AB, Brussel programmatie + infootjes

AB, Brussel programmatie + infootjes Concerten 01-04-26 – Kofi Stone 01-04-26 – Klaas Delrue 50 01-04-26 - Nightlab 03-04 t-m 06-04-26 – BRDCST 2026 – jaarlijkse hoogmis voor muzikale avonturiers (curatoren: Keeley Forsyth, Ichiko Aoba, Stephen O’Malley)…

logo_musiczine_nl

Democrazy Gent - events

Democrazy Gent - events Concerten Big next: Leather.Head, Rimov Rimov, Trefpunt, Gent op 1 april 2026 Dressed like boys, Frans Kalk, Ha Concerts, Gent op 2 april 2026 Luna, Line, Club Wintercircus, Gent op 2 april 2026 Wild style: a night w/ Grandmaster Caz,…

Zoek artikels

Volg ons !

Facebook Instagram Myspace Myspace

best navigatie

concours_200_nl

Inloggen

Onze partners

Onze partners

Laatste concert - festival

Suede 12-03-26
Stereolab

Jane Birkin

Jane Birkin ‘Serge Gainsbourg & Jane via Japan’ - Duet met valse noten

Geschreven door

Jane Birkin was bang dat er niet veel volk zou komen opdagen voor haar debuut in Gent, omdat niemand haar had herkend toen ze die dag ging wandelen in de stad. Dat bleek goed mee te vallen in een aardig gevulde Handelbeurs, al verdenken we niet iedereen ervan specifiek voor de muziek te zijn gekomen. Jane Birkin is vooral een icoon van de roaring sixties, in haar jonge jaren bloedmooi stijlicoon die de controverse niet schuwde, moeder van o.a. Lars von Trier-lieveling Charlotte, en vooral muze van het muzikale genie Serge Gainsbourg. De actrice en zangeres, 65 ondertussen, is vandaag vooral een graag gezien gast op de Franse tv, verdedigster van humanitaire zaken en goede doelen, en vooral gepassioneerd  ambassadrice van de geest en muziek van Serge Gainsbourg, die overleed in 1991. Sinds zijn dood houdt Jane Birkin de muziek van Gainsbourg levendig door regelmatig met zijn muziek de wereld rond te trekken.

De tournee die haar naar Gent bracht, getiteld Serge Gainsbourg & Jane via Japan, lijkt een reprise van de in 2002 uitgebracht ‘Arabesque’, waarmee ze een selectie van Serge’s songs in een Oosters jasje stak. De aanleiding van de 40ste verjaardag van de conceptplaat ‘Melody Nelson’ en een bezoek aan het door Fukushima getroffen Japan, bracht haar op het idee om een concertreeks te organiseren met louter Japanse muzikanten.

Vanaf de eerste noten van “Requiem pour un con “ werd het duidelijk dat de Japanse omkadering niet letterlijk te nemen was: vier Japanse muzikanten – die gedurende een intermezzo hun volledige kunnen konden laten zien aan het publiek – waaronder een violiste, drummer, pianist en trompettist zorgden voor een soms jazzy, soms reaggae, of volledig naakte omkadering van Gainsbourgs’ songs. Het moet gezegd, mocht Jane meedingen naar de titel van The Voice van Vlaanderen, de kans is erg klein dat er ook maar één stoel wordt omgedraaid; maar wie naar Jane Birkin gaat kijken weet dat de charme net ligt in de imperfectie van haar stem en moet zich vooral niet ergeren aan valse noten.
Het is dan ook in de volledig gestripte versies van Gainsbourg’s nummers dan Jane zich het beste staande hout, zoals in “En rire de peur d’être obligée d’en pleurer”, “Chanson de Prévert”, waar ze enkel wordt begeleid door piano, of nog “La Ballade de Johnny Jane” uit de film ‘Je t’aime moi non plus’ (waarbij Jane liet weten dat het refrein uit de titelsong “je vais et je viens, entre tes reins” door de Engelsen vertaald was als “I come and go between your kidneys”). 
Op de setlist kan steevast het prachtige “Amour des Feintes” niet ontbreken, haar lievelingsnummer van het gelijknamige album dat Serge Gainsbourg voor haar schreef een jaar voor zijn dood. De teksten van dit nummer lijken dan ook rechtstreeks te verwijzen naar hun ‘destructieve’ relatie: de nos vingt ans, ne restent que les teintes d’antan, qui peut être et avoir été, je pose la question, peut-être étais-je destinée, a rêver d’évasion.
Een grappige verrassing waren de bijna perfect uitgevoerde ‘Shebam! Pow! Blop! Wizz’s’ uit het nummer “Comic Strip”, uitgevoerd door de Japanse violiste en oorspronkelijk vertolkt door Brigitte Bardot. Daaraan voegde Jane toe dat het haar zelf nooit was gelukt om die kreten enigszins overtuigend voort te brengen, laat staan Brigitte Bardot…  Dat Gainsbourg een echte woordkunstenaar was bleek uit Birkin’s vertolking van “Baby Alone in Babylone” en “Haine pour Aime”.

