logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Stereolab
Stereolab

Swans

Swans - Play at loud volume!!!

Geschreven door

Op deze barre en winterse vrijdagavond trokken we goedgemutst en warm ingeduffeld naar het Noord-Franse Tourcoing om de herenigde New Yorkse noisemasters Swans aan het werk te zien. We waren benieuwd of ze nog altijd even indrukwekkend en overrompelend waren als voordien.

Eerst kregen we de Londense alternatieve folkartiest James Blackshaw voorgeschoteld. Op zijn twaalfsnarige akoestische gitaar bracht hij dromerige, intieme, spaarzame en rustige songs die beïnvloedt waren door artiesten als John Fahey, Bert Jansch en Leo Kottke. De 29-jarige troubadour, die op het Young God Records-label zit van Michael Gira, bracht het er redelijk goed van af, maar zijn fingerpicking style stond in schril contrast met de massieve wall of sound van Swans. Zodoende niet de ideale match, de verkeerde man op de verkeerde plaats.

Voor wie Swans niet kent, een introductie: Swans zijn een invloedrijke Amerikaanse noise/industrial/ experimentele rockband, opgericht door singer/songwriter en multi-instrumentalist Michael Gira. De groep was deel van de New Yorkse 'No Wave'-scene (cocktail van post-punk, punkrock, jazz, funk en avant-garde) met acts als Lydia Lunch, Teenage Jesus and The Jerks, Sonic Youth, D.N.A., Mars en James Chance and The Contortions. De band was vooral befaamd in de jaren tachtig om hun krankzinnig luide en intense optredens waarbij regelmatig aanwezigen brakend de zaal uitliepen. Hun sound was log, minimalistisch, beenhard en afgekloven. Na hun derde album voerde de band een stijlverandering door en klonk de muziek minder zwaarmoedig, toegankelijker en melodieuzer.
Naast Gira, waren vocaliste/keyboardspeelster/songwriter Jarboe en gitarist Norman Westberg de enige vaste leden. Tussen '82 en '97 penden ze een uitgebreide en aanzienlijke discografie bijeen: elf studio-albums, zeven compilaties, negen liveplaten en elf EP's.
Na de split in '97 profileerde Gira zich vooral als solo-artiest en frontman van Angels of Light, een project met constant wisselende musici. Gedurende deze periode maakte hij eerder breekbare, akoestische en ingetogen muziek. Een radicale stijlbreuk met zijn verleden bij Swans die vooral grossierden in gitzwarte, rauwe en nihilistische songs. Hij richtte tevens een eigen platenlabel op, Young God Records.
Toch begon het weer te kriebelen en aldus werd in januari 2010 Swans nieuw leven ingeblazen door Gira, ditmaal zonder Jarboe. Er volgde een felbejubeld en enthousiast onthaald nieuw album, het eerste in dertien jaar, met de vertrouwd klinkende sombere titel 'My father will guide me up to a rope to the sky'. Een achttien maanden durende wereldtour zit inmiddels op de rails.

In de kleine maar gezellige en sfeervolle Grand Mix begon Swans hun set met een indringende en uitgesponnen drone, aanzwellende loops en gehamer op staven waarbij langzaamaan één voor één de andere instrumenten bijkwamen. Zodra de bas en gitaren invielen herkenden we "No words/no thoughts", tevens de opener van de nieuwe langspeler.
Een trage opbouw is typisch voor Swans en zou één van de hoofdkenmerken worden van de performance. Elke song kreeg de tijd om zich live te ontwikkelen tot 'monsterversies' van een kwartier tot zelfs twintig minuten, dit in tegenstelling tot de studioversies die eerder beknopt zijn. Door de lange improvisaties was het niet altijd duidelijk waar een nummer eindigde en een ander begon. Uiteindelijk speelde Swans bijna twee uur waarin ze slechts acht tracks en één korte bis ten gehore brachten. Van verveling was geen sprake.
Van de oorspronkelijke bezetting zijn alleen Gira en oudgediende Norman Westberg nog present, aangevuld met de nieuwe 'werkkrachten' Chris Prevdica en lap steel-gitarist Christoph Hahn. Phil Puleo en Thor Harris (beide ex-Angels of Light) etaleerden hun kunsten niet alleen op drums en percussie, maar stonden ook hun mannetje op keyboards, vibrafoon, xylofoon, gong en melodica. Dit alles gaf een duidelijke meerwaarde aan het totaalgeluid, een streling voor het oog en oor!!
Tijdens "Your property" (‘Cop’), beukrock uit '84, rinkelden de decibels je om de oren. "Sex God sex" uit meesterwerk en blauwdruk 'Children of God' was minimalistisch en ondraaglijk intens, een aanslag op de trommelvliezen. Het recente "Jim" was een uitermate expressief, donker en cynisch eerbetoon aan de Australische industrial/noise-artiest Jim Thirlwell, ook wel bekend onder de naam Foetus, een tijdsgenoot van Swans.
De geslaagde medley "You know nothing/Beautiful child" (uit resp. 'White light...' en 'Children of God') was bitter en bijna gewelddadig."I crawled" een andere stokoude Swans-song was confronterend, hypnotiserend en brutaal. "My birth" en "Eden prison" dreven allebei op onontkoombare, uitgepuurde en tribale ritmes. We werden compleet murw geslagen.
Met het korte en bijna spirituele "Little mouth" trakteerden ze ons met een bisnummer en kwam er een einde aan een verbluffend indrukwekkende show.

