieuwe “I’ll take care of you” zat ergens middenin de set en vormde wel de ideale link naar de lounge van Little Axe en z’n klonen. We waren al goed in de sfeer van de Scott-Heron trips, want hierop volgden wondermooie bewerkingen van “Did you hear what they said”, “The other side” en het heus intense beleven van “Home is where the hatred”, een hoogtepunt in de set.
Schitterend hoe telkens de instrumenten lichtjes aanvulden op de orgeltoets en raspende stem van Gil. Ondanks het feit dat de solo performance van de percussionist op “The bottle” er eventjes teveel aan was, hadden we hier te maken met een glorieuze comeback van één van de spils van ‘free protest spoken word raps’ in funky/jazz/soulblues. ‘The old man’ werd sterk onthaald en met een puike versie van “Better days ahead” breidde hij er met de sax en de mondharmonica een fijn, subtiel slot aan van een ruim twee uur durende set in het KC. Laat ons nu maar hopen dat hij er geraakt op Gent Jazz en niet hervalt met een arrestatie aan z’n been …

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Bota 2010)

Nneka

Nneka lokt gypsies naar de AB

Geschreven door

Een plaat van Nneka opzetten is alsof je de zomer met een simpele druk op de knop de huiskamer laat binnentreden. Ze heeft er inmiddels al twee op haar palmares staan (‘Victim of Truth’ uit 2005 en ‘No Longer At Ease’ uit 2008) waar er ondertussen, hoewel dit natuurlijk geen ‘volwaardige’ plaat is, nog een compilatieplaat bovenop is gekomen. Die plaat, ‘Concrete Jungle’ gedoopt, was dan ook de aanleiding voor haar concertenreeks doorheen Europa.

Nneka
Special! Een Nigeriaanse papa en Duitse mama; opgegroeid in Warri, het oliecentrum van Nigeria; maar als tiener dapper op haar eentje naar Hamburg, waar voor het meisje dat altijd al gezongen had ineens ook een consistente muzikale carrière aanbrak” lezen we op haar concertaankondiging van de AB waardoor het duidelijk mag zijn dat deze jongedame van 28 al een bewogen leven achter de rug heeft. Haar muziek straalt dat dan ook uit: haar muziek is niet direct thuis te brengen onder een bepaalde noemer, er zijn invloeden van reggae, wereldmuziek, pop, hiphop en duizend en één andere stijlen maar om dan toch een treffende omschrijving te proberen geven zou het label ‘met emoties en maatschappijkritische lyrics doordrenkte, zwarte, gypsy soulmuziek’ niet misstaan. Bescheiden Europese hits zoals “Heartbeat” en “Africans” beamen dit maar al te zeer.

Voor Nneka het podium op mocht komen dartelen stond eerst nog het collectief Ghostpoet op het (voor) programma. In tegenstelling tot wat de ambitieuze groepsnaam zegt was hun passage op het AB-podium allesbehalve een memorabele poëtische krachttoer. Het drietal wauwelde maar wat af met een streepje gitaar en drums links en een paar synthesizersamples rechts. De halfafgewerkte klanken zweefden verloren in de zaal en de ‘zanger’ was door het chaotisch gejengel nauwelijks verstaanbaar. Uitzitten en wachten op betere tijden dus!

Die betere tijden braken dan uiteindelijk aan want toen het zaallicht terug uitdoofde na de pauze en het plafond van de Ancienne Belgique veranderde in een uit kleine lichtjes bestaande sterrenhemel verscheen Nneka op het podium. Een betere entree kon ze haar waarschijnlijk niet voorstellen want toen ze in het begin van de set de song “The Uncomfortable Truth” inzette, begon het publiek al luidkeels mee te leven. Voor enkele nummers in haar set, zoals ook deze, vertelde de souldiva overigens wat ze precies wilde zeggen met dat nummer en wat het voor haar betekende. Een geslaagde interactie met het publiek dat soms wel tot een minuut of 10 opliep maar voor geen seconde verveelde en meteen had elke bezoeker iets om over na te mijmeren in de auto op weg naar huis.
Maar terug naar de muziek! Topnummers volgden elkaar in sneltempo op zoals “Africans”, “Walking” en “VIP” (die afkorting betekent trouwens in Nneka’s woordenboek niet ‘Very Important Person’ maar ‘Vagabonds In Power’) waar weer een beroep werd gedaan op het publiek om de centrale kreet van dit lied mee te scanderen wat het dan ook gretig deed. Ja, ze waagde zich zelfs aan een cover van The White Stripes hun “Seven Nation Army”.
Naar het einde toe bereikte de set zijn hoogtepunt met het onvermijdelijke maar bloedmooie en ijzersterke “Heartbeat”, wat toch één van haar betere nummers, zo niet het beste, blijft waarmee ze echt bewijst dat ze barst van het de creativiteit en muzikaal talent. Na het gebruikelijke bisapplaus kwam ze nog een fenomeenabele versie van haar ‘Focus’ neerzetten tot ze voorgoed van Brussel afscheid nam. Of is het een ‘tot weerziens’? Ze staat immers (voor het 2e jaar op rij) ook op Couleur Café. Als het van yours truly afhangt: allen daarheen!

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

El Gato (USA)

Surrender

Geschreven door

’Surrender is de tweede cd van de lofi rockband El Gato. El Gato komt uit Texas, bestaat al sinds 1995 en na twee EP’s en hun debuutalbum ‘We’re Birds’ is dit hun tweede full Opmerkelijk  is dat de plaat al in 2008 werd gereleased in de VS maar pas nu de redactie van Musiczine bereikt. De plaat kwam vrij onconventioneel tot stand: zanger John Vineyard verhuisde namelijk van Texas naar Californië en componeerde daar verschillende nummers. Die stuurde hij dan door naar de andere bandleden in Texas. Vervolgens kwam Vineyard naar Texas terug om met de band een aantal optredens te doen waarna enkel het sterkste materiaal werd bewaard. De plaat werd door verschillende producers opgenomen waaronder David McConnel (Elliot Smith, Wilco), Stuart Sikes (Modest Mouse) ,Mark Pirro (The Polyphonic Spree) en Sir Williams Paul.
Over naar de muziek zelf en wie fan is van genoemde bands als Wilco, Modest Mouse, Sebadoh, Built To Spill... zal die zeker de moeite waard vinden. Uitschieters op de plaat zijn de stevige opener “Scorpions in you shoes”, “Banging on Doors” met hoekig drumwerk en een heerlijk refrein, het uptempo “Wild Turkey” en het duidelijk aan Nirvana schatplichtige “Have you forgotten”. Nog opvallend zijn de teksten van Vineyard die handelen over (afgesprongen) relaties en bij momenten hoopvol en humoristisch klinken om vervolgens om te slaan in frustratie en wanhoop. Kortom, El Gato is  zeker een band die de moeite waard is om ontdekt te worden!

