logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

avatar_ab_10
Gavin Friday - ...
Sam De Rijcke

Sam De Rijcke

De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat we over Elvis Perkins, nota bene zoon van acteur Anthony Perkins, geen grondig oordeel kunnen vellen gezien we enkel het laatste nummer hebben kunnen meepikken. Maar afgaande op deze prachtige song en op de enthousiaste reactie van publiek vonden we het wel heel jammer dat we een half uurtje te laat zijn gekomen.

Los Campesinos dan. Voorafgaandelijk hadden we even naar die gasten hun EP geluisterd en daar ontdekten we toch wat fijne en frisse dingetjes op. Maar deze gingen echter live volledig verloren tussen het arty farty gepingel, de stuurloze herrie en vaak ongepaste noise. Los Campesinos is een zevenkoppig  collectief en dat zijn er minstens drie te veel. De nerveuze, springerige en vaak te opgejaagde poprock bevat wel een paar aardige ideeën, maar het begon allemaal toch wat te snel op de zenuwen te werken, mede dankzij een vervelend ettertje van een zanger die hoegenaamd niet kon zingen. De drie bevallige dames binnen de groep zagen er wel leuk uit maar konden het boeltje ook niet redden.

Verrassing van de avond was het Britse trio Noisettes.  Een wijf met met ballen op vocals (een even fel konijn als Lisa Kekaula van The Bellrays maar ze zag er nog iets beter uit), een flitsende en energieke gitarist en een weelderig behaarde neanderthaler op de vellen, een drummer om ‘Keith Moon’ tegen te zeggen. Ze speelden rauwe, zeer opwindende en energieke rock’n’roll met af en toe een welgekomen rustpunt en met de nodige show verzorgd door de oververhitte dame Shingai Shoniwa.  Een avontuurlijke mix van The Bellrays, The Yeah Yeah Yeahs, The Stooges en The Dirtbombs.

Editors zijn op 2 jaar tijd uitgegroeid tot een  ‘grote’  groep en klinken op een podium inderdaad als een goed geoliede machine die weet hoe een publiek in te palmen. Dit hebben ze voor een groot stuk te danken aan hun frontman Tom Smith wiens stem en présence staan als een huis. Een paar jaar terug stond hij nog wat onwennig en lichtjes bescheiden op het podium, op vandaag is de zaal gewoon van hem. Dat zijn stem aanleunt bij die van Ian Curtis is helemaal niet uit de lucht gegrepen, maar in tegenstelling tot het pikzwarte Joy Division klinkt Editors toch een pak opgewekter. De jaren tachtig invloeden uiten zich ook duidelijk in de galmende gitaren van Chris Urbanowicz, die een handvol rake riffs uit zijn gitaar tovert zoals The Edge ze al in 15 jaar niet meer weet te bedenken. De set van The Editors was krachtig, stevig en ook soms wel te luid. De rustiger en subtielere momenten van op hun platen mistten we hier wel een beetje, de sound van de avond was nogal dichtgemetseld. Ze hadden ook maar een uurtje, wat als enigszins plausibele uitleg kan worden aanschouwd, het moest vooral vooruit gaan.  Editors speelden ook opvallend veel tracks uit hun debuut ‘The back room’, de sterkhouders van het optreden kwamen voornamelijk uit dat album, alsof zij zelf ook wel weten wat hun beste werk tot nog toe is.
Feit is, Editors is een hechte live band die rijp is voor nog grotere prestaties en voor de hoogste postjes op de affiches van de grote festivals. Toch loert er ook enig gevaar om de hoek bij deze band, hun songs zijn allemaal  een beetje volgens hetzelfde herkenbare stramien opgebouwd. Nu is het nog fris, maar naarmate de jaren zullen vorderen zal er toch enige vernieuwing en variatie in hun sound moeten komen willen ze een relevante groep blijven.

