Botanique, Brussel - concertenreeks

Botanique, Brussel - concertenreeks 2026Stoned Jesus, Wheel, woensdag 1 april 2026, Orangerie, 20h Oliver Symons, zaterdag 4 april 2026, Witloof Bar, 20h Koma, woensdag 8 april 2026, Rotonde, 20h Son Little, vrijdag 10 april 2026, Orangerie, 20h Chalk,…

logo_musiczine_nl

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Search results (15418 Items)

Battleroar

To Death and Beyond

Geschreven door

Genaamd naar een zin uit het Heavy Load nummer “Singing Swords”, proberen de Grieken van Battleroar de traditie van pure onversneden Heavy Metal vanuit een epische benadering verder te zetten. Hierbij laat men zich inspireren door legendes als Manowar, Manilla Road, Jag Panzer, Omen en natuurlijk ook Heavy Load zelf.
Met ‘To Death and Beyond’ is deze band toe aan zijn derde volwaardige langspeler. Dat men niet aan zijn proefstuk toe is, wordt al onmiddellijk duidelijk. Het acht minuten durende openingsnummer “The Wrathforge” laat namelijk al meteen een enorme indruk. Na een spanning opbouwende intro, galoppeert de rhytm-guitar erop los, aangevuld door melodische leads. Met heroïsche vocalen doet Marco Concoreggi zijn intrede op het album. De zuiders getinte vocalen doen bij momenten denken aan de sfeer die rond Manilla Road hangt, wat enkel een compliment kan zijn! Vooral naar het einde toe groeit dit nummer, wanneer de lyrics een hoger meezinggehalte krijgen en een heldhaftigere toon aannemen!
Zoals bij de ware epische en ‘True Metalbands’ gaan het overgrote deel van de lyrics over heldhaftige prestaties en Metal. Het catchy “Dragonhelm” behoort ook tot deze klasse. Net als de overige nummers op dit album, wordt “Dragonhelm” gesierd door heerlijke gitaarlijnen afgewisseld met galopperende ritmes. Geen enkel groepslid hoeft voor een ander onder te doen. Bovendien weerklinkt een hoop spelvreugde in de muziek, wat het geheel enkel aangenamer maakt om te beluisteren.
Regelmatig worden ook melodische sfeervolle rustpunten in het album verwerkt, zodat er genoeg variëteit aanwezig is om het album aandachtig te kunnen blijven beluisteren. Het acht minuten durende “Finis Mundi” kan hierbij met zijn akoestische intro als ideaal voorbeeld dienen. Het nummer vervolgt in een midtempo ritme, waarbij vooral zanger Concoreggi zich van zijn beste kant laat zien. Halverwege het nummer schroeft men het tempo opnieuw wat terug en krijgen we een rustgevende, melancholisch getinte vioollijn te horen met na verloop van tijd erbij passende zanglijnen, waarna het nummer krachtig afgerond wordt en tot een absoluut hoogtepunt neigt! Ook het later op het album voorkomende nummer “Oceans of Pain” valt met dit nummer te vergelijken al ligt het tempo op dit nummer algemeen lager. Door de gelijkenissen met “Finis Mundi” dingt ook dit nummer mee naar de titel ‘Hoogtepunt van het album’.
Vervolgens komen we aan bij het zwakkere nummer op het album, “Metal From Hellas” sluit helaas wat minder aan bij zijn epische voorgangers en spreekt mij persoonlijk ook minder aan, hoewel het niveau zelfs hier nog bijzonder hoog ligt. “Hyrkanian Blades” deed mij onmiddellijk aan het Britse Conquest of Steel denken, waardoor aangename ervaringen opgeroepen werden. Dit nummer belooft dan ook live een aardige klassieker te worden vanwege het achterliggende enthousiasme. Net omwille van diezelfde reden spreekt het nummer “Born in the 70’s” waarin de invloeden van Heavy Load het duidelijkst te horen zijn, mij enorm aan. Met de nummers “Warlord of Mars” en “Warlord of Disgrace” wordt het album mooi afgerond zonder nog echt iets nieuws toe te voegen aan het geheel. Gezien de kwaliteit van de vorige nummers, vormt dit echter geen enkel problemen.

De balans tussen epische passages en stevige heavy Metal is op “To Death and Beyond” perfect in evenwicht. Het album verveelt geen moment en verschaft tal van aangename momenten! Liefhebbers van het genre zullen dit album met open armen ontvangen.

Asia

Superband Asia zorgt voor een nostalgische, historische avond

Geschreven door

Asia is een Britse band die in 1981 werd opgericht. Een superband met ex-leden uit progressieve rockbands zoals Yes, King Crimson & Emerson, Lake & Palmer. In 1982 bracht de band bij platenbaas Geffen de monsterplaat ‘Asia’ uit. Dit titelloze debuutalbum stond maar liefst 9 weken op één in de Amerikaanse albumlijst. Het waren toen echt de hoogdagen voor het A.O.R. en Prog Rock genre! In de jaren negentig, na drie schitterende albums, kreeg de band een nieuwe frontman-zanger en begon het (John) Payne tijdperk (1992-2006). In 2005 was een hernieuwde samenwerking tussen Wetton & Downes een feit. Onder de noemer Wetton / Downes brachten de heren ondertussen twee schitterende ‘Icon’ albums uit. In 2006 werd John Payne vriendelijk verzocht de band te verlaten en werd een reünie met alle originele leden aangekondigd.
In de zomer van 2007 leek alles dan nog in het water te vallen toen zanger-bassist John Wetton hartproblemen kreeg en in spoed geopereerd moest worden. De Amerikaanse tournee werd eventjes ‘on hold’ geplaatst. Dit jaar staat Asia er helemaal terug. Het nieuwe ‘Phoenix’ album werd net via Frontiers Records uitgebracht en om deze release kracht bij te zetten is er ook een nieuwe wereldtournee. België stond niet op het lijstje. Gelukkig konden we terecht bij onze Noord-Franse buren die maar al te graag en met erg veel enthousiasme deze superband met open armen ontvingen. Het werd dan ook een historische avond in het gezellige Théatre Sébastopol, met op een paar kleine schoonheidsfoutjes na, een bijzonder sterke performance.