Eels

End Times

Geschreven door

Mark Oliver Everett, alias E van Eels is een van de meest tragische figuren uit de muziekgeschiedenis. Op jonge leeftijd trof hij zijn vader dood aan in bed na een hartstilstand, z’n zus pleegde zelfmoord en z’n moeder overleed aan kanker. Een nicht van E kwam bovendien om in een van de gekaapte vliegtuigen tijdens 9/11. Het is dus niet onlogisch dat dood, verderf, rampspoed en  eenzaamheid de rode draad vormen doorheen de mans teksten.
’End times’ is ondertussen al de achtste plaat en komt  bovendien al uit zeven maanden na de vorige plaat ‘Hombre Lobo’.
Leek de vorige plaat nog enigszins hoopvol en werd die gekenmerkt door ruwe, overstuurde gitaren en een noisy geluid, dan klinkt ‘End Times’ heel wat intiemer en soberder. Niet zo vreemd als je weet dat E de plaat helemaal alleen opnam in de kelder van zijn huis in Californië. De meeste arrangementen beperken zich gitaar, (de zo kenmerkende hese ) stem en hier en daar wat toetsen. De teksten handelen over de stukgelopen relatie van E en de teloorgang van een destructieve wereld. Bevatten die teksten voorheen nog een flinke dosis (zwarte) humor, dan is dat nu veel minder het geval.
E is het geloof in de medemens duidelijk kwijt, dat blijkt uit de openingszin “She locked herself in the bathroom again/so I am pissing in the yard” van de prachtige single “A line in the dirt” dat bol staat van de melancholie en eenzaamheid. Een zeer typerend nummer voor de hele plaat is “Nowadays”, een akoestische track met de tekst “Trouble is a friend of mine, I’d like to leave behind’. Nog een opvallend nummer is “Little Bird” waar E zijn hart uitstort tegen een vogeltje op zijn veranda.
Slechts een paar keer doorbreekt E de rust op deze plaat met een aantal meer uptempo, bluesy nummers  zoals “Gone Man”, “Mansions of Los Feliz” en “Paradise Blues”. Dit zijn echter slechts zeldzame uitzonderingen op een voor de rest zeer donkere, en sombere plaat.
Eels heeft met ‘End Times’ een beklijvende plaat gemaakt die aan je vel blijft hangen en waarbij het bij momenten zeer moeilijk is om er naar te blijven luisteren.

The Postmarks

Memoirs at the end of the World

Geschreven door

’Memoirs at the end of the world’ is het derde album van The Postmarks, een indiepop band uit Florida. De band is hier vooralsnog vrij onbekend, maar misschien komt daar met deze CD verandering in. De hoes van de plaat ziet er nogal retro uit en dat geldt ook voor de muziek: The Postmarks halen duidelijk hun mosterd uit de jaren zestig en zeventig. Ze combineren die sound met elektronische arrangementen en een orkestrale invulling waardoor alles toch vrij eigentijds klinkt. De songs van The Postmarks stralen dromerigheid, melancholie en drama uit en doen daardoor ook zeer filmisch aan, niet zo verwonderlijk als je weet dat twee van de drie muzikanten regelmatig filmmuziek maken. Verder valt de warme stem van zangeres Tim Yehezkely op. Al deze ingrediënten samen doen je denken  aan bands als Hooverphonic, The Cardigans, Air en Portishead. Wie houdt van bovengenoemde bands moet dit plaatje zeker een kans geven.

Githead

Landing

Geschreven door

Dit album is al een vijftal maanden geleden uitgebracht, het was zowaar bijna aan ons voorbijgegaan wegens geen noemenswaardige aandacht in pers en media, laat staan airplay op de radio. Maar kijk, we hebben het nu toch weten op te vissen en we zijn nog geen klein beetje onder de indruk. Het ding werkt namelijk verslavend.
Eerst even kennismaken. De groep is samengesteld uit de restanten van Minimal Compact (herinnert u zich deze nog ?) en Wire. Het geluid heeft iets eighties maar draagt ook een verslavend repetitief karakter, denk ondermeer aan Alan Vega, Death In Vegas, PIL, The Raveonettes, Pixies en Throwing Muses. Het is een boeiende mengeling van synths en ruisende gitaren die het constant goed met elkaar kunnen vinden. De jongedame Malka Spiegel’s bezwerende stem jaagt de songs gestaag vooruit (“Lightswimmer”, “Take off”) of houdt ze plagend tegen (zoals bij “Ride” waarin ze zowaar een overtuigende Grace Jones neerzet). Spiegel beroert ook de basgitaar en is hiermee prominent aanwezig, meermaals moeten wij denken aan een bedrijvige Kim Deal. Een zeldzame keer neemt Wire boegbeeld Colin Newman de vocals voor zijn rekening en dan krijgt het geheel meer een typisch nonchalante Britse post punk sound (is het geval in “Over the limit” dat vooral klinkt als euh…Wire).
Moeilijk om hier uitschieters te vermelden, de plaat staat er immers als geheel, maar afsluiter “Transmission tower” is met zijn acht minuten wel een tamelijk verzwelgende brainwasher en het bijzonder verslavende “Take off” heeft ons zodanig in de greep dat wij het telkens opnieuw willen afspelen.
Een plaat die absoluut uw aandacht verdient. En zeg later niet dat wij het u niet gezegd hebben.

Sweet Apple

Love & Desperation

Geschreven door

John Petkovic, die doorgaans frontman is van indie-rock groep Cobra Verde, heeft na het overlijden van zijn moeder met nogal wat persoonlijke demonen te kampen gehad en heeft die van zich afgeschreven op ‘Love & Desperation’. Zijn gekwelde geest zorgt echter niet voor een neerslachtige plaat, maar eerder voor een venijnig rockbeestje.
Petkovic wordt hier bijgestaan door Tim Parnin (ook al gitarist bij Cobra Verde), bassist Dave Sweetapple (van de stonerrock groep Witch) en verder niemand minder dan Jay Mascis (Dinosaur Jr) op drums, … jawel drums.
De stuiterende rock heeft nogal een seventies kantje, de gitaren gieren bij momenten onstuimig door (vooral die zeldzame keren dat Mascis ook eens een solootje voor zijn rekening neemt, u haalt die er zo uit) en er wordt niet op een valse noot meer of minder gekeken.
De stevige opener “Do you remember” is volgens ons het beste nummer die de Foo Fighters vergeten te maken zijn, Dave Grohl vloekt zich een ongeluk. Verder klinkt Sweet Apple vettig en smerig als The Eagles of Death Metal (“Crawling over bodies”) of The White Stripes (de lekker spitse rocker “Flying up a mountain”),  puntig en catchy als Big Star (“I’s over now”, “I’ve got a feeling”, “Goodnight”) en knarsend als The Gun Club (“Hold me, I’m dying”).
‘Love & Desperation” is een denderend plaatje geworden van amper 39 minuutjes. Voor de oudjes onder ons, was dat niet de reguliere looptijd van een goeie ouwe elpee ? Overdaad schaadt, Sweet Apple heeft dit begrepen, er moesten er zo meer zijn.
U geeft dit schijfje best een plaats ergens in de buurt van uw cd’s van The Raconteurs en Eagles of Death Metal.
Nog dit : Waarom de hoes een kopie moest zijn van Roxy Music’s ‘Country life’ is ook voor ons een volkomen raadsel. Petkovic zal zo wel zijn redenen gehad hebben, muzikaal heeft dit immers niets te maken met Roxy Music, moge dit duidelijk zijn. 