Gira was niet bepaald communicatief. Hij keek vooral gefocust en schijnbaar streng naar zijn muzikanten en zei amper een woord tegen het publiek. Tot hij vlak voor het einde een biertje vroeg en wat losser werd. Hij toonde zich als een minzame vijftiger en bedankte zijn publiek voor hun trouw. Ja, de tijden zijn veranderd. Vroeger had hij de reputatie om zijn publiek uit te dagen en te provoceren, maar daar merkten we nu weinig van.

Een optreden van Swans anno 2010 is een twee uur durende uitputtingsslag gedirigeerd door de machtige bariton van Gira en waarbij alles draait om volume, repetitieve ritmes en intensiteit. Je voelt als het ware de muziek door je hele lijf en kan ervan in een zekere extase geraken. Dit was monotone, bezwerende trancemuziek, een soort van oerritueel.
Swans behoort nog steeds tot de extreemste, luidste en radicaalste bands uit het hedendaagse muzieklandschap. Ze serveerden ons een indrukwekkend, niet te versmaden en vooral luid concert dat we niet vlug zullen vergeten. Welcome back, Swans!!!

Setlist:  1. No words/no thoughts  2. Your property  3. Sex God sex  4. Jim  5. You know nothing/Beautiful child  6. I crawled  7. My birth  8. Eden prison  9. Little mouth

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Grand Mix, Tourcoing

Jeff Wayne

Jeff Wayne’s Musical Version of The War of the Worlds

Jeff Wayne’s Musical Version of The War of the Worlds
De titel van het beroemde boek van de Britse schrijver H.G.Wells uit 1898 spreekt reeds meer dan een eeuw tot de verbeelding van miljoenen mensen. Het is een sciencefiction horrorverhaal met de klassieke ingrediënten: terreur, wanhoop, liefde en een onverwacht happy end. Alles is aanwezig om een ruim publiek te boeien.
Het boek maakte Wells tot één van de beroemdste schrijvers uit zijn tijd. Hij was zeker visionair, getuige bijvoorbeeld zijn voorspelling in 1914 over de verschrikkingen van de atoombom. Het boek kwam opnieuw volop in de belangstelling door de hevige commotie rond het hoorspel van Orson Welles uit 1938.
In 1978 greep het verhaal de wereld opnieuw bij de keel. De muzikale versie van Jeff Wayne werd zonder meer een wereldhit. Een kwarteeuw later (in 2004) maakte hij daarvan een theaterbewerking, waarmee hij reeds vier jaar rondtoert met een vijftigtal muzikanten en vijf bekende solisten. Hij dirigeert zelf het ganse stuk en het plezier druipt er overduidelijk van af. De verfilming door Steven Spielberg in 2005 (met Tom Cruise in de hoofdrol) droeg alleen maar bij tot het succes van de show.

Het zou ons te ver voeren als ik zou proberen een beschrijving te geven van alles wat we te zien en te horen kregen. De website geeft daarover genoeg gedetailleerde uitleg (http://www.thewaroftheworlds.com) . Maar wie nog wat prikkels kan gebruiken om ook effectief te gaan surfen, kan ik misschien enkele dingen aanreiken die mij speciaal opvielen. Het eerste wat bij me opkomt is zonder twijfel het meer dan drie meter grote hologram van Richard Burton, de verteller, die met de regelmaat van de klok boven het podium komt zweven. De bezwerende stem doet meer dan het verhaal vertellen en converseert zelfs met de acteurs, sprekende mimiek inbegrepen.
Een ander hoogtepunt in de show portretteert misschien nog het best de ongelooflijke volledigheid en veelzijdigheid van de show. Bij het uitbreken van de oorlog daalt een gigantische drie ton zware tripod (één van de machines van Mars) neer en bestookt het publiek met knallende vuurstralen, bijgestaan door snerpende gitaren, snijdende violen en flitsende lichteffecten. Het scherm brengt onverminderd het strijdtoneel in beeld en de synergie tussen de vele elementen wordt nog groter als ook de voorkant van het podium in lichterlaaie staat.
Het gaat echter niet altijd loeihard, want de show omvat ook perfect opgebouwde melodieën. Dit is bijvoorbeeld het geval in “Eve of the War”, waar het hoofdthema iedereen meteen meesleurt met de imposante vioolstreken. Pas tegen de pauze lijk je opnieuw naar adem te kunnen happen. De samenwerking tussen de veertig orkestleden en de tien bandleden is zo goed dat het niet eens opvalt dat ze samen spelen.
Ook subtiliteit zit vervat in het meesterwerk van Jeff Wayne. En dat is des te meer het geval in “Forever Autumn”, waar de fluwelen stem van Moody Blues’ Justin Hayward zijn elegantie en stijl perfect aanwendt om de eerder aangehaalde liefde en melancholie te symboliseren. Een heerlijk subtiel deel na het grote geweld van de oorlogsverzen.
Naast Justin Hayward is ook de rest van de cast zonder meer indrukwekkend. De passie van Jason Donovan, die de gekke artillerieman vertolkt, blaast de zaal weg in “Brave New World”. En dan is er ook nog Liz McClarnon (Atomic Kitten) die plots de hemel ingaat of Rhydian (uit X-factor 2007) en Chris Thompson (Manfred Mann’s Earthband). Een indrukwekkende cast die niet louter subliem soleert, maar ook nog eens uitstekend acteert.

De show is zonder meer grandioos en overweldigend. De fans wisten niet waar eerst te kijken, terwijl de muziek zuiver en meeslepend is. Tussen de songs door volg je geboeid het verhaal, dat voortgestuwd wordt door de dwingende drum, de dwepende bas en de messcherpe gitaar- en synthesiserklanken.
Terwijl ik dit verslag schrijf heb ik de muziek opstaan en ik betrap mij er op dat ik er niet genoeg kan van krijgen: missie geslaagd, Jeff!