Een echte hoogtepunt was er niet en het was vooral aan de muzikanten en het charisma van Jane Birkin te danken dat het optreden voor de toeschouwer de moeite waard was (Jane klom zelfs even van het podium om doorheen het publiek te dansen). Alleen jammer dat ze steeds dezelfde songs van Gainsbourg bewerkt, wij hadden graag eens iets gehoord uit ‘Love Beat’, zoals “Sorry Angel” (in 2006 nog gecovered door Franz Ferdinand). Maar wellicht zal Jane daar wel haar redenen voor hebben.

Organisatie: Handelsbeurs, Gent

Brian Olive

Brian Olive - Bescheiden klasse

Geschreven door

Brian Olive (Cicinnati, Ohio) speelde in de oerversie van het garagecombo The Greenhornes maar raakte vooral daarna bekend onder de schuilnaam Oliver Henry als saxofonist/gitarist van de Soledad Brothers, die in het begin van deze eeuw de blues opnieuw acceptabel lieten klinken. Na het verscheiden van die band probeert hij het sinds enkele jaren alleen wat vorig jaar resulteerde in de uitmuntende plaat ‘Two of everything’ (uit op Alive Records) waarvoor Black Key, Dan Auerbach, mee instond voor de productie. Nadat in datzelfde jaar een reünie-tour van de Soledad Brothers werd afgeblazen stak hij nu voor het eerst met zijn bloedeigen groep de oceaan over en mochten we in de Trix hun Europese première meemaken.

Maar eerst werden we aardig opgewarmd door de Charlie Jones Big Band uit Sint Niklaas, die ondanks hun naam slechts uit vier leden bestond. Het is crisis voor iedereen. Zanger Jan Verstraeten, getooid met een vervaarlijk ogend kapsel, beschikt over een imponerende strot en bleek een geboren frontman. De band zette een stevige sound neer maar had op iets te veel paarden gewed. Zo werden we voortdurend van de ene naar de andere stijl gekatapulteerd (soms zelfs in één nummer). Van cabareteske sferen naar onversneden pop, om dan weer rammelende rock te brengen waarna Verstraeten zich ging neerzetten aan een Waitsiaanse piano. Maar eigenlijk hoef ik daarover niet echt te kniezen : zo kreeg de eentonigheid alvast geen kans en wie een song enkel begeleid door een primitieve duimpiano, hand claps en finger snaps tot een goed einde weet te brengen verdient veel krediet. Groot zullen ze er niet mee worden maar de talrijk meegereisde fans amuseerden zich waarschijnlijk rot.

Brian Olive, die op ‘Two of everything’ haast alle instrumenten zelf voor zijn rekening neemt, had een vierkoppige begeleidingsband (bas, drums, toetsen en vrouwelijke backing vocals) meegebracht. De groep had vooraf reeds kennis gemaakt met het ruime assortiment Belgische bieren wat resulteerde in een zich wat onhandig uitdrukkende Brian Olive en een voortdurend lachend zangeresje (of had ik iets gemist?). Gelukkig had dit geen invloed op de muziek en kregen we in een relaxte sfeer vooral nummers uit die laatste plaat, aangevuld met enkele songs uit zijn debuut. Bijzonder mooi afgewerkte pop met een licht psychedelische toets die de sixties liet herleven. Alles stond in het teken van de songs met opmerkelijk veel aandacht voor de stemmen. Brian Olive, nochtans een meer dan begenadigd muzikant, liet zich slechts zeer sporadisch verleiden om zijn sax of gitaar eens solo te laten schitteren. Deze muziek liet zich moeilijk plaatsen, misschien enigszins te vergelijken met wat een Kelley Stoltz zo'n tien jaar geleden bracht. Op het einde klungelde Olive alweer (het maakte hem des te sympathieker) : "ik heb nog twee songs voor jullie, euh, eigenlijk maar één." Waarna de groep na één nummer het podium verliet om na lang overleggen toch terug te komen ("we kennen er toch nog één") en zo het prijsnummer van "Two of everything", "Strange attracter" op ons los te laten! Spectaculair was het niet maar achter die bescheiden ambachtelijkheid schuilde toch grote klasse.