Het sfeervolle, kleine Théatre Sebastopol liep aardig vol maar van een echte overrompeling was geen sprake. Doch nog voor de groep ook maar één noot had gespeeld zat de sfeer er al goed in. De band werd onder zwaar applaus het podium opgejoeld.
Even na 20u30 was het dan eindelijk zover. Wetton, Downes, Howe & Palmer openden met “Daylight”, een bonustrack die werd toegevoegd aan de cassette versie van ‘Alpha’ uit 1983. Een beetje een valse start maar vanaf de eerste tonen van “Only Time Will Tell” was de band echt gelanceerd. Na het bombastische “Wildest Dreams”, kregen we voor het eerst een song uit het nieuwe ‘Phoenix’ album. “Never Again” werd echter wat geforceerd gebracht. Hier moest Wetton op de autocue regelmatig spieken. Vreemd, maar samen met “An Extraordinary Life” (dat wat later in de set aan bod kwam) was dit de enige gebrachte song uit het nieuwe album. De gebrachte setlist promootte de nieuwe plaat dan ook niet volwaardig.
Daarentegen kregen we een avond vol klassiekers en solospots van de diverse bandleden (sterk vergelijkbaar met de dubbele live cd ‘Fantasia: Live In Tokyo’ uit 2007. Alle bandleden hebben zich in het verleden natuurlijk ook erg verdienstelijk gemaakt in andere bands. De waanzinnige gitarist Steve Howe (GTR, Yes) mocht zich als eerste in de kijker spelen. ‘”Roundabout”, een van de bekendste songs van Yes triomfeerde door de zaal. Al prefereer ik bij deze song toch de vocals van Jon Anderson (Yes). Daarna kreeg Howe ook nog de kans om zich te bewijzen met wat klassiek getokkel. De zaal werd er gek van en gaf de man een staande ovatie. John Wetton (King Crimson, UK, Roxy Music), die de ganse avond erg goed bij stem was, keerde met ons terug in de tijd naar zijn periode met King Crimson. Het akoestische “Book Of Saturday” (uit ‘Tongues In Aspic’ uit 1973) werd door de fans op veel enthousiasme onthaald. Toch was het vooral het dreigende “The Court Of The Crimson King” uit ‘Red’ (1974) dat sterk imponeerde. Een overweldigend applaus en alweer een staande ovatie waren gerechtvaardigd. Ook Geoffrey Downes (Yes, Buggles) liet zich volop als toetsentovenaar gelden.
Een zwakke versie van de Buggles hit “Video Killed The Radio Star” kwam echter erg ongelukkig na het progressieve “The Court Of…..”.
Wel sterk was Downes in de ELP instrumental “Fanfare For The Common Man”. Tot slot speelde ook drummer Carl Palmer (ELP) de pannen van het dak. Zijn geïnspireerde drumtechniek kende een hoogtepunt in een zeer originele drumsolo (de man bespeelde met zijn drumsticks gewoon alles wat rond hem stond of hing), die deel uitmaakte van de Asia klassieker “The Heat Goes On”. De finale met “Heat Of The Moment”, “Don’t Cry” en “Sole Survivor” was er eentje om vingers en duimen bij af te likken. De kers op de taart na meer dan twee uur symfonische A.O.R. hoogstandjes.

Asia anno 2008 was in deze originele bezetting toch zeer verschillend van het Asia (met John Payne) dat ik tijdens de ‘Silent Nation’ tour in de Spirit Of ’66 zag. Terwijl de John Payne bezetting meer een echte rockband was, bracht deze original Asia toch meer een symfonisch, bombastisch en authentiek geluid. Veel spelplezier, een sterk groepsgeluid en vooral een sterke John Wetton maakten deze avond tot een heuse historische gebeurtenis. Petje af voor deze oudjes!!

Setlist: *Daylight *Only Time Will Tell *Wildest Dreams *Never Again *Roundabout *Time Again *Geoffrey Downes solospot (instrumental) *Steve Howe solospot (instrumental) *Book Of Saturday *The Smile Has Left Your Eyes *Open Your Eyes *Fanfare For The Common Man *Without You *An Extraordinary Life *The Court Of The Crimson King *Video Killed The Radio Star *The Heat Goes On *Solospot Carl Palmer (drumsolo) *Heat Of The Moment
*Don’t Cry *Sole Survivor

Organisatie: Vérone Productions, Lille

Feist

De muzikale slingerbewegingen van Feist

Geschreven door

De talentvolle dertigjarige singer/songschrijfster Leslie Feist uit Canada wordt beloond voor haar intense werk, want de sympathieke jonge dame heeft met haar mooie breekbare, sprookjesachtige pop van ‘Let it die’ en ‘The reminder’ gevoelige zieltjes veroverd. Haar lichthese, zalvende fluisterzang geeft zeggingskracht. Ze nestelt zich vocaal ergens tussen Joan As Police Woman, Cat Power en Emmylou Harris.

In de ruim anderhalf uur durende set stapte ze moeiteloos over van intieme solomomenten naar broeierige poprock; de elektronica, soundscapes, dubbele percussie, piano en blazers zorgden voor een breder geluid.
Aan publieksparticipatie en dynamiek was er geen nood; Feist zette haar fans aan tot handclapping en het neuriën van sommige nummers. Feist maakte talrijke slingerbewegingen qua sfeertjes bepalen: beelden oproepen en ruimte laten voor verbeelding en van weemoed naar een meer uitgelaten stemming. Tenslotte zagen we op een groot scherm iemand bezig met schaduwmime en zandafbeeldingen maken.
Intieme huiskamer ‘candlelight’ muziek speelde ze solo op “Honey, honey”, “Intuition” en “Lonely lonely”, bepaald door haar hemelse stem en akoestische gitaar. De ingetogen, dromerige “When I was a young girl”, “Mushaboom”, “Limit to your love” en “Inside + out” hadden een spaarzame begeleiding. “The park” en “Brandy Alexander” brachten een zomerse stemming van ‘vogeltjes, de bloemetjes en de bijtjes. Feist hield van uitdagingen zoals op de gospelachtige clapping song “Sealion”, die niet zou misstaan in de zondagsmis! En tenslotte klonk Feist met haar band uitgelaten op de fijne instant klassiekers “My moon my man”, “Feel it all” en “1, 2, 3, 4” . Een glansrol was weggelegd voor de broertjes Baird.
Ze opende en eindigde solo achter een wit doek, met een spot op haar gericht “Help” en “Let it die” waren de huiveringwekkende, bloedstollende in countryblues gedrenkte songs.

We hoorden een enthousiaste gemotiveerde Feist die het publiek in allerlei stemmingen en sfeertjes bracht.

Organisatie: Agauchedelalune ism Aéronef, Lille

Olafur Arnalds

Ólafur Arnalds: verstilde pracht op de grens tussen klassiek en modern

Geschreven door

Voor Duyster adepten had het Cactus Muziekcentrum het voorbije weekend heel wat in petto. Zo stonden vrijdagavond niet alleen Sleepingdog en Timesbold op de planken maar afgelopen zondag heetten zij in Brugge ook Ólafur Arnalds en support act Gregor Samsa welkom. Om het weekend ontspannen af te sluiten, koos ondergetekende voor laatstgenoemde optie.

Het Amerikaanse Gregor Samsa werd acht jaar geleden in Richmond opgericht door Champ Bennett (zang, gitaar en piano) en Nikki King (zang, rhodes piano en keyboard). Het duo (sinds september vorig jaar ook een echtpaar) is de enige constante binnen de groep want de voorbije jaren vonden er ruim 30 personeelswissels plaats.
Na twee EP’s, een full album en twee split EP’s met respectievelijk The Silent Type en Red Sparrows, brachten zij zopas een nieuw volwaardig album uit, genaamd ‘Rest’. De nummers op dit album, via email geschreven en in een periode van ongeveer 8 maanden opgenomen in New York, vallen onder de globale noemer van postrock en slowcore en kennen steeds een geduldige, verzorgde en gelaagde opbouw. Nog meer dan op plaat werd dit live in de verf gezet en won het songmateriaal aan kracht en intensiteit. Dit werd niet alleen meteen duidelijk via opener “Jeroen Van Aken” (inderdaad een verwijzing naar de geboortenaam van de grootmeester Hieronymus Bosch), maar ook in nummers als “Ain Leuh” en “Abutting, Dismantling” (allemaal afkomstig van het nieuwe album). Het septet musiceerde steeds erg geconcentreerd en behoedzaam. Zo werd er wel eens van instrument (piano, gitaar, viool, klarinet, xylofoon) en plaats gewisseld en de groepsleden gingen daarbij zo voorzichtig te werk alsof ieder extra geluidje de gecreëerde spanning zou breken.
Een vanuit fluisterstand ingezette “Young And Old” uit het album ‘55:12’(2006) sloot crescendogewijs de set af.