Organisatie: Sportpaleis, Antwerpen

Gorillaz

Gorillaz - Schitterend totaalspektakel

Geschreven door

Wat als een ambitieus nevenprojectje is begonnen, is uitgegroeid tot een fameus totaalspektakel en een tijdrovend circus. Maar creatief brein en muzikale veelvraat Damon Albarn weet er raad mee, hij heeft met de unieke formule van Gorillaz onverhoopte successen bereikt en reist met zijn omvangrijke gevolg de wereld rond waarbij hij overal op zeer lovende reacties onthaald wordt. De man geniet er zichtbaar met volle teugen van en alle bandleden delen in zijn vreugde. Gorillaz is hot.

Aanleiding tot de succesvolle concertenreeks is natuurlijk het avontuurlijke derde Gorillaz album ‘Plastic Beach’, een plaat met een verslavende werking en eentje die bovenaan gaat eindigen in alle eindejaarslijstjes. En na wat we vanavond hebben mogen meemaken, gaan wij dat album nog meer koesteren. Een hele resem special guests hebben er aan meegewerkt, en een pak van hen dartelen gewoon mee op tournee, ook al staan ze iedere avond maar enkele ogenblikken op het podium.
Om Gorillaz live ten volle mee te beleven kom je ogen en oren te kort. Razend knappe visuals en animaties passeren op groot scherm terwijl daaronder op het podium ettelijke muzikanten met laaiend enthousiasme hun ding doen. En dan is er nog Damon Albarn zelf die volledig opgaat in dat totaalgebeuren en hierbij de bedrijvigheid aan de dag legt van een overenthousiast kind dat zopas een uitpuilende speelgoedbox van Sinterklaas heeft gekregen. Hij vliegt en springt over het podium, hitst geregeld zijn bandleden op en gaat die zelfs ongegeneerd omhelzen.
Tijdens zijn vrolijke escapades blijft hij steeds knap bij stem en zingt hij met een ongeziene vurigheid. Een prachtige frontman dus die centraal op het podium dan nog eens geflankeerd wordt door een paar levende legendes, met name Clash leden Mick jones en Paul Simenon. Jones fladdert voortdurend geamuseerd over en weer op het podium, ondertussen de fijnste gitaarriffs uit de losse pols schuddend, en een al even driftige Simenon weet met zijn diepe bastonen een nadrukkelijke stempel op het Gorillaz geluid te drukken.
Na de knappe animatie intro komt een strijkensemble bestaande uit een handvol bevallige kortgerokte jongedames (een mens zou wensen dat hij een viool was) op magistrale wijze de eerste tonen van “Orchestral intro” inzetten en daarna komt Snoop Dogg van op groot scherm een welkomstwoord rappen in “Welcome to the world”, op het podium wordt hij hier bijgestaan door het naarstig trompetterend Hypnotic Brass Ensemble, een hitsige blaaskapelbende met een buitenproportionele longinhoud. Het is algauw duidelijk dat we hier vanavond grootse dingen gaan beleven.
Een voorname gast is soullegende Bobby Womack die het aanstekelijke “Stylo” op de meest wonderbaarlijke manier naar de hemel zingt. Een stem om van omver te vallen. Ook de strot van de bevallige Rosie Wilson knalt helder in “19-2000”.
Om te tonen dat Gorillaz ook zonder gastzangers kunnen schitteren komt Albarn van achter zijn piano “Melancholy hill” subliem vertolken en blaast hij er een gloeiend en ontvlambaar “Rhinestone Eyes” door.
De rappers van De La Soul hebben in het voorprogramma voor wat bedenkelijk en geforceerd amusement gezorgd, maar hun raps blijken binnen het concept van Gorillaz wel te werken en ze maken een knetterende party van “Superfast Jellyfish”.
Nog schoon hip hop volk op de vloer met Bootie Brown en MF Doom in een uiterst knap “Dirty Harry” (met heerlijke backgroundkoortjes) en “November has come”.
De Oosterse muze Little Dragon doet samen met Albarn een paar mooie dingen op het fijne “Empire ants” en op het lieflijke wiegeliedje “To Binge”, en om “White flag” te introduceren komen een combo Syrische muzikanten de meest betoverende Oosterse klanken uit hun gekke instrumenten toveren. Wij zien nochtans geen slang uit een mand komen, maar we kunnen die er zo bij denken.
Het fantastische dansfeestje “Dare”, een hoogtepunt onder de hoogtepunten, met Rosie Wilson in een spetterende hoofdrol, blaast het dak van de Lotto Arena.
Voor we het goed beseffen zijn we al aan de finale beland. De temperatuur gaat nog maar eens de hoogte in met het stomende “Glitter Freeze” (weliswaar zonder de fantastische brompot Mark E Smith maar toch even briljant) onmiddellijk gevolgd door een furieus “Punk” waarin de heren van The Clash door het dolle heen gaan.
Voor de bisronde komt Bobby Womack nog eens schitteren in “Cloud of unknowing” en ontploft de hele zaal met “Feel good Inc” dat opgejut wordt door de raps van De La Soul. Natuurlijk is het ook nog eens dolle pret met de knaller “Clint Eastwood”, die prachtsingle waarmee alles destijds is begonnen, om dan in schoonheid te eindigen met “Don’t get lost in heaven” en de wervelende finale “Demon days” met alweer een fantastische Bobby Womack op de voorgrond.

Ronduit grandioos. Damon Albarn verdient een standbeeld.
Wij mogen hopen dat dit voor herhaling vatbaar is, wat niet evident is met zo een organisatie. Toch misschien nog één keertje in Werchter ? Alstublief, Damon, wij smeken u. De Schuer zal wel betalen. Wij dus.