Organisatie: Heartbreaktunes (ism Trix)

Spinvis

Spinvis - Doe mij maar een retourtje planeet Spinvis

Geschreven door

We verdenken Erik de Jong aka Spinvis ervan een stille bewondering te koesteren voor René Magritte. ‘Ceci n’est pas une pipe’: niets is wat het lijkt in de bovenkamer van de Jong. De wat excentrieke Nederlander debuteerde op z’n 40ste met de klassieke single “Voor Ik Vergeet”, en sindsdien is hij langzaam maar zeker uitgegroeid tot een waar begrip in de Lage Landen en prijken zijn albums steevast op elk zichzelf respecterend eindejaarslijstje.
Vanuit Het Vaticaan, de studio onder diens huis in het onooglijke Nieuwegein, voorziet de Jong zijn surrealistische woordkunst van de passende soundtrack. De zonderlinge krullebol sleutelde er maandenlang aan zijn derde studio album ‘Tot Ziens, Justine Keller’ dat eind vorig jaar eindelijk het levenslicht zag. Met het radiosucces van de vooruitgeschoven single “Oostende” en een stekje in de Radio 1 - Sessie van Gorki ziet Spinvis zijn aanhang in Vlaanderen tegenwoordig alleen nog maar toenemen. We hebben de Jong de voorbije jaren in totaal verschillende gedaanten aan het werk gezien, de ene keer als ongekroonde koning van de experimentele lo-fi omringd door een paar dozijn toeters, bellen en andere geluidseffecten, de andere keer enkel gewapend met een dichtbundel op een literaire avond. Maar toch, het was best wel even wennen om afgelopen woensdagavond in cc De Spil in Roeselare nu ook kennis te maken met Spinvis als volbloed rockgroep.

Anders dan een ‘reguliere’ band kiest de Jong gewoontegetrouw voor een averechtse opener. Celliste Saartje Van Camp werd als voorwacht het podium opgestuurd; haar engelengezang werd langzaam maar zeker overstemd door een kakafonische geluidsbrij toen de Jong en zijn andere kompanen zich in extremis nog even aan een laatste soundcheck waagden. Uit de chaos doemden heel voorzichtig de eerste noten van “De Grote Zon” op, een eerder intimistisch liedje over de immense snelheid waarmee het leven aan iedereen lijkt voorbij te flitsen, maar toch wat verrassend een behoorlijk stevige versie meekreeg. Veel tijd om te mijmeren kreeg het publiek verder niet, want met “Heel Goed Nieuws” en het oudje “Astronaut” schroefden de Jong & co gestaag het tempo en de decibels omhoog. Deze Spinvis On Speed ging duidelijk voor intensiteit en volume, en had minder oog voor de subtiele effectjes waar elk Spinvis album bol van staat. Net daardoor werd “We Vieren Het Toch”, met voorsprong het meest indringende nummer uit het jongste album, op de planken van cc De Spil gedegradeerd tot een eerder doordeweeks nummer.
Voor iemand die niet bepaald bekend staat als een veelprater waren de bindteksten van de Jong best wel onderhoudend. Ter inleiding van “Overvecht” mocht het publiek even binnengluren in de jeugdjaren van de Jong en de tijd dat steriele appartementsblokken als paddestoelen uit de grond schoten; “Koning Alcohol” werd dan weer subliem opgedragen aan het ontvrienden van de fles als beste kompaan. In het afsluitende “Kom Terug” gaf de Jong het publiek tenslotte nog een eigengereide levensles mee: “Reis ver, drink wijn, denk na, lach hard, duik diep, kom terug”.

Niet dat de Jong en zijn gevolg tot dan toe bepaald zuinig waren geweest op hoogtepunten, toch slaagde de groep er pas tijdens de bisronde in om ons echt bij het nekvel te pakken. In De Laatste Show was al eerder te zien hoe “Twee Meisjes” van Raymond en “Bagagedrager” vakkundig in elkaar werden gedraaid door Spinvis. Een sterk staaltje live mashup van twee moderne kleinkunst klassiekers die elkaar op het eerste zicht weinig te vertellen hebben, maar in de handen van de Jong spontaan samensmelten tot één lange melancholische trip.
Dagdromen is zo een andere hobby van Spinvis. Over de gruwelijke actualiteit van alledag heeft hij liever geen mening, de Jong zondert zich af maar sluit zich niet af in het speelse “Ik Wil Alleen Maar Zwemmen”. Zwaarmoedigheid krijgt dus zelden een kans in de bovenkamer van de Jong, wel integendeel. Helemaal op ‘t eind disselde hij een anekdotisch kortverhaal op over de bij onze noorderburen erg populaire roze koeken en hing er vervolgens moeiteloos “Wespen Op De Appeltaart” als slotakkoord aan op.