Hoe ingetogen maar intens de muziek van Gregor Samsa bij momenten ook klonk, het was totaal niet te vergelijken met de verfijnde en o zo breekbare composities van Ólafur Arnalds.
Deze amper 22-jarige muzikant afkomstig uit het IJslandse Mosfellsbaer, speelt weliswaar mee in een folk/postounkgroepje van een vriend, My Summer As A Salvation Soldier, en is drummer bij hardcorebands als Fighting Shit en Celestine, maar de grootste aandacht momenteel toch naar zijn eigen werk dat wordt gekenmerkt door een combinatie van klassieke muziek, postrock en ambient elektronica.
Vergelijkingen met Max Richter en zijn landgenoten Jóhann Jóhannsson en Hilmar Örn Hilmarsson en liggen daarbij zo voor de hand.

Ólafur Arnalds stond in Brugge al voor de derde maal dit jaar op een Belgisch podium en de set bestond uit nummers van zijn debuutalbum, het bejubelde ‘Eulogy For Evolution’, en van de nieuwe EP ‘Variations Of Static’. Tevens kwamen er enkele nieuwe songs van het later dit jaar te verschijnen tweede album aan bod.
Ook deze keer liet hij zich begeleiden door zijn vaste strijkerkwartet, namelijk drie vrouwelijke violisten en één mannelijke cellist (tevens dezelfde muzikanten die ook meewerkten aan zijn nieuwe EP). ‘Begeleiden’ is echter te zwak uitgedrukt want veelal was net het omgekeerde het geval, namelijk dat de strijkers de bepalende factor waren en dat Ólafur Arnalds voor de omlijsting zorgde via subtiele piano, laptop en af en toe ook wat loops en beats.
Al vanaf de eerste noot liet het publiek zich meevoeren op de ijle klanken. De muziek sprak voor zich. Oogcontact of zelfs interactie met het publiek werd door de groep tot het uiterste minimum herleid en beperkte zich overwegend tot een vriendelijke dankbetuiging voor het applaus van het publiek Enkel toen de erg verkouden Ólafur Arnalds iets voorbij halfweg de set moeite had om niet te hoesten doorheen een nummer, excuseerde hij zich hiervoor uitvoerig en hoopte hij dat dit geen hypotheek zou leggen op het verdere verloop van het Europese luik van zijn tournee, temeer daar zijn concert in de Cactus Club pas het tweede van de nu al dertig geplande concerten was.
Met “Himininn er ad hrynja”, en “Störnurnar fara pér vel” uit de EP ‘Variations Of Static’ werd de eigenlijke set afgerond maar de groep kwam terug voor nog één toegift. Daarbij mocht het publiek kiezen tussen een nieuw dan wel bestaand eigen nummer of een cover. Ook indien het publiek géén nummer meer wenste, kon men hem dat ook gerust laten weten, merkte hij schalks op.
Zelf hadden we graag nog eens zijn vrije interpretatie van het nummer " Marching bands of Manhattan" van Death Cab For Cutie gehoord maar het werd een volstrekt nieuw nummer waar Ólafur Arnalds de werktitel “Postrocksong” aan gaf. Meteen het einde van iets minder dan een uurtje verstilde pracht.

Op basis van wat ons de voorbije jaren ter ore is gekomen, lijkt het muzikale talent in IJsland al even talrijk als het aantal plaatselijke meren en rivieren. Welnu, ook Ólafur Arnalds mag als een revelatie beschouwd worden.

Organisatie: Cactus Club Brugge


Paramount Styles

Paramount Styles: een unplugged Girls Against Boys

Geschreven door

Scott McCloud, de (ex)spil van het New Yorkse Girls Against Boys, heeft een nieuw muzikaal project op poten: Paramount Styles. Hij behoudt op de soloplaat ‘Failure American Style‘ z’n handelsmerk van een donker, intens broeierig sound; met z’n ingehouden zacht krakende, kreunende, hese vocals dompelt hij de songs gevat onder in dit sfeertje.
Samen met twee vaste leden (bassist/toetsenist en drummer) en twee Belgen (gitarist en cellist) onderneemt hij een kleine clubtournee. Trouwens, het was al vijf jaar geleden dat McCloud met Girls Against Boys te zien was. Hoogst interessant dus om kennis te maken met z’n Paramount Styles.

Het publiek hoorde een sfeervol snedige set; de songs kregen meer ademruimte door een samenspel van akoestische gitaar, cello en toetsen. Een gemoedelijk en kaler unplugged Girls Against Boys. McCloud zat op z’n flightcase, dicht bij z’n publiek, en maakte af en toe een cynische opmerking. Het sobere “Drunx” opende. “All eyes”, “Hollywood tales 2”, “Come to NY” en “Losing you” hadden een steviger popgehalte. McCloud wisselde ze af met ingetogener werk:  “Race ya till tomorrow”, “Crazy years”, “Starry nights”, “Paradise happens” en “More than alive”, die de set besloot.
Het warme onthaal bood z’n vernieuwende aanpak een hart onder de riem. In de bis gaf hij nog één nummer prijs …geluid en tekst à l’improviste …een artiest, mans songschrijven en een band, op dezelfde golflengte.
Paramount Styles speelde verslavend, beklijvend songmateriaal. Scott McCloud heeft een volgende stap gezet in z’n oeuvre.
.
Het Belgische Dead Souls kroop twee jaar terug in de huid van Joy Division’s Ian Curtis. Deze live coverband , die vaste support was van Monza, deed de voorliefde van het icoon van de new wave in Vlaanderen heropleven.
Hun debuut ‘Cognac & coffee’ heeft een eigen geluid binnen de waverock, die we voldoende kennen onder Editors en Interpol. Een energieke live band, die gretig gedurende zo’n vijfenveertig het nieuwe materiaal voorstelde: “Peter Chriss”, “Trying in crying”, “Boxoffice waiters”, “Smash your guitar” en de titelsong klonken overtuigend. Band met een mooie toekomst!

Organisatie: Cactus Club Brugge

Timesbold

Een ingetogen en rockend Timesbold

Geschreven door

De inzet van het weekend werd in de MaZ gedrenkt in weemoed en melancholie door de desolate americanapop/alt.country van Timesbold (Jason Merritt) en Sleepingdog (Chantal Acda).

Timesbold is samen met Bonnie ‘Prince’ Billy, Dave Eugene Edwards, Alan Sparhawk, Robert Fischer en Conor Oberst, één van de pijlers binnen dit Duyster concept. Een intens broeierig sfeertje wordt gecreëerd door een instrumentarium van akoestisch gitaargetokkel en -slides, contrabas, toetsen/harmonium, melodica, zingende zaag en een ingehouden percussie.
Zanger/componist Jason Merritt, man met safarihoed én lookalike Finn Andrews van The Veils, schrijft geniale, beklijvende pareltjes bijeen en geeft met z’n zalvende, lichthese, krakende emotievolle stem zeggingskracht aan de songs. Hij borg momenteel z’n soloproject Whip even op.
Hij speelde, samen met de vaste crew leden Lichtenstein/Goebel en twee andere muzikanten, een klein anderhalf uur lang een boeiende en gevarieerde set: intiem,ingetogen en rockend door een snedig krachtiger aanpak. Ze zijn op tournee om de nieuwe plaat ‘Ill Seen Ill Sung’ voor te stellen; we hoorden de innemende “When I come around” en Hollow halo” als de stevige “Fencepost” en “Any lethal storm”, die live een rauw verbeten tint hadden. Op z’n Dylans ging Timesbold te werk op het oudje “Sing”. Er waren de donker, dreigende “Banish” en “Some awful man”, en het ingehouden “Whales” klonk avontuurlijk door een onverwachtse pianoswing en strijkstok op triangel. Tenslotte haalde Merritt nog solo hemels pakkend uit.
De intense spanning in de songs kon Merritt ontkrachten door enkele ludieke aanmerkingen. In de bis hoorden we dynamische melodieuze versies van “Old Hannah” en “Irene”.