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Steve Wynn

Steve Wynn imponeert (alweer) voor een select publiek

Geschreven door

Steve Wynn & The Miracle 3 - Sterren komen sterren gaan, alleen Steve Wynn blijft bestaan. In een betere wereld hijst deze sympathieke Californiër zich moeiteloos naast zijn grote voorbeelden Chilton, Reed en Young, maar in werkelijkheid lijkt hij wel voor eeuwig en altijd veroordeeld tot een bescheiden rol in het clubcircuit. En laat bescheidenheid nu net Wynn’s grootste deugd zijn, ondanks een indrukwekkende staat van dienst als frontman van het invloedrijke The Dream Syndicate en als bezieler van de virtuoze vriendenclubjes Danny & Dusty, Gutterball en The Baseball Project. Wynn heeft een aantal introspectieve jaren achter de rug waar zijn beste vriend een akoestische gitaar bleek te zijn, maar omdat afwisseling een mens nu eenmaal scherp houdt kreeg de volume knop op zijn nieuwste werkstuk ‘Northern Aggression’ een ferme ruk naar rechts. Bovendien haalde hij ook The Miracle 3 terug van stal, zijn oude vertrouwde begeleidingsband gebouwd naar het robuuste model van Crazy Horse. Voor het Belgische luik van hun jongste Europese tour kozen Steve Wynn & The Miracle 3 naast de club vibe van de 4AD ook voor de kosmopolitische sfeer van de Botanique waar uw verslaggever present tekende.

In laatste instantie werd het optreden verhuist van de Orangerie naar de kleinere Rotonde, en daar zal de ronduit magere opkomst van ca. 100 kale(nde) grijze(nde) mannen ongetwijfeld wel voor iets tussen hebben gezeten. Wynn maakte echter van de nood een deugd en gebruikte de intimiteit van de zaal om moederziel alleen de set te openen met “When You Smile”. Veel tijd kreeg het publiek echter niet om van dit onvervalst kippenvelmoment na te genieten, want toen meteen daarna The Miracle 3 vanuit de coulissen verscheen werd prompt een bevlogen “Halloween” ingezet. Met deze twee Dream Syndicate classics op rij lijkt Wynn anno 2010 heel uitdrukkelijk te willen verwijzen naar de sixties geïnspireerde artrock uit zijn beginperiode, en wie er de hoes van het jongste album ‘Northern Aggression’ op naslaat zal de psychedelische elementen wellicht niet ontgaan zijn. Na drie decennia muzikale omzwervingen lijkt de cirkel hiermee rond voor Wynn. Nieuwe nummers als “No One Ever Drowns” en “Colored Lights” kennen dezelfde rusteloosheid als vele pareltjes uit The Dream Syndicate catalogus en klinken dus tegelijkertijd fris en vertrouwd.
Ook Wynn zelf ziet er opmerkelijk fris uit. Of zijn vaste levensgezellin en Miracle 3 drumster Linda Pitmon hier voor iets tussen zit laten we graag in het midden, maar het was in ieder geval wel opvallend dat de kwieke vijftiger in los houthakkershemd er bijzonder jeugdig bijliep zo zonder zijn eeuwig zwart kostuumpje.
Ook aan het indrukwekkend hoge tempo van de set was te merken dat Wynn een zoveelste nieuwe adem heeft gevonden, en eens hij in zijn indrukwekkende back-catalogue begint te graaien kan de pret voor de die-hard fans natuurlijk niet meer op. The Miracle 3 hield de sfeer luchtig op de meezingers van dienst “Shelley’s Blues Pt. 2” en “Cindy It Was Always You”, of duwde ongenadig hard op het gaspedaal tijdens de gemene rootsrockers “Death Valley Rain” en “Southern California Line” uit het monumentale dubbelalbum ‘Here Come The Miracles’ (2001).
Absoluut hoogtepunt blijft echter het kaleidoscopische “The Deep End” waar Wynn zowel tempo als volume naar beneden haalde. Tijdens deze sleper werd de Rotonde langzaam bedolven onder een psychedelisch klanktapijt en kreeg de afgemeten slidegitaar van Jason Victor de hoofdrol toebedeeld. De Paisley Underground classic “That’s What You Always Say” en het punky en bijzonder strakke “Amphetamine” zetten een voorlopig (orgel)punt achter het eerste deel van de avond.
Ondanks hun beperkt aantal produceerden de aanwezige concertgangers toch ruim voldoende decibels om Wynn & co tot twee maal toe tot encores te verleiden. De eerste bisronde werd afgetrapt met het fraaie nieuwe “Resolution” waar The Miracle 3 enige affectie voor de avant-garde noise van Sonic Youth niet onder stoelen of banken stak.
Hét orgelpunt van de avond stond echter in teken van de recente reissue van The Dream Syndicate’s tweede album ‘Medicine Show’ (’84) die straks onder elke zichzelf respecterende kerstboom hoort te liggen. Naast het titelnummer behoort vooral “John Coltrane Stereo Blues” uit deze ‘lost classic’ tot de erfenis van de Amerikaanse gitaarrock. De groep bracht woensdag de definitieve versie van het nummer tijdens 15 (vijftien!) spannende minuten waarin Victor en Wynn tête-à-tête een gitaarrobbertje uitvochten in onvolprezen Crazy Horse stijl. De adjectieven schieten ons nog steeds te kort om dit muzikaal orgasme te beschrijven, dus laten we het gewoon maar houden op FE-NO-ME-NAAL!