De koek was toen weliswaar volledig op, maar het gezellige gekeuvel achteraf in de bar met toetsenist Lucas Oldeman was een kruimeltje die ondergetekende niet kon laten liggen. We zijn niet te weten gekomen wie die Justine Keller nu precies is, maar wensen haar toch maar een behouden vaart voor dat retourtje planeet Spinvis.

“Alvoren de grote mensen aan het woord te laten mogen wij u komen entertainen”, aldus opwarmer van dienst Senne Guns. Eindelijk een jonge gast die zijn plaats kent, zou je dan denken, maar de overdreven nederigheid, flauwe woordspelingen en dito rijmelarij maakten dat zijn set al vlug ging vervelen. De verwachtingen waren nochtans redelijk hoog gespannen. Guns wist vorig jaar een kleine hype in kleinkunstland op zijn naam te schrijven met het innemende “De Goudvis”, en werd net niet doodgeknuffeld door Raymond in zijn Radio 1 Sessie For Life afgelopen december. Echter, het ontbreekt Guns aan een eigen muzikale identiteit om momenteel enige potten te breken. We verwijzen hem graag terug naar een duister zolderkamertje om nog wat verder aan dat beloftevol kleinkunstsmoel te werken.

Organisatie: CC De Spil, Roeselare

Dropkick Murphys

Dropkick Murphys - Genekt door barslechte akoestiek

Geschreven door

Aan hun gedrevenheid zal het zeker niet gelegen hebben, maar Dropkick Murphys worstelden gans de avond lang met een danig slecht geluid dat ze uiteindelijk het verdict verloren tegen de meedogenloze bunker Vorst Nationaal.

Vooral de beginfase ging bijna helemaal de mist in. De folkinstrumenten en dan vooral de doedelzak, toch wel het stokpaardje van de Murphy’s, waren nauwelijks hoorbaar waardoor wij constant een bulldozerdreun hoorden waarin de eerste songs moeilijk van elkaar te onderscheiden waren. Het helse tempo en de volle goesting van de groepsleden maakten echter veel goed. Het publiek ging ondanks de barre geluidskwaliteit gewillig uit de bol, zong luidkeels de hymnes van de Murphys mee en bouwde er zo alsnog een wild feestje van, alsof er niets aan de hand was. De fans morden met name niet om het slechte geluid, ze hadden zichzelf al het nodige vocht toegediend en waren vast bereid er een heuse party van te maken. Vorst mocht dan misschien maar half gevuld zijn, de bieromzet bedroeg gegarandeerd vier keer zoveel als op een uitverkocht concert van pakweg Elbow of Coldplay.
Iets verder in de set kwam er dan toch wat beterschap in de sound, hoewel het nooit helemaal goed kwam, en genoten we van venijnige folkpunkers als “Deeds not words” en “Going out in style”, twee krakers uit die nieuwe energieke plaat ‘Going out in style’. Ook “Johnny, I hardly knew ya” viel ons op, maar dan vooral omdat wij wel zeer nadrukkelijk moesten denken aan “English civil war” van The Clash.
Een akoestisch intermezzo van een viertal songs was enerzijds een verademing omdat het ons tijdelijk verloste van de dreun (we hoorden zowaar eens de instrumenten zoals ze zouden moeten klinken), maar anderzijds haalde het ook wat de vaart uit het optreden, en vaart is nu net datgene waar het om draait bij Dropkick Murphys. Maar goed, dat tussendoortje was ook weer een geldige reden voor de fans om extra potten bier te halen, ook niet onbelangrijk.
Daarna werd terug onbezonnen doorgeramd, met ondermeer een opzwepend “The auld triangle”, een razend “Barroom hero” en een hitsig “Irish Rover” die we ook kennen van The Pogues, een laat ons zeggen verwante groep, maar dan met wat meer authenticiteit en wat minder punkrock, doch evenveel drankgenoegen.
Publiekslieveling “Shipping up to Boston” als finale mocht wat ons betreft het definitieve einde zijn, want de rommelige bisronde die daarna kwam, met een hoop volk op het podium en een inspiratieloze bewerking van AC/DC’s ‘TNT’, was op zijn zachtst uitgedrukt nogal overbodig.