Organisatie: France Leduc Productions ism l’Aéronef, Lille

donderdag 08 november 2007 00:00

Chrome dreams II

Neil Young heeft alweer een onvergetelijke knaller van een song aan zijn indrukwekkende repertoire toegevoegd . Het nummer heet “Ordinary people”, het duurt maar liefst 18 minuten en is ronduit geweldig. De song heeft alles in zich wat Neil Young zo uniek maakt. Alles wat als Young’s eigenste fantastische handelsmerk kan beschouwd worden is hierin vervat, superieur gitaarwerk afgewisseld met soulvolle blazers (de briljante blazerssectie van ‘This note’s for you’ is hier aan het werk) en Young zelf die vocaal enorm goed op dreef is. De song zorgt er op zijn eentje voor dat ‘Chrome dreams II’ alweer een onmisbaar Neil Young document geworden, ook al is de rest van de plaat bij momenten slap en veeleer onsamenhangend. 
Doch, laat ons vooral ook nog die andere prachtige gitaarsong “No hidden path” niet vergeten, weer zo’n typische 14 minuten durende pur sang Neil Young kraker, een track die we nog het best kunnen vergelijken met “Down by the river” en “Cowgirl in the sand” (jawel, zo goed is ie). Verder vermelden we de oerdegelijke maar ietwat simpele rocker “Spirit road”, een track zoals Neil Young er op zijn gemak wel altijd een handvol uit zijn mouw kan schudden, niet echt wereldschokkend, maar een beginnend bandje van veel minder allooi zou hiervoor wellicht een moord begaan. En dan is er ook nog het smerige en grungy “Dirty old man”, een ruige song van het kaliber van “Piece of crap”, zo eentje waar Neil Young zijn versleten houthakkershemd voor uit de kast haalt.
Tot zover het positieve nieuws, want helaas is het niet allemaal om met luide vreugdekreten van in de lucht te springen, want veel te vaak komen de pijnlijke zwakheden van Neil Young  naar boven. Er staan hier immers een paar van die tenenkrullende ballads op zoals alleen Neil Young die kan maken, slijmerige draken van countrysongs als “‘Ever after” en “Shining light” waar Young echt staat te janken dat het geen naam meer heeft. Om helemaal de muren van op te lopen zijn de hectoliters stroop op afsluiter “The way” waarin -oh gruwel-  zowaar zelfs een koor aan het zingen slaat. Neen, we verzinnen dit niet, het is huiveringwekkend slecht.
U heeft het al gemerkt, op ‘Chrome dreams II ‘ krijgen we de allerbeste en de allerslechtste Neil Young te horen. Begrijpt u meteen waarom we hier van een onsamenhangende plaat spreken. “Chrome dreams II” is daarom geen klassieker, wel een losse verzameling van 2 briljante parels, een paar degelijke songs en enkele hemeltergende ondingen die voor ons part nooit aan het daglicht mochten worden blootgesteld.

donderdag 01 november 2007 00:00

Shotters Nation

Pete Doherty is op zijn zachtst gezegd een veelbesproken figuur omwille van zijn overmatig druggebruik, zijn afwezigheid op de helft van de aangekondigde Baby Shambles optredens, zijn talrijke verblijfjes in de Britse gevangenissen en, last but not least, zijn aan en af relatie met professionele pannenlat Kate Moss. Een mens zou haast vergeten dat diezelfde Doherty  toch vooral een talentvol kereltje is die met The Libertines en met toenmalige copain Carl Barat twee fantastische platen heeft gemaakt. Ook ‘Down in Albion’, het debuut van Baby Shambles, was in al zijn slordigheid een fijne kopstoot van een album. Pete Doherty is in de eerste plaats een geweldig songschrijver, ook al komt ie om geheel andere redenen om de haverklap in de media opduiken, en op deze ‘Shotters Nation’ heeft hij terug een handvol puike songs bijeengeschreven.
Pete is deze keer niet in zee gegaan met Clash goeroe Mick Jones wiens werk er eigenlijk gewoon uit bestond om Doherty volledig zijn gang te laten gaan, wat resulteerde in de sympathieke slordigheid van het Baby Shambles en eerder al het Libertines geluid. De songs op dit nieuwe album klinken iets voller en afgewerkter, maar het blijven natuurlijk typische Doherty kindjes , wat wil zeggen dat de ze alweer even rechtuit als spontaan klinken. Doherty speelt en zingt uit de losse pols een hoop knappe songs alsof hij ze ter plekke heeft uitgevonden, of het nu de gedreven single “Delivery” is of een ingetogen pareltje als “Last art of murder”, het heeft schijnbaar allemaal weinig moeite gekost om het uit zijn mouw te schudden. De onvolmaaktheid is nu net weer de beste troef van dit plaatje. Perfectie is niet aan Doherty besteed, gelukkig maar. Perfectie, dat is iets voor Pink Floyd, dat is verveling en heeft niks met rock’n’roll te maken.
Je mag denken van Doherty wat je wil, voor ons maakt hij welgemeende rock’n’roll plaatjes met een ziel. Zijn turbulente leven en de affaire met visgraat Kate Moss fungeerden alleen maar als de juiste voedingsbodem voor deze verzameling bruisende songs. Laat hem gerust zo verder doen.