Het optreden werd afgesloten zoals het begon. Wynn verschijnt zonder Miracle 3 alleen terug op het podium en krijgt naar goede gewoonte een lawine aan verzoeknummers naar zijn hoofd geschreeuwd. Uiteindelijk kiest hij voor een breekbare versie van het anders zo onstuimige “Boston” dat ook zonder strakke ritmesectie of gitaarfeedback moeiteloos overeind bleef.
Wij hadden met dat laatste toch wat meer moeite, want vanavond kwam wel heel erg dicht in de buurt van het ultieme optreden. Hard versus zacht, fel versus breekbaar, grappig versus dreigend, het zijn het soort muzikale contrasten waar ondergetekende nu éénmaal voor valt, en Wynn beheerst ze allemaal! De fans hoeven hem gelukkig niet al te lang te missen. Op 25 januari komt de sympathiekste aller songwriters in alweer een andere gedaante afgezakt naar Mechelen voor een akoestische set met zijn old buddy Chris Cacavas. De meeste nieuwjaarsrecepties zijn dan al achter de rug, dus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal deze grijzende jongen met een grote grijns terug van de partij zijn.

Organisatie: Botanique, Brussel

Das Pop

An acoustic evening with das Pop - A Lovely Evening

Geschreven door

Na een drukke zomer van spelen op de grootste Belgische festivals verwelkomde Das Pop ons in het Kursaal van Oostende. Anders dan tijdens de zomerfestivals speelden ze deze avond een intieme en akoestische show, ‘An Acoustic Lovely Evening With Das Pop’ genaamd.

Na deze korte akoestische tournee nemen ze een break om eind volgend jaar met een nieuw album op de proppen te komen. Het optreden kon een rustige gezellige avond met Das Pop genoemd worden, waar er tijd was om tussen de nummers door heel wat verhalen te horen, over Das Pop en het ontstaan en tot stand komen van hun nummers. Toen ze openden met “Flowers In The Dirt” bleef het akelig stil, pas toen de eerste noten van “Underground” onze richting werden uitgestuurd kwam er beweging in de stoelen rond ons. Al de nummers die ze speelden werden uitgekleed en in een
nieuw akoestisch jasje gestoken, daarvoor gebruikten ze een resem aan instrumenten zoals: vleugelpiano, spinet (een soort klavecimbel), mandoline, banjo's en bongo's. Met “You” hoorden voor het eerst een charango, dit is een klein snaarinstrument dat uit het Andesgebergte komt en voor en apart geluid zorgde.
De Gentenaren slaagden er in om een goede balans te vinden tussen het spelen van oudere en onbekendere nummer als ook de laatste hits.

Met het prachtige “Human Nature” (cover van Michael Jackson) zetten ze de bisronde in gevolgd door “Telephone Love” en “Saturday Night Part 2”, zo breiden ze na 70 minuten een einde aan volgens ons een iets te korte maar boeide set waarbij wij een andere kant van Das Pop leerden kennen.

Setlist
: 1. Flowers In The Dirt 2. Underground 3. All Wrong 4. The Last Thing 5. Tired
6. All Not Long 7. September 8. Rene Piano 9. I’ll Be Sleeping Soon 10. Never Got Enough
11. The One 12. Little Boy 13. You 14. Let Me In 15. Wings 16. Fool For Love 17. Human Nature 18. Telephone Love 19. Saturday Night Part 2

Organisatie: Kursaal, Oostende

The Demons Claws

The Demon’s Claws - Beter dan ooit

Geschreven door

Na ze in Kortrijk en Brussel gemist te hebben was Doornik mijn laatste kans om The Demon's Claws in België nog eens aan het werk te zien. Bij aankomst bleek Le Water Moulin meer weg te hebben van een kraakpand dan van een concertzaal : een oud huis waar jaren geleden de verwarming blijkbaar was weggehaald en waar het toilet met de emmer wordt doorgespoeld. De optredens vonden plaats in de living waarin achteraan een toog uit houten paletten was gebouwd. Maar uiteindelijk bleek dit toch een prima locatie voor een avondje onvervalste garagerock.

Billy Joe, een one-man-band uit Brussel heeft niet meteen de meest originele naam gekozen (tik maar eens in op Google!). Er loopt zelfs een hiphopgroep rond met dezelfde naam, ook al in onze hoofdstad. Hier ging het om een timide jongeman die zich botvierde op gitaar, zichzelf begeleidend met de voeten op een basdrum en een snare drum. Opgefokte blues in de stijl van Left Lane Cruiser, kan er bij mij altijd in. Hij begon ijzersterk maar bleek na zo'n 20 minuten zijn beste kruit verschoten te hebben. Toch een naam om te onthouden.

Na hun desastreuze doortocht in de Pit's enkele weken geleden (daar kwamen ze niet aan spelen toe omdat ze hun basversterker niet aan de praat kregen) was mijn krediet voor Acid Baby Jesus zo goed als helemaal opgedroogd. Kan een groep met zo'n stupide naam overigens geloofwaardig zijn? Er werd aarzelend begonnen met enkele rammelende popniemendalletjes, genre Harlem (die me eerder dit jaar ook al ontgoochelden) en leek ik mijn gelijk te zullen krijgen. Maar gaandeweg ontpopte de groep zich zowaar als het Europese antwoord op The Black Lips! Deze gasten uit Athene hadden verdomd sterke songs in de vingers terwijl de piepjonge gitarist voor een weldadige noise-injectie zorgde. Soms kwamen zelfs Thee Oh Sees om het hoekje kijken, die ijle stemmen! Acid Baby Jesus bleek een bijzonder aangename verrassing en zorgden eindelijk eens voor een positieve noot uit het ferm geplaagde Griekenland.