Een wild feestje dus, alleen doodjammer van de erbarmelijke sound. Hoe graag hadden we dit niet in de AB gezien ?
Herkansing op één of ander zomerfestival, zouden wij zo zeggen.

Organisatie: Live Nation

The Black Keys

The Black Keys - Rauw en catchy as hell

Geschreven door

Hun concert van daags voordien in de Lotto Arena was al weken op voorhand uitverkocht, maar in Frankrijk loopt het blijkbaar nog niet zo storm voor The Black Keys, de Zénith was bijlange niet tot de nok gevuld. De Fransen komen altijd een beetje achter, maar het enthousiasme in de zaal was van een ongeziene intensiteit.

Van The Black Keys kan je op zijn minst zeggen dat ze geëvolueerd zijn. De eerst drie platen waren gedrenkt in rauwe en ongeschoren blues, in het latere werk kwam er een pak soul bij samen met een assortiment catchy grooves en hooks. Het kersverse ‘El Camino’ is wat dat betreft een voltreffer geworden, de plaat gonst en briest dat de stukken er af vliegen en de songs zijn ‘catchy as hell’. Minder soul dan op zijn al even fantastische voorganger ‘Brothers’, maar des te meer spuitende energie.
Op het podium zijn The Black Keys met een extra bassist en keyboardspeler uitgebreid tot een viertal, de songs uit ‘Brothers’ en ‘El camino’ vragen daar ook om. Maar als na een zestal puntige songs de ritmesectie even koffie mocht gaan drinken, barstten Auerbach en Carney pas echt los in de meest vunzige en smerige bluesrock aan deze kant van de planeet. Het wilde intermezzo met zijn tweetjes werd gevuld met “Thickfreakness”, “Girl is on my mind”, “I’l  be your man” en “Your touch”,  rauwe lappen blues uit hun eerste vier albums. Een werkelijk splijtende eruptie die, nu The White Stripes er de brui aan hebben gegeven, we niemand hen zien nadien.
“Little blak submarines”, de meest fantastische song van ‘El Camino’, hadden ze live nog maar amper gespeeld, maar ‘t was er niet aan te merken, al onze haren kwamen recht van opwinding.

Hebben ze ook duidelijk gemaakt : Een uitmuntend “Sister”, de uiterst vinnige nieuwe single uit ‘El Camino’ zal in korte termijn ongetwijfeld het statuut van klassieker mee krijgen en komende zomer volledige festivalweides in vuur en vlam zetten (als de Schuer deze band niet op zijn affiche zet dit jaar, dan is hij een ongelooflijk kieken). Natuurlijk hadden de Zwarte Sleutels prijsbeesten als “Tighten Up” (lichtjes fantastisch) en “Lonely Boy” (de zaal op zijn kop) als toetje tot op het einde gespaard, maar wie dacht dat het hiermee jammerlijk zou gedaan zijn, kreeg nog een aangename verrassing met een bisronde waar geen enkel vuurwerk tegen op kon. Met een hoog Jagger stemmetje en in de rug geflankeerd door een gigantische disco bal, bracht Auerbach “Everlasting love” tot onbereikbare hoogtes om daarna volledig te ontploffen met “She’s long gone” en met wat ons betreft het absolute hoogtepunt “I got mine”, de genadestoot waarin ze, alweer met zijn tweetjes, alle resterende razernij kwijt konden.

De evolutie die te merken is op hun platen weerspiegelt zich duidelijke in de live set. Van ronkende en ruige bluessongs tot uiterst explosieve potente hitgevoelige nummers, met een ongekende rauwheid die steeds behouden blijft, en met in de hoofdrol het ophitsende drumgeroffel van Patrick Carney en de vuile, scheurende en splijtende gitaar van Dan Auerbach.
Natuurlijk was dit het beste concert dat we dit jaar al gezien hebben, we hebben er nog maar eentje meegemaakt, maar dit zou wel eens tot in december kunnen op het hoogste schavotje blijven staan.

Neem gerust een kijkje naar de pics , de dag voordien in de Lotto Arena (van onze vrienden van Indiestyle)
http://www.musiczine.net/nl/fotos/the-black-keys-23-01-2012/

Organisatie: Agauchedelalune, Lille (ism Radical Prod)

Boyz II Men

Boyz II Men - Zwarte nostalgie

Geschreven door

Nostalgie, het blijft een dodelijk efficiënt wapen en dito inkomstenbron in de muziek. Denk aan de vele zestigers, vijftigers en veertigers die hun spaarboekjes plunderen voor luxueuze (uiteraard ‘geremasterde’) heruitgaves van respectievelijk ‘The Beatles’, ‘Led Zeppelin’ en ‘U2’. Of aan de dertigers die hun in de jaren ’90 kapot gedraaide cassettes van ‘Nirvana’ en ‘Pearl Jam’ inruilen voor een gepolijst, digitaal exemplaar. Gelukkig viel er in de nineties ook nog andere muziek te beluisteren en een deel daarvan situeerde zich, ten opzichte van grunge, aan de andere kant van het muzikale spectrum: de zorgeloze, romantische, licht verteerbare en vaak behoorlijk kleffe R&B waarvan het Amerikaanse trio ‘Boyz II Men’ de onbetwiste vaandeldrager was.