Steve Conte

Steve Conte & The Crazy Truth

Geschreven door

’Who the fuck is Steve Conte?’ zien wij u al denken. Steve Conte, beste mensen, is de gitarist die bij de herboren New York Dolls de onmogelijke taak heeft gekregen om Johnny Thunders te vervangen. Laat ons zeggen dat hij zich bij The Dolls tamelijk goed van die taak gekweten heeft, maar daar heeft hij natuurlijk nog ouwe rot Sylvain Sylvain naast zich staan. Nu hij als volwaardige NYD (ook zijn imago is dermate aangepast) enige naambekendheid heeft verworven, vond hij de tijd rijp om zijn eigen band The Crazy Truth samen te stellen en hiermee een plaatje te maken. En nu wil u natuurlijk weten wat wij als NYD fan daarvan vinden.
Wel, Conte is Thunders niet, The Crazy Truth zijn The New York Dolls niet. Maar daarmee is natuurlijk nog niets gezegd, want in twee groepjes spelen en met allebei hetzelfde doen, dat zou pas een beetje dom zijn, denkt u niet ?
Vooruit dan maar. Dit album is niet onvergetelijk, wel verdienstelijk. Er staan een paar potente rockers op, maar die gaan net iets te weinig in het rood naar ons gedacht. Het is soms iets te veel op de Amerikaanse leest geschoeid, alhoewel de rock cliché’s af en toe met glans worden gemeden. Er mogen bijvoorbeeld al eens blazers meedoen en die staan dikwijls op hun plaats, en op “Get off” komt zelfs een dwarsfluit opduiken.
Geen van de songs zal echter als klassieker de geschiedenis ingaan, de kracht van het album zit hem eerder in de variatie. We horen classic rock en soms wel snedige hard rock met een sleazy kantje, Zo rollen “Her higness” en “This is the end” lekker door en de plaat eindigt ook nog eens stevig met de vuile rocker “Junk Planet”. Onvervalste en licht ontvlambare rock’n’roll komt er uit “Strumpet-hearted monkey girl” en met “Indie Girl” wordt er gas terug genomen in de vorm van een fijne Zuiderse ballad. Zelfs de blues komt aan de deur piepen in “Busload of hope” dat nogal naar Tom Waits of diens volgeling Chuck E Weiss neigt.
Op deze plaat staan er overwegend korte songs trouwens, wat het geheel een puntig rechttoe-rechtaan gevoel geeft. En dat is goed bekeken van Steve Conte, hij is er zich van bewust dat hij niet de beste songs maakt, maar hij weet ze wel overtuigend te brengen.

Xavier Rudd

Koonyum Sun

Geschreven door

Rudd’s vorige album, het sterke ‘Dark shades of blue’ dreef voornamelijk op grillige en soms wel donkere rock, een niet echt voor de hand liggende wending voor deze vrolijke Australiër. De nieuwe ‘Koonyum Sun’ leunt echter weer dichter aan bij Rudd’s vorige werk en ziet het leven dus aan een wat zonniger kant via organische wereldmuziek, luchtige reggae, swingende funk en overwegend optimistische klanken.
Met zijn Zuid-Afrikaanse ritmesectie Tio Molontoa (bass) en Andile Nqubezelo (percussie) heeft Xavier Rudd een lekker swingend duo te pakken gekregen. De heren voegen vaak een aardige hap schwung toe aan de songs, zo doen zij het extreem funky “Set me free” een flink potje swingen en voelen zij zich perfect thuis in de opzwepende reggae van “Yandi” en “Fresh green freedom”. Hun stemmen (want zingen kunnen ze wel degelijk) accentueren nog wat meer het wereldlijke karakter van de songs. In combinatie met het alweer uitgebreide instrumentarium (didgeridoo, banjo’s, conga’s, funky orgeltje,…) bezorgt dit steeds avontuurlijke muziek.
Ook dit keer zijn er hele mooie ingehouden en akoestische momenten te bespeuren, zoals “Love comes and goes” en het perfecte wiegeliedje “Soften the blow” dat met een heerlijk slide gitaartje voorbij glijdt. Xavier Rudd’s stem doet weer wonderen, van helder naar hoog, van indiaans naar zacht. Maar het is vooral zijn zalvende gitaar die schittert, ze klinkt nergens overdadig en is meermaals wonderbaarlijk, ondermeer in lentefrisse pareltjes als “Woman dreaming”, “Breeze” en “Bleed”.
In de lekkere laatste song “Badimo” wordt het nog eens duidelijk gemaakt, het album ‘Koonyum Sun’ is een zwoel en ritmisch Australisch-Afrikaans huwelijk. U haalt er de zomer mee in huis.

RJD2

RJD2 mikt meer op het hoofd dan op de benen

Geschreven door

De club van de Aéronef was goed gevuld voor de abstracte hip-hop van de tegenwoordig uit Philadelphia opererende underground hip-hop producer RJD2. In 2002 brak RJD2 door met het album ‘Deadringer’, op het Definite Jux label, dat we ook nog kennen van andere avant-hop artiesten zoals Cannibal Ox. Dat album bevatte filmische, instrumentale hip-hop, en staat misschien net onder Endtroducing van DJ Shadow, maar haalt toch nog wel de toptien van de hiphop albums in de jaren 2000.
In 2005 week het vervolg, ‘Since we last spoke’, verder af van de gebaande hiphop-paden, met nog meer soundtrack invloeden, en zelfs vroege jaren tachtig Metal a la Van Halen, zodat dit album eigenlijk veel Europeser klinkt en niet in de Warp catalogus had misstaan.
Dit jaar zit Ramble John Krohn, want zo heet de man, al aan zijn vierde regulier album,’The colossus’. Op dit in eigen beheer uitgebrachte album, keert Krohn terug naar zijn roots, met veel door soul en funk beïnvloede hiphop, waarop rappers en gastartiesten een voornamere rol innemen.

Het voornamelijk jonge, blanke Franse publiek (allochtone jongeren tonen nooit veel interesse in de moeilijkere alternatieve hiphop, maar verkiezen R&B en populaire rappers a la 50 cent); zag eerst de locale turntablist Dleek de zaal opwarmen. De man had de juiste invloeden op een rijtje, gooide zelf soundscapes en klassieke instrumenten in de strijd, maar kon minder overtuigen dan RJD2, omdat de catchy nummers ontbraken.

Na het verwisselen van de laptops en draaitafels, begon RJD2 aan zijn set, en hij vroeg of het publiek er zin in had. Dat publiek reageerde aanvankelijk niet superenthousiast, dus Krohn zou het met zijn skills moeten overtuigen. In 2010 is hiphop niet meer wat het 30 jaar geleden was, de laptop en digitale decks met digitale scratchers nemen het over van de goeie ouwe draaitafels, maar toch had RJD2 nog een aantal vinylplaten meegebracht. Net daarmee liep het meteen fout, door een kras op de plaat. Vanavond had hij ook geen gastrappers meegebracht, wat het al bij al een vrij statisch optreden maakte: je zag een man plaatjes draaien, op knoppen duwen en dat was het zowat.
De beste nummers van RJD2 blijven natuurlijk schitterend: “Smoke & mirrors” is een classic die Moby of DJ Shadow geschreven kon hebben, en zo zaten er nog verschillende torchsongs in de set. Hier en daar zag je een fan opspringen als zijn favoriet nummer ingezet werd (“Final frontier”, “Ghostwriter”), maar nooit sloeg dat over naar de rest van de zaal.
RJD2 hiphop tracks mikken vooral op het hoofd, en minder op de benen: op zijn best doen ze je hersenen knetteren waardoor je een warm gevoel van drugvrij welbehagen krijgt (geen petards geroken, de zalen in Frankrijk zijn net als de AB rookvrij), maar de beats zijn net iets te complex omdat in danspassen te vertalen: probeer maar eens te shaken op “Chicken bone-circuit”, enkel de beste breakdancers brengen dat er heelhuids vanaf.