donderdag 25 oktober 2007 01:00

The Red Album

Wie al eens achtereenvolgens een plaatje opzet van Mastodon, Isis en Mogwai mag gerust dit hier eens proberen. Baroness begeeft zich ergens tussen postrock en metal en wisselt bonkig metalgeweld af met bedachte melodieuze instrumentale stukken. Een formule die ze zelf niet uitgevonden hebben maar die ze als geen ander beheersen.
Baroness raast de ene keer door als een bende bezeten bizons om de andere keer te gaan verpozen bij een sfeervol klanktapijt, en soms gebeurt dit in één en dezelfde song zoals in “Wanderlust”. De metal die ze spelen is hoegenaamd niet hersenloos en is voorzien van doordachte felle gitaarpartijen, hierin onderscheiden ze zich van de cliché metal van vele geestesgenoten. De finesse zit hem niet echt in de stem van John Baizley, want dat is meer een echte metal bruller, maar eerder in de fijne en verrassende songstructuren die dikwijls een postrock karakter hebben. Dergelijke combinatie herkennen we ook bij Isis, nog zo’n interessante band,  waar het geluid van deze Baroness nog het dichtst bij aanleunt.  Een vleug psychedelica is hen echter ook niet vreemd in “Wailing wintry wind” en met het korte maar sfeervolle “Cockroach en fleur” levert de band een mooie akoestische adempauze. Kleppers van dit album zijn opener “Rays on pinion”, hun visitekaartje waarin alle troeven van deze band in één song zijn samengebald, en de zwaar slepende instrumental “Grad”.
Als er iets bestaat als veelzijdige metal, dan is het dit wel. Knappe plaat.

donderdag 18 oktober 2007 02:00

Zeitgeist

Het is niet omdat de nieuwe Pumpkins hard, gemeen en stevig klinkt, dat het daarom een goede plaat is geworden. Trouwens, in hoeverre kunnen we hier echt spreken van een Smashing Pumpkins reünie ? Op vandaag is de groep immers herleid tot enkel boegbeeld Billy Corgan en drummer Jimmy Chamberlain. Geen spoor van D’Arcy  of James Iha. Mijnheer Corgan vindt zichzelf nogal een ‘ubermensch’ en speelt gewoon alles zelf in. De egocentrische klootzak overschat nog geen klein beetje zijn eigen kunnen en staat hier wat aan te klooien en wat wild om zich heen te roepen, maar goede songs ? nee hoor.
Zoals gezegd, de plaat is wel hard, maar ze blijft niet hangen. Kortom, veel lawaai, weinig inhoud. Corgan heeft als gitarist wel een paar rake en vette riffs uit zijn mouw geschud, maar de songs die erop gebouwd zijn vallen te mager uit, op een drietal uitzonderingen na. Het tien minuten durende “United States” vinden we nog sterk omwille van de als vanouds uitfreakende en scheurende gitaren. Ook “Come on let’s go” en “Tarantula” halen nog een behoorlijk niveau maar voor de rest is het  la grande tristesse. En dit voor een rockgroep die ooit nog baanbrekend geweest is en met ‘Siamese dream’, een absolute vijfsterrenklassieker heeft gemaakt, maar dat is ook alweer heel lang geleden.
Deze reünie, die er eigenlijk geen is, had er nooit mogen komen en ‘Zeitgeist’ is bijgevolg een volkomen overbodige plaat waar we verder niet veel woorden meer aan gaan vuilmaken.