We willen ze dan ook geen eten geven, het aantal niet meer al te jonge koppeltjes in het opvallend veelkleurige publiek die zich in de zo goed als uitverkochte AB nog eens dicht tegen elkaar aanschurkten tijdens de ballad  “I’ll Make Love To You”, een nummer waarvan de pathetiek, voor zover mogelijk, nog versterkt werd door het ronddelen van witte rozen.
Eerder al, nog vóór het trio Nathan Morris, Wanya Morris, and Shawn Stockman (in 2003 verliet het vierde lid Michael McCary de groep om gezondheidsredenen) uit Philadelphia op het podium verscheen, werden hun muzikale verdiensten in een heuse Amerikaanse presidentsverkiezing stijl op een groot scherm gebombardeerd: “most successfull male R&B act ever”, “more than 60 million albums sold worldwide”,… Associaties aan champagneslurpende, in zijden pyjama’s gehulde zwarten in witte limousines kwamen spontaan bovendrijven. Maar het moet gezegd:  Boyz II Men deden hun uiterste best om hun oprechte dankbaarheid te betuigen voor hun sterrenstatus die ze twintig jaar later nog steeds wereldwijd lijken te genieten: “Thank you for supporting us”, “Thank you from the bottom  of our hearts”, “We’ve never known we could become famous in Brussels”, … tot vervelens toe werd de stroop iedere keer na gemiddeld 3 nummers breed rond de mond gesmeerd, maar het publiek likkebaardde gretig.  
Polaroid beelden van spelende kinderen dikten de nostalgische sfeer verder aan tijdens classics als “On Bended Knee” en “Water Runs Dry”, al werd ook een handvol nieuwe nummers waaronder “More Than You Will Ever Know” niet geweerd in de set. Slim gezien trouwens om die op een nieuwe dubbel CD ‘Twenty’ uit te brengen met een compilatie van de grootste hits op het andere schijfje. 
Tussen de nummers door werd langdurig hulde gebracht aan alle grote Motown en andere soul legendes, waarbij uiteraard ‘Michael Jackson’ op het meest bijval kon rekenen. De jeugdige looks van de Boyz zelf waren met het verstrijken van de tijd voorgoed verleden tijd, al bood dat ook zijn voordelen.  Omdat de bandleden hun kraakwitte zomerse bermuda’s en kleurrijke polo’s van twintig jaar geleden tegenwoordig ingeruild hebben voor een grijs kostuum met strak ondervestje klonk hun ‘Four Tops’ medley (“It’s The Same Old Song”, Reach Out I’ll Be There) meteen een stuk geloofwaardiger.
Het zat er al een tijdje aan te komen, maar na “End Of The Road”, in 1992 goed voor liefst dertien weken onafgebroken nr.1 in de Amerikaanse Billboard Top 100, was de decibelmeter in de AB dringend aan vervanging toe. 

“Mission accomplished”, zagen we de heren van Boys II Men denken aan het eind, en ze hadden er, net als het publiek, duidelijk veel plezier aan beleefd.

Organisatie: Greenhouse Talent

The Walkabouts

The Walkabouts - dertig jaar in de running, muzikale ervaring zat en klasse etaleren!

Geschreven door

De uit Seattle afkomstige Walkabouts van het songschrijversduo Chris Eckman en Carla Torgerson zorgden ervoor dat americana en folkrock in de jaren ’90 samen pasten en gaven het een muzikaal gezicht. Al zo’n vijfentwintig jaar zijn ze actief, waarbij in de laatste tien jaar meer tijd werd uitgerokken voor solo-uitstapjes en talrijke samenwerkingen. De cd ‘Acetylene’ ,  zes jaar terug, bracht hen dan nog eens samen. ‘Travels in the dustland’ is er nu ook zo’n eentje,  een ‘bijoutje’ in het genre, alsof de klok terug stil stond in de nineties met grootse platen ‘Scavenger’ , ‘New West Motel’ en ‘Devil’s road’.