Ruim anderhalf uur werden oud en nieuw werk afgewisseld, ik meende zelfs een track van de onlangs overleden Guru te herkennen, en de reguliere set werd met een climax van rockgitaren afgesloten in “Since we last spoke”. 
Het Franse publiek wou meer, en kreeg het ook met “Let the good times roll pt2” als bis.

Organisatie: Aéronef, Lille

Natalie Merchant

Natalie Merchant – Imposant werkstuk – Fascinerende liveset, die emotioneel diep raakte …

Geschreven door

Natalie Merchant maakte in een vroeger leven deel uit van de folkypop van 10000 Maniacs die midden de jaren ’80 opvielen met ‘In my tribe’ en ‘Blind man’s zoo’ (remember de singles “What’s the matter here”, “Like the weather”, “Trouble me, …). Inmiddels gaf de 47 jarige zangeres haar sing/songwriterschap elan met soloplaten als ‘Tigerlily’, ‘Ophelia’, ‘Motherland, en ‘The house carpenter’s daughter’, één voor één sfeervol, emotievol, subtiel in elkaar gestoken materiaal, die grasduinen in de folk, country, soul, reggae en bluegrass. Zeven jaar na die laatste cd komt de getalenteerde en ambitieuze songschrijfster opnieuw in de spotlights met ‘Leave your sleep’, een imposant gedocumenteerd werkstuk en hymne aan talrijke Britse en Amerikaanse dichters. Een cd met 16 songs, en zo was hij bedoeld, een dubbelaar met maar liefst 26 nummers.
De lady vertelde dat het uitgangspunt eerst was wat slaapliedjes voor haar jonge dochter te schrijven en zocht inspiratie over ‘de Kindertijd’. Ze deed opzoekingwerk via het internet, schuimde bibliotheken af, dook de archieven in en geraakte gefascineerd in werken van bekende en onbekende Britse en Amerikaanse dichters en dichteressen van de (Victoriaanse) jaren 1800 tot nu. De bijlagen in de cd spreken voor zich en zijn meer dan de moeite waard eens door te nemen.
Er werkten wel 130 muzikanten mee aan de plaat, van een heus symfonisch orkest tot pure eenvoud en soberheid. Zo hielpen o.a. de gospel zangers The Fairfield Four, de Ierse folkies Lúnasa, het NYse Hazmat Modine, het experimenterende jazzensemble Martin Medeski & Wood, de band van Winston Marsalis en The Klezmatics mee. Een veelheid aan genres, klankkleur en timbres horen we. Een verbluffend luisterwerkstuk die zeker niet aan je neus mag voorbijgaan.

En live … kwam ze het nieuwe materiaal voorstellen met een sobere begeleiding van twee gitaristen (waaronder haar rechterhand Erik Della Penna) en een celliste. Ontdaan van alle franjes viel het me op waar de huidige lichting folky vrouwelijke sing/songwriters de mosterd vandaan haalden.
We kregen na elk nummer een gefundeerde uitleg van de geportretteerde schrijvers met hun dichtbundels en kindercartoons en ze stoffeerde het in slides op een groot scherm. In een uitverkochte AB Flex was iedereen letterlijk aan haar lippen gekluisterd om de levenswandel en de bundels van de schrijvers te horen.
En het was ook negen jaar geleden dat ze nog op een Belgisch podium te zien was. Meer dan ooit was het een happy en aangrijpend weerzien en ze werd dan ook na elke song terecht warm onthaald!
Ruim anderhalf uur grossierde ze in de selectie songs van ‘Leave your sleep’ en stelde ze er enkele voor die de cd nét niet haalden, waaronder de intieme opener “Vain & careless”, die ons terugbracht naar de begindagen van Robert Johnson en Leadbelly, bepaald door akoestisch gitaargetokkel, een verloren gewaande cello en gedragen door haar indringende vocals. Op het dromerige, broze “No one marries me” en de op British geënte folk “The sleepy giant” zette ze enkele tapdanspasjes vooraan het podium. Of ze imponeerde met de jazzyfolkblues van het lieflijk verleidelijke “The janitor’s boy” (van Nathalia Crane).
Boeiend en leuk waren de verhalen van Mother Goose “The man & the wilderness” en Edward Lear’s “Calico pie”. Deze laatste kreeg een zwierige countryswing. Kippenvel bezorgde ze ons van Lydia Huntley Sigourney’s “Indian names”, die door cello werd bepaald en de aanvaarding van de verlieservaring van een kind op het aangrijpende “Spring and fall to a young child” (Gerard Manley Hopkins). Net als Merchant moesten we even diep ademhalen. Ze barstte zelfs in tranen uit! Wat een intens emotioneel moment.
Het sprookjesachtige, feeërieke “The equestrienne” had een helende werking, bood wat luchtigheid en werd uitgeroepen tot single van de cd.
En op die manier wisselde zij de songs mooi af van gevoel, zwaarte en intensiteit. Sommige nummers deden denken aan de muzikale diversiteit die Michelle Shocked aan de dag legde. De kinderparty van “The land of Nod” sloot het stevige pakket af.
Ze speelde nog een uitgebreide bis over haar soloplaten heen. Een pleidooi om Moeder Natuur te vrijwaren van alle ecologische rampen, “Motherland”, “Break your heart” en “Carnival” vulden het muzikaal in; “Cowboy romance” zong ze in duet en op “Tell yourself” gaf ze het publiek de ruimte het refrein zachtjes mee te zingen en te neuriën. Tot slot konden we haar uitwuiven met “Kind & generous” en een acapella versie van Vera Lynn’s klassieker “From the time we say goodbye”.

In deze sobere vorm bleven de songs duidelijk overeind. Met een boek vol kennis ging ze met haar begeleiding ruim twee uur gepassioneerd te werk …Een aandachtig publiek werd moeiteloos ingepalmd … met een lach en een traan. Dit optreden zinderde na …

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Lightning Dust

Lightning Dust : ingetogen pracht - Thee Oh Sees : een bom

Geschreven door

Heartbreaktunes zorgde nog maar eens voor een goedgevulde avond in Trix met drie groepen die wel heel uiteenlopende muziek brachten. Niet iedereen kon alles smaken hoewel ze allen gezien mochten worden. BacheloretteThee Oh SeesLightning Dust

Opener Bachelorette uit Nieuw-Zeeland staat voor Annabel Alpers die op Drag City het behoorlijke ‘My electric family’ uit heeft. Veel valt er nooit te beleven bij dit soort éénvrouwsprojecten. Achter een tafel wat klavieren bedienend, een loop hier en een sample daar (die ze soms zelf inspeelde op gitaar) is het nooit geheel duidelijk of er live wel iets gebeurt. En de bijhorende visualisatie, op een computerscherm vooraan en een groot scherm achteraan, was ook niet van die aard om ons langer dan een paar minuten te boeien. Maar de muziek, en daar gaat het toch om, mocht er bij momenten best wezen.
Zonnige synthpop die verrassend organisch klonk en me deed denken aan de betere seventiespop en vreemd genoeg ook aan kermisorgels (nochtans was ik toen nog bloednuchter). Eén enkele keer kwam zelfs Kraftwerk de kop opsteken maar helaas waren er ook veel flauwe momenten waarin ze gebruik maakte van veel te goedkope effecten die we al lang vergeten waanden.