Na de zoveelste personeelswissel zijn The Demon's Claws nu definitief de groep van zanger-gitarist Jeff Clarke. Zoals hij met zijn blonde lokken, half beschonken op het podium stond heeft hij wel iets van Jeffrey Lee Pierce, hopelijk eindigt hij niet even tragisch. Voorlopig staat zijn drankgebruik de muziek nog niet in de weg. Integendeel : The Demon's Claws waren bijzonder goed op dreef. Ok, terwijl Clarke en de drummer zich de ziel uit het lijf speelden stonden de bassist en de tweede gitarist er veel te verweesd bij. Maar muzikaal klopte het plaatje perfect. De twee gitaren kronkelden voortdurend krols rond elkaar en deden me meer dan eens aan een Beefheart ten tijde van "Mirror man" denken.
Misschien klonk het wat minder onstuimig dan vroeger maar het bleef toch steeds fantastisch rammelen. Wanneer Clarke wat gas terugnam koos hij steevast voor country en klonk hij als Mick Jagger begin jaren zeventig. Dit groepje uit Montreal hoort wat mij betreft tot de absolute top van de garagerock, spijtig dat je daar tegenwoordig niet veel meer mee koopt. Gelukkig trekt Jeff Clarke zich daar niets van aan en wist hij zelfs van geen ophouden. Telkens kwam er nog wel een andere song in gedachten die hij absoluut wou spelen. 

Orchestral Manœuvres in The Dark (OMD)

OMD – Geslaagde avond met synthpop van en voor vele leeftijden

Geschreven door

Andy McCluskey en Paul Humphreys speelden al enkele jaren samen in diverse kleine formaties toen ze in 1978 besloten verder te gaan onder de naam Orchestral Manoeuvres in the Dark (OMD). Vanaf hun gelijknamige debuutplaat zouden ze met hun synthpop in nauwelijks twee jaar tijd uitgroeien tot één van de vaandeldragers binnen de elektronische muziek via als excellent te beschouwen albums ‘Organisation’ en ‘Architecture & Morality’.

Zelf zagen we OMD in 1983 voor de eerste maal aan het werk in de Brielpoort in Deinze waar ze hun vierde studioalbum ‘Dazzle Ships’, een donkere en ietwat meer experimentele plaat, kwamen promoten. We zijn intussen een kwarteeuw later en intussen is er vanzelfsprekend veel veranderd. De Brielpoort is intussen niet langer de gastheer voor overbekende artiesten maar herleid tot een festiviteitenhal waar de grote internationale sterren enkel nog in lp-, cd- of postervorm te bewonderen zijn. Ook OMD maakte met ‘Junk Culture’ (1984) nog een degelijk en succesrijk album maar nadien was het succes zowel artistiek als commercieel tanend. Er werden almaar meer toegiften gedaan richting verkoopcijfers en behalve enkele degelijke singles overheerste de onregelmatigheid.
In 1989 verliet Humphreys de groep uit ongenoegen over de commerciële weg die werd ingeslagen en McCluskey deed onder de naam OMD verder, scoorde her en der nog wat hitjes maar trok in 1996 ook zelf de stekker er helemaal uit.
Het non-actief zou duren totdat ze in 2007 in hun ‘klassieke’ bezetting (inclusief toetsenist Martin Cooper en drummer Malcolm Holmes) aan een nieuwe tournee begonnen om het album ‘Architecture & Morality’ nog eens in zijn totaliteit te brengen aangevuld met enkele andere oude nummers (in het kader hiervan deden ze overigens ook een concert in de AB).
En daar bleef het niet bij want wat niemand nog verwachtte, was dat er in september van dit jaar onder de titel ‘History Of Modern’ een nieuwe plaat werd uitgebracht. Dit 11de studioalbum is geen wereldschokkende plaat en kan zeker niet die de vergelijking doorstaan met hun eerste werk maar onaardig is het ook niet (vooral niet als men rekening houdt met het feit dat er tussen hun vorige studioalbum en tussen het album ‘The Pacific Age’, dat nog met het vertrouwde viertal werd opgenomen, 14 respectievelijk 24 jaar zit).

Toen OMD ook aankondigde er een concertenreeks aan te verbinden, werd dit erg positief onthaald door de fans. Afgelopen maandag stonden de vier heren in dat kader opnieuw in de Brusselse AB.
Het uit Brighton afkomstige kwartet Mirrors werd gevraagd het voorprogramma te verzorgen en toen zij aan hun set begonnen, was de zaal al vrij aardig gevuld met overwegend dertigers en veertigers. Men had deze groep niet toepasselijker kunnen programmeren. Getooid in stijlvolle grijze pakken, het haar kort geknipt en de bij momenten robotachtige houding deed meermaals aan Kraftwerk, de groep waar ook OMD de mosterd haalde, denken. Ook de muziek in combinatie met projecties op de achtergrond flirtte meer dan eens overduidelijk met de karakteristieken van de Duitse elektronische pioniers.
Over het kanaal wordt de groep als erg beloftevol gecatalogeerd en we kunnen begrijpen waarom. Zanger James New (ex-Mumm-Ra en lichamelijk bijna een jongere kopie van Alex Kapranons, zanger bij Franz Ferdinand), James Arguile (elektronische percussie en eveneens ex-Mumm-Ra) en Ally Young en Josef Page (allebei keyboards) weten melodieuze nummers te brengen waarbij oude met nieuwe elementen en invloeden gecombineerd worden. Zoals net aangehaald, hoorden we onder meer bij “Ways To An End”, “Lights And Offerings”, “Into The Heart” en “Hide And Seek” vooral Kraftwerk maar tevens Depeche Mode en New Order. Maar telkens wisten ze mede door de warme stem van New aan hun ‘pop-noir’ een catchy eigenheid te geven. Een geslaagde set die het publiek zich vlotjes liet smaken. Hun eerste fullalbum mag begin 2011 verwacht worden.