En in de liveset plaatsten ze nu net de spotlights op dit werk, naast de nieuwe cd . Een kleine twee uur lang namen ze ons mee op hun ‘on the road’ songs die de Triffids, Dream Syndicate, Steve Wynn , Cowboy Junkies en Gutterball samenbrachten . Ze trakteerden hun publiek op broeierige, spannende nummers en lieten ruimte voor verdieping en het gitaarwerk. Naast Eckman was ook Paul Austin van The Willard Grant Conspiracy van de partij, ook al een icoon in het genre! Verder zorgden Hammond toetsen, een intrigerende bas en een bezwerende drumpartij voor de klankkleur en emotionaliteit. De vocale capaciteit, de afwisselende en aanvullende vocals van de twee sing/songwriters Chris & Carla gaven zeggingskracht. Ouderwets goed, doorleefd, opwindend,  ingetogen en gevoelig . Carla verhoogde de intensiteit door handgebaren en Chris door het variërende, subtiele gitaarspel . We voelden vanavond aan dat ze een soort ‘Route 66’ ingeslagen waren …
Wat een happy weerzien op een Belgisch podium , met een muzikale triomftocht als gevolg…
Openers “Every river will burn” en “The dustlands” van de nieuwe plaat brachten ons meteen in de juiste sfeer . Wat gas werd teruggenomen op de sfeervolle “There are not like us” en “Follow me an angel” die ingehouden, sober en elegant werden gespeeld en die soms onderhuids een ‘Twin Peaks’ sfeertje en melodramatiek ademden . Het vakmanschap van het ganse collectief werd ondersteund. Op die manier werden we meegenomen op een rit met een reeks knappe songs . Op het broeierige “Thin of the air” pruttelde ‘the van’ even tegen, maar het technische probleem werd met flair en met enkele steken onder water tussen Chris & Carla opgelost.
De songs bouwden op , konden krachtiger klinken en durfden te exploderen, o.m. middenin de set met “Lazarus heart” en “Long drive in a slow machine”. Ze vormden de aanzet voor een Walkabouts rockende americana krachttoer, “The lights will stay on” , “Soul thief”, “Acetylene” en “My diviner” … Energie en Ontroering … Hoogtepunt vormde een lang uitgesponnen versie van “Jack Candy” uit ‘New West Motel (‘93) die ons letterlijk in een David Lynch ‘Lost Highway’ of ‘Blue Velvet’ dropte. “The stopping off place” was de eerste halte na anderhalf uur . Het warme onthaal deed de band smelten en ze kwamen nog een half uurtje terug met ingetogen “Horizon fade” en “Wild sky revelry”; twee meer obscure tracks vulden aan, “Grand theft auto”  (van de Sub Pop grunge reeks), een ouwe rocker die een fan verschillende keren riep toen ze nog voor drie man en een paardenkop speelden begin nineties, en een niet-Walkabout song, die wel binnen hun outfit paste …

The Walkabouts - Bijna dertig jaar in de running, muzikale ervaring zat en klasse etaleren … Ze staan op scherp … Oude chemie roest niet …

Support was Terry Lee Hale, die ook al regelmatig samenwerkte met The Walkabouts . Ze nemen de charismatische sing/sonschrijver graag mee op tour ; hij droeg één van z’n nummers op aan hen . Mooie, ingetogen americana/countryfolk , maar die spijtig genoeg onvoldoende bleef hangen …

Neem gerust een kijkje naar de pics
http://www.musiczine.net/nl/fotos/the-walkabouts-21-01-2012/

Organisatie: Handelsbeurs Gent

Echo & The Bunnymen

Echo & The Bunnymen en de kunst van de ingehouden arrogantie

Geschreven door

Arrogantie kan een mooie deugd zijn. Of om de notoire opschepper Ian McCullogh te citeren: “It would be a masterclass for anyone who's ever been in a band that isn't quite as good as the band I'm in". De muziekgeschiedenis spreekt McCullogh (Mac voor de vrienden) alvast niet tegen. De groep in kwestie, ECHO & THE BUNNYMEN, baarde in de eerste helft van de 80ies een stuk of vier klassieke albums op rij die intussen behoren tot het cultureel erfgoed van wat later Britpop zou gaan heten. De eerste twee uit dat rijtje, ‘Crocodiles’ (‘80) en ‘Heaven Up Here’ (‘81), worden deze winter door Mac & co van onder het stof gehaald voor een nieuw live offensief. Oude gloriën die hun classic album(s) nog eens integraal spelen, dat is uiteraard koren op de molen van de AB die sinds een paar jaar dergelijke groepen ook op Belgische bodem bestaansrecht geeft met de ‘Rewind’ concertreeksen.