Het Canadese Lightning Dust is naast o.a. Pink Mountaintops en Blood Meridian een tak van de wel zeer vruchtbare boom Black Mountain. Met ‘Infinite light’ maakten zangeres Amber Webber en toetsenist Joshua Wells (drummer bij Black Mountain) één van de beste platen van 2009. De verwachtingen waren dus hooggespannen en die werden net niet volledig ingelost. Het duo had versterking meegebracht : een man aan de elektronica die ook voor de percussie zorgde en de zus van Amber (tweede stem en sporadisch op bas).
Lightning Dust bracht mooie pastorale songs waarin die zacht vibrerende stem van Amber Webber ons meermalen koude rillingen bezorgde. Daarnaast kwam de elektrische piano soms de hoofdrol opeisen, zij het nooit spectaculair. Hoogtepunt was uiteraard "Never seen", een song buiten categorie, die voorzien is van een flinke snuif progrock. Deze set kende geen inzinkingen en toch was ik niet echt tevreden. Hoofdschuldige was de mix waarin de elektronica veel te luid stond waardoor een deel van de stemmenpracht verdronk.
Toevallig zag ik Lightning Dust de dag nadien nog eens in de 4AD in Diksmuide en daar was het geluid wel perfect zodat hun concert daar meteen een ster meer waard was.

"Zet alles open en dan heb je dat soort problemen niet" moeten Thee Oh Sees gedacht hebben. Thee Oh Sees, van wie ik me afvroeg of al die effecten op hun platen niets moesten verdoezelen. NEEN dus, zoveel was meteen duidelijk. Dit was een bom! Er werd gestart met een alles versplinterende intensiteit die me meermaals naar adem deed happen. Zanger John Dwyer, die met zijn hoekige gezicht iets weg had van David Coulthard, ging bijzonder opgefokt tekeer. Zijn gitaar overal tegen stoten, zijn microfoon in zwelgen, mijn verse pint die ik op het podium gezet had omschoppen : enige lichaamscontrole leek hem vreemd. En de man speelt geen gitaar, neen, hij laat zijn gitaar galmen. Toch had ik een boontje voor de tweede gitarist : Petey Dammit. Van kop tot teen getatoeëerd, stijf als een houten plank, gitaar hoog opgehangen tot tegen de kin, steeds met een psychotische blik in het oneindige turend maar wel met een zelfgemaakt hartje op zijn gitaar gekleefd met daarop de letters ECSR. Een kerel naar mijn hart en wie haalt Eddy Current Supression Ring eens naar België? Naast die twee weggelopen stripfiguren stond het drumstel van Mike Shoun volkomen terecht centraal op het podium opgesteld. Fantastische, explosieve drummer die de boel naadloos bijeen hield. En dan was er nog Brigid Dawson die naast mooi zijn ook nog op keyboards speelde en regelmatig voor de tweede stem zorgde, niet echt een onmisbare schakel.
Met de volumeknop volledig open brachten deze vier individuen totaal overstuurde psychedelische garagerock die live veel opwindender dan op plaat klinkt. Die moordende intensiteit van in het begin konden ze niet blijven aanhouden maar echt verslappen deed het nooit ondanks die enkele momenten dat er teveel gefreakt werd.
De in wezen catchy songs waren goed verborgen onder tonnen reverb en effecten, zelfs de stemmen waren voortdurend vervormd. Thee Oh Sees maakten het op het podium volledig waar, iets wat op plaat voorlopig niet lukt. En voor een goeie pot psychedelica moet je blijkbaar nog steeds in San Francisco zijn.

Organisatie: Trix, Antwerpen (ism Heartbreaktunes)

Thee Oh Sees

Thee Oh Sees: een bom - Lightning Dust: ingetogen pracht

Geschreven door

Heartbreaktunes zorgde nog maar eens voor een goedgevulde avond in Trix met drie groepen die wel heel uiteenlopende muziek brachten. Niet iedereen kon alles smaken hoewel ze allen gezien mochten worden. BacheloretteThee Oh SeesLightning Dust

Opener Bachelorette uit Nieuw-Zeeland staat voor Annabel Alpers die op Drag City het behoorlijke ‘My electric family’ uit heeft. Veel valt er nooit te beleven bij dit soort éénvrouwsprojecten. Achter een tafel wat klavieren bedienend, een loop hier en een sample daar (die ze soms zelf inspeelde op gitaar) is het nooit geheel duidelijk of er live wel iets gebeurt. En de bijhorende visualisatie, op een computerscherm vooraan en een groot scherm achteraan, was ook niet van die aard om ons langer dan een paar minuten te boeien. Maar de muziek, en daar gaat het toch om, mocht er bij momenten best wezen.
Zonnige synthpop die verrassend organisch klonk en me deed denken aan de betere seventiespop en vreemd genoeg ook aan kermisorgels (nochtans was ik toen nog bloednuchter). Eén enkele keer kwam zelfs Kraftwerk de kop opsteken maar helaas waren er ook veel flauwe momenten waarin ze gebruik maakte van veel te goedkope effecten die we al lang vergeten waanden.

Het Canadese Lightning Dust is naast o.a. Pink Mountaintops en Blood Meridian een tak van de wel zeer vruchtbare boom Black Mountain. Met ‘Infinite light’ maakten zangeres Amber Webber en toetsenist Joshua Wells (drummer bij Black Mountain) één van de beste platen van 2009. De verwachtingen waren dus hooggespannen en die werden net niet volledig ingelost. Het duo had versterking meegebracht : een man aan de elektronica die ook voor de percussie zorgde en de zus van Amber (tweede stem en sporadisch op bas).
Lightning Dust bracht mooie pastorale songs waarin die zacht vibrerende stem van Amber Webber ons meermalen koude rillingen bezorgde. Daarnaast kwam de elektrische piano soms de hoofdrol opeisen, zij het nooit spectaculair. Hoogtepunt was uiteraard "Never seen", een song buiten categorie, die voorzien is van een flinke snuif progrock. Deze set kende geen inzinkingen en toch was ik niet echt tevreden. Hoofdschuldige was de mix waarin de elektronica veel te luid stond waardoor een deel van de stemmenpracht verdronk.
Toevallig zag ik Lightning Dust de dag nadien nog eens in de 4AD in Diksmuide en daar was het geluid wel perfect zodat hun concert daar meteen een ster meer waard was.

"Zet alles open en dan heb je dat soort problemen niet" moeten Thee Oh Sees gedacht hebben. Thee Oh Sees, van wie ik me afvroeg of al die effecten op hun platen niets moesten verdoezelen. NEEN dus, zoveel was meteen duidelijk. Dit was een bom! Er werd gestart met een alles versplinterende intensiteit die me meermaals naar adem deed happen. Zanger John Dwyer, die met zijn hoekige gezicht iets weg had van David Coulthard, ging bijzonder opgefokt tekeer. Zijn gitaar overal tegen stoten, zijn microfoon in zwelgen, mijn verse pint die ik op het podium gezet had omschoppen : enige lichaamscontrole leek hem vreemd. En de man speelt geen gitaar, neen, hij laat zijn gitaar galmen. Toch had ik een boontje voor de tweede gitarist : Petey Dammit. Van kop tot teen getatoeëerd, stijf als een houten plank, gitaar hoog opgehangen tot tegen de kin, steeds met een psychotische blik in het oneindige turend maar wel met een zelfgemaakt hartje op zijn gitaar gekleefd met daarop de letters ECSR. Een kerel naar mijn hart en wie haalt Eddy Current Supression Ring eens naar België? Naast die twee weggelopen stripfiguren stond het drumstel van Mike Shoun volkomen terecht centraal op het podium opgesteld. Fantastische, explosieve drummer die de boel naadloos bijeen hield. En dan was er nog Brigid Dawson die naast mooi zijn ook nog op keyboards speelde en regelmatig voor de tweede stem zorgde, niet echt een onmisbare schakel.
Met de volumeknop volledig open brachten deze vier individuen totaal overstuurde psychedelische garagerock die live veel opwindender dan op plaat klinkt. Die moordende intensiteit van in het begin konden ze niet blijven aanhouden maar echt verslappen deed het nooit ondanks die enkele momenten dat er teveel gefreakt werd.
De in wezen catchy songs waren goed verborgen onder tonnen reverb en effecten, zelfs de stemmen waren voortdurend vervormd. Thee Oh Sees maakten het op het podium volledig waar, iets wat op plaat voorlopig niet lukt. En voor een goeie pot psychedelica moet je blijkbaar nog steeds in San Francisco zijn.