Timesbold speelde een knap overtuigend concertje en gooide zoveel muzikale pracht te grabbel in een twintigtal nummers; een bij de keel grijpende; adembenemende set die en af en toe gepast en gevat kon ontladen.

Support was Sleepingdog van Chantal Acda, momenteel hoogzwanger van haar tweede kindje. Ze speelde samen met drie andere leden, in een sober geluidsdecor, een dromerig, intieme set onder haar hese fluisterzang; de songs van het recente ‘Polar Life’ verwezen naar haar IJslandse voorliefde.

Organisatie: Cactus Club, Brugge

One Night Only

Started A Fire

Geschreven door

‘Started A Fire’ is het debuutalbum van de Indie pop-rockers One Night Only. De band ontstond in 2003 en heeft als huidige verblijfplaats het Engelse Helmsley. De band was aanvankelijk een coverband die vooral songs coverden van pretpunkbandjes zoals Blink 182. “Just For Tonight”, de tweede single uit dit debuut overtrof alle verwachtingen en werd een grote hit in hun thuisland. De single haalde een bewonderswaardige negende plaats in de UK Singles Top en ook het album haalde ondertussen dezelfde hoogste regionen.
De openingstrack “Just For Tonight” is echter de sterkste song van de plaat. Een bijzonder sterke, gedreven hymne met een aanstekelijk radiovriendelijk refrein. Tekstueel misschien wel de meest simplistische song maar wel de ideale kamp-verzameltune! Daarna daalt het niveau opmerkelijk en stellen een aantal songs serieus teleur. Doch af en toe blijft het wel leuk en probeert men met degelijke melodieën en de klasse van zanger George Craig te imponeren. Dit is gewoon leuke pop, niets meer…niets minder. Verwacht geen felle gitaargevechten, want de sound van One Night Only leunt dichter aan bij bands zoals Keane, The Kooks en Air Traffic.
Verder is het vrij opmerkelijk dat U2 producer Steve Lillywhite de plaat mocht produceren; al toverde hij hun groot opgezette stadiumsound om tot een veilige, banale luisterervaring. De jongens hebben ambitie en als debuutalbum is dit absoluut geen slecht plaatje én de tienermeisjes zullen zich moeiteloos met deze band kunnen identificeren maar voor mij is dit slechts een aardig tussendoortje.

Hollenthon

Opus Magnum

Geschreven door

Nadat Pungent Stench de handdoek in de ring wierp, hadden Martin Schirenc (gitaar, vocals)  en Gregor Marboe (bass, vocals) ruim de tijd het project rond Hollenthon nieuw leven in te roepen. Nadat dit nieuws mijn oor bereikte keek ik maandenlang uit naar het nieuwe werk. Eindelijk is het zover, met ‘Opus Magnum’ serveren de Oostenrijkers hun derde langspeler.

Om het in 2001 uitgebrachte ‘With Vilest of Worms to Dwell’ te overtreffen zouden deze heren al heel wat moeite moeten doen. Dit album kenmerkte zich namelijk door stevige Black Metal geniaal ondersteund door bombastische en epische passages die de muziek op sublieme wijze ondersteunden. ‘Opus Magnum’ baseert zich nog steeds op beide componenten, maar de balans tussen deze componenten is minder evenwichtig verdeeld.
De theatrale passages werden wat meer naar de achtergrond gedrukt en begeleiden de duistere Metal meer, dan dat ze erin verweven zijn. In vergelijking met ‘With Vilest of Worms to Dwell’ klinkt het dan ook minder als één geheel. Wat niet wil zeggen dat dit album ontgoocheld, integendeel. Waar het vorige album het moest hebben van de bombastische hoogstandjes en de sublieme composities, ligt de sterkte van dit album in de bij momenten snedige Dark Metal, die op zich minder nood heeft aan epische ondersteuning. Wie net deze bombastische passages wist te appreciëren, hoeft echter niet te vrezen. Ze komen nog steeds uitgebreid aan bod, maar zijn een minder constante factor in het geheel.
Met openingstrack “On the Wings of a Dove” bijvoorbeeld opent men het album krachtig met Thrash/Black-achtige riffs. Deze stevige riffs worden op cruciale punten voorzien van extra orkestrale ondersteuning en lage opera-achtige zangpartijen, die de zware vocalen afwisselen. Naar het midden van het nummer toe doet het koor voor het eerst zijn intrede, om de rest van het nummer verder te begeleiden. “To Fabled Lands” begint daarentegen met een slepend gitaarspel, aanleunend bij het doom-genre. Geleidelijk aan wordt het tempo opgedreven en worden de vocalen grimmiger. De paterkoren op de achtergrond brengen echter rust in het geheel, waardoor het nummer aangenaam wegluistert.
In “Sons of Perdition” blijven de epische arrangementen voor het eerst voor een lange tijd tot een minimum herleid, ondanks de orkestrale intro. Met een vrij herkenbaar refrein en de rustig wegkabbelende, maar toch krachtig klinkende riffs en melodielijnen groeit dit nummer ondanks zijn eenvoud toch uit tot één van de hoogtepunten van dit album. Het erop volgende “Ars Moriendi” sluit dan weer beter aan bij ‘With Vilest of Worms to Dwell’. Krachtig, bombastisch, operagezangen op de achtergrond, krachtige riffs, donkere gezangen, … Alle elementen voor een waren Hollenthon klassieker komen hierin aan bod en vormen een tweede hoogtepunt en tevens een mooie aanleiding naar het erop volgende nummer, door het bij momenten groovende ritme dat zich verder zet in “Once We Were Kings”.
Na een Oosters georiënteerde intro gaat het nummer “Once We Were Kings” stevig van start. Persoonlijk vormt dit nummer voor mij het absolute hoogtepunt van het album. Thrash-achtige riffs worden afgewisseld met het slepende refrein, waarbij je al snel gaat meebrullen. Of het nu het woord “Kings” is of de manier waarop het nummer gespeeld wordt, geraak ik niet aan uit, maar het doet mij in ieder geval sterk denken aan het nummer “King” van Satyricon.
Het album wordt nog puik afgerond met krakers als “Of Splendid Worlds” waar muzikaal heel wat geboden wordt, inclusief een niet onaardige gitaarsolo. Het snellere “Dying Embers” met zijn akoestische intro en melodische intermezzo. De acht minuten durende afsluiter “Misterium Babel” haalt opnieuw de Oosterse sfeer boven om vervolgens heel rustig en sfeervol na een tweetal minuten opnieuw in de duistere en dreigende ondertoon te vervallen. Door het afwisselen van de dreigende en bij momenten snelle en stevige riffs, blijft het nummer, net als het volledige album steeds boeiend om naar te luisteren.