Stipt om 21u vatte OMD zijn concert aan met enkele op een groot zwart gordijn geprojecteerde beelden die – excuseer ons voor de herhaling – erg deden denken aan het onvermijdelijke Kraftwerk. De begeleidende intro bestond uit “History Of Modern (Parts III & IV)” die enkel terug te vinden is als b-kantje op de vinyl versie van de nieuwe 7’’ ‘Sister Marie Says’.

Hierna mochten ook de spots hun werk doen en toen het doek letterlijk gevallen was, werd ingezet met “New Babies: New Toys” uit het meest recente album.
Andy McCluskey kondigde meteen aan dat de setlist wat oud en wat nieuw werk zou bevatten en met de woorden “This is old” kwam het nog steeds bijzonder sterke “Messages” (1980) aan bod. Het geluid zat meteen goed, McCluskey was goed bij stem en er werd gemusiceerd met de viriliteit als toen ze twintig waren.  Dit gold evenzeer bij “Bunker Soldiers” (eveneens uit hun debuutplaat) dat tot menige tevredenheid op de setlist werd geplaatst.
Het klonk allemaal strak en mede door de extra basgeluiden en de korte aanhalen van de keyboardtoetsen kon bij een nummer als “Tesla Girls” de dreiging van middelmaat en  verveling moeiteloos afgewimpeld worden.
De groepsleden hadden er duidelijk zin in en bij “History Of Modern (Part I)” kon de ‘bad dancing’ beginnen. McCluskey voegde de daad bij het woord, liet zijn basgitaar links liggen en gaf zich expressief over aan de meest gekke danspasjes. We waren nog maar enkele nummers ver of het zweet gutste van hem af.
Een rustpunt was op zijn plaats en Paul Humphreys mocht de vocalen voor zijn rekening nemen bij “(Forever) Live And Die” en deed dit nadien nog even over bij het rustige “Souvenir”.
Prachtig was “She’s Leaving” uit ‘Architecture & Morality’ (de toevoeging van de ietwat overbodige echo op de stem had ons inziens evenwel niet gehoeven). Het tweeluik “Joan Of Arc” en “Joan Of Arc (Made Of Orleans)” blijft – zeker in de Lage Landen - nog steeds in het geheugen van de (aanwezige) fans gegrift en kon op bijzonder veel respons rekenen. Terecht want mede door de fraaie projecties werden beiden mooi uitgevoerd. In dezelfde donkere sfeer vertoefde het nieuwe “New Holy Ground” dat verwantschap toont met hun eigen “Romance Of The Telescope” (uit ‘Dazzleships’) en zelfs dicht aanleunt bij”‘Leave In Silence” van Scooter.
Na “Green” volgden “
Talking Loud And Clear”, “So In Love” (voorzien van extra saxofoon bespeeld door Cooper en gesamplede hoge stem) en “Locomotion”. OMD ontving een uitbundig applaus van een bijzonder enthousiast publiek en een zuchtende – en nog steeds  transpirerende - McCluskey nam het namens het viertal met grote dank in ontvangst.
De zopas uitgebrachte nieuwe single “Sister Marie Says” werd aangekondigd als een nieuwe doch fantastische song. Gedeeltelijk slechts waar want deze track werd al gecomponeerd in 1981, haalde net niet het album ‘Universal’ (1996) maar werd nu wel opgenomen op ‘History Of Modern’.
”Pandora’s Box” had wat weg had van de Pet Shop Boys en bij “Sailing The Seven Seas” werden er wat extra oosterse klanken toegevoegd.
Het obligate - en absolute publiekslieveling – “Enola Gay” sloot het eerste deel van de set af. De uitzinnige toeschouwers in de AB dansten en schreeuwden het geheel oorverdovend naar een hoogtepunt.
Er waren nog twee toegiften. Bij “Walking On The Milky Way” speelde Humphreys niet enkel de intro maar ook de outro verkeerd. Charmant was dat hij zelf met het geklungel kon lachen en ook McCluskey dreef de spot met hem door het publiek te vragen of iemand dit op tape had staan omdat een dergelijke vergissing zelden gebeurde. Waarop Humphreys repliceerde dat aldus werd aangetoond dat de concerten van OMD wel degelijk live verlopen. Elektronisch muziek kreeg meteen een bijzonder menselijk gelaat.
Afsluiter van dienst was “Electricity”, niet enkel de allereerste single van OMD maar ook “The fastest song we have” aldus McCluskey zich richtend tot de toeschouwers die knusjes in de zeteltjes op het balkon zaten. Het publiek liet zich niet onbetuigd, zong luidop mee en ging zich een allerlaatste maal te buiten aan ondefinieerbare dansbewegingen.

Vier glimlachende gezichten op het podium en algemene tevredenheid in de zaal. Met een set van exact anderhalf uur en een combinatie van nieuw werk en heel wat hits en/of oudere favorieten, bezorgde OMD de aanwezigen een erg leuke avond. De plaat ‘Dazzle Ships’ bleef onaangeroerd en aldus ontbeerden “Genetic Engineering” en “Telegraph”. Maar ach, OMD heeft aangetoond dat hun repertorium de tand des tijds heeft doorstaan en met groepen als Mirrors lijkt het erop dat ook de toekomst van de elektronica verzekerd wordt.