Organisatie: Trix, Antwerpen (ism Heartbreaktunes)

Labadoux 2010: zondag 9 mei 2010

Geschreven door

Zondag 9 mei … Moederdag … Nadat we aan de verplichte familiereünies ontsnapt zijn, is op Labadoux de jaren ’60 revival al volop aan de gang. The Move hebben we gemist. Schijnt dat de afwezigen ongelijk hadden… Maar er staat nog meer retro op het programma …

Alan Price Set

Alan Price, één van de twee voormannen van The Animals, maakte furore met zijn legendarische orgelbewerking van “The House of the Rising Sun”. In 1965 verliet Alan Price The Animals om een andere weg in te slaan: The Alan Price Set was meteen geboren. Meerdere pogingen om The Animals opnieuw samen te krijgen mislukken. Toch toert Alan Price al tientallen jaren door de UK. Zo figureert Alan Price met zijn groep als zichzelf in de film "O lucky man" van Lindsay Anderson uit 1973. Het loont de moeite om dit even op YouTube te bekijken. Malcolm McDowall is de rijzende ster in de film en ontdenkt dat hij in proefkonijn in een verschrikkelijk experiment is. (http://www.youtube.com/watch?v=-oL7XP0ROvk) Hij ontsnapt werd bijna aangereden door een minibusje van… jawel ‘The Alan Price Set’ (http://www.youtube.com/watch?v=1w0x-ezfBXA&feature=related) Hij mag mee met het busje en ontmoet de mooie jonge Helen Mirren. Later zoekt hij haar op in haar appartement waar ook de groep repeteert (http://www.youtube.com/watch?v=6WpgRYw1Ye4&NR=1)
Hij treedt ook op met groepen als Manfred Mann, The Searchers en The Hollies. Verder werkt hij samen met verschillende muzikanten zoals Georgie Fame. In de set list van zondag hoorden we dan ook nummers zoals “Lucille” van Little Richard, “The Letter” van The Boxtops ofMoney (That's What I Want)” dat inde jaren’60 gecoverd werd door alles wat naam had.
Zoals altijd weet hij zich omringd door een stel uitstekende muzikanten. Op het einde van de set trad frontman Alan Price even opzij en gaf hen elk hun solomoment.
Achteraf konden we de groep nog even strikken voor een groepsfoto. Maar voor een extra woordje uitleg was hij niet te vermurwen. Hij is dan ook al decennia lang een grote ster…

Yevgueni
We zijn hier nu toch” zingen de mannen van Yevgeni. Wij waren er gelukkig ook bij in de volle tent om Labadoux editie 2010 af te sluiten. Frontman Klaas, de lieveling van de meisjes, bezingt hen in poëtische “jongensteksten” (meisjes netjes gesorteerd van klein naar groot of omgekeerd). Hij weet ons te vertellen dat “Sara komt nooit meer terug” verwijst naar café de Cafard in Leuven …of De Fagot die gelukkig nog bestaat. Ook gevleugelde uitspraken zoals Spijt is wat de geit schijt, maken deel uit van de teksten die Klaas schrijft (in het bijzonder met de benen gespreid). Het is ongelofelijk te horen welk songbook deze jonge groep (ontstaan in 2002), nu al bijeen geschreven heeft. In geen tijd zijn ze uitgegroeid tot een gevestigde waarde in ons muzieklandschap. Het publiek zong ook uit volle borst mee met de nummers van hun derde cd. (Bekijk de UFO op http://www.yevgueni.be/ )
Halfweg de set haalde Klaas een oude beatbox boven. “Nieuwe meisjes” werd ingezet en meezingen was toegelaten. Hij had het toch niet kunnen verbieden. Ook de mannen werden op hun wenken bediend: “Je moet een man zijn” blijkt dus een metafoor te zijn voor de tefalpan. Wie erbij was, begrijpt wat filosoof Klaas hiermee bedoelt. Op het einde testte de zanger nog eens het vakmanschap van zijn groep: zonder enig sein of teken zong hij het begin van het volgende nummer. Elk groepslid viel in op het juiste moment! Meesterschap!
Toen haalde Klaas één van zijn fans uit het publiek: Laura Houthoofd mocht meezingen en beleefde waarschijnlijk reeds haar hoogtepunt van 2010. Met verzoeknummer “Als ze lacht” en nog een boodschap voor de stemplichtigen onder ons “Meer vrouwen aan de macht” werden we naar bed gestuurd. Het is echt waar: ze hebben het perfecte evenwicht gevonden tussen kleinkunst en pop. Dat hoorden maar liefst 3250 man in de concerttent.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Labadoux, Ingelmunster

Faithless

Faithless kwam, zag én … genoot

Geschreven door

Grootse groepen willen nog eens voeling houden met hun fans in kleine zaaltjes …onlangs zagen we nog Editors in een zaaltje van zo’n 800 man (Grand Mix, Tourcoing!). Ondanks de uitgekiende, afgewerkte set zorgde hun coole uitstraling ervoor dat de vonk onvoldoende oversloeg. Andere koek was het met Faithless, de Britse band rond rapper Maxi Jazz en elektronicawonders Sister Bliss en Rollo Armstrong. Tijdens hun set in de AB spatten de vonken er vanaf. Tja, dit was de unieke gelegenheid om zo’n grootse band eens niét in de grote concerttempels aan het werk te zien!
Toen het doorbraakalbum ‘Reverence’ in ’95 verscheen, zagen we de lieflijke, charismatische popdance formatie ook in de AB, maar vanaf dan was het clubcircuit gedaan, want de band oversteeg zichzelf en was enkel nog te zien in de grootste concertzalen en sloot de verschillende festivals af, waaronder hun tweede thuisbasis Rock Werchter. Jawel, Faithless groeide uit tot de festivalband en publiekslieveling van de ‘90’s, die peace, love en unity predikte en voor het ideale samenhorigheidsgevoel zorgde.
De twee vorige cd’s ‘No roots’ (‘04) en ‘To all new arrivals’ (’07) zijn eerder gematigd goed, maar hadden net niet dié bepalende tune en synthtoets van lady Sister Bliss om iedereen in extase te brengen of uit z’n dak te doen gaan.