Hoewel de Epische elementen minder nadrukkelijk aanwezig zijn, vertegenwoordigen ze nog steeds het kenmerkende geluid van Hollenthon. De Oostenrijkse band klinkt op dit album duisterder dan van tevoren, maar weet ook op deze manier te overtuigen! Originaliteit loont en dat heeft men ook met dit album bewezen!

Tapes ’n Tapes

Walk it off

Geschreven door

Het Amerikaanse Tapes ’n Tapes uit Minneapolis debuteerde twee jaar terug met ‘The loon’. Ze werden binnen het hokje van de postpunk geplaatst met hun frisse, springerige sound; door de intrigerende elektronicapartijen kwam wat meer psychedelica om de hoek kijken. En terecht kwam ook de referentie aan Pavement.
De tweede plaat is breder van opzet. Producer was Dave Fridmann (Mercury Rev, Flaming Lips, Low, Mogwai). Het geheel klinkt aanstekelijk en broeierig en is minder direct en rauw. ‘Walk it off’ is een weerbarstig afwisselend plaatje geworden, die niet inboet aan de speelse, dwarrelende sounds van het kwartet; er zijn de sfeervol dromerige “Time of songs” en “Conquest”, de poppy songs “Le ruse” en “Say back something”, de rammelende strakke “Headshock” en “Blunt”, het funky gekruide “Hang them all”, het grillige “Demon apple” en tenslotte besluiten ze en verve met de intens opbouwende “Lines” en “The dirty dirty”.

Loney, dear

Loney, noir

Geschreven door

Het platenmateriaal van het Zweedse Loney, dear is er eentje om te koesteren;  de band rond het duo Emil Svanängen en Jens Lekman wordt ferm onderschat, want ze hebben de kunst om vakkundig en kwalitatief subtiele songs uit te schrijven: ontroerende, dromerige melancholische, tedere pop met een gevoelig breekbare ondertoon. Het is aangenaam genieten van hun tien songs die bepaald worden door een semi-akoestisch gitaarspel, sprankelende toetsen, lichte elektronica en zalvende, opzwepende percussie, gedragen door een prachtige, warme samenzang. “ I am John”, “No one can win”,”I will call you lover again” en “Carrying a stone” zijn wonderschoon.
De groep ligt in de lijn van Belle & Sebastian, Arcade Fire en refereert aan de ‘60’s pop van The Beach Boys.
Een goed bewaard muzikaal geheim.

The Kooks

Konk

Geschreven door

Het Britse The Kooks heeft na de debuutplaat ‘Inside In/Inside Out’ en de daaropvolgende tournee geen makkelijke periode gekend. Interne spanningen zorgden ervoor dat de groep op springen stond. Na het vertrek van hun bassist is de band rond songwriter Luke Pritchard terug op het goede spoor. Het kwartet behoudt de melodieuze broeierige rock’n’roll sound met aanstekelijke, pakkende refreinen. Af en toe klinken ze ietwat krachtiger door de snedige gitaarriffs van gitarist Hugh Harris. Het zijn fijne popsongs, die intens meeslepend of strak kunnen zijn en een spannende opbouw hebben.
Volgende nummers onderscheiden zich: “See the sun”, “Always where I need to be”, “Do you wanna”, “Love it all”, “Sway” en “Shine on”, en vangen de paar mindere op als “Down to the market”. Zelfverzekerde rock’n’roll bandje die zelfs op het eind drie intieme overtuigende akoestische songs er tegenaan gooit en vele tienerharten sneller doet slaan: “One last time”, “Tick of time” en “Walk away”.
Wereldfaam is binnen handbereik voor dit jong Brits bandje.

No Mo Trevno

EP

Geschreven door

Het Gentse No Mo Trevno overrompelt met hun uptempo surf/rockabilly/gitaarrock’n’roll: een rauw, broeierig, fel bedreven en opzwepend geluid, gedragen door de helder, overtuigende souleske stem van de Amerikaanse zangeres Cindy Barg. We horen vier vaardige songs die strakke, zalige melodieuze riffs hebben. Het is een ‘60’s surfband bij uitstek die kan tekenen voor soundtracks van Quentin Tarantino. Scherp, venijnig en te situeren binnen bands als The Gossip, The Noisettes  en The Bellrays.
No Mo Trevno won al de Demopoll in 2006 en het Oost-Vlaams rockconcours en heeft alle kwaliteiten om door te breken.
Oh ja, een mooie omschrijving vonden we ‘no-nonsens kick ass sixties based surf band’. Enjoy!

Info: www.nomotrevno.com

Elvis’ Ghettoblaster

Love is a schizofrenic hungry monster

Geschreven door

Elvis Ghettoblaster is een band uit het Brusselse. De nieuwe cd is een uiterst gevarieerde plaat. Zij weten diverse stijlen te hanteren gaande van rauwe rock’n’roll (“Doll”, “Die ugly girls die”, “Linda Lee at a french party” en “Champaign & wine”), ‘80’s wave rock (“Stoner”, “Rockus porkus”), zonnige pop (“Dino”, “Marieke” en “Radio days”) tot melodieuze electropop als op “Backseat”. Om deze elementen samen te brengen putten ze kracht uit V.U., Pavement, Jon Spencer, Triggerfinger en Joy Division. Interessant plaatje!

Info op www.myspace.com/elvisghettoblaster

Waldeck

Ballroom stories

Geschreven door

Waldeck is afkomstig uit Wenen en is gecentraliseerd rond Klaus Waldeck en de zangeressen Joy Malcolm en Zeebee. Ze brengen een warme, zwoele, sfeervolle, doorleefde sound van pop, soul, jazz, r& b en mellow hiphop. Ze tuimelen soms regelrecht in de ‘50’s, waar de heren in maatpak, das en glimmende schoenen de kortgerokte dames uitnodigen op een danspas in een ballroom of donkere kroeg.
De groep heeft iets mee van ons eigen Mo & Grazz en past binnen het plaatje van de huidige heropleving van souljazzy freaks Adele, Duffy en Amy Winehouse. Het is genieten van de aanstekelijke, groovy, dansbare én lekker loungy nummers. “Memories” en “Get up …Carmen” schitteren, maar ook de sfeervolle “Make my day”, “Addicted” en Dietrichs  neigende “Bei mir bist du schön” bekoren. Stijlvol én met gevoel voor klasse!

Info: www.waldeck.at

…And You Know Us By The Trail Of Dead

Full Force Windkracht 10! And You Will Know Us By The Trail Of Dead

Geschreven door

Het gezelschap uit Texas …Trail Of Dead bracht vorig jaar hun vijfde cd uit ‘So divided’ en onderneemt ter promo van de cd een heuse tournee, waaronder in de VK. De band kwam een achttal jaar terug in de belangstelling met platen als ‘Madonna’ en ‘Source Tags & Codes’, waaruit ze live nog steeds rijkelijk putten.
Het zestal onderscheidt zich met een verwoestend geheel van snedige, krachtige, compacte gitaarrock, symfo, psychedelica, orkestraties en bombast, wat door de dubbele percussie en repeterende toetsen wordt opgezweept en avontuurlijk klinkt door de abrupte overgangen en ritmewisselingen.