donderdag 11 oktober 2007 02:00

Going way out heavy with Heavy Trash

Jon Spencer heeft voor onbepaalde tijd zijn Blues Explosion op non actief gezet om zich met enkele interessante nevenstapjes bezig te houden. Vorig jaar kwam daar de bruisende cd ‘The man who lives for love’ uit onder de naam Spencer Dickinson, nu komt hij aanzetten met de al even boeiende tweede cd van Heavy Trash, het bandje die hij in 2005 opgestart heeft met Matt Verta-Ray van Speedball Baby (ze werkten eerder ook al samen op ‘The Black Godfather’ van Andre Williams). Verder worden ze onder andere begeleid door The Sadies, een country trash groepje met hart en ziel op de juiste plaats.
“Zullen we nog een keertje een ‘Elviske’ doen”  moet Jon Spencer gedacht hebben bij het inzetten van deze vette klomp rock’n’roll en hij schudt meteen de geschifte Elvis-pastiche “Pure gold” uit zijn mouw. Een opener van formaat en men gaat op dat elan door. Spencer swingt zijn eigen ballen er af in “Kissy baby”, zet een overstuurde Johnny Cash neer in “That ain’t right”, blaast de speakers er door in de garage punker “I want oblivion” en toont zich een volleerde crooner in de plakker “Crying tramp”. En het stopt niet, “Way out” bruist als The Cramps in hun hoogdagen, “They were kings” is een geweldig voortdenderende rock’n’roll sneltrein, “Crazy pritty baby” is een hete lap opgefokte gekheid en afsluiter ”You can’t win” is een heerlijke talking blues.
Dit is, mocht u het nog niet begrepen hebben, een meer dan fantastisch en knotsgek plaatje waar een mens maar niet genoeg kan van krijgen. Als Spencer dergelijke geniale zotte dingen blijft doen, hoeft hij van ons zelfs niet eens meer de Blues Explosion terug bijeen te roepen.

donderdag 11 oktober 2007 02:00

Filmisch en sfeervol

De AB was voor de gelegenheid voorzien van extra zitplaatsen voor de liefhebbers van de sfeervolle tonen van dit zeskoppige Brits gezelschap. The Cinematic Orchestra creëert met name een breed muzikaal landschap waarin het mooi wegdromen is. Hun sound is een aangename smeltkroes van een beetje lounge, een flinke scheut jazz en een vleugje avant garde. Wij hoorden flarden Massive Attack, Zappa (in de periode van The Grand Wazoo), Gotan Project (zonder tango), Explosions in the sky (atmosferische gitaarklanken), David Sylvian, Craig Armstrong en Lamb. Dit maar om enig idee te vormen waar we het warme geluid van deze knappe muzikanten dienen te situeren.

The Cinematic Orchestra wist meermaals avontuurlijke uitstapjes in de muziek te verwerken via freejazz-achtige  experimenten van de saxofonist en de freewheelende drumpartijen die de drummer schijnbaar vrij makkelijk uit zijn losse pols roffelde, en dit met een nochtans vrij bescheiden drumstelletje.  De songs uit de overigens sublieme laatste cd  ‘Ma Fleur’ kwamen iets minder aan bod, maar dat heeft dan ook veel te maken met de vele gastmuzikanten en vocalisten die erop meespelen en uiteraard die avond er niet bij waren. Geen nood, hier stond immers genoeg talent op het podium om voor een uiterst sfeervol en hoogstaand concert te zorgen. De ganse set was een mooie afwisseling van virtuoze instrumentale klanktapijten en ingetogen zweverige songs voorzien van de prachtige zangpartijen van een goed uit de kluiten gewassen negerin. Zo kregen we ondermeer een hemelsmooi gezongen “Familiar ground”.  De totaalsound ademde een filmisch en atmosferisch karakter en dreef de set langzaam naar een climax toe. Naar het einde toe kwam steeds meer de groove erin met een trio schitterende songs uit hun ‘Everyday’ album.
Na een prachtig “Man with the movie camera” kwam de band terug voor sublieme vertolkingen van “All that you give” en een stomend en steeds heter wordend “Evolution”. Omdat het publiek toen al laaiend enthousiast was, moesten en zouden ze nog eens terugkomen, ook al waren de lichten in de zaal al aangefloept. Daarop volgde nog een gedreven instrumentaal “Flite” maar toen was het gedaan.

Met deze set zorgde The Cinematic Orchestra uiteindelijk toch nog voor een zwoele zomer, en ook al duurde die maar anderhalf uurtje, we hebben er volop van genoten.

Info: www.audijazz.be

Organisatie: Jazztronaut ism AB

De legendarische Frank Zappa hadden wij al twee keer in België meegemaakt, waarbij we van zijn laatste doortocht in Gent vooral onthouden hebben dat zijn eigenlijk schitterende concert jammerlijk genoeg bijna volledig wegzonk in de verschrikkelijke akoestiek van het Gentse Kuipke.