Voor een band wiens recentste platen vliegensvlug in de soldenbakken verdwijnen klonken Echo & The Bunnymen afgelopen vrijdag plots toch weer even heel relevant. Bovendien had McCullogh duidelijk zijn dagje: zijn nasale klaagzang bleef even sterk nazinderen als in de begindagen, en tegen zijn gewoonte in kwam hij zelfs tot een aantal verdienstelijke pogingen om hier en daar een complimentje te maken aan het massaal opgekomen fanlegioen. Zo noemde hij Brussel na thuishaven Liverpool de tweede beste plaats ter wereld om op te treden, en tot spijt van de aanwezige N-VA aanhang liet McCullogh zich meerdere malen verleiden tot het scanderen van “Vive La Belgique”.
Van de oorspronkelijke groepsbezetting anno ’78 herkenden we naast McCullogh verder ook nog gitarist Will Sergeant die uiterst geconcentreerd alle echo effectjes minitieus invulde. De vier jonkies die McCullogh en Sergeant recruteerden om de rest van de honeurs waar te nemen maken van Echo & The Bunnymen anno 2012 een strakke en gretige live band die bijlange nog niet rijp is voor de Golden Years.
Tegen het decor van een reusachtig camouflagenet moest een onheilspellende intro van Gregoriaanse gezangen voor de juiste atmosfeer zorgen. Vanachter het rookgordijn volgden de postpunkparels uit het debuut ‘Crocodiles’ elkaar in ijl tempo op, zoals het hoort volgens de ‘Rewind’ formule in de juiste track orde van het album. De mosterd werd hier vooral gehaald uit de 60ies Nuggets catalogus: jachtige gitaren, psychedelische vocals, en hier en daar een spaarzaam orgeltje. Aan het nog steeds heel knappe “Villiers Terrace” werd bij wijze van illustratie zelfs een stukje “Roadhouse Blues” van The Doors gekoppeld. Diezelfde Doors kwamen even later ook om de hoek kijken op de debuutsingle “Pictures On My Wall”, een nummer dat voorts stijf staat van de referenties naar de belangrijkste band op dat moment, Joy Division.
Na het instant succes van ‘Crocodiles’ stonden Echo & The Bunnymen voor een dilemma: doorgroeien naar een stadiumact naar het voorbeeld van generatiegenoten U2 en Simple Minds, of toch maar verder graven naar dat eigen maar niet noodzakelijk commercieel succesvol geluid. Het werd de tweede optie. De onbezonnen punk mentaliteit en de jeugdige overmoed van het debuut maakten op het tweede album ‘Heaven Up Here’ plaats voor een pastoraal, weids en weemoedig geluid. We begrijpen trouwens nog steeds niet waarom opener “Show Of Strength” nooit op single is verschenen; ruim drie decennia na datum klinkt dit nummer nog steeds danig fris waardoor verdienstelijke copycats als Interpol en Editors ineens een stuk minder relevant worden. Ook andere prijsbeesten zoals het lang uitgesponnen “Over The Wall”, de bijna-hitsingle “A Promise” en het ultieme eerbetoon aan The Sound “All My Colours” maakten van Echo & The Bunnymen een kwartier lang weer heel even the best band in the world.

Heel even dreigden McCullogh & co hun eigen feestje te verpesten door doodleuk aan te kondigen dat de laatste nummers van ‘Heaven Up Here’ de setlist niet hadden gehaald ten behoeve van een aantal latere hits. Die encores werden weliswaar aardig op gang getrokken met het onverslijtbare “Bring On The Dancing Horses”, maar bereikten pijlsnel daarna een absoluut dieptepunt met de kleffe Coldplay pastische “Nothing Lasts Forever” dat bovendien onnodig werd ontsierd door een vloekende McCullogh die zich plots belachelijk druk ging maken om de reactie van een fan. Het bleek uiteindelijk niet meer dan een akkefietje in de beste traditie van de broertjes Gallagher, en McCullogh’s maats herpakten zich tijdig met “The Killing Moon” en “The Cutter”.

Slotsom: Echo & The Bunnymen bewezen met verve dat hun reputatie van postpunkinstituut en Britpop pioniers de tand des tijds heeft doorstaan. Ons advies voor de aanstormende generatie gitaargroepjes? Graag dat tikkeltje meer arrogantie, je weet tenslotte maar nooit waar het later goed voor is.

Organisatie: Ancienne Belgique, Brussel

Pagina 283 van 386