Live was er sprake van een overweldigende sound: fel, hard, verbeten stukken, die af en toe werden afgewisseld met enkele ingehouden, zachte, sfeervolle stukken . Van catchy melodieën, orkestraties en bombast was er geen sprake! Rauw, teder en beheerst gingen ze te werk; en behielden een intense spanning. Een paar leden wisselden probleemloos van instrument. Een mistige zang zweefde over de gebalde sound. Hun keuze viel op songs als “Relative ways”, “Stand in silence” en “Caterwaul”. Of ze lieten songs in elkaar overgaan als “Will you smile again” en “Another morning stoner”.
Het publiek werd volledig opgeslorpt door die muzikale leefwereld van Trail Of Dead.
Apotheose was een uitgesponnen “Totally natural”: repetitief opbouwend en broeierig; door de diverse tempowisselingen klonk de song krachtig, fors en subtiel, waarbij de 2 percussionisten hun drums pijnigden. De eerste rijen kregen zelfs een paar cimbalen. In de bis overtuigden ze met “Mistakes & regrets”.

…Trail Of Dead speelde een boeiend, intrigerend concert van felle windstoten. Windkracht 10 noteerden we.

De supports The Amber Light uit Duitsland bracht een goed half uur goed gekruide, stevige gitaarrock en het uit San Francisco afkomstige Bellavista liet zich beïnvloeden door ‘80’s Echo & The Bunnymen en ‘90’s Pale Saints en Stone Roses. Gitaarwerk met een zweverig randje!

Organisatie: VK, Sint-Jans Molenbeek

The Whitest Boy Alive

The Whitest Boy Alive: zó onhip dat het toch weer hip wordt

Geschreven door

De Noor Erlend Æye wordt nog steeds (te) vaak in één adem genoemd met de zogenaamde New Acoustic Mouvement, een muziekstroom die in 1999 in het leven geroepen werd door de Britse pers nadat binnen de muziekwereld een verhoogde belangstelling voor de akoestische gitaar werd vastgesteld en bepaalde groepen succes oogsten door in hoofdzaak gebruik te maken van dit instrumentarium. Eén van die bands was onder meer Kings Of Convenience, een samenwerking tussen Erlend en zijn landgenoot Erik Glambek Bøe. Met albums als ‘Quiet Is The New Loud’ en ‘Riot On An Empty Street’ konden ook zij een breder publiek bekoren, mede wellicht ook door de verschijning van Erlend Æye zelf (die altijd te grote brilmonturen!).

Of deze hem ook letterlijk een bredere kijk op de wereld verschaften, laten we in het midden maar in ieder geval begon Erlend ook nieuwe horizonten te verkennen en distantieerde hij zich meer en meer van het genre waar hij bekend mee geworden was. Zo ging hij als dj aan de slag, maakte een ambient, elektrogetint soloalbum, stelde  een verzamel-cd in de befaamde DJ Kicks reeks samen, verleende zijn medewerking aan nummers van andere artiesten uit de elektronicawereld, waaronder “Poor Leno” van Röyksopp, en richtte hij vanuit Berlijn samen met b
assist Marcin Öz, drummer Sebastian Maschat en keyboardspeler Daniel Nentwig de groep The Whitest Boy Alive op. En het was met deze formatie dat Erlend Æye afgelopen vrijdag op de planken van de Handelsbeurs stond.

Als voorafje kregen we het Zweedse
Slagsmålsklubben (een vertaling van de filmtitel ‘Fight Club’) geserveerd. Deze groep kwam eind 2000 tot stand in Norrköping en hoewel voortvloeiend uit de progressieve rock groep ‘The Solbrillers’, heeft de muziek die ze brengen met dit genre geen enkele uitstaans meer. Integendeel, zelfs. Ze maken integraal gebruik van  oude 8-bit (spel)computers en mocht je pakweg Trans-X, The Moog Cookbook en Apparat Organ Quartet samen in een shaker voegen, dan zou het resultaat aardig in de buurt komen van de klanken die het Zweedse zestal uit hun arsenaal van instrumenten halen.
Het concert in de Handelsbeurs was meteen ook hun eerste op Belgische bodem. Dat dit echter niet zonder problemen zou verlopen, werd al meteen duidelijk toen de groep door fileperikelen later dan voorzien in Gent arriveerde en de set ingekort diende te worden. Maar dit euvel belette niet om op basis van slechts vijf nummer meteen het aanwezige publiek in te pakken en hen aan het dansen te krijgen. Op de tonen van de weliswaar vaak érg foute maar zo aanstekelijke nummers als onder meer “Hänt” en “Sponsored By Destiny” (beiden uit hun vorig jaar verschenen album ‘Boss For Leader’) leefde het publiek zich uit, terwijl ondertussen het jonge vijftal (waar het zesde groepslid gebleven was, is ons een raadsel) opgesteld achter hun, op enkele tafels geplaatste elektronische apparatuur druk in de weer was om aan de knoppen te draaien, flesjes bier te ontkurken en snoepgoed het publiek in te slingeren. Veel te vroeg naar de zin van het publiek en van de groep zelf, werd een einde gemaakt aan de miniparty om plaats te maken voor hun Noorse collega Erlend Øye en zijn groep The Whitest Boy Alive. Wat ons betreft, mogen zij hun oefening deze zomer nog eens komen overdoen op een zomerfestival. Programmeer deze in de Dance Hall of in de Boiler van Pukkelpop en pret en dansplezier gegarandeerd!

De vraag was of The Whitest Boy Alive het dansfeestje verder zou zetten of zich toch eerder zou houden aan de typerende stijl van hun enige album tot nu toe (‘Dreams’ uit 2006), zijnde een warme, vaak ingetogen sound met een mix van rock, pop en subtiele elektronica.

Snel werd duidelijk dat qua tempo de set opbouwend was samengesteld. Het concert begon namelijk rustig door middel van enkele nieuwe nummers afgewisseld met reeds bekend werk als “Golden Case”. The Whitest Boy Alive gaf daarbij impliciet mee dat de nummers van het later dit jaar te verschijnen tweede album, qua groepsgeluid in het verlengde zullen liggen van het debuut, getuige onder meer “Gravity” en “Intentions”.
Telkens zweefde de zo typerende zachte, melancholisch aandoende stem van Erlend Øye mooi over de afgemeten muzikale begeleiding van de Fender Rhodes en de Crumar synthesizer bespeeld door Daniel Nentwig, de sobere basgeluiden van Marcin Öz en het geconcentreerde drumwerk van Sebastian Maschat.
Pas met “Fireworks” werd er wat meer vaart in de set gestoken en dit op uitdrukkelijke vraag van Erlend zelf die het idee had dat zij nog nooit zoveel rustige nummers na elkaar hadden gespeeld. Meteen de aanleiding voor de zanger/gitarist om aan te tonen dat hij niet de nerd is waar velen hem voor aanzien en om zijn verborgen entertainerkwaliteiten ten toon te spreiden. Erlend zweepte het publiek op, vroeg aan de lichtman de zaal in duisternis te hullen en dreef aldus de spanning op. Ook Daniel Nentwig liet zich niet onbetuigd en kantelde zijn Crumar synthesizer richting publiek om het nummer aldus van een spetterend einde te voorzien. Na “Above You” begon hij zelfs wat te tafeltennissen en te frisbeeën.
Meteen de start van een gedaantewisseling van de groep want het publiek kreeg een pompende cover van “Show Me Love” (Robin S) dat vakkundig verweven werd met “Gypsy Woman (She’s Homeless)” (Crystal Waters). Over de geslaagdheid ervan kan getwijfeld worden (de stem van Erlend kwam wat zwakjes over om weerstand te bieden tegen de drumpartij en de beats) maar de impact op het aanwezige publiek was treffend. Onder luid applaus en gejuich werd er al snel massaal een dansje geplaatst, zeker toen de publiekslieveling, het onvermijdelijke “Burning”, niet alleen op plaat maar ook live het meest swingende eigen nummer, werd ingezet.
Als toegift kregen we uiteindelijk nog een mooi, vertederende “Don’t Give Up” waarbij een duozang met bassist Marcin Öz werd aangegaan, terwijl een cover van “Music Sounds Better With You” (Stardust) en een stukje “Move Your Body” (Marshall Jefferson) de definitieve afsluiters van dienst waren. Daarbij werden nog eens alle remmen los gegooid zowel op (Erlend bespeelde - wijselijk zonder zijn reusachtige bril - de cimbalen met zijn voorhoofd) als voor het podium. Enkele meisjes begaven zich almaar dichter richting de groep in een ultiem verlangen de aandacht te trekken van Erlend. Dit was ook hem niet ontgaan en hij trok resoluut een jonge deerne het podium op om zich met haar aan een dansje te wagen. Het gaf meteen aanleiding tot hilarische taferelen, zeker omdat de stijl die Erlend daarbij via zijn molenwiekende armen aan de dag legde, letterlijk en figuurlijk alle kanten uitging. Het wérkte want het publiek ging nog meer door het lint en trakteerde de groep op een uitbundig applaus.
Meteen bleek ook dat het ietwat sullige voorkomen van Erlend Øye slechts een façade is en geheel niet strookt met zijn geaardheid. Hij weet verdomd goed hoe hij de fans voor zich moet winnen en welk effect hij heeft op vrouwelijk schoon.
En om het bij het muzikale te houden, ook de nummers van The Whitest Boy Alive klinken op het eerste gehoor misschien wat eenvoudig en onsensationeel maar verraderlijk als ze zijn, blijven ze toch snel hangen en onbewust gaat men er gedwee bij neuriën. Dit was nu niet anders. Ook al vonden we hun passage op Pukkelpop vorig jaar straffer en strakker, afgelopen vrijdag was het opnieuw genieten geblazen.