We waren nu dan ook geen klein beetje benieuwd hoe Dweezil Zappa het voor mekaar zou krijgen om het indrukwekkende repertoire van vader in te studeren en op een geloofwaardige manier voor een publiek te brengen. Want uiteraard bestond dat publiek helemaal uit Zappa-freaks, muziekliefhebbers pur sang , veertigers en vijftigers met een kritisch oor en een voorliefde voor, zeg maar, de betere muziek. Iedereen had zowat zijn eigen ingebeeld lijstje favoriete Zappa songs die men maar al te graag wou horen en enkele overenthousiaste fans konden het dan ook niet nalaten om luidkeels hun voorkeur uit te roepen, waarop Dweezil gevat antwoordde “You treat us like we’re a fucking jukebox”. Gelijk had ie, want hij had zelf voor een interessante en boeiende greep gekozen uit dat omvangrijke oeuvre van vader. De ware Zappa fan kwam hier ruimschoots aan zijn trekken en werd op zijn wenken bediend door Dweezil en zijn 7 kompanen, stuk voor stuk klassemuzikanten, want net als zijn veeleisende vader laat Dweezil zich alleen maar door de allerbeste omringen. Wie met een Zappa het podium opstapt zal maar best geen prutser zijn.
Al van bij het begin, met een perfect uitgevoerd “Peaches and regalia”, wisten we dat het goed zat. Hier waren klasbakken aan het werk die het geniale werk van de grootmeester uitvoerden met liefde, feeling, technisch vernuft en tonnen respect. Dweezil Zappa is een al even begenadigd gitarist als zijn vader en als bandleider kon hij het zich permitteren om uitvoerig te soleren. Lange soli als in “Willie the pimp” en “Cosmic debris” waren de perfecte gitaarpartijen die we van een Zappa willen horen, virtuoos en knap. Dweezil  mag dan misschien niet echt gezegend zijn met de humor en spitsvondigheid van zijn vader, de muzikale genialiteit is hem wel meegegeven. Zich bewust zijnde van zijn vocale beperkingen liet hij zijn gitaar meer spreken dan zijn stem, voor de rest was er een fantastische band en voor de sublieme songs had vader lang geleden al gezorgd. Via projectie op groot scherm mocht papa zelfs meespelen- en zingen op “Cosmik Debris”, een perfect samenspel tussen Frank Zappa rechtstreeks vanuit het hiernamaals en een schitterende band hier en nu op het podium. Bij het laatste nummer, een wervelend “Muffin man” werd de truc op het scherm nog eens overgedaan met een weergaloze solo van the man himself, perfect aansluitend op de band die de briljante song op een explosieve manier aanhief.
Zappa was echter niet de enige ster van de avond. Laten we ouwe getrouwe Ray White niet vergeten en dan vooral zijn fenomenale stem. Ray deed klassiekers als “San Ber’dino”, “City of tiny lights”, “Joe’s garage”, “Dorine” en “Carolina hardcore ecstacy” klinken zoals Frank het zelf zou gewild hebben, niet minder dan fantastisch dus.
De magistrale muzikanten, waaronder een uitmuntende saxofoniste, maakten van “Eat that question” een instrumentaal hoogtepunt van de avond, hier kwam de jazzfreak in Zappa terug naar boven. Ook de compleet maffe sixties periode werd niet overgelaten met  “Son of suzy creamcheese” en “Brown Shoes don’t make it”, waarin de geniale gekte van The Mothers of Invention herleefde.
Eén minputje maar, het te lange intermezzo waarbij ieder bandlid zijn eigen solo moment kreeg. Beetje overbodig, want toen wisten we al lang dat hier prachtige muzikanten op het podium stonden, ieder zijn solo om dit te bewijzen hoefde niet echt.