Setlist OMD: Intro - History of Modern Parts (III & IV), New Babies: New Toys, Tesla Girls, Bunker Soldiers, History Of Modern (Part I), (Forever) Live And Die, She’s Leaving, Souvenir, Joan Of Arc, Joan Of Arc (Made Of Orleans), New Holy Ground, Green, Talking Loud And Clear, So In Love, Locomotion, Sister Marie Says, Pandora’s Box, Sailing On The Seven Seas, Enola Gay
Walking On The Milky Way, Electricity

Neem gerust een kijkje naar de pics

Organisatie: Live Nation

Jónsi

Jonsi - ‘4 seasons in one gig’

Geschreven door


Jonsi (Jon Por Birgisson), de spil van het IJslandse Sigur Ros, plaatste even de band op non actief, en gebruikte de klanktapijten en het toegankelijke, lieflijke popwerk in een elegant schoon solo album ‘Go’; subtiele kunst en sprookjespop omarmden Jonsi vs Sigur Ros. Over de collecte klankbehangetjes van het project Riceboy Sleeps spreken we niet meteen.

Op de plaat horen we de seizoenswisselingen, die een lente - en herfstgevoel ademen, fris, aanstekelijk, vrolijk als dromerig, ingehouden, weemoedig en bij het nekvel grijpend, gevoed door dartelende melodieën, brede arrangementen, piano, flutes, violen en vibrafoon, en gedragen door mans heldere, indringende engelenstem, Engelstalig én met een eigen woordkunst gezongen.
Ook de visuals, de knappe belichting en de klederdracht (Jonsi met indianen veren!) verdienen een ‘pluim’ … ‘4 seasons in one gig’, strevend voor het natuurbehoud en de dieren in een woudlandschap. Chique wat de ontwerper van de projecties verwezenlijkte: we zagen bloeddorstige wolven, jagende uilen, lieflijke kolibries en herten, en beelden van druilerig herfstweer, vallende bladeren, onweer, winterse buien als ontluikende bloemetjes en fluitende vogels …
Jonsi beschikte over een goed op elkaar ingespeelde band om het klankentapijt en de pop te optimaliseren. Na eerdere passages in de AB en op Pukkelpop konden we terecht voor een tweedaags onderonsje met Jonsi. Het eerste concert was heel snel uitverkocht, maar ook voor het tweede concert was het KC aardig goed gevuld. Een duidelijke prestatie voor de eerste solo uitstap. Trouwens, de live registraties zullen binnenkort verschijnen.
Jonsi opende de anderhalf uur durende set met “Stars on still water, solo ingezet op akoestische gitaar, adembenemend, ijzig als hemels. De daaropvolgende songs “Hengilas”, “Iclicle sleeves” en “Kolnidur” behielden die sfeerschepping door de spaarzame, doeltreffende begeleiding, de klankkleur, de grauwe, dreigende, donkere soundscapes en de roffelende drums. Wat me deed mijmeren aan de bosspelen ’s nachts tijdens m’n chirojeugd … “Tornado” bracht de ‘Spot on Iceland’ en intrigeerde door de aanzwellende partijen en de hoog uithalende vocals. De temperatuur daalde fors onder nul en een ijzige wind blies om de oren en striemde in het aangezicht. Indrukwekkend! De dromerige, rustige “Sinking friendschip” en “Saint naieve” dreef ons naar een zorgeloze wereld. De single “Go do” was de aanzet van het lente offensief, in een hogere versnelling, een ontluikende melodie, een frisse tinteling en een dansbare injectie. Het ontspannen karakter, de forsere grooves en een sprookjes entourage zetten ze door op “Boy likidoi” en “Animal aritmetic”, waarbij de percussie op gevatte wijze meer en meer de overhand nam, zonder in te boeten aan finesse en subtiliteit.
Er werd deftig van instrument gewisseld, wat de veelzijdigheid van Jonsi’s muzikanten onderstreepte. De intieme “Piano des” en de “New piano song” plaatsten Jonsi ’s pianospel voorop, omringd door gitaar - basloops, vibrafoon, zalvende percussie, pauken en rollende kettingen; ze bouwden voorzichtig op en klonken stapsgewijs krachtiger!, gedragen door het ‘arte’ stemgeluid van Jonsi.
Een expressieve finale zorgde voor de kers op de taart. De vier seizoen ‘in one gig’ vatten ze samen op het crescendo gaande “Around us”. Je voelde sprankelende spaborreltjes in een wijwatervat op je hand …
In de bis tooide Jónsi zich met indianenveren en ging hij extravert te werk; hij voerde een regendans uit en bracht ons in een bezwerende trance door prachtversies “Stick & Stones” en vooral “Grow Till Tall” die een geweldige climax hadden. Toen de plensbui op het scherm over was, was het ook over & out met Jonsi’s set.

Op plaat drong de muzikale creativiteit van Jonsi al voldoende door, live deed hij er een duidelijke schep bovenop. Jonsi is een groots artiest en heeft op muzikaal en artistiek vlak zijn (indianen) strepen ruim verdiend. En nu de oortjes & oogjes dicht …

Ook de support, het Canadese trio van sing/songwriter Taylor Kirk, Timbre Timber intrigeerde. Aangevuld met een steelpedal speler en een violiste, reed hij een beklemmende spookhuisrit, loom, slepend, donker en onheilspellend. Hier vielen de bladeren letterlijk van de bomen en werd je verdwaasd ’s nachts achtergelaten in een groot dierenrijkbos. Taylor, het gezicht verbogen achter een monnikscape, had een huiveringwekkende praatzang, die het nauwst aan Swans (Michael Gira) en Tindersticks (Stuart Staples) leunde. De songs droegen een soort ondraaglijke pijn en waren hartverscheurend, fijngevoelig en ontroerd. Een Spotlight on Canada was hier dan ook terecht!

Organisatie: Live Nation

Pagina 311 van 386