De groepsleden bleken achteraf zelf niet onverdeeld positief te zijn over hun prestatie. Eén geldig excuus konden ze alleszins inroepen. Een drietal weken geleden brak Erlend Øye namelijk zijn arm en kreeg hij doktersverbod om een instrument te bespelen. Het was dus überhaupt een prestatie dat The Whitest Boy Alive een leuk concert kon geven, laat staan dat de tournee wordt afgewerkt.
De avond nadien, 17 mei, trad de groep op in de Muziekodroom te Hasselt en op 17 juli zijn ze ook nog  te zien en te horen op het Dour Festival.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

Loney, dear

Les Nuits Bota 2008: Loney, dear, Kris Dane en Elvy

Geschreven door

Een te koesteren muzikaal geheim is het Zweedse Loney, dear, onder Emil Svanängen en Jens Lekman. Stijl: melancholische, dromerige, sfeervolle romantische indiepop met een gevoelig breekbare ondertoon. Loney, dear herbergt de ‘60’s pop van The Beach Boys, Belle & Sebastian, Arcade Fire en Sufjan Stevens. Ontroerend, teder, aangenaam en ontstressend!
Twee platen hebben ze tot nu toe uit; ze braken door vorig jaar met ‘Loney: noir’, maar in 2004 verscheen al ‘Sologne’.

Loney, dear komt maar al te graag afgezakt naar de Bota. Vorig jaar tijdens Les Nuits Bota hadden ze er een mooie herinnering aan. Hun toffe indruk was de drijfveer. Live verschenen ze als kwintet
Het vriendelijke, enthousiaste gezelschap hield het publiek een kleine twee uur lang in hun greep. Ze speelden een overtuigend, subtiel verfijnd concert, waarbij we langzaam konden wegdromen, aangenaam genieten en heupwiegen; de frisse, sprankelende toetsen, de lichte elektronicabombast, de zalvende, opzwepende percussie en de prachtige samenzang boden kwalitatieve schoonheid van de opbouwende, aanzwellende songs.
Ze putten rijkelijk uit de recentste plaat en lieten nummers vakkundig in elkaar overgaan als “No one can win” en “I will call you lover again”; we hoorden gejaagde, krachtiger versies van I am John” en “Hard days”, hun favoriet. “Sinister in a state of hope”, “Take it back”, “Saturday waits” en “The meters marks ok” klonken intiem, teder en waren de  kippenvelmomenten van de set.
Ze trakteerden op een uitgebreide bis en klonken steviger, zonder dat de fijne, subtiele melodielijn en de gevoelige snaar verloren gingen. “Carrying a stone” was een in te lijsten song en een schitterende apotheose.
De band werd op handen gedragen. Een terechte waardering trouwens.

Lionel Vanhaute, als Elvy, uit Namen, opende de sfeervolle avond. Hij brengt in september z’n eerste cd uit en zal met hulp van leden van Flexo Lyndo op tournee trekken.
Songs ontdaan van enige franjes en enkel bepaald door een akoestische gitaar, lappen tekst en een warme zang, zorgden voor een ingetogen tof concertje. Hij voegde er nog een nummer van Lauryn Hill aan toe en deed denken aan Jose Gonzales.

Kris Dane & The Bannes putten uit heel wat grootse artiesten van de vaudeville als Waits, Gallon Drunk en Wovenhand. Ze linken het moeiteloos aan Admiral Freebee, Cave, Lloyd Cole en een jonge Cash en Dylan. De band brengt broeierige, doorleefde en zompige rootsrock en americana, onder Dane’s doorleefde stem. De songs hadden een intense spanning en avontuur.
Een band die heel wat in petto had en uitstraling had door sfeerscheppingen. In de laatste songs, “To the belfry”, “Private Lee” en “The damage done” hoorden we een uniek geheel van een grauwe Cold War Kids meets The Waterboys.
Ze gaan een mooie toekomst tegemoet. Na de cd ‘Songs of crime & passion’ verschijnt binnenkort ‘Rise down of the black stallion’. We zijn gewaarschuwd!

Organisatie: Botanique, Brussel ikv Les Nuits Bota 2008

Shawn Smith

De prachtstem van Shawn Smith

Geschreven door

Een vrij magere opkomst in Gent voor de zwaar onderschatte Shawn Smith. De man is alhier nauwelijks gekend onder zijn eigen naam. Misschien dat bands als Satchel, Brad en Pigeonhead wel ergens een lichtje doen branden, bands waar al eens de gitaren mogen loeien, maar dit concert was van een heel ander allooi.

De organisatie in de Handelsbeurs wist wel raad met het weinig talrijke publiek en had met behulp van wat theelichtjes, een rookmachine en romantische opzet van enkele stoelen en tafeltjes de zaal omgetoverd tot iets wat leek op een jazzclub uit de fifties, een geslaagde onderneming.
Smith zelf zorgde van achter zijn vleugelpiano voor de intimiteit met een hele mooie ingetogen set. Als je de man aanschouwt - hij ziet uit als een zware rapper-  zou je niet meteen gaan verwachten dat hij de meest breekbare liedjes uit zijn mouw schudt. Smith speelt aardig piano en een zeldzame keer gitaar maar het absoluut meesterlijke instrument is die fantastische stem, mooi, warm, barstend van de soul en vooral uniek. Een stem die in deze naakte set nog veel meer tot zijn recht kwam dan op diens platen.
Smith ging van start met een Brad klassieker, het adembenemende “The day brings”, een song die hij later in de set nog eens op een fijne manier zou verweven in een verbluffende versie van “Purple rain”. Wij weten het, die Prince song is al platgecoverd, maar wat Shawn Smith er mee deed was meer dan geweldig. Smith speelde een mooie greep uit zijn solo platen, afgewisseld met enkele Brad- en Satchel songs. Wij waren vooral verheugd met de vier songs die hij haalde uit ‘The Family’ van Satchel, één van ons aller favoriete platen ooit.
“Isn’t that right”, “Not too late” en “Time of the year” waren absolute pareltjes. Eén keertje maar nam hij de gitaar ter hand om er gewoonweg een schitterende bluesversie van de Mother Love Bone klassieker “Chrown of thorns” mee te spelen, ronduit prachtig. Jammer dat Smith maar één song op de gitaar speelde want op deze manier hadden er voor ons best zo nog een paar fabuleuze momenten mogen bijkomen.