Afgaande op het unieke zaalconcert van Faithless én de pré-release van het komende album ‘The dance’, hadden we een Faithless als in z’n beste dagen! Wat een return to the front! Moeiteloos plaatste het nieuwe materiaal zich naast de eerste drie platen ‘Reverence’, ‘Sunday 8PM’ en ‘Outrospective’. De grote hits zaten mooi verdeeld binnen de bijna twee uur durende set en werden afgewisseld met de sfeervol zalvende, opbouwende songs en het nieuwe materiaal.
Faithless werd meteen sterk onthaald … een triomftocht op voorhand … “This is for you, Brussels”, prevelde Maxi Jazz en met het nieuwe “Happy”, “Sun to me” en “All races” konden we al genieten van de bezwerende trance en het aanstekelijke Faithless –geluid, wat ons reikhalzend doet uitkijken naar de cd; de dubbele percussie, de elektronica en de zacht aandoende beats werkten in op de dansspieren en brachten de nummers naar een climax. Ze waren inderdaad ‘de warm-up’ naar “God is a DJ”, die de ganse zaal tot ontploffing bracht. Explosies die we verderop nog hoorden in de classiscs “Insomia” en “Salva mae”. Ongelofelijk tot wat die songs in staat waren in de ‘(kleine) AB’ … nét die bezwerende opbouw, de zegraps, de doel-treffende, efficiënte mee neuriënde elektronicatoetsen en de zalvende beats deden iedereen meeklappen en dansen. Momenten die in ons geheugen staan gegrift!
Daarnaast hoorden we nieuw materiaal, dat ons sterk onder de indruk bracht, de bezwerende trancepop van “Feel me now”, met een glansrol voor gastzanger Neil Arthur, die vocaal diep kon gaan en hoog kon uithalen, de opbouwende groove van “Tweak” en de huidige single “Not going home”, die de set besloot en ergens zweefde tussen het origineel op de nakende cd en de remix van Eric Prydz, een lang uitgesponnen versie, opgezweept door de steviger wordende ritmes, beats en percussie. Zelfs een vleugje wave en industrial zat erin verwerkt. Af en toe was er een adempauze, loungemomenten, door het sfeervolle “Everything all right” en “Crazy balheads”. Verder was het genieten van het poprockende “Mass destruction”, het hemelse “Bring my family back” en de lichte grooves van “What about love” en “Bombs”. Intrigerend klonk alvast “Drifting away” door de steeds repeterende gitaarloops.
Door de jaren is Faithless zichzelf gebleven en voelen ze zich allesbehalve ‘God – verheven’ boven alles. In de bis was er de finesse en subtiliteit van “Take the long way home” en het directe “Muhammed Ali”. Tot slot kon iedereen nog eens uit de bol gaan op “We come 1”.

Faithless kwam, zag, én … genoot van het luidkeelse, puike onthaal. Minutenlang lieten een vriendelijke Maxi Jazz en Sister Bliss na het optreden het publiek “We come 1” nog scanderen en mee neuriën. Faithless draagt z’n publiek een warm hart toe, met terechte V-vingers in de lucht … Wat een leuk, ontspannend avondje hebben zij ons bezorgd. Het wordt alvast uitkijken naar de nieuwe plaat, die als een bom moet invallen en ons naar de Werchter weide brengt …

Organisatie: Live Nation

Les Nuits Botanique 2010 - Trans Am - de bezweerders van de robots

Geschreven door

De Amerikaanse postrockers Trans Am toverden tijdens Les Nuits Bota de magische Rotonde om tot een halfdansbare roboteske heksenkring. De bezweringen die het trio Means/Manley/Thomson er, na 20 jaar veelvuldig touren en een tiental platen later, op het publiek loslieten hadden aan geen kracht ingeboet.

Centraal tijdens de Trans Am sfeervolle live ervaring stonden het onweerlegbare vakmanschap met Thomson zijn retestrakke 80’s drumbeats, de zware NIN-achtige synthgrooves (“Black Matter” uit de nieuwe ‘Thing’) en flippende computergeluiden en –beats (“Outmoder”) uit de tijd dat de floppy disk nog revolutionair was, en dit alles overgoten met een goeie scheut theatrale humor. Means die zijn vervormde stem aan een vroegere ontmoeting met de aliens ontleend had, predikte van voor zijn keyboard/altaar tijdens “I want it all”, “Futureworld” en “Play in the summer” als een begeesterde priester - eentje met betere bedoelingen - en kwam met een grote glimlach geloofwaardiger over dan de meeste politiekers de laatste tijd in het verknipte Brussel betrachten.
Het spelplezier stond duidelijk voorop en een nooit vervelende afwisseling van complexe evenals eenvoudige groovende ritmes, en met delay doorspekte melodieën werden in de hoofdzakelijk instrumentale nummers moeiteloos door de ketel geroerd. Bas en gitaar werden dan ook vlotjes van muzikantenhand verwisseld, de leadzang werd schijnbaar lukraak uitgewisseld en Manley haalde de ene geïmproviseerde gitaarloop na de andere uit zijn Memory Man.
Het trio kende hun klassiekers en amuseerde met de Richie Samborachtige gitaarsolo’s, Means zijn Drittes Reich poses en het vrouwelijke gejubel bij de ontblote torso van Thomson die maniakaal en met gouden ketting het publiek met starende ogen in zijn visier hield.

Het trio kroop na een uur, bisnummer incluis, van strakke en verhalende flipgrooves terug op hun ataribezems en liet een hondertal man verstomd achter. Kort en krachtig, meer moet dat niet zijn!

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Bota 2010)

Les Nuits Botaniques 2010: Admiral Freebee – Woodpigeon - Stornoway – Montgomery

Geschreven door

Zoals gewoonlijk te laat arriverend konden we maar 3 nummers van Montgomery meepikken. Maar die waren wel genoeg om ons opgelucht te doen concluderen: er is wel degelijk leven ná Jacques Dutronc en Vanessa Paradis in Frankrijk (hoewel die in gezelschap van een kaasbordje en Frans wijntje ook wel best te pruimen zijn). Aangepookt door 2 drummers experimenteerden deze jongelui uit Rennes er intens en luidruchtig op los zonder het publiek veel aandacht te schenken. Op de beste nummers “Le Ciel” en “Volcan” waren de invloeden van ‘shoegazer’ bands Catherine Wheel en Swervedriver duidelijk hoorbaar en als eerste kennismaking volstond dit ruimschoots.