Liefst twee en een half uur hield Zappa ons in de ban, het was geen minuut te veel. Integendeel, van ons mocht het nog de hele nacht duren.
Tijdens de set vertelde Dweezil dat hij en zijn band nog heel wat huiswerk te doen hadden met het instuderen van nog pakken Zappa songs en dat zij hiervoor de komende jaren nog wel enkele keren naar België zouden terugkomen. Snel aan het werk, zouden wij zo zeggen, en de volgende keer zijn we zeker terug van de partij, want wij kunnen u hier zo nog een veertigtal prachtsongs opsommen die we maar al te graag in een concertzaal zouden willen meemaken.
Dit concert was absoluut de naam Zappa waardig en deze keer kregen we wel een perfecte akoestiek dankzij de Koningin Elisabethzaal, wat onze kater van zoveel jaren geleden een beetje verzacht.
Beste mensen, Zappa leeft !

Organisatie: Live Nation

woensdag 03 oktober 2007 02:00

Pull the pin

Dit is alweer de zesde cd van Stereophonics. Doch het zijn vooral de eerste twee die ons zijn bijgebleven wegens een geslaagde combinatie van melodie, sterke songs en een rauwe sound. Vanaf het derde album begonnen sporen van bloedarmoede op te treden. Op hun albums stonden nog wel een aantal boeiende songs, maar deze waren alsmaar moeilijker te vinden tussen het overwicht van slappe en stroperige ballads, slijmballen van songs die zodanig op onze zenuwen werkten dat we spontaan de neiging kregen om onze Stereophonics platen bij het grof huisvuil te zetten. Het slechte nieuws : dit soort songs staat hier weer op. Het goede nieuws : ze zijn in de minderheid. Finaal hebben we er maar drie geteld, de ongelukkige singlekeuze “It means nothing” (te plat en te goedkoop) en de melige draken “Daisy lane” en “Stone”.  Volgens de bijgeleverde bio zou “Daisy lane” een Nick Cave-achtig nummer zijn, maar geloof daar vooral niks van.
Tot zover de missers. Verder kunnen we u met plezier vertellen dat Stereophonics een stevige en gebalde rockplaat afgeleverd hebben. Het begint veelbelovend met een vlijmscherp “Soldiers make good targets”, een gemene rocksong die zowaar enkele Nirvana trekjes vertoont. Uiteindelijk blijkt dit wel de beste track van het album te zijn, maar ons hoort u niet klagen want de rest is ook bijzonder te pruimen, zoals een potig “Bank holiday monday” en een hevig rockend “I could lose ya”. Het prima “Ladyluck” is zo’n typische Stereophonics” song, een geslaagd huwelijk van melodie en stampende rock, net als “Drowning” en “My friends” waar de rauwe stem van Kelly Jones meermaals voor vonken zorgt.  Jones zingt meer dan hij zaagt, en dat is op de vorige drie platen wel eens anders geweest.  In “My friends” en “Crush” duikt zelfs een vleugje Oasis op, de betere momenten van Oasis weliswaar.
Deze ‘Pull the pin’ is dus wel degelijk het resultaat van een geslaagde reanimatie van de Stereophonics maar is vooralsnog geen ‘Performance and cocktails’, hun beste tot hiertoe. Dit nieuw album mag wel gerekend worden tot het betere werk van deze Welshmen. Hiermee vegen ze toch een beetje de zonden van hun vorige werk weg. 
Balans : 10 jaar bezig en een drie op zes. Dat kan nog net, maar bij de volgende is het alweer erop of eronder. Bij ons hebben ze alvast terug aan krediet gewonnen, gezien ‘Pull the pin’ ruimschoots onze verwachtingen overschrijdt.

woensdag 26 september 2007 02:00

Is Is (EP)

Opnieuw een geweldige EP als tussendoortje van dit fijne New Yorkse trio. De sound van sterke full cd’s als ‘Fever to tell’ en ‘Show your bones’ wordt hier verder gezet via vijf nieuwe vlijmscherpe songs met splijtende gitaarriffs en ferme vocale uithalen van de geweldige Karen O. Het zijn songs die al een tijdje lagen te rijpen en die om onbegrijpelijke redenen de voormelde cd’s niet gehaald hebben. Gelukkig hebben The Yeah Yeah Yeahs deze alsnog op plaat gezet want het zijn vijf wilde, rauwe en toch melodieuze prachtnummers. Fijn dat een band als The Yeah Yeah Yeahs het belang van de EP terug heeft uitgevonden, op zo’n plaatje staan tenminste nooit overbodige dingen, voor je ’t weet is het al afgelopen en denk je ‘wow, that’s it ‘ en dan zet je het plaatje gewoon nog een keer op.

Pagina 107 van 112