Omdat de ganse set zo adembenemend was kwam er al veel te vlug een einde aan. Het was te snel voorbij, maar het staat geboekstaafd als een wondermooi concert.

Organisatie: handelsbeurs, Gent

CocoRosie

Les Nuits Bota 2008: Cocorosie & Mons Orchestra en Quinn Walker

Geschreven door

Welkom in de wondere, muzikale magische sprookjes-/droomwereld van het kunstminnende en cabaresque CocoRosie, uit New York, onder de zusjes Casady; het is en blijft iets uniek om te zien en te horen. Ze brengen een kleurenpalet van knusse, iets-niet-van-deze-wereld muziek. Hun freefolk/elektronica zette alvast een heuse beweging op gang met artiesten als Devandra Banhart, Antony (& The Johnsons), Psapp, Tunng, Yeasayer, Bunny Rabbit en de huidige support Quinn Walker.

CocoRosie ging in zee met het orkest van het Belgische Mons Orchestra; een gewaagde onderneming, waarbij de zalvende inbreng van strijkers, blazers, allerhande fluiten en trom/percussie een breder geluid gaven en het origineel avontuurlijke geluid van schrapende elektronica, piano, harp en beatbox, naast de twee aparte stemmen van de zusjes, ondersteunden. Het refereerde aan wat Ryan Adams en Sigur Ros (met Amina) al hebben uitgevoerd.
En toch, na het concert zat ik met het gevoel dat het Mons Orchestra er niet sterk genoeg uitkwam, door het feit dat ze dikwijls (bewust of niet) in een ondergeschikte rol werden geduwd en CocoRosie eenvoudigweg CocoRosie bleef.
Op die klankenwereld toonden ze kleurrijke projecties, familieportretten en zwart-wit fragmenten uit de jaren ’30 films.
Het Mons Orchestra leidde “Bloody twins” in, vocaal gedragen door de klassiek geschoolde operastem van Sierra. Bianca op haar beurt schitterende met haar rauwe, kreunende zegzang op “Beautiful boyz”.
De stemcontrasten van de zusjes, het beatboxen van Tez (= raps, grooves en scratches) hadden meteen een glansrol op “Good friday”, “K-Hole” en “Promise”. Toen Tez af en toe vaart bracht en kracht bijzette, werd hij de lieveling. Het publiek reageerde laaiend enthousiast! Hij tilde de songs, al of niet orkestraal begeleid, naar een hoger niveau, zoals het smachtende “Turn me on”. Iedereen was sterk onder de indruk toen hij een kleine vijf minuten solo zijn ding uitvoerde.
Als band trad CocoRosie in het midden van de set op het voorplan met vernuftig in elkaar verweven versies van “Black poppies”, “Werewolf”, “Animals” en “Rainbowwarriors”. Het Mons Orchestra trad vakkundig bij. Op het dromerige “God has a voice” nam de percussie van het ensemble een prominente rol in. Het nieuwe “Happy eyes” was er eentje met hitpotentie en was de aanzet naar het groovy, dansbare “Japan”, de frisse, speelse song bij uitstek met ‘Wizard Of Oz’/ Familie Trapp’ wortels; samen met de andere artiesten, bouwde CocoRosie een feestje. Sierra, in een vroeger verleden cabaretdanseres, dartelde als een jong veulen en voerde een soort regendans uit op het podium; de vaste afsluiter na anderhalf uur!
Tweemaal kwam CocoRosie terug: eerst met een geïmproviseerde kampvuurversie van “South second” en dan een sentimenteel intieme “By your side”, bepaald door de stemmenpracht van de zusjes. Eindigen in schoonheid, noemen ze zoiets…!

CocoRosie stond garant voor avontuur, durf en subtiliteit.

Support was Quinn Walker. De flower-power beweging van eind de jaren ’60 was nog niet was vergeten bij deze neo-hippie, die deel uitmaakte van het CocoRosie concept. Hij speelde psychedelische folkpop op gitaar en elektronica, en creëerde een galmend geluid door pedaaleffects en bleeps. Hij paste een vooraf opgenomen zang in op z’n hoog uithalende soms vervormde stem. Ergens tussen ‘60’s Rocky Erickson, Spiritualized, Animal Collective en Yeasayer te situeren.

Organisatie: Botanique Brussel ikv Les Nuits Bota 2008

Yeasayer

All Hour Cymbals

Geschreven door

Yeasayer is een collectief uit Brooklyn, New York en heeft met ‘All Hour Cymbals’ een interessant debuut uit, die een pak stijlen integreert: indierock, psychedelica, pop, folk, gospel,afro en een vleugje Indische world. Deze beloftevolle band, onder geluidskunstenaar Chris Keating, dompelt ons onder in een wonderbaarlijke trance. Een zweverig, freaky geluid, dat lichtvoetig en rustgevend kan zijn, maar ook bevreemdend, onheilspellend als apocalyptisch. Moeiteloos slaagt de band erin deze sfeertjes in elkaar laten overgaan. Avontuurlijk, smachtend onder die zalvende groepsvocals/zegzang. Een plaat die per beluistering wint aan zeggingskracht. De groep leunt nauw aan bij een TV On The Radio en Animal Collective. “Sunrise”, “Wait for the summer”, “2080”, “Forgiveness” en het afsluitende “Worms/waves” zijn opvallende songs op dit debuut. Maar overtuigend is “Wait for the wintertime”. We mogen even de dagdagelijkse realiteit vergeten door Yeasayer …

Hercules & The Love Affair

Hercules & The Love Affair

Geschreven door

Hercules & The Love Affair is het muzikale project van producer Andy Butler. De band is vernoemd naar een liefdesgeschiedenis uit één van de vele Griekse mythes. De godinnen Athene en Iris vinden we op de cd al terug als songs. Hercules was de sterkste man ter wereld, maar kwetsbaar in de liefde.
James Murphy van LCD Soundsystem tekende de band voor z’n label.
Butler zorgt op dit debuut voor frisse melodieën, een fijne groove en ritmes, gelinkt aan disco, ‘80’s electro en een vleugje jazz. De ganse danscollectie van toen wordt overhoop gehaald.
Partner in crime is Antony Hegarty (van Antony & The Johnsons), die met z’n warme, donkere, melancholische stem enkele songs een gepaste vorm geeft. Luister maar naar opener “Time will”, “Easy”, “Raise me up” en de opmerkelijke single “Blind”, meteen het sterkste nummer. De zangeressen Kim Ann Foxman en Nomi (uit de kunstwereld in en rond CocoRosie) leveren gastbijdrages op “You belong” (samen met Antony), “Athene”, “Iris”, en het afsluitende “True false/fake real”. Goede plaat zondermeer!

Pagina 477 van 498