Het Britse Stornoway was stiekem de band waar we deze editie van Les Nuits Botanique het meest naar uitkeken.Hun debuutalbum ‘Beachcomber’s Windowsill’ ligt pas eind deze maand (op 24 mei 2010) officieel in de rekken. Toch wordt dit kwartet uit Oxford in de Britse kwaliteitskrant The Guardian nu al omschreven als ‘the most marvellous thing we’ve seen in ages… not one song was less then lovely and they immediately became our new favourite band’.
Nu, het zal zeker niet de laatste keer geweest zijn dat een nieuwe groep van Britse bodem de hemel ingeschreven wordt over het Kanaal (om later meestal met evenveel enthousiasme afgekraakt te worden). Maar als getuige van hun allereerste optreden op Belgische bodem kunnen we achteraf toch alleen maar concluderen dat ze er deze keer verdomd niet ver naast zitten. Zelden werden we meer overrompeld door de magische schoonheid van een handvol folksongs die op het podium een soort ongereptheid en weidsheid uitademden die je nog zelden tegenkomt in Vlaanderen, enkele uitzonderingen in de Vlaamse Ardennen niet te na gesproken.
Denk aan Fleet Foxes, maar dan (veel) Britser, of aan het beste van Belle and Sebastian, maar dan Amerikaanser, vooral door de melodieuze stem van zanger Brian Briggs die zelfs af en toe naar John Denver neigde.Geen grootspraak over ‘de teloorgang van de vrijheid’ (zoals bij Admiral Freebee later die avond, zie verder) bij dit viertal met een hoog universiteitsgehalte, eerder oprechte verwondering over op het eerste zicht banale onderwerpen.
“I Saw You Blink” bijvoorbeeld, dat een gemiste treinaansluiting omtoverde tot een te koesteren ervaring: genieten van de zon en een zee van tijd die zich ineens voor je uitstrekt. De frontman bleek trouwens iets met treinen te hebben, want tussendoor moest hij ook nog aan het publiek kwijt dat zijn allereerste reis met de Eurostar van Londen naar Brussel veel minder spannend was dan hij oorspronkelijk gedacht had, wat op het nodige gegrinnik in de zaal onthaald werd. Een andere luchtige anekdote over het van een toren gooien van jonge katjes tijdens het Ieperse Kattenfestival zette de Engelse dames met een maatje meer in het publiek zelfs aan tot uitbundig lachen.
Veel tijd om uit te leggen dat dit géén ‘Belgian joke’ was kregen we niet. Uit het met mandoline begeleidde “We Are The Battery Human” sijpelde een voorliefde voor dronken nachten in Keltische kroegen en het met orgel begeleidde “Fuel up” blikte nostalgisch terug naar een jeugdliefde die voorgoed voorbij is.
Tijdens afsluiter “Zorbing” moesten we ons zelfs heel even vastklampen aan de balustrade van de mengtafel achter ons om niet steil achterover te vallen van zoveel pracht.
Na het optreden vertrouwde drummer Rob Steadman me nog toe dat Stornoway er deze zomer op uit trekt om enkele kleinschalige concerten te geven op de Schotse Western Isles (naar wiens ‘hoofdstad’ de band trouwens genoemd is). Het moet dus waarschijnlijk ergens in die buurt zijn waar deze jongelui hun inspiratie opdoen voor hun magische songs.
Moet het eigenlijk nog gezegd worden dat Stornoway na amper twee dagen nu al dé revelatie is van Les Nuits Botaniques 2010?

Na zoveel moois kon het optreden van het Canadese Woodpigeon alleen maar tegenvallen. En dat deed het helaas ook.De prijs van meest excentrieke band die avond sleepten ze wel moeiteloos in de wacht. Toen frontman Mark Hamilton met dikke rosse baard en lijvige postuur het podium opstapte, dachten we zelfs even dat Tom Van Laere van Admiral Freebee zich van uur vergist had. De bassist was zo mogelijk nog meer behaard in het aangezicht en de bebrilde drummer zagen we eerder ergens een noodplan uitdokteren voor het redden van de euro. Maar de meeste aandacht werd toch wel gestolen door de 2 zotte beezen met licht Aziatische looks en bloemen in het haar om de boel wat op te vrolijken op het podium (en af en toe ook een instrument te bespelen). Met de regelmaat van de klok zetten ze beiden een gesynchroniseerd danspasje in dat je allerminst zou verwachten bij dit genre. Woodpigeon grossiert immers in (licht) melancholische muziek die de mosterd haalt bij Elliot Smith, Sufjan Stevensen en (vooral) Iron and Wine, zonder deze voortreffelijke inspiratiebronnen ooit te overtreffen. Het nieuwe album ‘Die Stadt Muzikanten’ slaat een iets luchtiger en rijker instrumentarium aan, maar live kwam dit nooit echt van de grond. “…And as the Ship went down” deed zijn naam alle eer aan en de meeste overige nummers klonken weinig origineel. “Knock Knock” uit het vorige album ‘Treasury Library Canada’ bracht wat meer vaart in de set en zorgde op die manier voor een bescheiden hoogtepunt. Met het laatste nummer “Drowning Hands” beloofde Mark Hamilton alsnog vuurwerk, maar ook die ging de mist in.
Neen, een prijsduif was Woodpigeon zeker niet die avond in de Botanique.

Het was op zich een moedige zet van de organisatoren om in tijden van communautaire hoogspanning in extremis nog een Vlaamse headliner toe te voegen aan de affiche in de Orangerie. Maar of het optreden van Admiral Freebee die avond aanleiding zal geven tot enige pacificatie aan weerszijden van de taalgrens valt wel héél sterk te betwijfelen.
Aan het einde van de set was de zaal immers zo goed als leeggelopen. Zanger Tom Van Laere stak hiervoor ietwat zuur lachend de schuld op zijn promotor, die beloofd had dat de laatste band sowieso voor een volle zaal zou spelen.Maar volgens ons zou hij toch eens beter werk maken van een intern gewetensonderzoek. Hoe komt het bijvoorbeeld dat de talrijk opgekomen Engelstalige fans van Stornoway en Woodpigeon zich al na enkele nummers richting uitgang begaven? En dat hij in Vlaanderen aardig wat volk op de been kan brengen maar in het epicentrum van het Franstalig clubcircuit, ondanks zijn internationale en toegankelijke sound,amper van de grond komt?
Aan de begeleidingsband die strak en geconcentreerd op het podium stond zal het die avond zeker niet gelegen hebben. Zelfs Flip Kowlier kweet zich voor de verandering helemaal op de achtergrond als bassist meer dan aardig van zijn taak.
We vragen ons wel af waarom frontman Van Laere die groepsleden al uitgebreid begon voor te stellen vóór de helft van het concert verstreken was, een karwei die hij later nog tot tweemaal toe zou herhalen? De ellenlange en vervelende solo’s waarmee deze voorstelling telkens gepaard ging brachten de vaart volledig uit het optreden.
Opener “I’m Always Open For The Worst” klonk nog veelbelovend en ook de prima single “Always On The Run” uit het nieuwe album ‘The Honey And The Knife’ zat al vroeg in de set. Maar daarna ging het snel bergaf.
Niet alleen omdat Tom Van Laere hoe langer hoe meer de onweerstaanbare drang kreeg om te schreeuwen in plaats van de zingen tijdens ieder nummer. Het waren vooral de tenenkrullende lyrics en refreinen die ons incasseringsvermogen nog het meest op de proef stelden. “Look what love has done” klonk ronduit pathetisch en “I’m in love with solitude” ongeloofwaardig. “There’s nothing like romance, only trouble and desire” was er opnieuw vér over en toen hij voor de zoveelste keer zijn 5 reistips (rule number one, you have to travel alone; rule number two, you have to travel slow, enzovoort enzovoort…) uit de doeken deed moesten we zelfs even een lachbui onderdrukken. En klinkt “Get out my life whore, you don’t love me anymore” niet eerder als een Facebook kreet van een gefrustreerde 14-jarigedan als poëzie van een bohémien die openlijk dweept met de ‘Beat Generation’?
Op het eind zaten weinigen nog echt op een bisnummer te wachten, maar Admiral Freebee speelde er toch nog enkele. “Nu gaan ze mij wel van het podium moeten sleuren” sprak Tom Van Laere met duidelijk Antwerps accent, en heel even vreesden wij dat hij het echt meende terwijl hij “Carry On” inzette.
Als «den Admiraal» live niet dringend uit een ander vaatje tapt dreigt hij veel te vroeg een karikatuur van zichzelf te worden. Maar misschien moet hij gewoon eens een goed lief vinden. We wensen hem veel succes tijdens zijn avondexcursies in de Vlaamsesteenweg.

Organisatie: Botanique, Brussel (ikv Les Nuits Bota 2010)

Pagina 436 van 498